Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

SportSport Kernindicatoren

Risico sportblessure

Blessurerisico naar leeftijd en geslacht

Bevolking 4-79 jaar
LeeftijdscategorieManVrouw
0-90,620,47
10-1421,7
15-193,43,5
20-243,43,4
25-293,42,6
30-344,42
35-3933,2
40-442,62,3
45-492,81,4
50-541,91,5
55-591,51
60-640,90,39
65 en ouder0,240,07

Bron: VeiligheidNL (OBiN 2013)

Omvang sportblessures in Nederland

In 2013 ontstonden er iedere 1.000 uur dat er gesport werd twee blessures. Van alle geblesseerde sporters is bijna twee derde (61%) man. Het blessurerisico, gemeten in het aantal blessures per 1.000 uur sport, is voor sporters tussen de 15 en 39 jaar groter dan voor andere leeftijdsgroepen. Mannen tussen de 30 en 34 jaar lopen het meeste risico op een sportblessure.

Blessures naar type sport

Hardlopen, volleybal, veldvoetbal en vechtsporten zijn sporten met een relatief groot risico op blessures. Iedere 1.000 uur dat deze sporten beoefend werden ontstonden 5,3 hardloopblessures, 5,1 volleybalblessures en 4,3 veldvoetbalblessures en vechtsportblessures. Van het totaal aantal sportblessures betreft het grootste deel knieblessures (21%), gevolgd door enkelblessures (15%).

 

Meer informatie

Verantwoording

Definities
  • Normen en adviezen voor sport en bewegen

    Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB)

    • NNGB voor kinderen en jongeren ( 4 t/m 17 jaar): dagelijks minimaal één uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 5 MET), waarbij minimaal twee keer per week kracht-, lenigheid- en coördinatieoefeningen voor het verbeteren of handhaven van de lichamelijke fitheid.
    • NNGB voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 4 MET) op minimaal 5 dagen per week.
    • NNGB voor ouderen (55 jaar en ouder): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 3 MET) op minimaal 5 dagen per week.

    Fitnorm

    • Fitnorm voor kinderen en jongeren ( 4 t/m 17 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 8 MET).
    • Fitnorm voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 6,5 MET).
    • Fitnorm voor ouderen (55 jaar en ouder): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 5 MET).

    Combinorm

    De optelsom van de NNGB en de fitnorm. Iemand voldoet aan de combinorm wanneer hij/zij aan tenminste aan één van de beide normen voldoet (Kemper et al., 2000; Ooijendijk et al., 2007).

    Zitgedrag / sedentair gedrag

    Onder zitgedrag wordt gedrag verstaan met een erg laag energieverbruik, zoals televisie kijken, computeren, zitten op school of op het werk en liggen. In de internationale literatuur wordt een afkappunt van 1,5 MET voorgesteld in combinatie met een zittende of liggende houding (SBRN, 2012; WHO, 2010). Kinderen van 4 tot 17 jaar krijgen het advies niet langer dan twee uur per dag te computeren en/of televisie/dvd kijken. Voor volwassenen zijn nog geen adviezen voor sedentair gedrag (Hendriksen et al., 2013).

    Sedentair gedrag wordt geregeld verward met lichamelijke inactiviteit, terwijl sedentair gedrag en lichamelijke inactiviteit twee verschillende gedragingen zijn met verschillende determinanten. Wie voldoende lichamelijk actief is volgens de beweegnormen, kan toch te veel sedentair gedrag vertonen (WHO, 2010).

    Wekelijkse sporter

    Iemand die 1 keer per week of vaker aan sport doet.

    RSO-richtlijn voor sport

    Los van de bovenstaande set aan normen en richtlijnen bestaat de Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO). Het gaat hier om een gestandaardiseerde vragenlijst waarmee de frequentie van sporten, sporttak, sportvorm, organisatievorm en accommodatiebenutting van grote bevolkingsgroepen in kaart wordt gebracht. De RSO definieert iemand als een sporter als hij in de afgelopen twaalf maanden ten minste twaalf keer heeft gesport. De norm is niet gerelateerd aan beweging of een gezondheidsbevorderende waarde, maar een ondergrens om iemand te kwalificeren als sporter. De duur, intensiteit en frequentie spelen geen rol bij de RSO-richtlijn. Dit betekent dat iemand een sporter kan zijn zonder hiervoor in beweging te komen (Hoekman & van den Dool, 2010).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Kemper HCG, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M. Consensus over de Nederlandse norm voor gezond bewegen . Ede: Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB); 2000. Bron
    2. Ooijendijk WTM, Hildebrandt VH, Hopman-Rock M. Bewegen in Nederland 2000-2005. In: Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Hopman-Rock M. (Red.). Trendrapport Bewegen en gezondheid 2004/2005 ed. Hoofddorp / Leiden: TNO; 2007. Bron
    3. WHO. Global Recommendations on Physical Activity for Health. Geneva: World Health Organization; 2010. Bron
    4. Hendriksen I, Bernaards C, Hildebrandt VH, Hofstetter H. Lichamelijke inactiviteit en sedentair gedrag in Nederland 2000-2011. In: Trendrapport Bewegen en Gezondheid 2010/2011, hoofdstuk 3 ed. Leiden: TNO; 2013. Bron
    5. Hoekman R, van den Dool R. Bewegen in Nederland: het belang van sport. Den Bosch: Mulier Instituut; 2010. Bron
  • Sportblessure

