Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

SportSport Kernindicatoren

Bewegingsonderwijs primair onderwijs

Ingeroosterde lestijd voor bewegingsonderwijs PO

Naar schooljaar en groep (gemiddeld aantal minuten per week)
               Schooljaar
  2016/2017  2012/2013
groep 1 en 2 113 121
groep 3 t/m 8 89 91

* Ingeschat door directeur/schoolleider
 

Omvang lestijd voor bewegingsonderwijs varieert naar groep

In het schooljaar 2016/2017 was de gemiddelde ingeroosterde lestijd voor bewegingsonderwijs 113 minuten per week voor groep 1 en 2 en 89 minuten voor groep 3 t/m 8 van de basisschool. Voor groep 1 en 2 is dit iets minder ten opzichte van het schooljaar 2012/2013. Voor de groepen 3 t/m 8 is de wekelijkse lestijd nagenoeg ongewijzigd.

Geen verandering in aantal lessen bewegingsonderwijs

Wat betreft aantal lessen bewegingsonderwijs op de basisschool zijn er in het schooljaar 2016/2017 geen verschillen ten opzichte van het schooljaar 2012/2013. Vier op de tien scholen bieden groep 1 en 2 drie tot vijf lessen bewegingsonderwijs aan. In de groepen 3 t/m 8 krijgen de kinderen op drie kwart van de scholen twee lessen bewegingsonderwijs per week.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Reijgersberg N, van der Werff H, Lucassen JMH. Nulmeting Bewegingsonderwijs. Onderzoek naar de organisatie van het bewegingsonderwijs in het primair onderwijs. Utrecht: Mulier Instituut; 2013. Bron
  2. Slot-Heijs JJ, Lucassen JMH, Reijgersberg N. Bewegingsonderwijs en sport in het primair onderwijs 2017: 1-meting. Utrecht: Mulier Instituut; 2017. Bron

Bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs

Ingeroosterde lestijd voor lichamelijke opvoeding VO, 2014

Naar onderwijsniveau en leerjaar* (gemiddeld aantal minuten per week)
Onderwijsniveau Leerjaar 1 Leerjaar 2 Leerjaar 3 Leerjaar 4 Leerjaar 5 Leerjaar 6
Vmbo bbl/kbl** 156 136 109 97    
Vmbo gl/tl** 151 127 110 96    
Havo 147 121 108 99 66  
Vwo 145 116 105 98 90 58

* Ingeschat door sectieleiders lichamelijke opvoeding 2014
** bbl/kbl is de beroepsbegeleidende en kaderberoepsgerichte leerweg binnen het vmbo, gl/tl is de gemengde en theoretische leerweg.

Omvang lestijd voor bewegingsonderwijs in het VO varieert naar onderwijstype en leerjaar

In 2014 hadden leerlingen in het eerste leerjaar van het voortgezet onderwijs gemiddeld 150 minuten lestijd voor lichamelijke opvoeding, doorgaans drie lesuren van 50 minuten per week. Na het eerste leerjaar, neemt dit sterk af tot 97 minuten in het vierde leerjaar en 58 minuten in het laatste jaar van het vwo

Meer informatie


 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Reijgersberg N, Lucassen JMH, Beth J, van der Werff H. Nulmeting lichamelijke opvoeding voortgezet onderwijs 2014. Utrecht: Mulier Instituut; 2014. Bron

Bewegingsonderwijs speciaal onderwijs en praktijkonderwijs

Gemiddeld aantal minuten bewegingsonderwijs per week

Groep 1 en 2Groep 3 t/m 8Leerjaar 1Leerjaar 4
REGULIER BASISONDERWIJS14487
Speciaal basisonderwijs (sbao)12090
Speciaal onderwijs (so)7492
REGULIER VOORTGEZET ONDERWIJS15097
Praktijkonderwijs (pro)13293
Voortgezet speciaal onderwijs (vso)125110

