Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Prestatie-indicatoren gezondheidszorgSysteemdoelen

Zwangerschapsbegeleiding in de eerste lijn vóór de 10e week van de zwangerschap

Indicatorwaarde

Prestatieindicator:  81% van de vrouwen startte zwangerschapsbegeleiding  in de eerste lijn en waarbij het eerste consult plaatsvond vóór de 10e week van de zwangerschap

Referentiewaarde

De indicator zou in het ideale geval vrijwel 100% bereiken. Omdat dit niet realistisch lijkt, is hier op pragmatische gronden 95% als referentiewaarde gekozen. De waarde heeft dus geen officiele status

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend laat een stijging zien. Dat is gunstig.

Trend vrouwen dat de zwangerschapsbegeleiding startte in de eerste lijn vóór de 10e week van de zwangerschap

JaarAlle zwangere vrouwen Zwangere vrouwen in achterstandswijken BI ondergrens (zwangeren)BI bovengrens (zwangeren)BI ondergrens (zwangeren achterst.)BI ondergrens (zwangeren achterst.)
200534,928,232,737,224,731,7
200651,347,049,453,343,850,2
200763,956,962,365,554,359,6
200869,963,768,17161,466,0
200973,566,772,174,964,269,3
201075,669,774,376,867,472,0
201178,771,977,579,869,474,4
20128175,979,882,173,778,2

Bron: Perinatale Registratie Nederland (Perined)

  • BI = 95% betrouwheidsinterval (alleen zichtbaar in de tabel lay-out)
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage vrouwen dat de zwangerschapsbegeleiding startte in de eerste lijn en waarbij het eerste consult plaatsvond vóór de 10e week van de zwangerschap

Bron

Perinatale Registratie Nederland (Perined)

Berekening

Teller: aantal vrouwen dat de zwangerschapsbegeleiding startte in de eerste lijn en waarbij het eerste consult plaatsvond vóór de 10e week van de zwangerschap.
Noemer: aantal vrouwen dat de zwangerschapsbegeleiding startte in de eerste lijn.

Interpretatie

Om de prenatale zorg, inclusief screening, zo vroeg mogelijk in de zwangerschap te starten, is het aan te bevelen dat het eerste contact van een zwangere vrouw met een verloskundige of verloskundig actieve huisarts bij voorkeur binnen 8 tot 10 weken na de eerste dag van de laatste menstruatie plaatsvindt. Verloskundigen, gemeentelijke overheid en rijksoverheid kunnen bijdragen aan het hebben van een tijdig contact met een verloskundigenpraktijk door gerichte voorlichting te geven die aansluit bij verschillende doelgroepen.
Laagopgeleide vrouwen hebben vaker complicaties tijdens de zwangerschap en bevalling. Juist bij deze vrouwen is de meeste gezondheidswinst te behalen. Het is echter bekend dat gezondheidsgerelateerde informatie deze groep vrouwen slecht bereikt.

Toelichting bij de referentiewaarde

De indicator zou in het ideale geval vrijwel 100% bereiken. Omdat dit niet realistisch lijkt, is hier op pragmatische gronden 95% als referentiewaarde gekozen. De waarde heeft dus geen officiele status 

Jaar

2012

Vrouwen die op enig moment in de zwangerschap hebben gerookt

Indicatorwaarde

Prestatieindicator: 8,9 procent van de zwangere vrouwen rookt tijdens de zwangerschap

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 2,7 procent van de hogeropgeleide zwangere vrouwen rookt tijdens de zwangerschap. Deze groep wordt hier als referentiewaarde genomen

5-jarige trend*

5-jarige trend: Aantal vrouwen dat gedurende de hele zwangerschap  dagelijks rookten neemt toe. Dat is een ongunstige trend

Vrouwen die op enig moment in de zwangerschap hebben gerookt 2016

Laag opgeleidLaag opgeleid BI ondergrensLaag opgeleid BI bovengrensMiddelbaar opgeleidMiddelbaar opgeleid BI ondergrensMiddelbaar opgeleid BI bovengrensHoog opgeleidHoog opgeleid BI ondergrensHoog opgeleid BI bovengrens
21,715,529,613,110,416,62,71,84
  • Uit de Monitor Zwangerschap en middelgebruik zijn nog geen trendgegevens beschikbaar
  • 95% betrouwheidsinterval (alleen zichtbaar in de tabel lay-out)

Vrouwen die gedurende de hele zwangerschap dagelijks rookten 2001-2015

JaarLaag opgeleidBI ondergrens (laag)BI bovengrens (laag)Middelbaar opgeleidBI ondergrens (middelbaar)BI bovengrens (middelbaar)Hoog opgeleidBI ondergrens (hoog)BI bovengrens (hoog)
200124,321,327,211,910,213,75,446,8
200218,115,620,89,47,511,34,235,5
200318,315,620,89,87,911,64,335,6
200522,116,128108,311,6324
200717,113,520,78,66,910,21,60,82,3
201013,89,318,47,85,6102,41,23,6
201522,114,231,85,53,87,50,90,41,7
  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage vrouwen dat op enig moment in de zwangerschap heeft gerookt

Bron

Monitor Zwangerschap en Middelengebruik (Trimbos) en Landelijke Peilingen Roken tijdens de Zwangerschap (TNO)

Berekening

Monitor Zwangerschap en Middelengebruik
Teller: aantal vrouwen dat op enig moment in de zwangerschap heeft gerookt.
Noemer: aantal vrouwen (18-46 jaar) dat met een kind tussen de 0 en 4 jaar een consultatiebureau heeft bezocht.

Landelijke Peilingen Roken tijdens de Zwangerschap 
Teller: aantal vrouwen dat gedurende de hele zwangerschap dagelijks rookte. Noemer: aantal vrouwen dat korter dan 7 maanden geleden is bevallen, woonachtig is in Nederland en via de JGZ is uitgenodigd om deel te nemen aan de peiling.

Interpretatie

Hoe lager dit percentage is, des te gunstiger. Roken tijdens de zwangerschap is schadelijk voor de moeder en voor het ongeboren kind. Roken tijdens de zwangerschap draagt bij aan perinatale morbiditeit en sterfte. Het verhoogt de kans op een miskraam, een lager geboortegewicht en/of een te kleine of te vroeg geboren baby. Interventies om zwangere vrouwen te laten stoppen met roken zijn effectief gebleken. Het is vooral van belang in te zetten op stoppen met roken en het voorkómen van terugval na stoppen, bij vrouwen met een lagere opleiding.

Toelichting bij de referentiewaarde

Het gezondheidsadvies is om niet te roken tijdens de zwangerschap. Een reductie tot 0% is voorlopig echter niet realistisch. Daarom is het percentage rokers onder hoger opgeleiden als referentiewaarde genomen. 

Jaar

2016

Ongeplande keizersneden in een laagrisicogroep met een bevalling in de tweede lijn

Indicatorwaarde

restatieindicator: Bij 12,6 op de 100 geboorten van een eerste kind  in de laagrisicogroep zwangere vrouwen wordt een ongeplande keizersnede is uitgevoerd

Referentiewaarde*

Referentie waarde: niet beschikbaar

3-jarige trend

Trend: De 3-jarige trend laat een stijging zien. Dat is ongunstig

Trend ongeplande keizersneden bij vrouwen in de 'NTSV-groep'

JaarTotale groepBI ondergrens (totaal)BI bovengrens (totaal)NTSV-groepBI ondergrens (NTSV)BI bovengrens (NTSV)
200511,911,812,111,210,911,5
20061211,812,211,711,412
20071211,812,211,711,312
200812,312,112,512,111,812,4
200912,512,312,712,412,112,7
201012,612,412,812,512,212,8
201112,312,112,512,412,112,7
201212,212,112,412,612,312,9

Bron: Perinatale Registratie Nederland (Perined)

  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval 
  • NTSV = Nulliparous Term Singleton Vertex - à terme nulliparea met eenling in hoofdligging.
  • De NTSV-groep betreft een laagrisicogroep van vrouwen met een voldragen (>=37 weken) eerste kind in hoofdligging.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

  Toelichting
Volledige naam indicator Percentage ongeplande keizersneden in de 'NTSV-groep' met een bevalling in de tweede lijn.
Bron Perinatale Registratie Nederland (Perined)
Berekening Teller: aantal geboorten van een eerste kind dat plaatsvindt in de tweede lijn in de laagrisicogroep zwangere vrouwen waarbij een ongeplande keizersnede is uitgevoerd.
Noemer: aantal geboorten van een eerste kind dat plaatsvindt in de tweede lijn in de laagrisicogroep zwangere vrouwen.
Interpretatie

Een tweedelijnsbevalling is een bevalling die eindigt in het ziekenhuis onder verantwoordelijkheid van een gynaecoloog.

Een keizersnede is een ingrijpende buikoperatie die risico’s met zich meebrengt. Voordat tot een keizersnede wordt overgegaan, moeten de voordelen en risico’s zorgvuldig worden afgewogen. De WHO adviseert terughoudendheid met betrekking tot keizersneden in het algemeen. Binnen de laagrisicogroep zouden keizersneden uitzondering moeten zijn.

Toelichting bij de referentiewaarde n.v.t.
Jaar 2012

Te vroeg geboren baby's geboren in ziekenhuis zonder neonatale intensive care unit

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 15, 1 op de 100 premature geborenen geboren in het ziekenhuis zonder neonatale intensive care.

Referentiewaarde*

Referentie waarde: niet beschikbaar

3-jarige trend

Trend: De 3-jarige trend laat een daling zien. Dat is gunstig


 

 

  Toelichting
Volledige naam indicator Percentage te vroeg geboren baby's geboren in een ziekenhuis zonder neonatale intensive care unit
Bron Perinatale Registratie Nederland (Perined)
Berekening Teller: aantal premature baby’s (24-32 weken) geboren in een ziekenhuis zonder neonatale intensive care unit.
Noemer: totaal aantal premature baby’s geboren in een ziekenhuis.
Interpretatie Hoe hoger dit percentage, hoe meer kinderen geboren worden in een ziekenhuis zonder neonatale intensive care unit. Indien er sprake is van dreigende vroeggeboorte, tussen 24 en 32 weken, kan de geboorte het beste plaatsvinden in een perinatologisch centrum (NVOG, 2011). Uit onderzoek is gebleken dat wanneer kinderen met deze zwangerschapsduur geboren worden in een perinatologisch centrum, zij betere overlevingskansen hebben (Warner et al., 2004; Rautava et al., 2007). 
Toelichting bij de referentiewaarde n.v.t.
Jaar 2012

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. NVOG. Dreigende vroeggeboorte. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie; 2011. Bron
  2. Warner B, M Musial J, Chenier T, Donovan E. The effect of birth hospital type on the outcome of very low birth weight infants. Pediatrics. 2004;113(1 Pt 1):35-41. Pubmed
  3. Rautava L, Lehtonen L, Peltola M, Korvenranta E, Korvenranta H, Linna M, et al. The effect of birth in secondary- or tertiary-level hospitals in Finland on mortality in very preterm infants: a birth-register study. Pediatrics. 2007;119(1):e257-63. Pubmed | DOI

Foetale sterfte na een zwangerschapsduur van 22 weken

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 4,6

Referentiewaarde (niet beschikbaar)

