Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Prestatie-indicatoren gezondheidszorgZorgbehoeften

Continue diepe sedatie met alleen morfine

Indicatorwaarde (2015)

Indicatorwaarde 4%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: Gebruik van alleen morfine wordt ontraden door KNMG

3-jarige trend (2013 - 2015)

3-jarige trend: Het percentage neemt af. Dat is gunstig.

Kenmerken van patiënten bij wie continue diepe sedatie werd uitgevoerd (2015)

KenmerkGroepPercentage
Leeftijd0-64 jaar16
Leeftijd65-79 jaar36
Leeftijd80 jaar en ouder48
HoofddiagnoseKanker46
HoofddiagnoseHart- of vaatziekte18
HoofddiagnoseAnders36
  • Het gaat hier om alle gevallen van diepe sedatie, zowel met alleen morfine, als met andere middelen
  • Per kenmerk (leeftijd en hoofddiagnose) tellen de categorieën op tot 100%
Deze cijfers zijn ook onderdeel van:  
 

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage gevallen van continue diepe sedatie met alleen morfine

Bron

Sterfgevallenonderzoek, 2015 (ZonMw); onderdeel van de evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Berekening

Teller: aantal gevallen van continue diepe sedatie met alleen morfine.
Noemer: alle gevallen van continue diepe sedatie.

Interpretatie

Om de continue diepe sedatie op een adequate en rustige wijze te laten verlopen waardoor adequate verlichting van het lijden ontstaat tot het moment van overlijden, heeft de KNMG in 2009 een richtlijn gepubliceerd. 

Geadviseerd wordt achtereenvolgens drie middelen toe te dienen; (1) midazolam, (2) levomepromazine en (3) propofol. 

Het eventueel gebruik van morfine moet alleen worden gecontinueerd/gebruikt bij pijn en/of dyspneu. Het gebruik/ophogen van enkel morfine met als doel sedatie en versnellen van overlijden wordt gezien als 'kunstfout' omdat dit vaak niet het gewenste effect geeft. Vaak leidt dit wel tot sufheid maar niet altijd tot verlies van bewustzijn. Daarnaast kan morfine bijwerkingen geven zoals delier (verwardheid) of myoclonieën (onvrijwillige samentrekkingen van spieren).

Methode

In het sterfgevallenonderzoek werd door middel van een steekproef onder behandelend artsen van overleden personen, een vragenlijst ingevuld. Het aantal sterfgevallen waarover gerapporteerd werd varieerde in de onderzoeksjaren van ruim 5.000 tot bijna 10.000; in 2015 ging het om 7.661 sterfgevallen.

Aan de hand van één vraag in het onderzoek werd bepaald of sprake was van continue diepe sedatie:

  1. Werd de patiënt tot aan het overlijden continue in diepe sedatie gehouden?

Tevens werd gevraagd welke middelen daarbij werden gebruikt, hoe lang de sedatie duurde, of de patiënt daarbij kunstmatig voeding of vocht kreeg toegediend, en of de arts rekening hield met bespoediging van het overlijden dan wel of bespoediging van het overlijden het doel van de palliatieve sedatie was.

Om de resultaten representatief te maken voor alle sterfgevallen in Nederland, zijn bij de analyse wegingsfactoren toegekend aan de sterfgevallen waarover een vragenlijst was ingevuld.

Toelichting bij de referentiewaarde

Gebruik van alleen morfine als sedativum wordt door KNMG ontraden.

Jaar

2015 (nieuwe cijfers verwacht in 2022)

Literatuur KNMG, 2009; Van der Heide et al., 2012Onwuteaka-Philipsen et al., 2007Onwuteaka-Philipsen et al., 2017

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. KNMG. Palliatieve sedatie. KNMG; 2009. Bron
  2. Van der Heide A, Brinkman-Stoppelenburg A, van Delden H, Onwuteaka-Philipsen B. Euthanasie en andere medische beslissingen rond het levenseinde. Sterfgevallenonderzoek 2010.. Den Haag: ZonMw; 2012. Bron
  3. Onwuteaka-Philipsen B.D., Gevers J.K.M., van der Heide A., van Delden J.J.M., Pasman H.R.W., Rietjens J.A.C., et al. Evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Den Haag: ZonMw; 2007. Bron
  4. Onwuteaka-Philipsen B.D., Legemaate J., van der Heide A., van Delden H, Evenblij K., I. Hammoud E, et al. Derde evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Den Haag: ZonMw; 2017. Bron

Euthanasie met morfine en/of benzodiazepinen

Indicatorwaarde (2015)

Indicatorwaarde 16%

Referentiewaarde

Referentiewaarde 0%

3-jarige trend (2013 - 2015)

3-jarige trend is dalend. Dat iseen gunstige trend

 

Deze cijfers zijn ook onderdeel van:  
 

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage gevallen van euthanasie met morfine en/of benzodiazepinen

Bron

Sterfgevallenonderzoek, 2015 (ZonMw); onderdeel van de evaluatie van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Berekening

Teller: aantal personen  bij wie morfine en/of benzodiazepinen zijn gebruikt bij euthanasie, eventueel in combinatie met andere middelen, maar zonder spierverslappers en barbituraten.