Omvang lestijd bewegingsonderwijs in groep 1 en 2 van het speciaal basisonderwijs het laagst

Leerlingen in groep 1 en 2 van het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs krijgen minder bewegingsonderwijs dan die in het regulier basisonderwijs. Het aantal minuten bewegingsonderwijs is het laagst in groep 1 en 2 van het speciaal onderwijs (74 minuten per week). Dit is ongeveer de helft van het aantal minuten in het reguliere basisonderwijs. Leerlingen uit de hogere groepen (groep 3 t/m 8) van het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs krijgen evenveel bewegingsonderwijs als leerlingen van groep 3 t/m 8 in het reguliere basisonderwijs.

Vormen van basisonderwijs in Nederland

Naast scholen voor regulier basisonderwijs zijn er in Nederland scholen voor speciaal basisonderwijs (sbao) en voor speciaal onderwijs (so).

  • Speciaal basisonderwijs is voor kinderen met een (betrekkelijk) laag intelligentieniveau of een leerachterstand.
  • Speciaal onderwijs is voor kinderen met een handicap en/of zwaardere problematiek en is onderverdeeld in vier clusters

 

Meeste lestijd voor bewegingsonderwijs in de onderbouw van het praktijkonderwijs

In de onderbouw van het praktijkonderwijs en het voorgezet speciaal onderwijs wordt gemiddeld 125 tot 132 minuten besteed aan bewegingsonderwijs. Naarmate leerlingen verder komen in hun opleiding krijgen zij minder bewegingsonderwijs. In het laatste jaar is dit gemiddeld 110 minuten in het voortgezet speciaal onderwijs en 93 minuten in het praktijkonderwijs.

Vormen van voortgezet onderwijs in Nederland

Naast scholen voor regulier voortgezet onderwijs zijn er in Nederland scholen voor Praktijkonderwijs (pro) en voortgezet speciaal onderwijs (vso).

  • Praktijkonderwijs  is voor jongeren met een (betrekkelijk) laag intelligentieniveau of een leerachterstand die naar verwachting niet over de capaciteiten beschikken om een vmbo-diploma te behalen.
  • Voortgezet speciaal onderwijs is voor jongeren met een handicap of zwaardere problematiek en is onderverdeeld in vier clusters.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Lucassen JMH, Cevaal A, Scholten V, van der Werff H. Bewegingsonderwijs in het speciaal onderwijs en praktijkonderwijs Nulmeting 2015. Utrecht: Mulier Instituut; 2016. Bron

Verantwoording

Definities
  • Normen en adviezen voor sport en bewegen

    Definitie Beweegrichtlijnen

    De Gezondheidsraad publiceerde in augustus 2017 het adviesrapport ‘Beweegrichtlijnen 2017’. In november 2017 zijn de beweegrichtlijnen die in dit rapport zijn onderbouwd aangenomen door de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Zorg.

    De beweegrichtlijnen zijn als volgt gedefinieerd:

    Volwassenen en ouderen

    • Bewegen is goed, meer bewegen is beter
    • Doe minstens 150 minuten per week aan matig intensieve inspanning, zoals wandelen en fietsen, verspreid over diverse dagen. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel
    • Doe minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten, voor ouderen gecombineerd met balansoefeningen.
    • En: voorkom veel stilzitten

    Kinderen van 4 tot 18 jaar

    • Bewegen is goed, meer bewegen is beter
    • Doe minstens elke dag een uur matig intensieve inspanning. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel
    • Doe minstens driemaal per wwk spier- en botversterkende activiteiten voor ouderen​

    De Gezondheidsraad hanteert de volgende onderliggende definities in haar adviesrapport.

    Beweging kent verschillende vormen.