3-jarige trend

Foetale sterfte na een zwangerschapsduur van 28 weken

Indien mogelijk zonder abortussen
Land2015BI ondergrens 2015BI bovengrens 20152010BI ondergrens 2010BI bovengrens 20102004BI ondergrens 2004 BI bovengrens 2004
Hongarije3,73,34,13,43,13,83,73,44,1
Slowakije3,53,14,13,12,73,61,71,32,0
Ierland3,43,03,93,73,24,14,33,84,8
Letland3,42,74,24,13,35,14,84,05,9
Kroatië3,22,73,8
Estland3,12,34,22,72,03,73,22,44,2
België3,12,83,43,22,83,53,02,63,4
VK: Engeland en Wales3,12,93,23,83,63,9
Frankrijk3,02,93,1
Zweden3,02,73,42,82,53,13,22,83,5
Griekenland3,02,63,33,54,03,64,4
Litouwen2,92,33,53,42,84,13,93,34,7
Tsjechië2,72,43,11,51,31,72,42,12,7
Spanje2,72,62,92,62,52,82,72,62,9
VK: Schotl. en N-Ierl.2,62,43,13,63,24,04,33,94,8
Portugal2,52,22,92,42,12,72,72,43,0
Polen2,52,32,63,02,83,13,83,64,0
Zwitserland2,42,12,72,11,82,5
Duitsland2,42,32,52,32,12,42,62,42,7
Italië2,42,32,62,42,22,53,73,63,9
Oostenrijk2,42,12,82,52,12,82,52,22,9
Slovenië2,41,83,13,32,64,23,52,84,5
Noorwegen2,31,92,72,72,02,72,92,53,4
NEDERLAND2,22,02,42,92,63,14,34,04,6
Finland2,11,72,52,01,62,32,01,72,4
Denemarken2,01,72,42,32,02,73,73,34,2

Bron: Euro-Peristat, 2018

  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval (alleen zichtbaar in de tabel lay-out).
  • De cijfers zijn (indien mogelijk) zonder zwangerschapsafbrekingen.
  • Om cijfers internationaal in de tijd te vergelijken, wordt een grens van 28 weken gehanteerd; daardoor vallen de cijfers hoger uit dan nationale cijfers waarbij de grens bij 22 weken wordt geleg.
  • Indien informatie over de zwangerschapsduur ontbrak, zijn geboortes en sterfgevallen meegerekend bij een geboortegewicht boven de 500 gram. Geboorte en sterfte zijn geëxcludeerd bij het ontbreken van zowel zwangerschapsduur als geboortegewicht.
  • Polen, Zweden, Zwitserland: data uit 2014 i.p.v. 2015.

Trend foetale sterfte

Vanaf 22 weken
JaarFoetale sterfte per 1.000 geborenen
20008,1
20018,0
20027,9
20037,3
20047,2
20057,2
20067,0
20076,7
20086,6
20096,0
20105,7
20115,6
20125,5
20135,3
20144,7
20154,8
20164,8
20174,6
  •  Het cijfer voor 2016 is een onderschatting omdat de aanlevering van de sterftecijfers door ziekenhuizen in dat jaar onvolledig was, vanwege de overgang naar een nieuwe ICT-aanlevermethode. Dit is in de aanlevering van de cijfers van 2017 hersteld.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Foetale sterfte

Bron

Perinatale Registratie Nederland (Perined); Euro-Peristat, 2018 (2008 en 2013)

Berekening

Teller: alle baby's die na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer na de geboorte geen teken van leven hebben vertoond.
Noemer: alle dood of levendgeborenen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (x 1.000).

Interpretatie

Uitkomstmaten die betrekking hebben op de gezondheid van baby’s in hun eerste levensjaar, en dan met name sterftecijfers, worden vaak gebruikt als maat voor de kwaliteit van perinatale zorg. De voornaamste oorzaken rondom perinatale sterfte zijn aangeboren aandoeningen, (ernstige) vroeggeboorte en foetale groeibeperking. Er zijn ook risicofactoren aan te wijzen zoals de leeftijd van de moeder, meerlingenzwangerschappen, diabetes en roken. De kwaliteit van de zorg tijdens de preconceptie, zwangerschap, geboorte en neonatale periode heeft hier invloed op, en daarmee ook op de mortaliteit en morbiditeit van de baby(Bonsel et al., 2010).

Toelichting bij de referentiewaarde

-

Toelichting bij de internationale vergelijking Voor een betere vergelijkbaarheid tussen landen is de grenswaarde bij een hogere zwangerschapsduur dan 22 weken gelegd. Vaak wordt 28 weken genomen, maar uit onderzoek op basis van cijfers uit 2015 lijkt 24 weken tegenwoordig ook te voldoen (Euro-Peristat, 2018).

Jaar

2017

Literatuur Smith et al., 2018; Euro-Peristat, 2018

Datum publicatie

12-03-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Bonsel GJ, Birnie E, Denktaş S, Poeran JJ, Steegers EAP. Lijnen in perinatale sterfte. Signalementstudie Zwangerschap en Geboorte 2010. Rotterdam: Erasmus MC ; 2010. Bron
  2. Euro-Peristat. European Perinatal Health Report. Core indicators of the health and care of pregnant women and babies in Europe in 2015. .; 2018. Bron
  3. Smith LK, Hindori-Mohangoo AD, Delnord M, Durox M, Szamotulska K, Macfarlane A, et al. Quantifying the burden of stillbirths before 28 weeks of completed gestational age in high-income countries: a population-based study of 19 European countries. Lancet. 2018;392(10158):1639-1646. Pubmed | DOI

Neonatale sterfte na een zwangerschapsduur van 22 weken

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 3

Referentiewaarde (niet beschikbaar)

Referentie waarde: niet beschikbaar

3-jarige trend

Neonatale sterfte 2004-2015

Na een zwangerschapsduur van 24+ weken
2015Bi ondergrens 2015Bi bovengrens 20152010Bi ondergrens 2010Bi bovengrens 20102004Bi ondergrens 2004Bi bovengrens 2004
Kroatië2,72,23,3
Polen (2014)2,42,32,63,12,93,24,44,24,6
Hongarije2,42,12,7
Letland2,21,72,93,32,64,25,54,66,6
Frankrijk2,12,02,22,12,02,2
Litouwen2,01,62,62,31,82,94,23,65,1
NEDERLAND2,01,82,22,22,02,42,72,53,0
Slowakije1,91,62,31,81,42,12,42,02,8
Zwitserland (2014)1,81,52,11,91,62,2
VK (excl. Schotland)1,71,71,92,01,92,12,62,42,7
België1,61,41,91,91,82,32,32,02,7
Denemarken1,41,11,71,51,21,83,02,63,5
Oostenrijk1,41,11,61,71,42,02,21,92,6
Zweden (2014)1,31,11,51,31,11,51,91,72,2
Estland1,20,82,01,30,82,03,93,05,0
Tsjechië1,21,01,41,61,41,91,91,62,2
Noorwegen1,20,91,51,61,32,01,91,62,3
Finland1,20,91,51,31,01,62,01,62,4
Slovenië0,40,20,81,10,81,72,21,63,1
Portugal1,61,31,82,32,02,6
Spanje: Valencia2,42,02,81,81,52,2

Bron: Euro-Peristat, 2018

  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval (alleen zichtbaar in de tabel lay-out).
  • Binnen Euro-Peristat wordt een grens van 24 weken gehanteerd, waardoor cijfers lager uitvallen dan nationale cijfers.
  • België 2004: excl. Wallonië.

 

Trend neonatale sterfte

Na een zwangerschapsduur van 22+ weken
JaarNeonatale sterfte per 1.000 levendgeborenen (PRN)
20004,2
20014,0
20024,0
20033,9
20043,4
20054,0
20063,5
20073,5
20083,1
20093,2
20103,3
20113,3
20123,0
20133,2
20143,1
20153,0
20162,5
20173,0

Bron: Perinatale Registratie Nederland (Perined)

  • Het cijfer voor 2016 is een onderschatting omdat de aanlevering van de sterftecijfers door ziekenhuizen in dat jaar onvolledig was, vanwege de overgang naar een nieuwe ICT-aanlevermethode. Dit is in de aanlevering van de cijfers van 2017 hersteld.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Neonatale sterfte

Bron

Perinatale Registratie Nederland (Perined); Euro-Peristat, 2018 (2008 en 2013)

Berekening

Teller: aantal baby's die na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer tot en met de 28e dag na de geboorte zijn overleden.
Noemer: aantal levendgeborenen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (x1.000).

Interpretatie

Uitkomstmaten die betrekking hebben op de gezondheid van baby’s in hun eerste levensjaar, en dan met name sterftecijfers, worden vaak gebruikt als maat voor de kwaliteit van perinatale zorg. De voornaamste oorzaken rondom perinatale sterfte zijn aangeboren aandoeningen, (ernstige) vroeggeboorte en foetale groeibeperking. Er zijn ook risicofactoren aan te wijzen zoals de leeftijd van de moeder, meerlingenzwangerschappen, diabetes en roken. De kwaliteit van de zorg tijdens de preconceptie, zwangerschap, geboorte en neonatale periode heeft hier invloed op, en daarmee ook op de mortaliteit en morbiditeit van de baby (Bonsel et al., 2010). 

Toelichting internationale vergelijking Voor een betere vergelijkbaarheid tussen landen, is hier de grens gelegd bij een zwangerschapsduur van 24 weken. Omdat Euro-Peristat hogere grenswaarden hanteert dan nationaal (22+ weken), vallen de cijfers lager uit dan de nationale cijfers.

Toelichting bij de referentiewaarde

 

Jaar

2017

Literatuur Euro-Peristat, 2018Richardus et al., 1998

Datum publicatie

12-03-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Bonsel GJ, Birnie E, Denktaş S, Poeran JJ, Steegers EAP. Lijnen in perinatale sterfte. Signalementstudie Zwangerschap en Geboorte 2010. Rotterdam: Erasmus MC ; 2010. Bron
  2. Euro-Peristat. EUROPEAN PERINATAL HEALTH REPORT Core indicators of the health and care of pregnant women and babies in Europe in 2015.; 2018. Bron
  3. Richardus JH, Graafmans W, Verloove-Vanhorick SP, Mackenbach JP. The perinatal mortality rate as an indicator of quality of care in international comparisons. Med Care. 1998;36(1):54-66. Pubmed

Borstvoeding direct na de geboorte

Indicatorwaarde

Prestatieindicator: 80% van de zuigelingen krijgt direct na de geboorte borstvoeding

Referentiewaarde

Referentie waarde: binnen de categorie hoger opgeleide vrouwen start 90% met borstvoeding, dit is een indicatie dat hogere percentages haalbaar zijn

3-jarige trend

3-jarige trend: Het percentage neemt toe. Dat is gunstig.

