Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

SportSport Kernindicatoren

Sportdeelname wekelijks

Ruim de helft van de Nederlanders sport wekelijks

In 2016 deed 54% van de Nederlanders van 4 jaar en ouder wekelijks of vaker aan sport. Mannen (55%) sporten iets vaker dan vrouwen (52%). Nederlandse jongeren (12 -20 jaar) sporten het meest (70%). Vanaf 12 jaar neemt het percentage Nederlanders dat minimaal wekelijks sport af met de leeftijd. 

Meer informatie

Experts en redactie

Sportdeelname wekelijks naar leeftijd en geslacht

Aantal volwassenen dat wekelijks sport neemt sterk af met de leeftijd

Het percentage Nederlanders dat wekelijks of vaker sport neemt vanaf 12 jaar af met de leeftijd. Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. In 2016 was het percentage 12-18 jarige jongens (74%) en meisjes (68%) dat wekelijks of vaker sport bijna twee keer zo groot vergeleken met mannen (38%) en vrouwen (36%) van 65 jaar en ouder. Tussen 4 en 30 jaar sporten mannen iets vaker dan vrouwen. Vanaf 30 jaar is het aantal mannen en vrouwen dat wekelijks sport nagenoeg gelijk.

Meer informatie

Experts en redactie

Sportdeelname wekelijks naar chronische aandoening en/of lichamelijke beperking

Mensen met lichamelijke beperking sporten minder vaak wekelijks

In 2016 was het percentage mensen met een lichamelijke beperking (motorisch, auditief, visueel) en/of een chronische aandoening dat wekelijks sport lager dan het percentage mensen zonder aandoening of beperking. Nederlanders met zowel een lichamelijke beperking als een chronische aandoening sporten het minst vaak wekelijks. Dit komt overeen met de cijfers uit 2014.

Meer informatie

Experts en redactie

Trend sportdeelname wekelijks

Wekelijkse sportdeelname stabiel

Tussen 2001 en 2016 is het percentage Nederlanders van 12 tot en met 79 jaar dat wekelijks aan sport doet stabiel.

Meer informatie

 

Experts en redactie

Trend sportdeelname wekelijks naar leeftijd

Wekelijkse sportdeelname naar leeftijd stabiel

Tussen 2014 en 2016 is het percentage Nederlands dat wekelijks of vaker aan sport doet stabiel naar leeftijd. Dit geldt ook voor de totale groep Nederlanders van 12 jaar en ouder.

Meer informatie

Experts en redactie

Trend sportdeelname wekelijks naar opleidingniveau

Hoogopgeleiden sporten vaker wekelijks

In 2016 was in Nederland het percentage hoogopgeleiden dat wekelijks sport ruim twee keer zo groot als het percentage laagopgeleiden. Dit komt overeen met cijfers uit 2014 en 2015.

Meer informatie

 

Experts en redactie

Sportdeelname 12 keer per jaar

7 op de 10 Nederlanders sport minstens 12 keer per jaar

In 2016 deed 70% van de Nederlandse bevolking van 6 jaar en ouder minstens 12 keer per jaar aan sport (RSO-norm). In 2014 was dit percentage even hoog, in 2012 was dit percentage iets hoger, namelijk 73%. Mannen voldoen iets vaker aan de RSO-norm dan vrouwen. Dit beeld komt overeen met cijfers uit 2012 en 2014.

Meer informatie

 

Sportdeelname 12 keer per jaar naar leeftijd

Sportdeelname van jongeren groter dan van ouderen

De sportdeelname volgens de RSO-norm neemt ook in 2016 af met het oplopen van de leeftijd. Bij de meeste leeftijdsgroepen is in de afgelopen jaren geen verandering te zien. Alleen het aandeel 12-19 jarigen en 55-64 jarigen dat minstens 12 keer per jaar sport is in 2016 lager dan in de voorgaande twee metingen. 

Meer informatie

Sportdeelname 12 keer per jaar naar opleidingsniveau

Hoogopgeleiden sporten vaker dan middelbaar en laagopgeleiden

In 2016 sportte 79% van de hoogopgeleiden 12 keer per jaar of vaker (RSO-norm), terwijl dit onder laagopgeleiden 45% is. De sportdeelname van middelbaar opgeleiden ligt daar tussen in. Dit komt overeen met cijfers uit 2012 en 2014 uitgezonderd voor de middelbaar opgeleiden. Hun sportdeelname ligt in 2016 lager dan in de voorgaande metingen.