Noemer: aantal personen bij wie euthanasie is uitgevoerd.

Interpretatie

Voor de uitvoering van euthanasie hebben de KNMG en KNMP in 2012 richtlijnen gepubliceerd. Geadviseerd wordt de patiënt eerst in coma te brengen met een barbituraat of propofol, en vervolgens een spierverslappend middel toe te dienen. Het gebruik van benzodiazepinen of morfine wordt ontraden omdat deze niet altijd het gewenste effect van coma of overlijden hebben. Daarnaast kan het langer duren voor het gewenste effect optreedt met bijwerkingen zoals ernstige verwarring of spiertrekkingen (myoclonieën) tot gevolg.

Methode

In het sterfgevallenonderzoek werd door middel van een steekproef onder behandelend artsen van overleden personen, een vragenlijst ingevuld. Het aantal sterfgevallen waarover gerapporteerd werd varieerde in de onderzoeksjaren van ruim 5.000 tot bijna 10.000; in 2015 ging het om 7.661 sterfgevallen.

Aan de hand van twee vragen over levensbeëindigend handelen werd door de onderzoekers vastgesteld of sprake was van euthanasie:

  1. Was het overlijden het gevolg van het gebruik van een middel dat door u of een andere arts werd voorgeschreven, verstrekt of toegediend met het uitdrukkelijke doel het levenseinde te bespoedigen (of de patiënt zelf in staat te stellen het leven te beëindigen)?
  2. Is de beslissing over de (laatstgenoemde) handelwijze op grond van een uitdrukkelijk verzoek van de patiënt genomen?

Als een arts beide vragen met ‘ja’ beantwoordde, werd het handelen geclassificeerd als euthanasie indien een ander dan de patiënt het middel had toegediend (eventueel samen met de patiënt).

Om de resultaten representatief te maken voor alle sterfgevallen in Nederland, zijn bij de analyse wegingsfactoren toegekend aan de sterfgevallen waarover een vragenlijst was ingevuld.

Extra toelichting

Geen van de artsen die morfine of benzodiazepinen hadden gebruikt, omschreven dit handelen zelf als euthanasie (terwijl het gebruik van de middelen het uitdrukkelijke doel had het levenseinde te bespoedigen en dit een uitdrukkelijk verzoek was van de patiënt). Uit nadere analyse komt naar voren dat artsen het handelen bij patiënten die nog maar een korte levensverwachting hebben (1-7 dagen) niet omschrijven als euthanasie maar als palliatieve of terminale sedatie Overbeek et al., 2021.

Voor deze indicator betekent dit dat deze indicator meet of artsen handelen volgens de richtlijn, maar dat in de praktijk artsen een eigen invulling geven aan de richtlijn. Op dit moment (zomer 2021) wordt de KNMG-KNMP Richtlijn ‘Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding’ getoetst aan de laatste wetenschappelijke en professionele inzichten.

Toelichting bij de referentiewaarde

Gebruik van alleen morfine, al dan niet in combinatie met benzodiazepinen, wordt ontraden door KNMG

Jaar

2015 (nieuwe cijfers verwacht in 2022).

Literatuur Van der Heide et al., 2012KNMG & KNMP, 2012Onwuteaka-Philipsen et al., 2007Onwuteaka-Philipsen et al., 2017Overbeek et al., 2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Overbeek A., van de Wetering V.E., van Delden J.J.M., Mevis P.A.M., Onwuteaka-Philipsen B.D., Postma L., et al. Classification of end-of-life decisions by Dutch physicians: findings from a cross-sectional survey. Annals of Palliative Medicine . 2021;10(3):3554-3562. Bron
  2. Van der Heide A, Brinkman-Stoppelenburg A, van Delden H, Onwuteaka-Philipsen B. Euthanasie en andere medische beslissingen rond het levenseinde. Sterfgevallenonderzoek 2010.. Den Haag: ZonMw; 2012. Bron
  3. KNMG, KNMP. KNMG/KNMP Richtlijn uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding. Den Haag: KNMG/KNMP; 2012. Bron
  4. Onwuteaka-Philipsen B.D., Gevers J.K.M., van der Heide A., van Delden J.J.M., Pasman H.R.W., Rietjens J.A.C., et al. Evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Den Haag: ZonMw; 2007. Bron
  5. Onwuteaka-Philipsen B.D., Legemaate J., van der Heide A., van Delden H, Evenblij K., I. Hammoud E, et al. Derde evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Den Haag: ZonMw; 2017. Bron