Vrouwen die direct na de geboorte borstvoeding geven, 2010

Gedurende de eerste 48 uur
PercentageToelichting
Polen86,6geen informatie over type melk (uitsluitend borstvoeding of ook aanvullend flesvoeding)
Tsjechië85,6uitsluitend borstvoeding
Slovenië83,5uitsluitend borstvoeding
Verenigd Koninkrijk81,0geen informatie over type melk (uitsluitend borstvoeding of ook aanvullend flesvoeding)
Nederland74,5uitsluitend borstvoeding; direct na de geboorte
Spanje 68,1uitsluitend borstvoeding
Portugal65,2uitsluitend borstvoeding; alleen voldragen baby's
Frankrijk60,2uitsluitend borstvoeding
Zwitserland57,6uitsluitend borstvoeding; alleen gezonde voldragen baby's
Ierland45,9uitsluitend borstvoeding

Bron: Euro-Peristat, 2013

Trend vrouwen die direct na de geboorte volledige borstvoeding geven

JaarPercentageBI ondergrensBI bovengrens
200175
200280
200380
2004
200574
2006
2007817883
2008
2009
201075
2011
2012
2013
2014
2015807882

Bron: TNO

  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval (ook zichtbaar in de tabel lay-out)
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage bevallen vrouwen dat direct na de geboorte borstvoeding geeft

Bron

Peiling melkvoeding van zuigelingen; Euro-Peristat

Berekening

Teller: aantal vrouwen dat korter dan 7 maanden geleden was bevallen en deelnam aan de peiling en dat na de geboorte is gestart met borstvoeding
Noemer: aantal vrouwen dat korter dan 7 maanden geleden was bevallen en deelnam aan de peiling.

Interpretatie

Hoger is beter.

Toelichting bij de referentiewaarde

Hoe hoger dit percentage is gunstig.
Deze indicator zegt iets over de mate van voorlichting/begeleiding aan de moeder en de samenwerking tussen de verloskundige en kraamhulp. Het geven van borstvoeding heeft belangrijke voordelen voor kind en moeder en wordt daarom ook door de WHO sterk gepromoot. Diverse studies leggen een relatie tussen borstvoeding en een verminderde kans op ziekten bij het kind op de korte en langere termijn. Voor de moeders zijn de voordelen van borstvoeding een verminderde kans op bepaalde ziekten en een snellere gewichtsafname.

Jaar

2015

Deelname neonatale gehoorscreening

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 99,7%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 98%

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stabiel
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage van de doelgroep dat deelneemt aan de neonatale gehoorscreening

Bron

TNO, Monitoring neonatale gehoorscreening

Primaire bron RIVM

Berekening

Noemer: Pasgeborenen in Nederland die de neonatale gehoorscreening aangeboden krijgen.
Teller: Alle pasgeborenen die deelnemen aan de eerste screeningsronde van de NGS.

Interpretatie

De neonatale gehoorscreening (NGS) is een landelijk bevolkingsonderzoek dat iedere pasgeborene in Nederland krijgt aangeboden. Het doel van de NGS is om kinderen met een permanent gehoorverlies van minimaal 40 decibel (dB) aan één of beide oren tijdig op te sporen, zodat bij de kinderen met een dubbelzijdig gehoorverlies vóór de leeftijd van een half jaar gestart kan worden met een passende interventie. Daarnaast kan het Audiologisch Centrum adviezen voor de begeleiding geven bij kinderen met gehoorverlies aan één oor. 

Toelichting bij de referentiewaarde

De referentiewaarde is binnen het programma een 'signaalwaarde'; wanneer de indicator deze signaalwaarde overschreidt, kan dat wijzen op een afwijking en/of risico.

Jaar

2016

Literatuur

van der Ploeg et al., 2017

Datum publicatie

26-11-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Ploeg K, Pot M, Verkerk P. Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg. Monitor over 2016. Leiden: TNO; 2017. Bron

Vaccinatiegraad D(K)TP 10-jarigen

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

3-jarige trend

Vaccinatiegraad tegen DKT* internationaal 2017

Percentage
Griekenland99
Hongarije99
Luxemburg99
België98
Denemarken98
Letland98
Polen (2016)98
Portugal98
Spanje98
Zweden97
Zwitserland97
Tsjechië (2016)96
Frankrijk96
Noorwegen96
Slowakije96
Duitsland (2016)95
Ierland95
Italië94
NEDERLAND94
Slovenië94
Verenigd Koninkrijk94
Litouwen94
Estland93
Oostenrijk90
Finland89

Bron: OECD Health Statistics, 2018 (Health Care Utilisation: Immunisation)

* DKT: difterie, kinkhoest en tetanus

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage compleet afgeronde series binnen het Rijksvaccinatieprogramma voor het D(K)TP-vaccin (difterie, (kinkhoest), tetanus, polio)

Bron

van Lier et al., 2018OECD Health at a Glance

Berekening

Teller: alle kinderen met een leeftijd van 10 jaar die de volledige D(K)TP-serie hadden ontvangen.
Noemer: alle kinderen met de leeftijd van 10 jaar.

Voor een afgemaakte serie geldt: alle kinderen van 10 jaar die de volledige serie DKTP-vaccinaties hebben ontvangen. Voor basisimmuniteit geldt: alle kinderen van 2 jaar die vier vaccinaties tegen DKTP hebben ontvangen. Sinds 1 september 2006 wordt bij kleuters uitsluitend een combinatievaccin DKTP gegeven en geen apart kinkhoestvaccin. 

Interpretatie

De hoofddoelstelling van het Rijksvaccinatieprogramma is het voorkómen van ziekte en sterfte, door middel van vaccinaties. Het collectieve programma is werkzaam op twee niveaus: individuele bescherming en groepsbescherming om zo ook epidemieën te voorkomen.

Toelichting bij de referentiewaarde

De WHO hanteert een norm voor de vaccinatiegraad van minimaal 90% voor de hele bevolking; deze is nodig om groepsbescherming te bereiken.

Jaar

2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Lier E.A., Geraedts J.L.E., Oomen P.J., Giesbers H, van Vliet JA, Drijfhout I.H., et al. Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2017. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Centrum Infectieziektebestrijding; 2018. Bron

Vaccinatiegraad BMR 10-jarigen

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

Referentiewaarde: De WHO hanteert een norm voor de vaccinatiegraad van 95% voor de hele bevolking; deze is nodig om mazelen en rode hond volledig te elimineren

3-jarige trend

Vaccinatiegraad mazelen internationaal 2017

Percentage
Hongarije99
Luxemburg99
Portugal98
Tsjechië97
Denemarken97
Duitsland97
Griekenland97
Spanje97
Zweden97
Oostenrijk96
België96
Letland96
Noorwegen96
Polen (2016)96
Slowakije96
Zwitserland95
Finland94
Litouwen94
Estland93
NEDERLAND93
Slovenië93
Ierland92
Italië92
Verenigd Koninkrijk (2016)92
Frankrijk90
WHO-norm95

OECD Health Statistics, 2018 (Health Care Utilisation: Immunisation)

Voor landen die het eerste vaccin na de leeftijd van 1 jaar geven, is de vaccinatiegraad bepaald als het percentage kinderen jonger dan 2 jaar dat het vaccin heeft gekregen.

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage compleet afgeronde series binnen het Rijksvaccinatieprogramma voor het BMR-vaccin (bof, mazelen, rodehond)

Bron

van Lier et al., 2018OECD Health at a Glance

Berekening

Teller: alle kinderen met een leeftijd van 10 jaar die de volledige BMR-serie hadden ontvangen.
Noemer: alle kinderen met de leeftijd van 10 jaar.

Voor een afgemaakte serie geldt: alle kinderen van 10 jaar die de volledige serie BMR-vaccinaties hebben ontvangen bij 14 maanden en 9 jaar. Voor basisimmuniteit geldt: alle kinderen van 2 jaar die de BMR-vaccinatie bij 14 maanden hebben ontvangen.

Interpretatie

De hoofddoelstelling van het Rijksvaccinatieprogramma is het voorkómen van ziekte en sterfte, door middel van vaccinaties. Het collectieve programma is werkzaam op twee niveaus: individuele bescherming en groepsbescherming om zo ook epidemieën te voorkomen.

Toelichting bij de referentiewaarde

De WHO hanteert een norm voor de vaccinatiegraad van 95% voor de hele bevolking; deze is nodig om mazelen en rodehond volledig te elimineren.

Jaar

2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Lier E.A., Geraedts J.L.E., Oomen P.J., Giesbers H, van Vliet JA, Drijfhout I.H., et al. Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2017. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Centrum Infectieziektebestrijding; 2018. Bron

30-dagen sterfte na ziekenhuisopname voor ischemische beroerte

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 10,9 procent van de patientn dat is opgenomen in een ziekenhuis voor een beroerte is na 30 dagen overleden

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 10,2%

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stabiel

30-dagen sterfte na ziekenhuisopname voor ischemische beroerte 2015

Binnen en buiten het ziekenhuis
LandBinnen/buiten het ziekenh.BI ondergrens (binnen en buiten)BI bovengrens (binnen en buiten)Binnen het ziekenhuisBI ondergrens (binnen)BI bovengrens (binnen)
Estland17,316,018,68,67,79,5
Chili17,116,417,910,610,011,2
Slovenië14,113,015,312,111,013,2
Tjechië13,112,713,69,79,310,0
Nieuw-Zeeland12,211,313,07,77,08,3
Nederland (2012)10,910,411,47,36,97,7
V.K.10,810,611,09,69,49,8
Portugal10,610,211,09,99,510,3
Spanje10,210,010,410,19,910,4
Zweden9,69,210,06,15,86,4
Denemarken9,48,710,14,64,15,1
Italië9,39,29,56,36,26,5
Israel8,98,39,56,86,37,3
Noorwegen8,47,89,04,84,35,2
Zwitserland (2012)8,27,78,75,45,05,7
Finland7,77,38,25,04,75,3
Korea6,25,96,43,93,74,1
Ierland (2013)9,78,910,5
Slowakije9,28,79,6
Canada8,58,28,8
België8,48,08,8
Frankrijk7,16,97,2
Oostenrijk6,86,47,2
Australië6,76,47,1
Duitsland6,25,96,5
V.S.4,24,14,2
Japan3,12,93,3
  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval (alleen zichtbaar in de tabel lay-out).
  • Meetjaar is 2014 of 2015, tenzij anders weergegeven.
  • Omdat sommige landen geen gegevens hadden over de status van patiënten na ontslag uit het ziekenhuis, is hier ook de 30-dagen sterfte binnen het ziekenhuis weergegeven.

30-dagensterfte na ziekenhuisopname voor ischemische beroerte 2000-2012

Binnen en buiten het ziekenhuis
MannenBI ondergrens (m)BI bovengrens (m)VrouwenBI ondergrens (v)BI bovengrens (v)
200020,519,421,618,517,619,5
200119,618,520,718,017,118,9
200219,018,020,117,416,518,3
200316,315,417,315,214,416,0
200416,015,116,915,514,616,3
200514,013,114,913,412,714,2
200613,312,414,112,812,013,6
200713,212,314,113,212,414,0
200812,211,313,012,311,513,1
200912,211,313,011,911,212,6
201011,110,311,911,711,012,4
201110,69,811,410,710,011,4
201210,09,310,711,711,012,4
  • Gestandaardiseerd naar de OECD 2010 standaard van 45 jaar en ouder
  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage patiënten dat binnen 30 dagen na een ziekenhuisopname voor een ischemische beroerte (herseninfarct) is overleden

Bron

Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ)OECD Health Statistics

Berekening

Teller: alle personen die werden opgenomen met een ischemische beroerte en die binnen 30 dagen na de opname overleden waren.
Noemer: alle personen die werden opgenomen met een ischemische beroerte.