    Een sportblessure is een letsel dat ontstaat door een plotselinge gebeurtenis tijdens sportbeoefening of dat geleidelijk ontstaat ten gevolge van het sporten. Letsels die tijdens schoolsport en bij sportbeoefening onder werktijd ontstaan behoren ook tot de sportblessures. Letsel opgelopen tijdens het bekijken van sportwedstrijden worden niet tot de sportblessures gerekend.

  • Sporteconomie

    Naast de bedrijfstak sport zijn ook andere bedrijfstakken actief in het produceren van sportactiviteiten en allerlei aanvullende goederen en diensten die voor sport en sportbeoefening nodig zijn of hieruit voortvloeien. Vanuit deze brede definitie omvat de sporteconomie bijvoorbeeld ook de lessen lichamelijke opvoeding  binnen het onderwijs en de productie en consumptie van sportkleding en sportartikelen. Bovenstaande, aangevuld met datgene wat voortvloeit uit het 'bestaan' van sport in een samenleving zoals sportbijlagen in kranten, sportuitzendingen op tv, gezondheidszorg gerelateerd aan sportblessures en horeca-uitgaven van sporters en bezoekers van sportevenementen, vormt de brede definitie van de sporteconomie.

    Alleen de sportgerelateerde productie die bestemd is voor finale besteding wordt meegerekend. Producten die dienen als input voor een andere sportproducent (het zogenaamde intermediair verbruik) tellen niet mee. Voorbeelden van dit laatste zijn materialen voor sportschoenen of sportfietsen die onderdeel zijn van de uiteindelijke sportschoen of -fiets.

  • Bruto binnenlands product

    Het bruto binnenlands product (bbp) tegen marktprijzen is een maat voor de omvang van de economie. Het bbp kan vanuit het oogpunt van de bestedingen gedefinieerd worden als de som van de finale bestedingen aan goederen en diensten door ingezetenen van Nederland (consumptie en bruto-investeringen) en het saldo van uitvoer en invoer van goederen en diensten (CBS, 2015).

Bronverantwoording
  • Databestand SportAanbod

    De analyse van het Databestand SportAanbod wordt in 2018 opnieuw uitgevoerd op basis van gegevens uit eind 2017. Nieuwe cijfers worden medio 2018 verwacht.

  • Vrijetijdsomnibus

    Gegevens over de volgende kernindicatoren sport en bewegen zijn afkomstig uit de Vrijetijdsomnibus (VTO): 

    • maandelijkse sportdeelname
    • clublidmaatschap
    • tevredenheid sport- en beweegaanbod
    • vrijwilligerswerk in de sport
    • veilig voelen tijdens en rond sportwedstrijden
    • wangedrag in de sport
    • bezoek van sportwedstrijden
    • het volgen van sport via media

    De VTO is een vragenlijstonderzoek dat het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uitvoert onder de Nederlandse bevolking. Doel van dit onderzoek is om ontwikkelingen in kernindicatoren voor sport- en cultuurbeleid in Nederland vast te stellen. Het VTO-veldwerk is nu twee keer uitgevoerd. De eerste ronde vond plaats in de periode november 2012 tot en met februari 2013 onder 3138 personen van 6 jaar en ouder (respons bedroeg 59%). De dataverzameling voor de tweede meting vond plaats van november 2014 tot en met maart 2015 onder 3031 personen van 6 jaar en ouder (respons bedroeg 55%). De te meten variabelen zijn in overleg met vertegenwoordigers van de sport- en cultuursector en de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (OC&W en VWS) tot stand gekomen. Het VTO onderzoek is in meerdere opzichten anders dan eerder SCP-onderzoek (Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek, AVO), zodat geen vergelijking met die eerdere gegevens mogelijk is. In 2016 zal een nieuwe dataverzameling (derde ronde) plaats vinden. De resultaten worden in 2017 verwacht.

    De VTO-vragenlijst 2012 en 2014 is beschikbaar op www.scp.nl. Op de website van het SCP is ook meer informatie te vinden over het VTO onderzoek.

    Contact VTO/SCP: a.tiessen-raaphorst@scp.nl

  • Gezondheidsenquête (GE) / Leefstijlmonitor (LSM)

    Gegevens over de volgende kernindicatoren sport en bewegen zijn afkomstig uit de Leefstijlmonitor:

    • voldoen aan de beweegnormen
    • wekelijkse sportdeelname

    De Leefstijlmonitor levert dé kerncijfers over leefstijl in Nederland. In de Leefstijlmonitor werken partijen samen die zich bezig houden met leefstijl. De Leefstijlmonitor is opgezet in opdracht van VWS en wordt gecoördineerd door het RIVM.

