Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Prestatie-indicatoren gezondheidszorgZorgbehoeften

Relatieve 5-jaarsoverleving bij baarmoederhalskanker

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 67,5%

Referentiewaarde

5-jarige trend

Trend: toename dat is gunstig

Relatieve 5-jaarsoverleving bij baarmoederhalskanker, 2010-2014

[container]

Bron: CONCORD-3

  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in bevolkingsopbouw tussen landen door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2)
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.

Trend relatieve 5-jaarsoverleving bij baarmoederhalskanker

[container]
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in bevolkingsopbouw tussen jaren en landen door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2)
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Relatieve 5-jaarsoverleving bij baarmoederhalskanker

Bron

CONCORD-3 (prestatie-indicator en internationale vergelijking) Nederlandse Kanker Registratie (NKR) (Nederlandse trend)

Berekening

Teller: percentage patiënten met baarmoederhalskanker dat 5 jaar na de diagnose nog in leven is.
Noemer: percentage personen uit een vergelijkbare groep qua leeftijd en geslacht in de algemene bevolking dat na 5 jaar nog in leven is.

Interpretatie

5-jaarsoverleving is de uitkomst van enerzijds vroege opsporing en anderzijds effectieve behandeling en is daarmee een indicator voor de effectiviteit van de kankerzorg.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan 28 OECD-landen (Portugal/Australië)

Jaar

2014

Relatieve 5-jaarsoverleving bij borstkanker

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 86,6%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 86,3%

3-jarige trend

Relatieve 5-jaarsoverleving bij borstkanker, 2010-2014

[container]

Bron: CONCORD-3

  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in bevolkingsopbouw tussen landen door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2)
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.

Trend relatieve 5-jaarsoverleving bij borstkanker

[container]

Bron: NKR

  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor veranderingen in omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2).
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Relatieve 5-jaarsoverleving bij borstkanker

Bron

CONCORD-3 (prestatie-indicator en internationale vergelijking); Nederlandse Kanker Registratie (NKR) (Nederlandse trend)

Berekening

Teller: percentage patiënten met borstkanker dat 5 jaar na de diagnose nog in leven is.
Noemer: percentage personen uit een vergelijkbare groep qua leeftijd in de algemene bevolking dat na 5 jaar nog in leven is.

Interpretatie

5-jaarsoverleving is de uitkomst van enerzijds vroege opsporing en anderzijds effectieve behandeling en is daarmee een indicator voor de effectiviteit van de kankerzorg.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan 28 OECD-landen (Zwitserland/België)

Jaar

2014

Relatieve 5-jaarsoverleving bij colonkanker

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 63,9%

3-jarige trend

Trend: De 3-jarige trend laat een teoname zien. Dat is gunstig.

Relatieve 5-jaarsoverleving bij colonkanker, 2010-2014

[container]

Bron: CONCORD-3 

  • Internationale cijfers zijn alleen beschikbaar voor colon- en endeldarmkanker afzonderlijk. Daarom staan in deze figuur alleen overlevingscijfers voor colondarmkanker.
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in bevolkingsopbouw tussen landen door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2).
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.

Trend relatieve 5-jaarsoverleving bij colonkanker

[container]
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in bevolkingsopbouw tussen jaren en landen door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2).
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Relatieve 5-jaarsoverleving bij dikkedarmkanker

Bronnen

Nederlandse Kanker Registratie (NKR); CONCORD-3

Berekening

Teller: percentage patiënten met dikkedarmkanker dat 5 jaar na de diagnose nog in leven is.
Noemer: percentage personen uit een vergelijkbare groep qua leeftijd en geslacht in de algemene bevolking dat na 5 jaar nog in leven is.

Interpretatie

5-jaarsoverleving is de uitkomst van enerzijds vroege opsporing en anderzijds effectieve behandeling en is daarmee een indicator voor de effectiviteit van de kankerzorg.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan 28 OECD-landen (Frankrijk/Nieuw Zeeland)

Jaar

2014

Relatieve 5-jaarsoverleving bij endeldarmkanker

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 64,2%

5-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stijgend; dat is gunstig

Relatieve 5-jaarsoverleving bij endeldarmkanker, 2010-2014

[container]

Bron: CONCORD-3

  • Internationale cijfers zijn alleen beschikbaar voor colon- en endeldarmkanker afzonderlijk. Daarom staan in deze figuur alleen overlevingscijfers voor endeldarmkanker.
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.

Trend relatieve 5-jaarsoverleving bij endeldarmkanker

[container]
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in bevolkingsopbouw tussen jaren en landen door standaardisatie naar de 'International Cancer Survival Standard' (ICSS-2)
  • Naast het percentage overleving zijn ook de onder- en bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven.
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Relatieve 5-jaarsoverleving bij endeldarmkanker

Bronnen

Nederlandse Kanker Registratie (NKR); CONCORD-3

Berekening

Teller: percentage patiënten met endeldarmkanker dat 5 jaar na de diagnose nog in leven is.
Noemer: percentage personen uit een vergelijkbare groep qua leeftijd en geslacht in de algemene bevolking dat na 5 jaar nog in leven is.