    • Bewegen (ook wel lichamelijke activiteit) is gedefinieerd als elke lichaamsbeweging door skeletspieren die resulteert in energieverbruik. In de context van de beweegrichtlijnen gaat het hierbij om activiteiten waarbij een of meer grote spiergroepen betrokken zijn. De meeste vormen van lichamelijke activiteit bestaan zowel uit een duur- als een krachtcomponent.
    • Balansoefeningen zijn statische en dynamische oefeningen gericht op het verbeteren van balans terwijl iemand staat of beweegt, zoals op een been staan of een voorwerp van de grond oprapen.
    • Botversterkende activiteiten bestaan uit krachttraining en activiteiten waarbij het lichaam met het eigen gewicht wordt belast, zoals springen, traplopen, wandelen, hardlopen en dansen.
    • Duurtraining omvat activiteiten gericht op het uithoudingsvermogen. Hierbij zijn gewoonlijk grote spiergroepen betrokken en wordt op een snelheid bewogen die langer dan een paar minuten vol te houden is. Voorbelleden zijn wandelen, zwemmen, fietsen en dansen.
    • Krachttraining: zie spierversterkende activiteiten. Voorbeelden zijn oefeningen waarbij lichaamsgewicht, losse gewichten (halters) of machines als weerstand worden gebruikt.
    • Spierversterkende activiteiten (krachttraining of de combinatie van kracht- en duuractiviteiten) omvatten activiteiten om kracht, vermogen, uithoudingsvermogen en omvang van de skeletspieren te verbeteren. Voorbeelden zijn krachttrainingsoefeningen met eigen lichaamsgewicht en duuractiviteiten als fietsen.

    De hoeveelheid bewegen wordt bepaald door de intensiteit, frequentie en duur/volume.

    • Metabole equivalent (MET) is een meeteenheid om de intensiteit van lichamelijke activiteit te definiëren, in veelvouden van de benodigde energie in rust. Eén MET is het energieverbruik in rust.
    • Absolute intensiteit is ingedeeld in licht, matig en zwaar.
      1. Lichte lichamelijke activiteit bestaat uit activiteiten waarbij iemand rechtop staat of licht beweegt. Voorbeleden zijn koken, boodschappen doen, darten. Het energieverbruik varieert van 1,6 tot en met 2,9 MET.
      2. Matige lichamelijke activiteit betreft activiteiten op een intensiteit die wat moeite kost, maar waarbij praten mogelijk blijft. Voorbeelden zijn wandelen, fietsen en rustig zwemmen. Het energieverbruik varieert van 3,0 MET t/m 5,9 MET.
      3. Zwaar intensieve activiteit leidt ertoe dat iemand zwaarder gaat ademen of gaat puffen en hijgen, afhankelijk van hoe fit iemand is. Voorbeelden zijn aerobics, hardlopen, wielrennen en bepaalde competitieve sporten. Het energieverbruik is 6 MET of meer.

    Duur betreft de tijd dat een lichamelijke activiteit per sessie wordt volgehouden (aantal minuten zitten of wandelen) of de totale tijd waarin de lichamelijke activiteit wordt uitgevoerd (bijvoorbeeld aantal minuten zitten of wandelen per week).

    Frequentie betreft het aantal keer per tijdseenheid dat een bepaalde lichamelijke activiteit wordt uitgevoerd, veelal uitgedrukt in keren per dag of per week.

    Volume (per training) betreft het aantal oefeningen, sets en herhalingen binnen een set per training.

    Zitten (ook wel sedentair gedrag) omvat zittende en (half)liggende activiteiten, waarbij weinig energie wordt verbruikt (≤1,5 metabole equivalenten (MET), met uitzondering van slapen. Voorbeelden zijn tv-kijken, lezen, naaien, op de computer werken, zittend gamen of zitten tijdens transport.