Interpretatie

De indicator reflecteert snelle en adequate signalering en vervoer naar het ziekenhuis, snelle diagnostiek in ambulance en ziekenhuis, snelle trombolyse, preventie van complicaties, vroegtijdige revalidatie en toepassen van de juiste medicatie.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan getoonde OECD-landen (Spanje)

Jaar

2012

Vaccinatiegraad HPV 14-jarige meisjes

Indicatorwaarde

Referentiewaarde*

3-jarige trend

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage compleet afgeronde series binnen het Rijksvaccinatieprogramma voor het HPV-vaccin (humaan papillomavirus)

Bron

van Lier et al., 2018

Berekening

Teller: alle meisjes met een leeftijd van 14 jaar, die de volledige HPV-serie hadden ontvangen.
Noemer: alle meisjes met de leeftijd van 14 jaar.

Voor een afgemaakte serie geldt: alle meisjes van 14 jaar die de volledige serie HPV-vaccinaties hebben ontvangen (bij 12-13 jaar).

Interpretatie

De hoofddoelstelling van het Rijksvaccinatieprogramma is het voorkómen van ziekte en sterfte, door middel van vaccinaties. Baarmoederhalskanker wordt veroorzaakt door een infectie met het humaan papillomavirus (HPV). Het vaccin dat in Nederland wordt gebruikt beschermt tegen twee varianten van HPV die samen ongeveer 70% van de gevallen van baarmoederhalskanker veroorzaken.

Toelichting bij de referentiewaarde

n.v.t.

Jaar

2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Lier E.A., Geraedts J.L.E., Oomen P.J., Giesbers H, van Vliet JA, Drijfhout I.H., et al. Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2017. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Centrum Infectieziektebestrijding; 2018. Bron

30-dagen sterfte na ziekenhuisopname voor acuut myocardinfarct

Indicatorwaarde

Prestatieindicator: 8,2 procent overlijdt 30 dagen na een ziekenhuisopname voor een acuut myocardinfarct

Referentiewaarde

Refentiewaarde: 8,8

3-jarige trend

3-jarige trend: Het percentage  patiënten dat binnen 30 dagen na een ziekenhuisopname voor een acuut myocardinfarct is overleden is de afgelopen 3 jaar afgenomen. Dit is een gunstige trend

30-dagen sterfte na ziekenhuisopname voor acuut myocardinfarct 2015

Binnen en buiten het ziekenhuis
LandBinnen/buiten het ziekenh.BI ondergrens (binnen en buiten)BI bovengrens (binnen en buiten)Binnen het ziekenhuisBI ondergrens (binnen)BI bovengrens (binnen)
Chili15,915,016,811,310,512,0
Estland14,112,815,410,69,511,7
Tjechië10,910,311,46,96,57,2
Korea10,49,910,98,17,78,6
Slovenië9,98,911,06,15,36,9
USA9,38,99,76,56,26,9
Portugal9,08,49,57,97,48,4
Zwitserland (2012)8,98,49,55,14,85,5
Israel8,88,39,46,76,27,2
UK8,88,69,07,17,07,3
Finland8,37,98,85,65,35,9
Spanje8,28,08,57,97,68,1
NEDERLAND (2012)8,27,88,65,45,15,7
Polen8,17,78,54,44,14,7
Nieuw-Zeeland7,97,38,54,74,35,1
Zweden7,87,48,14,24,04,4
Denemarken7,77,18,44,03,54,4
Noorwegen7,77,28,23,73,43,9
Italië7,67,57,85,45,35,5
Japan11,710,912,6
Duitsland7,77,38,0
Oostenrijk7,47,07,9
België7,06,77,4
Ierland (2013)6,45,87,1
Slowakije6,45,96,9
Frankrijk5,65,45,7
Canada5,15,05,3
Australië4,03,84,2
  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval.
  • Meetjaar is 2014 of 2015, tenzij anders weergegeven.
  • Omdat sommige landen geen gegevens hadden over de status van patiënten na ontslag uit het ziekenhuis, is hier ook de 30-dagen sterfte binnen het ziekenhuis weergegeven.

30-dagen sterfte na ziekenhuisopname voor acuut myocardinfarct 2000-2012

Binnen en buiten het ziekenhuis
JaarMannenBI ondergrens (m)BI bovengrens (m)VrouwenBI ondergrens (v)BI bovengrens (v)
200016,615,817,417,816,818,7
200115,815,016,616,615,717,5
200215,815,016,516,115,216,9
200315,514,716,315,915,016,8
200414,213,415,014,313,515,2
200513,212,414,013,812,914,7
200612,812,013,612,711,813,6
200712,211,413,011,911,012,8
200810,710,011,510,09,210,8
200910,19,410,89,89,110,6
201010,09,310,710,810,011,6
20119,89,210,59,38,510,0
20128,68,09,27,97,28,5
  • Gestandaardiseerd naar de OECD 2010 standaard van 45 jaar en ouder
  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

  Toelichting
Volledige naam indicator Percentage patiënten dat binnen 30 dagen na een ziekenhuisopname voor een acuut myocardinfarct is overleden
Bron Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ)OECD Health Statistics
Berekening

Teller: alle personen die werden opgenomen met een acuut myocardinfarct en die binnen 30 dagen na de opname overleden waren.
Noemer: alle personen die werden opgenomen met een acuut myocardinfarct.

Interpretatie Deze indicator heeft betrekking op de kwaliteit van zorgverlening in de acute fase van AMI. Deze indicator reflecteert snelle en adequate signalering en vervoer naar het ziekenhuis, snelle diagnostiek in ambulance en ziekenhuis, snelle therapeutische vaatinterventie (zoals percutane coronaire interventie (PCI), preventie van complicaties, vroegtijdige revalidatie en toepassen van de juiste medicatie.
Toelichting bij referentiewaarde Mediaan getoonde OECD-landen (gemiddelde van Israël en Verenigd Koninkrijk)
Jaar 2012

Heupfracturen die uiterlijk op de volgende kalenderdag geopereerd worden

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 86,8 procent van de heupfracturen wordt uiterlijk de volgende kalenderdag geopereerd

Referentiewaarde

Refrentiewaarde: De Mediaan van de OESO-landen is 70,1 procent van de heupfracturen

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stabiel

Tijdigheid van opereren van een heupfractuur, 2013

LandOp dag 2Uiterlijk volgende kalenderdag (op dag 0 of 1)Volgende dag (op dag 1)Zelfde dag (op dag 0)
Nederland8,486,845,741,1
Denemarken1283,858,725,1
Tsjechië9,675,821,154,7
Zwitserland13,172,840,232,6
Cananda19,872,249,622,6
Estland9,271,734,537,2
Duitsland1770,670,6
België13,770,634,935,7
Zweden23,469,646,922,7
Israel17,86743,423,6
Ierland16,166,239,926,3
Verenigd Koninkrijk36,451,226,824,4
Finland36,948,926,922
Slovenië1843,925,618,3
Nieuw Zeeland39,742,723,219,5
Spanje16,526,815,211,6
  • Het gaat hier om personen van 65 jaar en ouder die geopereerd zijn.

Trend tijdigheid van opereren van een heupfractuur

JaarZelfde dagUiterlijk volgende kalenderdagTwee dagen
200035,379,890,1
200137,480,291,1
200235,58090,3
200336,280,991,1
200437,98191,4
20053983,392,9
200639,185,493,4
200742,386,293,9
200841,885,293,6
200943,486,594,2
201042,287,194,7
201141,186,895,2
  • Het gaat hier om personen van 65 jaar en ouder die geopereerd zijn.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage operaties aan heupfracturen dat gestart werd op de dag van opname of de dag daarna 

Bronnen

Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ)OECD Health Statistics

Berekening

Teller: aantal patiënten van 65 jaar of ouder dat werd opgenomen in het ziekenhuis met een heupfractuur en dezelfde of de daaropvolgende kalenderdag werd geopereerd.
Noemer: aantal patiënten van 65 jaar of ouder dat werd opgenomen in het ziekenhuis met een heupfractuur en daaraan werd geopereerd.

Interpretatie

De tijd die verstrijkt tussen het moment van de heupfractuur en het moment van opname in het ziekenhuis is van invloed op de uitkomst van de behandeling. Als die tijd langer is dan 24 uur, is de kans op sterfte verhoogd. Dit geldt ook voor de kans op het optreden van complicaties. Het wachten op een operatie gaat vaak gepaard met pijn en ongemak.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan getoonde OECD-landen (gemiddelde van Zweden en België)

Jaar

2011

Ambulanceritten die binnen de 15-minutennorm plaatsvinden

Indicatorwaarde

Indiactorwaarde: 92,4%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 95 procent moet van alle spoedeisende ambulance ritten binnen de norm van 15 minuten ter plaatse zijn.

3-jarige trend

3-jarige trend: Het percentage neemt toe. Dat is gunstig
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage spoedeisende ambulanceritten dat binnen de norm van 15 minuten ter plaatse is

Bronnen

RIVMAZN

Berekening

Teller: aantal A1-inzetten binnen de norm.
Noemer: totaal aantal A1-inzetten.

Interpretatie

Binnen de ambulancezorg geldt een wettelijke verplichting dat 95% van de A1-inzetten binnen 15 minuten ter plaatse moet zijn. Overschrijdingen ontstaan door een combinatie van factoren zoals onvoldoende beschikbaarheid van ambulances, onvoldoende spreiding van standplaatsen en overmacht zoals slecht weer, verkeerscongestie of een uitzonderlijk grote vraag naar ambulancezorg op een bepaald moment.

Toelichting bij de referentiewaarde

Wettelijk vastgelegde norm

Jaar

2017

Meer informatie Acute zorg op Volksgezondheidenzorg.info; Sectorkompas AZN

Relatieve 5-jaarsoverleving bij baarmoederhalskanker

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 67,5%

Referentiewaarde

5-jarige trend

Trend: toename dat is gunstig

Relatieve 5-jaarsoverleving bij baarmoederhalskanker, 2010-2014

[container]

Bron: CONCORD-3

  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in bevolkingsopbouw tussen landen door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2)
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.

Trend relatieve 5-jaarsoverleving bij baarmoederhalskanker

[container]
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in bevolkingsopbouw tussen jaren en landen door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2)
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Relatieve 5-jaarsoverleving bij baarmoederhalskanker

Bron

CONCORD-3 (prestatie-indicator en internationale vergelijking) Nederlandse Kanker Registratie (NKR) (Nederlandse trend)

Berekening

Teller: percentage patiënten met baarmoederhalskanker dat 5 jaar na de diagnose nog in leven is.
Noemer: percentage personen uit een vergelijkbare groep qua leeftijd en geslacht in de algemene bevolking dat na 5 jaar nog in leven is.

Interpretatie

5-jaarsoverleving is de uitkomst van enerzijds vroege opsporing en anderzijds effectieve behandeling en is daarmee een indicator voor de effectiviteit van de kankerzorg.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan 28 OECD-landen (Portugal/Australië)

Jaar

2014

Relatieve 5-jaarsoverleving bij borstkanker

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 86,6%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 86,3%

3-jarige trend

Relatieve 5-jaarsoverleving bij borstkanker, 2010-2014

[container]

Bron: CONCORD-3

  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in bevolkingsopbouw tussen landen door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2)
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.