Meer informatie

 

 

Sportdeelname 12 keer per jaar naar chronische aandoening en/of lichamelijke beperking

Mensen met een aandoening of beperking sporten minder vaak

In 2016 was het percentage mensen met een chronische aandoening of een lichamelijke beperking (motorisch, auditief, visueel) dat minstens 12 keer per jaar sport (RSO-norm) lager dan het percentage mensen zonder chronische aandoening of beperking. Dit komt overeen met cijfers uit 2012 en 2014.

Meer informatie

Clublidmaatschap

Eén op de drie Nederlanders is lid van een sportvereniging

In 2016 gaf 31% van de Nederlandse bevolking van 6 jaar en ouder aan lid te zijn van een sportvereniging. Dit komt overeen met cijfers uit 2012 en 2014. Mannen zijn iets vaker lid van een sportvereniging dan vrouwen. 

Meer informatie

Clublidmaatschap naar leeftijd

Clublidmaatschap van jongeren groter dan van ouderen

In 2016 is het percentage jongeren (< 20 jaar) dat lid is van een sportvereniging twee keer zo groot als het percentage volwassenen (20 jaar en ouder). Voor de groep 20 jaar en ouder komt dit beeld komt overeen met cijfers uit 2012 en 2014. In dezelfde periode is er voor 12-19 jarigen een afname in clublidmaatschap zichtbaar is.

Meer informatie

Clublidmaatschap naar opleidingsniveau

Laagopgeleiden minder vaak lid van een sportvereniging

In 2016 was het aandeel hoogopgeleide Nederlanders dat lid is van een sportvereniging twee keer zo groot als het aandeel laagopgeleiden. Dit komt overeen met cijfers uit 2012 en 2014.

Meer informatie

Clublidmaatschap naar chronische aandoening en/of lichamelijke beperking

Mensen met een aandoening of beperking zijn minder vaak lid van een sportvereniging

In 2016 was het percentage mensen met een chronische aandoening of lichamelijke beperking (motorisch, auditief, visueel) dat lid is van een sportvereniging lager dan het percentage mensen zonder chronische aandoening of beperking. Dit percentage is stabiel ten opzichte van 2012 en 2014.

Meer informatie

Verantwoording

Definities
  • Normen en adviezen voor sport en bewegen

    Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB)

    • NNGB voor kinderen en jongeren ( 4 t/m 17 jaar): dagelijks minimaal één uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 5 MET), waarbij minimaal twee keer per week kracht-, lenigheid- en coördinatieoefeningen voor het verbeteren of handhaven van de lichamelijke fitheid.
    • NNGB voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 4 MET) op minimaal 5 dagen per week.
    • NNGB voor ouderen (55 jaar en ouder): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 3 MET) op minimaal 5 dagen per week.

    Fitnorm

    • Fitnorm voor kinderen en jongeren ( 4 t/m 17 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 8 MET).
    • Fitnorm voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 6,5 MET).
    • Fitnorm voor ouderen (55 jaar en ouder): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 5 MET).

    Combinorm

    De optelsom van de NNGB en de fitnorm. Iemand voldoet aan de combinorm wanneer hij/zij aan tenminste aan één van de beide normen voldoet (Kemper et al., 2000; Ooijendijk et al., 2007).

    Zitgedrag / sedentair gedrag

    Onder zitgedrag wordt gedrag verstaan met een erg laag energieverbruik, zoals televisie kijken, computeren, zitten op school of op het werk en liggen. In de internationale literatuur wordt een afkappunt van 1,5 MET voorgesteld in combinatie met een zittende of liggende houding (SBRN, 2012; WHO, 2010). Kinderen van 4 tot 17 jaar krijgen het advies niet langer dan twee uur per dag te computeren en/of televisie/dvd kijken. Voor volwassenen zijn nog geen adviezen voor sedentair gedrag (Hendriksen et al., 2013).

    Sedentair gedrag wordt geregeld verward met lichamelijke inactiviteit, terwijl sedentair gedrag en lichamelijke inactiviteit twee verschillende gedragingen zijn met verschillende determinanten. Wie voldoende lichamelijk actief is volgens de beweegnormen, kan toch te veel sedentair gedrag vertonen (WHO, 2010).

    Wekelijkse sporter

    Iemand die 1 keer per week of vaker aan sport doet.