    ----------------------------------------------------------------

    Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB)

    • NNGB voor kinderen en jongeren (4 t/m 17 jaar): dagelijks minimaal één uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 5 MET), waarbij minimaal twee keer per week kracht-, lenigheid- en coördinatieoefeningen voor het verbeteren of handhaven van de lichamelijke fitheid.
    • NNGB voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 4 MET) op minimaal 5 dagen per week.
    • NNGB voor ouderen (55 jaar en ouder): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 3 MET) op minimaal 5 dagen per week.

    Fitnorm

    • Fitnorm voor kinderen en jongeren (4 t/m 17 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 8 MET).
    • Fitnorm voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 6,5 MET).
    • Fitnorm voor ouderen (55 jaar en ouder): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 5 MET).

    Combinorm

    De optelsom van de NNGB en de fitnorm. Iemand voldoet aan de combinorm wanneer hij/zij aan tenminste aan één van de beide normen voldoet (Kemper et al., 2000; Ooijendijk et al., 2007).

    Wekelijkse sporter

    Iemand die 1 keer per week of vaker aan sport doet.

    RSO-richtlijn voor sport

    Los van de bovenstaande set aan normen en richtlijnen bestaat de Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO). Het gaat hier om een gestandaardiseerde vragenlijst waarmee de frequentie van sporten, sporttak, sportvorm, organisatievorm en accommodatiebenutting van grote bevolkingsgroepen in kaart wordt gebracht. De RSO definieert iemand als een sporter als hij in de afgelopen twaalf maanden ten minste twaalf keer heeft gesport. De norm is niet gerelateerd aan beweging of een gezondheidsbevorderende waarde, maar een ondergrens om iemand te kwalificeren als sporter. De duur, intensiteit en frequentie spelen geen rol bij de RSO-richtlijn. Dit betekent dat iemand een sporter kan zijn zonder hiervoor in beweging te komen (Hoekman & van den Dool, 2010).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Kemper HCG, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M. Consensus over de Nederlandse norm voor gezond bewegen . Ede: Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB); 2000. Bron
    2. Ooijendijk WTM, Hildebrandt VH, Hopman-Rock M. Bewegen in Nederland 2000-2005. In: Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Hopman-Rock M. (Red.). Trendrapport Bewegen en gezondheid 2004/2005 ed. Hoofddorp / Leiden: TNO; 2007. Bron
    3. Hoekman R, van den Dool R. Bewegen in Nederland: het belang van sport. Den Bosch: Mulier Instituut; 2010. Bron
  • Sportblessure

    Een sportblessure is een letsel dat ontstaat door een plotselinge gebeurtenis tijdens sportbeoefening of dat geleidelijk ontstaat ten gevolge van het sporten. Letsels die tijdens schoolsport en bij sportbeoefening onder werktijd ontstaan behoren ook tot de sportblessures. Letsel opgelopen tijdens het bekijken van sportwedstrijden worden niet tot de sportblessures gerekend.

  • Sporteconomie

    Naast de bedrijfstak sport zijn ook andere bedrijfstakken actief in het produceren van sportactiviteiten en allerlei aanvullende goederen en diensten die voor sport en sportbeoefening nodig zijn of hieruit voortvloeien. Vanuit deze brede definitie omvat de sporteconomie bijvoorbeeld ook de lessen lichamelijke opvoeding  binnen het onderwijs en de productie en consumptie van sportkleding en sportartikelen. Bovenstaande, aangevuld met datgene wat voortvloeit uit het 'bestaan' van sport in een samenleving zoals sportbijlagen in kranten, sportuitzendingen op tv, gezondheidszorg gerelateerd aan sportblessures en horeca-uitgaven van sporters en bezoekers van sportevenementen, vormt de brede definitie van de sporteconomie.

    Alleen de sportgerelateerde productie die bestemd is voor finale besteding wordt meegerekend. Producten die dienen als input voor een andere sportproducent (het zogenaamde intermediair verbruik) tellen niet mee. Voorbeelden van dit laatste zijn materialen voor sportschoenen of sportfietsen die onderdeel zijn van de uiteindelijke sportschoen of -fiets.