Trend relatieve 5-jaarsoverleving bij borstkanker

[container]

Bron: NKR

  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor veranderingen in omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2).
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Relatieve 5-jaarsoverleving bij borstkanker

Bron

CONCORD-3 (prestatie-indicator en internationale vergelijking); Nederlandse Kanker Registratie (NKR) (Nederlandse trend)

Berekening

Teller: percentage patiënten met borstkanker dat 5 jaar na de diagnose nog in leven is.
Noemer: percentage personen uit een vergelijkbare groep qua leeftijd in de algemene bevolking dat na 5 jaar nog in leven is.

Interpretatie

5-jaarsoverleving is de uitkomst van enerzijds vroege opsporing en anderzijds effectieve behandeling en is daarmee een indicator voor de effectiviteit van de kankerzorg.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan 28 OECD-landen (Zwitserland/België)

Jaar

2014

Relatieve 5-jaarsoverleving bij colonkanker

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 63,9%

3-jarige trend

Trend: De 3-jarige trend laat een teoname zien. Dat is gunstig.

Relatieve 5-jaarsoverleving bij colonkanker, 2010-2014

[container]

Bron: CONCORD-3 

  • Internationale cijfers zijn alleen beschikbaar voor colon- en endeldarmkanker afzonderlijk. Daarom staan in deze figuur alleen overlevingscijfers voor colondarmkanker.
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in bevolkingsopbouw tussen landen door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2).
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.

Trend relatieve 5-jaarsoverleving bij colonkanker

[container]
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in bevolkingsopbouw tussen jaren en landen door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2).
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Relatieve 5-jaarsoverleving bij dikkedarmkanker

Bronnen

Nederlandse Kanker Registratie (NKR); CONCORD-3

Berekening

Teller: percentage patiënten met dikkedarmkanker dat 5 jaar na de diagnose nog in leven is.
Noemer: percentage personen uit een vergelijkbare groep qua leeftijd en geslacht in de algemene bevolking dat na 5 jaar nog in leven is.

Interpretatie

5-jaarsoverleving is de uitkomst van enerzijds vroege opsporing en anderzijds effectieve behandeling en is daarmee een indicator voor de effectiviteit van de kankerzorg.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan 28 OECD-landen (Frankrijk/Nieuw Zeeland)

Jaar

2014

Ziekenhuisopnamen astma en COPD

Indicatorwaarde

Prestatieindicator: 20,2 per 10.000 inwoners is opgenomen voor astma/COPD

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 23,8%

3-jarige trend

De 3-jarige trend is stijgend, dat is ongunstig

Ziekenhuisopnamen voor astma en COPD 2015

Per 10.000 personen van 15 jaar en ouder
AstmaCOPD Totaal
Hongarije (2012)7,335,442,8
Ierland4,436,841,1
Australië6,530,737,1
Nieuw-Zeeland6,529,836,3
Denemarken5,128,233,3
Oostenrijk4,328,633,0
Korea9,521,430,9
V.K7,123,230,3
België3,724,828,6
Duitsland2,925,528,4
V.S.9,017,326,2
Noorwegen3,023,126,1
Israel5,220,825,9
Canada1,523,324,7
Slowakije9,314,523,8
Spanje4,518,923,4
Polen8,215,223,4
NEDERLAND (2012)3,616,620,2
Tsjechië3,515,819,3
Finland5,313,118,4
Zweden1,916,518,4
Frankrijk3,012,015,0
Slovenië4,310,314,6
Zwitserland2,811,113,8
Estland2,810,913,7
Chili1,68,39,9
Portugal1,65,87,4
Italië0,85,66,4
Japan (2011)3,52,35,8
  • Gestandaardiseerd naar de OECD standaard 2010 van 15 jaar en ouder
  • Meetjaar 2014 of 2015, tenzij anders aangegeven
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Aantal ziekenhuisopnamen met als hoofddiagnose astma of COPD

Bron

OECD Health StatisticsLandelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ)

Berekening

Teller: aantal personen van 15 jaar en ouder dat in de periode van een jaar in een ziekenhuis opgenomen is met als hoofddiagnose astma of COPD.
Noemer: Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder.

Interpretatie

Ziekenhuisopnamen voor astma of COPD zijn in de meeste gevallen te voorkomen door goede en tijdige ambulante zorg, veelal in de eerste lijn.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan getoonde OECD-landen (Slowakije)

Jaar

2012

Ziekenhuisopnamen diabetes mellitus

Indicatorwaarde

Prestatieindicator: 7,0 per 10.000 inwoners is opgenomen voor diabetes mellitus

Referentiewaarde

Referentiewaarde: Het OESO-gemiddelde voor ziekenhuisopnamen diabetes mellitus is  12,2 per 10.000 inwoners

3-jarige trend

De 3-jarige trend is stabiel

Ziekenhuisopnamen voor diabetes mellitus 2015

Per 10.000 personen van 15 jaar en ouder
LandOpnamen diabetes m. per 10.000Meetjaar
Korea28,12015
Oostenrijk26,62014
Duitsland21,82015
Slowakije20,42015
Polen19,72015
V.S.19,22014
Tsjechië18,72015
Frankrijk15,12015
Nieuw-Zeeland14,82014
België14,32014
Finland14,12015
Australië14,12014
Chili13,32014
Estland13,02015
Denemarken11,32015
Hongarije (2012)11,02012
Slovenië10,12014
Zweden9,62015
Canada9,42015
Ierland9,22015
Noorwegen7,42015
V.K7,32015
Zwitserland7,32015
NEDERLAND (2012)7,02012
Israel6,92015
Portugal6,62015
Spanje4,82014
Italië4,02015
  • Gestandaardiseerd naar de OECD standaard 2010 van 15 jaar en ouder
  • Meetjaar 2014 of 2015, tenzij anders aangegeven

Trend ziekenhuisopnamen voor diabetes mellitus

Per 10.000 personen van 15 jaar en ouder
MannenVrouwenTotaalBI ondergrens (m)BI bovengrens (m)BI ondergrens (v)BI bovengrens (v)BI ondergrens (t)BI bovengrens (t)
20068,46,37,38,18,66,26,57,17,4
20077,85,96,87,58,05,86,16,66,9
20087,85,96,87,68,15,86,16,76,9
20098,05,76,87,88,25,55,96,66,9
20108,46,17,28,28,65,96,37,07,3
20117,85,86,77,68,05,66,06,66,9
20128,45,87,08,28,65,66,06,87,1
  • Gestandaardiseerd naar de OECD standaard 2010 van 15 jaar en ouder
  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval (alleen zichtbaar in de tabel lay-out)
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Aantal ziekenhuisopnamen met als hoofddiagnose acute en chronische complicaties van diabetes mellitus

Bron

OECD Health StatisticsLandelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ)

Berekening

Teller: aantal personen van 15 jaar en ouder dat in de periode van een jaar in een ziekenhuis opgenomen is met als hoofddiagnose acute en / of chronische complicaties van diabetes mellitus.
Noemer: Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder.

Interpretatie

Ziekenhuisopnamen voor diabetes mellitus zijn in de meeste gevallen te voorkomen door goede en tijdige ambulante zorg, veelal in de eerstelijn.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan getoonde OECD-landen (Denemarken en Estland)

Jaar

2012

Ziekenhuisopnamen hartfalen

Indicatorwaarde

Prestatieindicator: 18,1 per 10.000 inwoners is opgenomen voor hartfalen

Referentiewaarde

Referentiewaarde: Het OESO-gemiddelde voor ziekenhuisopnamen hartfalen is 21,7 per 10.000 inwoners

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stabiel

Ziekenhuisopnamen voor hartfalen 2015

Per 10.000 personen van 15 jaar en ouder
LandOpnamen hartalen per 10.000
Polen46,4
Hongarije (2012)44,1
Slowakije41,7
Duitsland38,7
Tsjechië38,0
V.S.34,7
Finland31,2
Estland26,9
Frankrijk26,6
Slovenië26,1
Oostenrijk25,9
Zweden25,0
Israel24,8
Italië22,6
Australië21,7
Nieuw-Zeeland21,6
Spanje19,6
België18,9
NEDERLAND (2012)18,1
Zwitserland17,4
Portugal16,7
Canada16,7
Noorwegen16,0
Ierland (2013)15,9
Denemarken15,0
Japan (2011)13,7
V.K10,1
Chili9,8
Korea9,4
  • Gestandaardiseerd naar de OECD standaard 2010 van 15 jaar en ouder
  • Meetjaar 2014 of 2015, tenzij anders aangegeven

Trend ziekenhuisopnamen voor hartfalen

Per 10.000 personen van 15 jaar en ouder
JaarMannenBI ondergrens (m)BI bovengrens (m)VrouwenBI ondergrens (v)BI bovengrens (v)TotaalBI ondergrens (t)BI bovengrens (t)
200622,121,722,514,714,415,017,917,718,1
200722,221,822,615,014,715,318,017,818,3
200821,521,121,914,814,615,117,717,417,9
200922,221,822,615,815,516,018,518,218,7
201022,422,022,815,915,616,118,618,418,8
201121,721,322,114,914,615,117,817,518,0
201222,121,722,515,114,815,318,117,918,3
  • Gestandaardiseerd naar de OECD standaard 2010 van 15 jaar en ouder
  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval (alleen zichtbaar in de tabel lay-out)
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Aantal ziekenhuisopnamen met als hoofddiagnose hartfalen

Bron

OECD Health StatisticsLandelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ)

Berekening

Teller: aantal personen van 15 jaar en ouder dat in de periode van een jaar in een ziekenhuis opgenomen is met als hoofddiagnose hartfalen.
Noemer: Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder.

Interpretatie

Ziekenhuisopnamen voor hartfalen zijn in de meeste gevallen te voorkomen door goede en tijdige ambulante zorg, veelal in de eerstelijn.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan getoonde OECD-landen (Australië)

Jaar

2012

Ervaren problemen in afstemming tussen eerste en tweede lijn

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 28%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 26%

3-jarige trend*

3-jarige trend: toename dat is ongunstig
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage personen dat problemen heeft ervaren met afstemming tussen de eerste en de tweede lijn

Bron

International Health Policy Survey, 2016; IQ healthcare, 2017

Berekening

Teller: aantal geënqueteerden (volwassen burgers in 11 landen) dat in de voorgaande twee jaar een specialist had bezocht en positief antwoordde op minimaal één van de volgende vragen: "Hebt u de afgelopen 2 jaar meegemaakt toen u een medisch specialist zag …

  • dat de specialist niet over de medische basisinformatie beschikte van uw huisarts?
  • uw huisarts niet geïnformeerd leek en niet op de hoogte was van de zorg die u van de specialist had ontvangen?

Noemer: alle geënqueteerden die aangaven in de voorgaande twee jaar een specialist bezocht te hebben (n=587 in 2016)

Interpretatie

Voor een optimale medisch-specialistische behandeling is het van belang dat zowel de huisarts als de medisch specialist over de juiste informatie over de patiënt beschikken. Dat komt effectiviteit, veiligheid en vraaggerichtheid ten goede.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan 11 landen (Zwitserland)

Jaar

2016

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. IQ healthcare. International Health Policy Survey 2016; Onderzoek onder volwassen burgers in 11 landen . Nijmegen: IQ healthcare; 2017. Bron

Zorginfecties in ziekenhuizen

Indicatorwaarde

Referentiewaarde (niet beschikbaar)

Geen referentiewaarde

3-jarige trend

De 3-jarige trend is stabiel

Trend in zorginfecties in het ziekenhuis

Puntprevalentie
TotaalPOWISepsis/bacteriëmieUrineweginfectiesInfecties van de onderste luchtwegen
20145,42,10,90,81
20155,31,90,70,71,1
20165,51,80,80,71,2
20175,31,80,80,91,1

Bron:  PREZIES, 2018

  • POWI = Postoperatieve wondinfecties                
  • Infecties van de onderste luchtwegen waaronder longontsteking
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Aantal zorginfecties aanwezig of behandeld op peildatum, per 100 beoordeelde patiënten die op die peildatum waren opgenomen in het ziekenhuis.