    RSO-richtlijn voor sport

    Los van de bovenstaande set aan normen en richtlijnen bestaat de Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO). Het gaat hier om een gestandaardiseerde vragenlijst waarmee de frequentie van sporten, sporttak, sportvorm, organisatievorm en accommodatiebenutting van grote bevolkingsgroepen in kaart wordt gebracht. De RSO definieert iemand als een sporter als hij in de afgelopen twaalf maanden ten minste twaalf keer heeft gesport. De norm is niet gerelateerd aan beweging of een gezondheidsbevorderende waarde, maar een ondergrens om iemand te kwalificeren als sporter. De duur, intensiteit en frequentie spelen geen rol bij de RSO-richtlijn. Dit betekent dat iemand een sporter kan zijn zonder hiervoor in beweging te komen (Hoekman & van den Dool, 2010).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Kemper HCG, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M. Consensus over de Nederlandse norm voor gezond bewegen . Ede: Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB); 2000. Bron
    2. Ooijendijk WTM, Hildebrandt VH, Hopman-Rock M. Bewegen in Nederland 2000-2005. In: Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Hopman-Rock M. (Red.). Trendrapport Bewegen en gezondheid 2004/2005 ed. Hoofddorp / Leiden: TNO; 2007. Bron
    3. WHO. Global Recommendations on Physical Activity for Health. Geneva: World Health Organization; 2010. Bron
    4. Hendriksen I, Bernaards C, Hildebrandt VH, Hofstetter H. Lichamelijke inactiviteit en sedentair gedrag in Nederland 2000-2011. In: Trendrapport Bewegen en Gezondheid 2010/2011, hoofdstuk 3 ed. Leiden: TNO; 2013. Bron
    5. Hoekman R, van den Dool R. Bewegen in Nederland: het belang van sport. Den Bosch: Mulier Instituut; 2010. Bron
  • Sportblessure

    Een sportblessure is een letsel dat ontstaat door een plotselinge gebeurtenis tijdens sportbeoefening of dat geleidelijk ontstaat ten gevolge van het sporten. Letsels die tijdens schoolsport en bij sportbeoefening onder werktijd ontstaan behoren ook tot de sportblessures. Letsel opgelopen tijdens het bekijken van sportwedstrijden worden niet tot de sportblessures gerekend.

  • Sporteconomie

    Naast de bedrijfstak sport zijn ook andere bedrijfstakken actief in het produceren van sportactiviteiten en allerlei aanvullende goederen en diensten die voor sport en sportbeoefening nodig zijn of hieruit voortvloeien. Vanuit deze brede definitie omvat de sporteconomie bijvoorbeeld ook de lessen lichamelijke opvoeding  binnen het onderwijs en de productie en consumptie van sportkleding en sportartikelen. Bovenstaande, aangevuld met datgene wat voortvloeit uit het 'bestaan' van sport in een samenleving zoals sportbijlagen in kranten, sportuitzendingen op tv, gezondheidszorg gerelateerd aan sportblessures en horeca-uitgaven van sporters en bezoekers van sportevenementen, vormt de brede definitie van de sporteconomie.

    Alleen de sportgerelateerde productie die bestemd is voor finale besteding wordt meegerekend. Producten die dienen als input voor een andere sportproducent (het zogenaamde intermediair verbruik) tellen niet mee. Voorbeelden van dit laatste zijn materialen voor sportschoenen of sportfietsen die onderdeel zijn van de uiteindelijke sportschoen of -fiets.

  • Bruto binnenlands product

    Het bruto binnenlands product (bbp) tegen marktprijzen is een maat voor de omvang van de economie. Het bbp kan vanuit het oogpunt van de bestedingen gedefinieerd worden als de som van de finale bestedingen aan goederen en diensten door ingezetenen van Nederland (consumptie en bruto-investeringen) en het saldo van uitvoer en invoer van goederen en diensten (CBS, 2015).

  • Sportprestatieverhogende middelen

    Aandeel van de wekelijkse sporters van 15 jaar en ouder dat aangeeft in het afgelopen jaar sportprestatieverhogende middelen te hebben gebruikt. Dit kunnen zowel dopinggeduide middelen (bv. anabole steroiden en EPO) als sportvoedingssupplementen (bv. supplementen met creatine of eiwit) zijn. 

Bronverantwoording
  • Databestand SportAanbod

    De analyse van het Databestand SportAanbod wordt in 2018 opnieuw uitgevoerd op basis van gegevens uit eind 2017. Nieuwe cijfers worden medio 2018 verwacht.