  • Bruto binnenlands product

    Het bruto binnenlands product (bbp) tegen marktprijzen is een maat voor de omvang van de economie. Het bbp kan vanuit het oogpunt van de bestedingen gedefinieerd worden als de som van de finale bestedingen aan goederen en diensten door ingezetenen van Nederland (consumptie en bruto-investeringen) en het saldo van uitvoer en invoer van goederen en diensten (CBS, 2015).

  • Sportprestatieverhogende middelen

    Aandeel van de wekelijkse sporters van 15 jaar en ouder dat aangeeft in het afgelopen jaar sportprestatieverhogende middelen te hebben gebruikt. Dit kunnen zowel dopinggeduide middelen (bv. anabole steroiden en EPO) als sportvoedingssupplementen (bv. supplementen met creatine of eiwit) zijn. 

Bronverantwoording
  • Databestand SportAanbod

    De analyse van het Databestand SportAanbod wordt in 2018 opnieuw uitgevoerd op basis van gegevens uit eind 2017. Nieuwe cijfers worden medio 2018 verwacht.

  • Vrijetijdsomnibus

    Gegevens over de volgende kernindicatoren sport en bewegen zijn afkomstig uit de Vrijetijdsomnibus (VTO): 

    • maandelijkse sportdeelname
    • clublidmaatschap
    • tevredenheid sport- en beweegaanbod
    • vrijwilligerswerk in de sport
    • veilig voelen tijdens en rond sportwedstrijden
    • wangedrag in de sport
    • bezoek van sportwedstrijden
    • het volgen van sport via media

    De VTO is een vragenlijstonderzoek dat het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uitvoert onder de Nederlandse bevolking. Doel van dit onderzoek is om ontwikkelingen in kernindicatoren voor sport- en cultuurbeleid in Nederland vast te stellen. Het VTO-veldwerk is nu twee keer uitgevoerd. De eerste ronde vond plaats in de periode november 2012 tot en met februari 2013 onder 3138 personen van 6 jaar en ouder (respons bedroeg 59%). De dataverzameling voor de tweede meting vond plaats van november 2014 tot en met maart 2015 onder 3031 personen van 6 jaar en ouder (respons bedroeg 55%). De derde ronde vond plaats in de periode november 2016 tot en met februari 2017 onder 3100 personen van 6 jaar en ouder (respons bedroeg 67%).

    De te meten variabelen zijn in overleg met vertegenwoordigers van de sport- en cultuursector en de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (OC&W en VWS) tot stand gekomen. Het VTO onderzoek is in meerdere opzichten anders dan eerder SCP-onderzoek (Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek, AVO), zodat geen vergelijking met die eerdere gegevens mogelijk is. In 2018 zal een nieuwe dataverzameling (derde ronde) plaats vinden. De resultaten worden in 2019 verwacht.

    De VTO-vragenlijst 2012, 2014 en 2016 zijn beschikbaar op www.scp.nl. Op de website van het SCP is ook meer informatie te vinden over het VTO onderzoek.

    Contact VTO/SCP: a.tiessen-raaphorst@scp.nl en i.pulles@scp.nl 

  • Gezondheidsenquête (GE) / Leefstijlmonitor (LSM)

    Gegevens over de volgende kernindicatoren sport en bewegen zijn afkomstig uit de Leefstijlmonitor:

    • Beweegrichtlijnen
    • wekelijkse sportdeelname
    • zitten
    • gebruik sportprestatieverhogende middelen

    De Leefstijlmonitor levert dé kerncijfers over leefstijl in Nederland. In de Leefstijlmonitor werken partijen samen die zich bezig houden met leefstijl. De Leefstijlmonitor is opgezet in opdracht van VWS en wordt gecoördineerd door het RIVM.