Interpretatie

5-jaarsoverleving is de uitkomst van enerzijds vroege opsporing en anderzijds effectieve behandeling en is daarmee een indicator voor de effectiviteit van de kankerzorg.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan getoonde OECD-landen (Oostenrijk)

Jaar

2014

Ziekenhuisopnamen astma en COPD

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

3-jarige trend

De 3-jarige trend is stijgend, dat is ongunstig

Ziekenhuisopnamen voor astma en COPD 2017

Personen van 15 jaar en ouder
Nederlandse naamAstmaCOPDTotaal
Australië (2016)7,133,240,3
Ierland4,128,832,9
Denemarken5,427,132,5
België2,926,229,1
Duitsland325,929
Verenigd Koninkrijk7,320,828,1
Verenigde Staten (2016)3,922,926,8
Litouwen5,321,126,3
Zuid Korea8,118,226,3
Oostenrijk2,222,624,8
Noorwegen2,521,924,4
Letland9,314,824,2
NEDERLAND (2016)3,72023,6
Polen (2016)8,61523,6
Israël4,217,221,4
Spanje3,517,521
Slowakije8,212,720,9
Finland4,913,318,2
Tsjechië3,114,417,4
Zweden1,715,216,9
Frankrijk (2015)31215
Zwitserland (2015)2,811,113,8
Slovenië3,39,512,8
Estland2,69,712,2
Portugal1,37,79
Italië15,46,4
  • Gestandaardiseerd naar OECD-standaard
Deze cijfers zijn ook onderdeel van

 

 

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Aantal ziekenhuisopnamen met als hoofddiagnose astma of COPD

Bron

Ziekenhuisgegevens: tot en met 2012: LMR; vanaf 2014: Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ);

Bevolkingsgegevens: Basisregistratie personen (BRP);

Internationaal: OECD Health Statistics

Bronhouder primaire bron DHD (LMR en LBZ); CBS (BRP); OECD

Berekening

Teller: aantal personen van 15 jaar en ouder dat in de periode van een jaar opgenomen is geweest in een ziekenhuis met als hoofddiagnose astma of COPD.
Noemer: bevolking van 15 jaar en ouder.

Toelichting bij berekening

Exclusie van dagopnamen, opnamen bij vrouwen met een diagnose in verband met zwangerschap, bevalling of kraambed, opnamen waarbij de patiënt overleed tijdens de opname en opnamen vanuit een ander ziekenhuis.
Bij astma: opnamen bij mensen met een diagnose cystische fibrose of aangeboren afwijking van het ademhalingsstelsel. 

Interpretatie

Ziekenhuisopnamen voor astma of COPD zijn in de meeste gevallen te voorkomen door goede en tijdige ambulante zorg, veelal in de eerste lijn.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan 26 OECD landen: Nederland/Polen

Jaar

Nederlands cijfer: 2016
Internationale vergelijking: 2017 (of laatst beschikbare jaar)

Volledigheid van de gegevens In 2014 was van ongeveer 2,3% van alle opnamen geen diagnose geregistreerd. De schatting van het aantal opnamen vanwege astma of COPD is daarom mogelijk iets te laag. Na 2014 was de onvolledigheid zeer klein. In de periode voor 2014 is gecorrigeerd voor de onvolledigheid. 
Literatuur OECD, 2019

Datum publicatie

23-03-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. OECD. Health at a Glance 2019. Paris: OECD; 2019. Bron

Ziekenhuisopnamen diabetes mellitus

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

3-jarige trend

Ziekenhuisopnamen voor diabetes mellitus 2017

Personen van 15 jaar en ouder
LandAantal ziekenhuisopnamen per 10.000
Zuid Korea24,5
Slowakije21,9
Litouwen21,8
Polen (2016)21,0
Duitsland20,9
Verenigde Staten (2016)17,0
Tsjechië16,5
Oostenrijk16,2
Frankrijk (2015)15,1
Australië (2016)14,4
België13,9
Letland11,9
Chili11,9
Finland11,7
Estland10,8
Slovenië10,2
Denemarken9,8
Canada9,6
Zweden7,9
Ierland7,8
Noorwegen7,7
Verenigd Koninkrijk7,4
Zwitserland (2015)7,3
Israël6,6
NEDERLAND (2016)5,9
Portugal5,2
Spanje4,5
Italië4,3
  • Gestandaardiseerd naar OECD standaard 

Trend ziekenhuisopnamen voor diabetes 2016

Personen van 15 jaar en ouder
JaarMannenBI ondergrens (m)BI bovengrens (m)VrouwenBI ondergrens (v)BI bovengrens (v)TotaalBI ondergrens (t)BI bovengrens (t)
20068,48,18,66,36,26,57,37,17,4
20077,87,585,95,86,16,86,66,9
20087,87,68,15,95,86,16,86,76,9
200987,88,25,75,55,96,86,66,9
20108,48,28,66,15,96,37,277,3
20117,87,685,85,666,76,66,9
20128,48,28,65,85,6676,87,1
2013
20147,97,78,15,1555,36,46,36,5
20157,627,417,825,064,95,226,216,086,54
20167,497,297,694,634,474,785,925,86,05
  • Gestandaardiseerd naar de OECD standaard