Bron

PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance (PREZIES)

Berekening

Aantal zorginfecties aanwezig of behandeld op peildatum. Dit zijn zowel de zorginfecties ontstaan tijdens de huidige opname als de zorginfecties die al aanwezig waren op het moment van heropname.  Noemer: aantal beoordeelde patiënten die op peildatum waren opgenomen in het ziekenhuis (x100).

In- en exclusie Inclusie: patiënten die op de registratiedag met ontslag gaan. Exclusie: patiënten die op de registratiedag worden opgenomen in het ziekenhuis.
Toelichting Het prevalentieonderzoek is opgezet als een puntprevalentie meting. De peildatum (registratiedag) is in de praktijk niet altijd dezelfde dag voor elke ziekenhuisafdeling. De gegevensverzameling is elk jaar wel binnen één maand uitgevoerd.

Interpretatie

Zorginfecties zijn infecties die ontstaan tijdens of in aansluiting op het verblijf of behandeling in een zorginstelling. Zorginfecties kunnen grote, soms zeer onaangename, gevolgen hebben voor de patiënt. Gevolgen kunnen variëren van een oppervlakkige ontsteking tot ontstekingsreacties in het hele lichaam, leidend tot de dood. Zorginfecties kunnen leiden tot verlenging van opname, heropname en heroperatie. Extra kosten zijn hiervan het gevolg.

Toelichting bij de referentiewaarde

N.v.t.

Jaar

2017
Literatuur PREZIES, 2018

Datum publicatie

14-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. PREZIES. Referentiecijfers 2014 t/m 2017: Prevalentieonderzoek ziekenhuizen. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron

Suïcides in de geestelijke gezondheidszorg

Indicatorwaarde

Indicatorwaard 724 mensen

Referentiewaarde*

Referentie waarde: niet beschikbaar

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stabiel

Trend suïcides in de geestelijke gezondheidszorg

JaarTotaalIn de GGZBuitenBevraagde instellingenSuïcidepogingen met ernstig schadelijk gevolg
20071353539814
20081435574861
20091525628897
20101600607993
20111647651996105153
201217536771076170176
201318576961161264246
201418397271112254210
201518716831188168186
201618937241169326243
  • Inclusief PAAZ/PUC en crisisopvang.
  • Exclusief justitiële instellingen.
  • In 2011, 2013 en 2016 is er een trendbreuk omdat het aantal instellingen dat informatie heeft aangeleverd, toenam.
  • In 2015 is er een trendbreuk omdat het aantal instellingen dat informatie heeft aangeleverd, afnam (instellingen die uitsluitend zorg leveren die wordt bekostigd vanuit de generalistische basis-ggz, de Wmo en/of de Jeugdwet).
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Aantal personen in behandeling van de geestelijke gezondheidszorg dat zich heeft gesuïcideerd in een kalenderjaar

Bron

Meldingssysteem voor suïcides en suïcidepogingen met ernstig letsel van de IGJ

Berekening

Het aantal personen in behandeling van een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ) dat zich in één kalenderjaar heeft gesuïcideerd.

Interpretatie

Het aantal suïcides van mensen die in behandeling zijn van de GGZ zegt iets over de implementatie en doeltreffendheid van suïcidepreventie binnen de GGZ. Als dit kengetal in de loop van de tijd stijgt, kan dat betekenen dat de doeltreffendheid van de preventie te wensen overlaat. Zorgverleners in de GGZ worden ondersteund met de multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag uit 2012 en het kwaliteitsdocument ketenzorg bij suïcidaliteit uit 2010.

Toelichting bij de referentiewaarde

-

Jaar

2016

Nosocomiale decubitus in instellingen voor langdurige zorg

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 2,9%

Referentiewaarde (niet beschikbaar)

Geen referentiewaarde

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stabiel

Trend nosocomiale decubitus in instellingen voor langdurige zorg

JaarDecubitus in instellingen voor wzw
20055,8
20065,9
20074,2
20083,4
20092,9
20102,2
20112,1
20122,2
20131,5
20142,2
20152,6
20162,4
20172,9

Bron: LPZ, Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen

Nosocomiale decubitus: tijdens het verblijf in een zorginstelling ontstane decubitus.

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage cliënten met nosocomiale decubitus van graad 2 of hoger in instellingen voor langdurige zorg

Bron

Landelijke prevalentiemeting zorgkwaliteit (Universiteit Maastricht; Care and Public Health Research Institute (Caphri))

Berekening

Teller: alle patiënten waarbij op één meetmoment decubitus is vastgesteld. Noemer: alle onderzochte patiënten. Meting wordt verricht door twee zorgverleners.

Interpretatie

Decubitus leidt tot pijn en ongemak en heeft een ongunstig effect op de kwaliteit van leven en kan zelfs leiden tot sterfte. Bovendien leidt het tot hoge kosten in de gezondheidszorg. Het aantal patiënten dat nosocomiale (= tijdens het verblijf ontstane) decubitus krijgt in een zorginstelling is een indicatie voor de kwaliteit van de verpleegkundige zorg. Veel decubitusgevallen kunnen voorkómen worden door het nemen van specifieke maatregelen. 
In 2017 werden 7.590 cliënten onderzocht, het jaar daarvoor ruim 8.000.

Toelichting bij de referentiewaarde

n.v.t.

Jaar

2017

Literatuur LPZ

Seperaties in de geestelijke gezondheidszorg

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 371331 uur

Referentiewaarde (niet beschikbaar)

Referentiewaarde niet beschikbaar

2-jarige trend

3-jarige trend: Afname van 9,3%

Trend bruto uren separatie van alle instellingen

JaarAantal uren
2014368522
2017334362

Bron:  Openbare dataset op Zorginzicht.nl, bewerking door het RIVM

  • Voor de indicatorwaarde zijn 23 instellingen meegenomen en voor de  trend maar 21 instellingen, hierdoor wijkt de indicatorwaarde af van het cijfer in de trend. Van twee instellingen was geen data van 2014 beschikbaar.
  • De cijfers van 2014 zijn gevalideerd. Dat betekent dat alle dubbelingen eruit zijn gehaald en op het niveau van de patient onderzocht is of patiënten in de verschillende gegevensbronnen voorkomen. In de gegevens van 2017 was deze controle niet mogelijk.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Totaal aantal uren separatie in de geestelijke gezondheidszorg.

Bron

Openbare dataset op Zorginzicht (2017) en Casusregister Argus (2014)
Bronhouder primaire bron

Zorginstituut Nederland (2017) en GGNet  (2014)

 

Berekening

Som van het aantal uren separatie per GGZ-instelling (teller van de indicator 'Separatieduur per opnameduur')

Extra toelichting De indicator is berekend op basis van gegevens van alle grote GGZ-instellingen. Separaties op afdelingen of instellingen voor forensische zorg, instellingen voor specifieke patiëntengroepen en afdelingen psychiatrie in algemene ziekenhuizen en medische centra zijn niet meegeteld. Voor het berekenen van een landelijke trend zijn vijf algemene GGZ-instellingen geëxcludeerd, omdat:  (1) er geen gegevens over 2014 beschikbaar waren, (2) er extreme verschillen waren tussen 2014 en 2017, of (3) de separatieduur voor de betreffende instelling als onjuist werd aangemerkt.

Interpretatie

Het terugdringen van aantal en duur van vrijheidsbeperkende interventies is een belangrijk doel van de brancheorganisatie in de GGZ, beroepsverenigingen, cliëntenorganisaties en Rijksoverheid. Vrijheidsbeperkende interventies, zoals separatie, zijn ingrijpende maatregelen die niet zelden leiden tot verergering van angsten, depressie, psychose of tot suïcidaliteit. Er zijn alternatieve aanpakken beschikbaar maar die worden niet altijd  toegepast.
Indicatorontwikkeling De Argus-registratie van vrijheidsbeperkende interventies bestaat niet meer. Om toch inzicht te krijgen in landelijke ontwikkelingen in het toepassen van vrijheidsbeperkende interventies, is voor de actualisatie van de indicator gebruik gemaakt van een andere bron (Zorginzicht), met als kanttekening dat de betrouwbaarheid van de cijfers niet helemaal duidelijk is, terwijl aan de validatie van de cijfers uit de Argus-registratie veel zorg besteed is. Er wordt gewerkt aan de opzet van een nieuwe registratie voor vrijheidsbeperkende interventies.

Toelichting bij de referentiewaarde

N.v.t.

Jaar

2017
Literatuur Bestuurlijk akkoord geestelijke gezondheidszorg (GGZ) 2019 t/m 2022; IGJ, 2018TNO, 2013

Datum publicatie

13-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. IGJ. Dwangtoepassing en separeerpraktijk in de ggz. Utrecht: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd; 2018. Bron
  2. TNO. Vrijheidsbeperking in de GGZ: veldnorm insluiting . Soesterberg: TNO; 2013. Bron

Tevredenheid zorgverleners met de kwaliteit van de geleverde zorg in de eigen instelling binnen ziekenhuizen en de GGZ

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 3,5

Referentiewaarde

Referentiewaarde: Een score van 4 betekent tevreden

4-jarige trend

4-jarige trend: stabiel

Tevredenheid zorgverleners met de kwaliteit van de geleverde zorg in de eigen instelling

Ziekenhuizen en de GGZ, schaal van 1 t/m 5
JaarZKH-verplGGZ-VerplTotaal
20093,53,63,5
20113,53,63,5
20133,53,73,5
20153,33,53,4
20173,53,53,5
  • ZKH-verpl = verpleegkundigen in ziekenhuizen; GGZ-verpl = verpleegkundigen in de GGZ
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van het panel tussen de jaren voor wat betreft leeftijd en omvang van elke beroepsgroep.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Gemiddelde score op een schaal voor tevredenheid van zorgverleners in ziekenhuizen en GGZ-instellingen met de kwaliteit van geleverde zorg in de eigen instelling

Bron

NIVEL, Panel Verpleging & Verzorging

Berekening

De scores betreffen een gemiddelde van de antwoorden op 3 vragen naar de kwaliteit van zorg. Dit betreft een sub-schaal van de Maastrichtse arbeidstevredenheidsschaal voor de gezondheidszorg (MAS-GZ). De antwoorden werden gegeven op een vijfpuntsschaal, waarbij: 5=zeer tevreden, 4=tevreden, 3=neutraal, 2=ontevreden en 1=zeer ontevreden. Het gemiddelde kan variëren tussen 1 en 5.

Interpretatie

Een van de deelaspecten van arbeidstevredenheid is de kwaliteit van de zorg in de eigen instelling. Als zorgverleners ontevreden zijn over de kwaliteit van zorg, kan dat erop duiden dat patënten zorg van onvoldoende kwaliteit ontvangen, bijvoorbeeld dat er in het algemeen te weinig tijd beschikbaar is om goede zorg te ontvangen of dat de zorg te weinig toegespitst is op de individuele zorgbehoefte.Een hoger cijfer duidt op een betere kwaliteit in de ogen van zorgverleners.