    Een belangrijke leverancier voor de cijfers in de Leefstijlmonitor (LSM) is de CBS Gezondheidsenquête (GE). De GE is een vragenlijstonderzoek onder de Nederlandse bevolking dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) jaarlijks uitvoert sinds 1981. Doel van de GE is om een zo volledig mogelijk overzicht te geven van ontwikkelingen in de gezondheid, medische contacten, leefstijl en deelname aan (preventief) gezondheidsonderzoek in Nederland. Tussen 1997 en 2010 maakte de enquête deel uit van het Permanent Onderzoek LeefSituatie (POLS) als de module Gezondheid. Sinds 2010 wordt de GE als op zichzelf staand onderzoek uitgevoerd. Vanaf 2014 geldt dat de GE jaarlijks circa 9.500 respondenten heeft, bij een responspercentage van ruim 60%

    Gegevens over de kernindicator voldoen aan de Beweegrichtlijnen en wekelijkse sportdeelname zijn afkomstig uit de kernmodule van de Leefstijlmonitor CBS, i.s.m. RIVM. Deze kernmodule wordt elk jaar uitgevoerd. 

    Gegevens over de kernindicator zitgedrag zijn afkomstig uit de aanvullende module bewegen en ongevallen van de Leefstijlmonitor RIVM, i.sm. VeiligheidNL en CBS. Deze aanvullende module werd voor het eerst afgenomen in 2015 en wordt elke twee jaar herhaald. 

    Gegevens over de kernindicator sportprestatieverhogende middelen zijn afkomstig uit de aanvullende module middelengebruik van de Leefstijlmonitor RIVM, i.s.m. Trimbos Instituut en CBS. In deze module wordt gebruik van de volgende middelen bevraagd: tabak, alcohol, drugs en sport-prestatieverhogende. Deze aanvullende module werd voor het eerst in 2016 afgenomen en wordt elke twee jaar herhaald. 

    De vragenlijsten van de kernmodule  (vraagteksten en schema’s) zijn beschikbaar op www.cbs.nl en van de aanvullende modules op www.rivm.nl/leefstijlmonitor.

    Meer informatie

    Contact

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
Methoden
  • Kernindicator Beweegnorm en Wekelijkse sporter

    Of aan de Beweegrichtlijnen wordt voldaan is vastgesteld met behulp van de SQUASH-vragenlijst waarin het gebruikelijke sport- en beweeggedrag van personen wordt nagevraagd..Ook wekelijkse sportdeelname is hiermee vastgesteld. Deze vragenlijst is onderdeel van de Leefstijlmonitor (zie ‘bronverantwoording’)  

    In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden aan te geven hoeveel dagen per week een bepaalde activiteit is verricht en hoeveel tijd (uren en minuten) men daar gemiddeld op zo’n dag mee bezig is geweest. De volgende activiteiten worden bevraagd:

    1. Lopen naar werk en/of school (4 jaar en ouder)
    2. Fietsen naar werk en/of school (4 jaar en ouder)
    3. Lichamelijke activiteit op werk (alleen 12 jaar en ouder)
    4. Lichamelijke activeit op school: buitenspelen, schoolgym en schoolzwemmen (alleen 4-12 jaar)
    5. Huishoudelijke activiteiten (alleen 12 jaar en ouder)
    6. Sporten* in de vrije tijd 4 jaar en ouder)
    7. Wandelen in de vrije tijd (4 jaar en ouder)
    8. Fietsen in de vrije tijd (4 jaar en ouder)
    9. Klussen in de vrije tijd (alleen 12 jaar en ouder)
    10. Tuinieren in de vrije tijd (alleen 12 jaar en ouder)
    11. Buitenspelen in de vrije tijd (alleen 4-12 jaar)
    12. Zwemles (alleen 4-12 jaar)

    *Bij sport kan een respondent maximaal vier sporttakken opgeven. Per sporttak wordt vervolgens gevraagd naar de tijd (dagen per week, uren en minuten per dag) die men daaraan doorgaans besteedt.