  • Vrijetijdsomnibus

    Gegevens over de volgende kernindicatoren sport en bewegen zijn afkomstig uit de Vrijetijdsomnibus (VTO): 

    • maandelijkse sportdeelname
    • clublidmaatschap
    • tevredenheid sport- en beweegaanbod
    • vrijwilligerswerk in de sport
    • veilig voelen tijdens en rond sportwedstrijden
    • wangedrag in de sport
    • bezoek van sportwedstrijden
    • het volgen van sport via media

    De VTO is een vragenlijstonderzoek dat het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uitvoert onder de Nederlandse bevolking. Doel van dit onderzoek is om ontwikkelingen in kernindicatoren voor sport- en cultuurbeleid in Nederland vast te stellen. Het VTO-veldwerk is nu twee keer uitgevoerd. De eerste ronde vond plaats in de periode november 2012 tot en met februari 2013 onder 3138 personen van 6 jaar en ouder (respons bedroeg 59%). De dataverzameling voor de tweede meting vond plaats van november 2014 tot en met maart 2015 onder 3031 personen van 6 jaar en ouder (respons bedroeg 55%). De derde ronde vond plaats in de periode november 2016 tot en met februari 2017 onder 3100 personen van 6 jaar en ouder (respons bedroeg 67%).

    De te meten variabelen zijn in overleg met vertegenwoordigers van de sport- en cultuursector en de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (OC&W en VWS) tot stand gekomen. Het VTO onderzoek is in meerdere opzichten anders dan eerder SCP-onderzoek (Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek, AVO), zodat geen vergelijking met die eerdere gegevens mogelijk is. In 2018 zal een nieuwe dataverzameling (derde ronde) plaats vinden. De resultaten worden in 2019 verwacht.

    De VTO-vragenlijst 2012, 2014 en 2016 zijn beschikbaar op www.scp.nl. Op de website van het SCP is ook meer informatie te vinden over het VTO onderzoek.

    Contact VTO/SCP: a.tiessen-raaphorst@scp.nl en i.pulles@scp.nl 

  • Gezondheidsenquête (GE) / Leefstijlmonitor (LSM)

    Gegevens over de volgende kernindicatoren sport en bewegen zijn afkomstig uit de Leefstijlmonitor:

    • voldoen aan de beweegnormen
    • wekelijkse sportdeelname
    • zitten
    • gebruik sportprestatieverhogende middelen

    De Leefstijlmonitor levert dé kerncijfers over leefstijl in Nederland. In de Leefstijlmonitor werken partijen samen die zich bezig houden met leefstijl. De Leefstijlmonitor is opgezet in opdracht van VWS en wordt gecoördineerd door het RIVM.

    Een belangrijke leverancier voor de cijfers in de Leefstijlmonitor (LSM) is de CBS Gezondheidsenquête (GE). De GE is een vragenlijstonderzoek onder de Nederlandse bevolking dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) jaarlijks uitvoert sinds 1981. Doel van de GE is om een zo volledig mogelijk overzicht te geven van ontwikkelingen in de gezondheid, medische contacten, leefstijl en deelname aan (preventief) gezondheidsonderzoek in Nederland. Tussen 1997 en 2010 maakte de enquête deel uit van het Permanent Onderzoek LeefSituatie (POLS) als de module Gezondheid. Sinds 2010 wordt de GE als op zichzelf staand onderzoek uitgevoerd. Vanaf 2014 geldt dat de GE jaarlijks circa 9.500 respondenten heeft, bij een responspercentage van ruim 60%

    Gegevens over de kernindicator voldoen aan de beweegnormen en wekelijkse sportdeelname zijn afkomstig uit de kernmodule van de Leefstijlmonitor CBS, i.s.m. RIVM. Deze kernmodule wordt elk jaar uitgevoerd. 

    Gegevens over de kernindicator zitgedrag zijn afkomstig uit de aanvullende module bewegen en ongevallen van de Leefstijlmonitor RIVM, i.sm. VeiligheidNL en CBS. Deze aanvullende module werd voor het eerst afgenomen in 2015 en wordt elke twee jaar herhaald. 

    Gegevens over de kernindicator sportprestatieverhogende middelen zijn afkomstig uit de aanvullende module middelengebruik van de Leefstijlmonitor RIVM, i.s.m. Trimbos Instituut en CBS. In deze module wordt gebruik van de volgende middelen bevraagd: tabak, alcohol, drugs en sport-prestatieverhogende. Deze aanvullende module werd voor het eerst in 2016 afgenomen en wordt elke twee jaar herhaald. 

    De vragenlijsten van de kernmodule en de aanvullende modules (vraagteksten en schema’s) zijn beschikbaar op www.cbs.nl.