Toelichting bij de referentiewaarde

Een score van 4 staat gelijk aan "tevreden".

Jaar

2017

Onvoldoende kwaliteit van zorg op de eigen afdeling volgens verpleegkundigen binnen ziekenhuizen en de GGZ

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 12,9%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 10%

4-jarige trend

Trend: De 3-jarige trend is stabiel

Trend onvoldoende kwaliteit van zorg op eigen afdeling volgens verpleegkundigen in ziekenhuizen en de GGZ

ZKH-verplGGZ-verplTotaal
200916,29,1
201116,117,016,2
201314,38,812,4
201516,213,715,4
201713,012,812,9
  • ZKH-verpl = verpleegkundigen in ziekenhuizen; GGZ-verpl = verpleegkundigen in de GGZ
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van het panel tussen de jaren voor wat betreft leeftijd en omvang van elke beroepsgroep.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage verpleegkundigen en verzorgenden in ziekenhuizen en GGZ-instellingen dat van mening is dat de kwaliteit van zorg binnen de eigen afdeling of team regelmatig of vaak niet goed is

Bron

NIVEL, Panel Verpleging & Verzorging

Berekening

Teller: verpleegkundigen en verzorgenden in ziekenhuizen en GGZ die 'regelmatig’ of ‘vaak' antwoordden op de vraag: "Hoe vaak komt het volgens u in het algemeen binnen uw afdeling of team voor dat de kwaliteit van zorg verleend door verpleegkundigen en/of verzorgenden niet goed is?". Noemer: alle verpleegkundigen en verzorgenden die de vraag hebben beantwoord (n=355 in 2017).

Interpretatie

Het oordeel van zorgverleners is subjectief, maar is gebaseerd op ervaring die dagelijks wordt opgedaan en geeft daarmee een belangrijke indicatie voor de kwaliteit van zorg vanuit professioneel perspectief. 

Toelichting bij de referentiewaarde

Er is geen beleidsnorm, veldnorm of internationale vergelijking voorhanden. De referentiewaarde is voor discussie vatbaar, maar is gebaseerd op de aanname dat het wenselijk is dat de vraag door minder dan 10% positief beantwoord zal worden. Er wordt vanuit gegaan dat een 0% score per definitie niet haalbaar is.

Jaar

2017

Onvoldoende gekwalificeerd personeel volgens verpleegkundigen binnen ziekenhuizen en de GGZ

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 36,1%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 25%

4-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stijgend; dat is ongunstig

Trend onvoldoende gekwalificeerd personeel volgens verpleegkundigen in ziekenhuizen en de GGZ

JaarZKH-verplGGZ-verplTotaal
201124,318,022,0
201324,124,824,5
201529,429,429,5
201732,841,336,1
  • ZKH-verpl = verpleegkundigen in ziekenhuizen; GGZ-verpl = verpleegkundigen in de GGZ
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van het panel tussen de jaren voor wat betreft leeftijd en omvang van elke beroepsgroep.
Dit cijfer is ook onderdeel van
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage verpleegkundigen en verzorgenden in ziekenhuizen en GGZ-instellingen dat van mening is dat er in de eigen instelling onvoldoende gekwalificeerd personeel is om goede kwaliteit van zorg te leveren.

Bron

NIVEL, Panel Verpleging & Verzorging

Berekening

Teller: verpleegkundigen en verzorgenden die 'nee' antwoordden op de vraag: "Vindt u dat er voldoende gekwalificeerd personeel is om goede kwaliteit van zorg te leveren?", Noemer: alle verpleegkundigen en verzorgenden die de vraag hebben beantwoord (n=343 in 2017)

Interpretatie

Voldoende gekwalificeerd personeel is een belangrijke voorwaarde om kwaliteit van zorg te leveren. Het oordeel van zorgverleners is subjectief, maar is gebaseerd op ervaring die dagelijks wordt opgedaan en geeft daarmee een belangrijke indicatie voor de kwaliteit van zorg vanuit professioneel perspectief. De overigen (63,9% in 2017) beantwoordden de vraag met 'ja' of 'weet ik niet'.

Toelichting bij de referentiewaarde

Er is geen beleidsnorm, veldnorm of internationale vergelijking voorhanden. De referentiewaarde is voor discussie vatbaar, maar is gebaseerd op de aanname dat het wenselijk is dat de vraag door drie kwart positief beantwoord zal worden. Er wordt vanuit gegaan dat een 100% score niet haalbaar is.

Jaar

2017

Tevredenheid zorgverleners met de kwaliteit van de geleverde zorg in de eigen instelling in de langdurige zorg

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 4

Trend

Trend: De 3-jarige trend is dalend, dat is ongunstig

Trend tevredenheid zorgverleners met de kwaliteit van geleverde zorg in de eigen instelling in de langdurige zorg

Op schaal van 1 t/m 5
JaarGZ-verplTZ-verplTZ-verzIO-verplTotaal
20093,473,863,523,13,49
20113,44,023,753,203,59
20133,374,003,83,233,60
20153,263,853,663,143,48
20173,283,803,693,013,45
  • GZ-verpl = verpleegkundigen en agogisch begeleiders in de gehandicaptenzorg; TZ-verpl = verpleegkundigen in de thuiszorg; TZ-verz = verzorgenden in de thuiszorg; IO-verz = verzorgenden in de intramurale ouderenzorg.
  • De intramurale ouderenzorg omvat hier alleen verzorgenden; de verpleegkundigen zijn nog niet lang onderdeel van het panel en het is nog een relatief kleine groep.
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van het panel tussen de jaren voor wat betreft leeftijd en omvang van elke beroepsgroep.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Gemiddelde score op schaal voor tevredenheid van zorgverleners in de langdurige zorg met kwaliteit van geleverde zorg in de eigen instelling.

Bron

NIVEL, Panel Verpleging & Verzorging

Berekening

De scores betreffen een gemiddelde van de antwoorden op 3 vragen naar de kwaliteit van zorg. Dit betreft een sub-schaal van de Maastrichtse arbeidstevredenheidsschaal voor de gezondheidszorg (MAS-GZ). De antwoorden werden gegeven op een vijfpuntsschaal, waarbij: 5=zeer tevreden, 4=tevreden, 3=neutraal, 2=ontevreden en 1=zeer ontevreden. Het gemiddelde kan variëren tussen 1 en 5.
Vragen worden ingevuld door verplegenden en verzorgenden in vijf sectoren.

Interpretatie

Een van de deelaspecten van arbeidstevredenheid is de kwaliteit van de zorg in de eigen instelling. Als zorgverleners ontevreden zijn over de kwaliteit van zorg, kan dat erop duiden dat patënten zorg van onvoldoende kwaliteit ontvangen, bijvoorbeeld dat er in het algemeen te weinig tijd beschikbaar is om goede zorg te ontvangen of dat de zorg te weinig toegespitst is op de individuele zorgbehoefte. Een hoger cijfer duidt op een betere kwaliteit in de ogen van zorgverleners.

Toelichting bij de referentiewaarde

Een score van 4 staat gelijk aan "tevreden".

Jaar

2017

Onvoldoende kwaliteit volgens verpleegkundigen en verzorgenden binnen eigen afdeling of team in de langdurige zorg

Indicatorwaarde

Prestatieindicator: 13,5%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 10%

Trend

Trend: De 3-jarige trend is stabiel

Trend onvoldoende kwaliteit van zorg op de eigen afdeling volgens verpleegkundigen en verzorgenden en verzorgenden in de langdurige zorg

JaarGZ-verplTZ-verplTZ-verzIO-verzTotaal
20094,811,95,223,2
201114,58,612,421,213,8
20138,15,85,7148,2
201513,5117,716,812,5
201715,38,59,621,213,5
  • GZ-verpl = verpleegkundigen en agogisch begeleiders in de gehandicaptenzorg; TZ-verpl = verpleegkundigen in de thuiszorg; TZ-verz = verzorgenden in de thuiszorg; IO-verz = verzorgenden in de intramurale ouderenzorg.
  • De intramurale ouderenzorg omvat hier alleen verzorgenden; de verpleegkundigen zijn nog niet lang onderdeel van het panel en het is nog een relatief kleine groep.
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van het panel tussen de jaren voor wat betreft leeftijd en omvang van elke beroepsgroep.

 

Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage verpleegkundigen en verzorgenden in de langdurige zorg dat van mening is dat de kwaliteit van zorg binnen de eigen afdeling of team regelmatig of vaak niet goed is

Bron

NIVEL, Panel Verpleging & Verzorging

Berekening

Teller: aantal verpleegkundigen en verzorgenden dat 'regelmatig'of 'vaak' antwoordde op de vraag: ‘Hoe vaak komt het volgens u in het algemeen binnen uw afdeling of team voor dat de kwaliteit van zorg verleend door verpleegkundigen en verzorgenden niet goed is?’
Noemer: alle verpleegkundigen en verzorgenden die de vraag hebben beantwoord.

Interpretatie

Een matig of slecht eigen oordeel over de kwaliteit van zorg binnen de afdeling of team van verpleegkundigen en verzorgenden, kan erop wijzen dat patiënten zorg van onvoldoende kwaliteit ontvangen. Het oordeel van zorgverleners is subjectief maar is gebaseerd op ervaring die dagelijks wordt opgedaan en geeft daarmee een belangrijke indicatie voor de kwaliteit van zorg vanuit professioneel perspectief. 

Toelichting bij de referentiewaarde

Er is geen beleidsnorm, veldnorm of internationale vergelijking voorhanden. De referentiewaarde is voor discussie vatbaar, maar is gebaseerd op de aanname dat het wenselijk is dat de vraag door minder dan 10% positief beantwoord zal worden. Er wordt vanuit gegaan dat een 0% score per definitie niet haalbaar is.

Jaar

2017

Onvoldoende gekwalificeerd personeel volgens verpleegkundigen en verzorgenden in de langdurige zorg

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

Referentuewaarde: 25%

4-jarige trend

Trend onvoldoende gekwalificeerd personeel volgens verpleegkundigen en verzorgenden in de langdurige zorg

JaarGZ-verplTZ-verpTZ-verzIO-verztotaal
201129,130,715,738,728,4
201325,928,211,234,224,6
201533,842,223,541,734,5
201736,537,021,842,734,0
  • GZ-verpl = verpleegkundigen en agogisch begeleiders in de gehandicaptenzorg; TZ-verpl = verpleegkundigen in de thuiszorg; TZ-verz = verzorgenden in de thuiszorg; IO-verz = verzorgenden in de intramurale ouderenzorg.
  • De intramurale ouderenzorg omvat hier alleen verzorgenden; de verpleegkundigen zijn nog niet lang onderdeel van het panel en het is nog een relatief kleine groep.
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van het panel tussen de jaren voor wat betreft leeftijd en omvang van elke beroepsgroep.

 

Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage verpleegkundigen en verzorgenden in de langdurige zorg dat van mening is dat er in de eigen instelling onvoldoende gekwalificeerd personeel is om een goede kwaliteit van zorg te leveren.