  • Kernindicator Beweegvriendelijke omgeving

    De kernindicator Beweegvriendelijke omgeving laat zien hoe de publieke ruimte in de fysieke woonomgeving scoort (op een vijfpuntschaal) op de mogelijkheid voor mensen om te sporten en te bewegen.

    De kernindicator is opgebouwd uit 6 deelindicatoren. 

    1. Publieke sportaccommodaties
    2. Sport- en speelplekken
    3. Sport-, speelruimtes
    4. Routes (paden)
    5. Buitengebied
    6. Nabijheid van voorzieningen

    De kernindicator is opgebouwd uit 6 deelindicatoren die afzonderlijk op een vijfpuntschaal zijn beoordeeld. De score op de kernindicator is het gemiddelde van de scores op de zes deelindicatoren.

    De kernindicator is in 2015 voor het eerst bepaald. Het absolute getal krijgt betekenis door het volgen van de kernindicator in de tijd en is nu vooral interessant voor het vergelijken van bijvoorbeeld gemeentes.

  • Kernindicator Sportaccommodaties

    De kernindicator Sportaccommodaties geeft de dichtheid van sportaccommodaties per 10.000 inwoners weer. In de bepaling van deze waarde zijn reguliere accommodaties voor actieve sportbeoefening door amateurs meegenomen. Hierbij is rekening gehouden met verschillen in de diversiteit en capaciteit per type sportaccommodaties. Een sporthal is bijvoorbeeld geschikt voor meer sportdisciplines dan een rugbyveld. En op een tennispark met 5 banen kunnen minder mensen tegelijkertijd sporten dan op een tennis park met 15 banen.

    De kernindicator is in 2015 voor het eerst bepaald. Het absolute getal krijgt betekenis door het volgen van de kernindicator in de tijd en is nu vooral interessant voor het vergelijken van regio’s.

  • Kernindicator Zitgedrag

    De kernindicator zitgedrag is nagevraagd met een aangepaste versie van de Marshall vragenlijst. In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden de gemiddelde tijd te schatten die op een doordeweekse dag en op een weekenddag zittend besteed wordt aan de volgende vijf activiteiten: tijdens 1) vervoer, 2) school, studie of werk, 3) televisie kijken, 4) thuis een computer of tablet gebruik en 5) andere vrijetijdsbestedingen.

    Bron:

    Marshall AL, Miller YD, Burton NW, Brown WJ. Measuring total and domain-specific sitting: a study of reliability and validity. Med Sci Sports Exerc 2010;42:1094–1102

  • Kernindicator Sportprestatieverhogende middelen

    Gebruik van prestatieverhogende middelen in de sport is nagevraagd met behulp van een vragenlijst. Hierbij werd gedoeld op middelen die worden gebruikt om een slank of gespierd lichaam te krijgen, of om de duurprestatie te verbeteren.

    Er wordt gevraagd of respondenten ooit of in de afgelopen 12 maanden sportprestatieverhogende middelen hebben gebruikt. Vervolgens wordt type middel nagevraagd, hoe men aan het middel gekomen is en reden van gebruik. Daarnaast wordt gevraagd of er gezondheidsklachten zijn opgetreden door het gebruik en of hier medische hulp voor ingeroepen is. Tot slot wordt gevraagd of men van plan is om in de toekomst sportprestatieverhogende middelen te gebruiken.

    De volgende zes type middelen zijn afzonderlijk bevraagd:

    1. Anabole-androgene steroïden, zoals testosteron, nandrolon of stanozolol
    2. Prohormonen van anabolen, zoals DHEA of androsteendion
    3. Groeihormonen of insuline
    4. Schildklierpreparaten, zoals levothyroxine of t3
    5. Amfetamine, cocaïne, of efedrine
    6. EPO

    Daarnaast was er de mogelijkheid om een ander sportprestatieverhogend middel te rapporteren.