    Meer informatie

    Contact

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
Methoden
  • Kernindicator Beweegnorm en Wekelijkse sporter

    Of aan de Beweegrichtlijnen 2017 wordt voldaan is vastgesteld met behulp van de SQUASH-vragenlijst. Ook wekelijkse sportdeelname is hiermee vastgesteld. In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden aan te geven hoeveel dagen per week een bepaalde activiteit is verricht en hoeveel tijd (uren en minuten) men daar gemiddeld op zo’n dag mee bezig is geweest. De volgende activiteiten worden bevraagd:

    1. Lopen naar werk en/of school
    2. Fietsen naar werk en/of school
    3. Lichamelijke activiteit op werk en school
    4. Huishoudelijke activiteiten
    5. Vrije tijd: Wandelen, Fietsen, Tuinieren, Klussen/Doe-het-zelven, Sporten

    Bij sport kan een respondent maximaal vier sporttakken opgeven. Per sporttak wordt vervolgens gevraagd naar de tijd (dagen per week, uren en minuten per dag) die men daaraan doorgaans besteedt. 

  • Kernindicator Beweegvriendelijke omgeving

    De kernindicator Beweegvriendelijke omgeving laat zien hoe de publieke ruimte in de fysieke woonomgeving scoort (op een vijfpuntschaal) op de mogelijkheid voor mensen om te sporten en te bewegen.

    De kernindicator is opgebouwd uit 6 deelindicatoren. 

    1. Publieke sportaccommodaties
    2. Sport- en speelplekken
    3. Sport-, speelruimtes
    4. Routes (paden)
    5. Buitengebied
    6. Nabijheid van voorzieningen

    De kernindicator is opgebouwd uit 6 deelindicatoren die afzonderlijk op een vijfpuntschaal zijn beoordeeld. De score op de kernindicator is het gemiddelde van de scores op de zes deelindicatoren.

    De kernindicator is in 2015 voor het eerst bepaald. Het absolute getal krijgt betekenis door het volgen van de kernindicator in de tijd en is nu vooral interessant voor het vergelijken van bijvoorbeeld gemeentes.

  • Kernindicator Sportaccommodaties

    De kernindicator Sportaccommodaties geeft de dichtheid van sportaccommodaties per 10.000 inwoners weer. In de bepaling van deze waarde zijn reguliere accommodaties voor actieve sportbeoefening door amateurs meegenomen. Hierbij is rekening gehouden met verschillen in de diversiteit en capaciteit per type sportaccommodaties. Een sporthal is bijvoorbeeld geschikt voor meer sportdisciplines dan een rugbyveld. En op een tennispark met 5 banen kunnen minder mensen tegelijkertijd sporten dan op een tennis park met 15 banen.

    De kernindicator is in 2015 voor het eerst bepaald. Het absolute getal krijgt betekenis door het volgen van de kernindicator in de tijd en is nu vooral interessant voor het vergelijken van regio’s.

  • Kernindicator Zitgedrag

    De kernindicator zitgedrag is nagevraagd met een aangepaste versie van de Marshall vragenlijst. In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden de gemiddelde tijd te schatten die op een doordeweekse dag en op een weekenddag zittend besteed wordt aan de volgende vijf activiteiten: tijdens 1) vervoer, 2) school, studie of werk, 3) televisie kijken, 4) thuis een computer of tablet gebruik en 5) andere vrijetijdsbestedingen.

    Bron:

    Marshall AL, Miller YD, Burton NW, Brown WJ. Measuring total and domain-specific sitting: a study of reliability and validity. Med Sci Sports Exerc 2010;42:1094–1102

  • Kernindicator Sportprestatieverhogende middelen

    Gebruik van prestatieverhogende middelen in de sport is nagevraagd met behulp van een vragenlijst. Hierbij werd gedoeld op middelen die worden gebruikt om een slank of gespierd lichaam te krijgen, of om de duurprestatie te verbeteren.

    Er wordt gevraagd of respondenten ooit of in de afgelopen 12 maanden sportprestatieverhogende middelen hebben gebruikt. Vervolgens wordt type middel nagevraagd, hoe men aan het middel gekomen is en reden van gebruik. Daarnaast wordt gevraagd of er gezondheidsklachten zijn opgetreden door het gebruik en of hier medische hulp voor ingeroepen is. Tot slot wordt gevraagd of men van plan is om in de toekomst sportprestatieverhogende middelen te gebruiken.

    De volgende zes type middelen zijn afzonderlijk bevraagd:

    1. Anabole-androgene steroïden, zoals testosteron, nandrolon of stanozolol
    2. Prohormonen van anabolen, zoals DHEA of androsteendion
    3. Groeihormonen of insuline
    4. Schildklierpreparaten, zoals levothyroxine of t3
    5. Amfetamine, cocaïne, of efedrine
    6. EPO

    Daarnaast was er de mogelijkheid om een ander sportprestatieverhogend middel te rapporteren.