Bron

NIVEL, Panel Verpleging & Verzorging

Berekening

Gekwalificeerd personeel is een belangrijke voorwaarde om kwaliteit van zorg te leveren. Het oordeel van zorgverleners is subjectief, maar is gebaseerd op ervaring die dagelijks wordt opgedaan en geeft daarmee een belangrijke indicatie voor de kwaliteit van zorg vanuit professioneel perspectief. De overigen (66% in 2017) beantwoordden de vraag met 'ja' of 'weet ik niet'.

Interpretatie

Teller: verpleegkundigen en verzorgenden die 'nee' antwoordden op de vraag: "Vindt u dat er voldoende gekwalificeerd personeel is om goede kwaliteit van zorg te leveren?", Noemer: alle verpleegkundigen en verzorgenden die de vraag hebben beantwoord (n=743 in 2017)

Toelichting bij de referentiewaarde

Er is geen beleidsnorm, veldnorm of internationale vergelijking voor handen. De referentiewaarde is voor discussie vatbaar, maar is gebaseerd op de aanname dat het wenselijk is dat de vraag door een kwart van de respondenten negatief beantwoord zal worden.  Er wordt vanuit gegaan dat een 0% score per defintie niet haalbaar is.

Jaar

2017

Continue diepe sedatie met alleen morfine

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde 4%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: Gebruik van alleen morfine wordt ontraden door KNMG

3-jarige trend

3-jarige trend: Het percentage neemt af. Dat is gunstig.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage gevallen van continue diepe sedatie met alleen morfine

Bron

Sterfgevallenonderzoek 2015, ZonMw; Onwuteaka-Philipsen et al., 2017

Berekening

Teller: aantal gevallen van continue diepe sedatie met alleen morfine.
Noemer: alle gevallen van continue diepe sedatie.

Interpretatie

Voor de uitvoering van continue diepe sedatie heeft de KNMG in 2009 richtlijnen gepubliceerd. Geadviseerd wordt achtereenvolgens drie typen middelen toe te dienen, eventueel in combinatie met morfine bij pijn en dyspneu. Het gebruik van alleen morfine wordt ontraden omdat dit vaak leidt tot sufheid maar niet altijd tot verlies van bewustzijn. Ook kan morfine bijwerkingen geven zoals delier (verwardheid) of myoclonieën (onvrijwillige samentrekkingen van spieren).

Toelichting bij de referentiewaarde

Gebruik van alleen morfine als sedativum wordt door KNMG ontraden.

Jaar

2015

Aantal nieuwe gevallen van meningitis door bacteriën waartegen gevaccineerd wordt

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 23 nieuwe gevallen

Referentiewaarde*

Referentie waarde: niet beschikbaar

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stabiel

Trend in aantal nieuwe gevallen bacteriële meningitis

Door bacteriën waartegen gevaccineerd wordt
JaarHibMen serogroep CPneu vaccin (PCV10) serotypeTotaal: Hib, meningokokken serogroep C en pneumokokken vaccin typen (PCV10)
199223696
199319070
199410745
19953933
19961537
1997950
19981546
1999659
2000758
20016128148282
20025104158267
20031123145179
20041610170196
2005172135154
200692134145
200795138152
20086699111
2009526572
2010924657
2011314852
2012423541
2013812534
2014511925
2015601420
20161231429
2017831223

Men: Meningokokken
Pneu: Pneumokokken
PCV10: 10-valent polysaccharideconjugaatvaccin

Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Incidentie van meningitis door bacteriën waartegen gevaccineerd wordt

Bron

Nederlands Referentielaboratorium voor Bacteriële Meningitis; AMC/RIVM

Berekening

Aantal nieuwe gevallen van meningitis door bacteriën waartegen gevaccineerd wordt in een jaar.

Interpretatie

Bacteriële meningitis is een ernstige infectie van de membranen die de hersenen en ruggenmerg omgeven, met een hoge mortaliteit en morbiditeit, ook als goede behandeling met antibiotica plaatsvindt. Bacteriële meningitis kan door verschillende soorten bacteriën worden veroorzaakt. In het Rijksvaccinatieprogramma zijn vaccins tegen Haemophilus influenza type b (Hib), meningokokken serogroep C en pneumokokken (vanaf 2007 tien serotypen; PCV10) opgenomen, waarmee getracht wordt het optreden van onder andere bacteriële meningitis te voorkomen.
Het jaarlijks aantal gevallen van meningitis door bacteriën waartegen gevaccineerd wordt, geeft weer hoe effectief de preventie door middel van het aanbieden van vaccinatie is voor het optreden van deze typen meningitis. Deze indicator laat niet zien wat het effect is op het vóórkomen van andere infectieziekten waartegen het Hib-, meningokokken C- en pneumokokken-vaccin beschermen, zoals sepsis en longontsteking.

Per 1 mei 2018 is een combinatievaccin tegen de meningokokken serogroepen A, C, W en Y opgenomen in het Rijkvaccinatieprogramma, maar in het kerncijfer is het aantal gevallen van meningitis door meningokokken serogroepen A, W en Y nog niet opgenomen.

Toelichting bij de referentiewaarde

N.v.t.

Jaar

2017

Mensen die afzien van zorg vanwege de kosten

Indicatorwaarde

Prestatieindicator: 11%

Geen referentiewaarde

Geen referentiewaarde

Geen 3-jarige trend

Geen trend beschikbaar

Afzien van zorg vanwege kosten

[container]

Bron: OECD Health Statistics / HaaG

De gegevens van Tsjechië zijn van 2010, van Polen, Frankrijk en Italië van 2013, van Spanje van 2014 en van Portugal, Nieuw-Zeeland en  Australië van 2015.

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage van de volwassen bevolking dat in de voorgaande 12 maanden wel eens afzag van zorg vanwege de kosten.

Bron

NIVEL Consumentenpanel (2017), OECD Health Statistics (2016)

Berekening

Teller: aantal personen dat aangeeft in de voorgaande 12 maanden een medisch probleem te hebben maar heeft afgezien van (a) artsenbezoek, (b) een aanbevolen medisch onderzoek, behandeling of nabehandeling en/of (c) afhalen of gebruik van medicijnen vanwege de kosten. Noemer: alle respondenten van 18 jaar en ouder (n=657)

Interpretatie

Wanneer mensen afzien van zorg vanwege de kosten wijst dit op ervaren problemen met de financiële toegankelijkheid. Mogelijk noodzakelijke zorgbehoeften blijven onvervuld. 

Toelichting bij de referentiewaarde

 

Jaar

2017

Huisarts betrekt patiënt bij beslissingen

Indicatorwaarde

Referentiewaarde: 92%

Geen referentiewaarde

Geen referentiewaarde

Geen 3-jarige trend

Geen referentiewaarde

Personen die aangeven dat de huisarts hen betrekt bij beslissingen 2016

Percentage
Portugal (2015)90,9
Verenigd Koninkrijk88,9
Australië87,9
Nieuw Zeeland87,8
Duitsland87,6
NEDERLAND87,1
Zwitserland86,5
Verenigde Staten84,6
Canada84,3
Israël79,4
Noorwegen79
Zweden79
Frankrijk (2013)78,8
Estland77,4
Polen (2013)47,9

Bron: OECD.Stat

Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage personen dat aangeeft dat de huisarts hem of haar meestal of altijd betrekt bij beslissingen over de zorg en behandeling.

Bron

NIVEL Consumentenpanel, OECD.Stat

Berekening

Teller: aantal personen met een vaste huisarts dat aangeeft dat de huisarts hen meestal of altijd betrekt bij beslissingen over de zorg en behandeling. Noemer: alle respondenten met een vaste huisarts (n=652).

Interpretatie

Het betrekken van de patiënt bij beslissingen maakt deel uit van een patiëntgerichte zorg en is daarmee een indicator voor de kwaliteit van zorg.  

Toelichting bij de referentiewaarde

N.v.t.

Jaar

2017

Literatuur Kooijman & de Jong, 2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Kooijman M, de Jong J. Patiënten zijn nog steeds positief over de bejegening door hun huisarts in Nederland. Utrecht: NIVEL; 2018. Bron

Huisarts besteedt voldoende tijd aan patiënt

Indicatorwaarde

Referentiewaarde: 94%

Geen referentiewaarde

Geen referentiewaarde

Geen 3-jarige trend

Geen referentiewaarde

Personen die aangeven dat de huisarts voldoende tijd aan hen besteed 2016

LandPercentage
NEDERLAND94,1
Australië91,7
Portugal (2015)89,6
Nieuw Zeeland88,3
Zwitserland86,6
Duitsland86
Verenigd Koninkrijk84,7
Estland83,4
Israël81,1
Verenigde Staten80,8
Frankrijk (2013)80
Canada79,3
Noorwegen78,8
Zweden72,9
Polen (2013)59,6

Bron: OECD.Stat

Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage personen dat aangeeft dat de huisarts meestal of altijd voldoende tijd voor hen neemt.

Bron

NIVEL Consumentenpanel. OECD.Stat

Berekening

Teller: aantal personen met een vaste huisarts dat aangeeft dat de huisarts hen meestal of altijd betrekt bij beslissingen over de zorg en behandeling. Noemer: alle respondenten met een vaste huisarts (n=652).

Interpretatie

Het besteden van voldoende tijd maakt deel uit van een patiëntgerichte zorg en is daarmee een indicator voor de kwaliteit van zorg. 

Toelichting bij de referentiewaarde

 

Jaar

2017

Literatuur Kooijman & de Jong, 2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Kooijman M, de Jong J. Patiënten zijn nog steeds positief over de bejegening door hun huisarts in Nederland. Utrecht: NIVEL; 2018. Bron

Huisarts geeft de gelegenheid om vragen te stellen

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 95%

Geen referentiewaarde

Geen referentiewaarde

Geen 3-jarige trend

Geen referentiewaarde

Personen die aangeven dat de huisarts voldoende gelegenheid geeft om vragen te stellen 2016

LandPercentage
NEDERLAND96
Zwitserland (2010)94,5
Duitsland (2010)93,9
Verenigd Koninkrijk (2010)92,3
Nieuw Zeeland (2010)92
Portugal (2015)91,8
Canada (2010)88,3
Australië (2010)88,3
Verenigde Staten (2010)87
Israël84,5
Noorwegen (2010)83,3
Frankrijk (2010)82,9
Estland82,6
Zweden (2010)75,8
Polen (2012)33,6

Bron: OECD.Stat

Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage personen dat aangeeft dat de huisarts hem of haar meestal of altijd de gelegenheid geeft om vragen te stellen.

Bron

NIVEL Consumentenpanel, OECD.Stat

Berekening

Teller: aantal personen met een vaste huisarts dat aangeeft dat de huisarts hen meestal of altijd de mogelijkheid geeft om vragen te stellen. Noemer: alle respondenten met een vaste huisarts (n=656)

Interpretatie

Ruimte bieden voor vragen maakt deel uit van patiëntgerichte zorg en is daarmee een indicator voor de kwaliteit van zorg.
De waarde is voor de OECD net iets anders berekend dan bij het NIVEL, vandaar het kleine verschil.

Toelichting bij de referentiewaarde

N.v.t.

Jaar

2017

Literatuur Kooijman & de Jong, 2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Kooijman M, de Jong J. Patiënten zijn nog steeds positief over de bejegening door hun huisarts in Nederland. Utrecht: NIVEL; 2018. Bron