    Een belangrijke leverancier voor de cijfers in de Leefstijlmonitor (LSM) is de CBS Gezondheidsenquête (GE). De GE is een vragenlijstonderzoek onder de Nederlandse bevolking dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) jaarlijks uitvoert sinds 1981. Doel van de GE is om een zo volledig mogelijk overzicht te geven van ontwikkelingen in de gezondheid, medische contacten, leefstijl en deelname aan (preventief) gezondheidsonderzoek in Nederland. Tussen 1997 en 2010 maakte de enquête deel uit van het Permanent Onderzoek LeefSituatie (POLS) als de module Gezondheid. Sinds 2010 wordt de GE als op zichzelf staand onderzoek uitgevoerd. Vanaf 2014 geldt dat de GE jaarlijks circa 9.500 respondenten heeft, bij een responspercentage van ruim 60%

    De Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor wordt elk jaar uitgevoerd. Nieuwe gegevens worden medio 2018 verwacht. De GE vragenlijsten (vraagteksten en schema’s) zijn beschikbaar op www.cbs.nl.

     

    Meer informatie

    Contact

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
Methoden
  • Kernindicator Beweegnorm en Wekelijkse sporter

    Of aan de beweegnorm (NNGB), fitnorm en combinorm wordt voldaan is vastgesteld met behulp van de SQUASH-vragenlijst. Ook wekelijkse sportdeelname is hiermee vastgesteld. In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden aan te geven hoeveel dagen per week een bepaalde activiteit is verricht en hoeveel tijd (uren en minuten) men daar gemiddeld op zo’n dag mee bezig is geweest. De volgende activiteiten worden bevraagd:

    1. Lopen naar werk en/of school
    2. Fietsen naar werk en/of school
    3. Lichamelijke activiteit op werk en school
    4. Huishoudelijke activiteiten
    5. Vrije tijd: Wandelen, Fietsen, Tuinieren, Klussen/Doe-het-zelven, Sporten

    Bij sport kan een respondent maximaal vier sporttakken opgeven. Per sporttak wordt vervolgens gevraagd naar de tijd (dagen per week, uren en minuten per dag) die men daaraan doorgaans besteedt. 

  • Kernindicator Beweegvriendelijke omgeving

    De kernindicator Beweegvriendelijke omgeving laat zien hoe de publieke ruimte in de fysieke woonomgeving scoort (op een vijfpuntschaal) op de mogelijkheid voor mensen om te sporten en te bewegen.

    De kernindicator is opgebouwd uit 6 deelindicatoren. 

    1. Publieke sportaccommodaties
    2. Sport- en speelplekken
    3. Sport-, speelruimtes
    4. Routes (paden)
    5. Buitengebied
    6. Nabijheid van voorzieningen

    De kernindicator is opgebouwd uit 6 deelindicatoren die afzonderlijk op een vijfpuntschaal zijn beoordeeld. De score op de kernindicator is het gemiddelde van de scores op de zes deelindicatoren.

    De kernindicator is in 2015 voor het eerst bepaald. Het absolute getal krijgt betekenis door het volgen van de kernindicator in de tijd en is nu vooral interessant voor het vergelijken van bijvoorbeeld gemeentes.

  • Kernindicator Sportaccommodaties

    De kernindicator Sportaccommodaties geeft de dichtheid van sportaccommodaties per 10.000 inwoners weer. In de bepaling van deze waarde zijn reguliere accommodaties voor actieve sportbeoefening door amateurs meegenomen. Hierbij is rekening gehouden met verschillen in de diversiteit en capaciteit per type sportaccommodaties. Een sporthal is bijvoorbeeld geschikt voor meer sportdisciplines dan een rugbyveld. En op een tennispark met 5 banen kunnen minder mensen tegelijkertijd sporten dan op een tennis park met 15 banen.

    De kernindicator is in 2015 voor het eerst bepaald. Het absolute getal krijgt betekenis door het volgen van de kernindicator in de tijd en is nu vooral interessant voor het vergelijken van regio’s.

  • Kernindicator Zitgedrag

    De kernindicator zitgedrag is nagevraagd met een aangepaste versie van de Marshall vragenlijst. In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden de gemiddelde tijd te schatten die op een doordeweekse dag en op een weekenddag zittend besteed wordt aan de volgende vijf activiteiten: tijdens 1) vervoer, 2) school, studie of werk, 3) televisie kijken, 4) thuis een computer of tablet gebruik en 5) andere vrijetijdsbestedingen.

    Bron:

    Marshall AL, Miller YD, Burton NW, Brown WJ. Measuring total and domain-specific sitting: a study of reliability and validity. Med Sci Sports Exerc 2010;42:1094–1102

Andere websites over Sport Kernindicatoren