Bron: Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ)

Deze cijfers zijn ook onderdeel van

 

 

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Aantal ziekenhuisopnamen met als hoofddiagnose diabetes mellitus

Bron

Ziekenhuisgegevens: tot en met 2012: LMR; vanaf 2014: Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ)

Bevolkingsgegevens: Basisregistratie personen (BRP); 

Internationaal: OECD Health Statistics

Berekening

Teller: aantal personen dat in een jaar opgenomen is geweest met hoofddiagnose diabetes mellitus
Noemer: bevolking van 15 jaar en ouder 

Toelichting bij de berekening

Exclusie van dagopnamen, opnamen met een diagnose diabetes verband houdend met ondervoeding, opnamen bij vrouwen met een diagnose in verband met zwangerschap, bevalling of kraambed, opnamen waarbij de patiënt overleed tijdens de opname en opnamen vanuit een ander ziekenhuis.

Interpretatie

Wanneer mensen met diabetes goede zorg krijgen en in staat worden gesteld goed voor zichzelf te zorgen (zelfmanagement), kan dat een positief effect hebben op meerdere risicofactoren, zoals bloedglucosewaarde, bloeddruk, cholesterolgehalte en roken. Dit kan complicaties en ziekenhuisopnamen voorkomen. Goede en tijdige zorg, gecombineerd met ondersteuning en zelfmanagement-educatie zijn daarom van groot belang. Dit wordt met name  geleverd in de eerste lijn, en zo nodig op een polikliniek. Daarnaast kan een gezonde leefstijl het ontstaan van diabetes voorkómen, en daarmee ook het ontstaan van complicaties en ziekenhuisopnamen.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan getoonde OECD-landen (Estland & Finland)

Jaar

Nederlands cijfer: 2016

Internationale vergelijking: 2017 (of laatst beschikbare jaar) 

Volledigheid van gegevens

In 2013 was de gegevensbron (LBZ) onvolledig, daarom worden er van dat jaar geen gegevens getoond. In 2014 was van ongeveer 2,3% van alle opnamen geen diagnose geregistreerd. De schatting van het aantal opnamen vanwege diabetes mellitus is daarom mogelijk iets te laag. Na 2014 was de onvolledigheid zeer klein. In de periode voor 2013 is gecorrigeerd voor deze onvolledigheid.

Literatuur OECD, 2019

Datum publicatie

07-04-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. OECD. Health at a Glance 2019. Paris: OECD; 2019. Bron

Ziekenhuisopnamen hartfalen

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stabiel

Ziekenhuisopnamen voor hartfalen 2017

Personen van 15 jaar en ouder
LandOpnamen hartfalen per 10.000
Polen (2016)51,1
Litouwen50,3
Slowakije47,9
Duitsland38,9
Verenigde Staten (2016)37,1
Tsjechië35,4
Finland28,6
Frankrijk (2015)26,6
Italië25,0
Estland24,9
Oostenrijk23,6
Zweden23,4
Australië (2016)22,7
Israël22,6
Slovenië22,4
Zwitserland (2015)17,5
Canada17,0
Noorwegen16,4
NEDERLAND (2016)15,3
Spanje14,3
Denemarken14,0
Ierland11,7
Portugal11,1
Verenigd Koninkrijk10,0
Chili9,6
Zuid Korea8,8
  • Gestandaardiseerd naar de OECD standaard

Bron:  OECD Health Statistics

Trend ziekenhuisopnamen voor hartfalen

Personen van 15 jaar en ouder
JaarMannenBI ondergrens (m)BI bovengrens (m)VrouwenBI ondergrens (v)BI bovengrens (v)TotaalBI ondergrens (t)BI bovengrens (t)
200622,121,722,514,714,415,017,917,718,1
200722,221,822,615,014,715,318,017,818,3
200821,521,121,914,814,615,117,717,417,9
200922,221,822,615,815,516,018,518,318,7
201022,422,022,815,915,616,118,618,418,8
201121,721,322,114,914,615,117,817,518,0
201222,121,722,515,114,815,418,117,918,3
2013
201418,217,818,512,612,412,815,014,815,2
201518,818,419,113,413,213,615,715,515,9
201618,217,918,513,212,913,415,315,115,5
  • Gestandaardiseerd naar de OECD standaard

Bron: Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ)

 

 

Deze cijfers zijn ook onderdeel van

 
   

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Aantal ziekenhuisopnamen met als hoofddiagnose hartfalen

Bron

Ziekenhuisgegevens: tot en met 2012: LMR; vanaf 2014: Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ)

Bevolkingsgegevens: Basisregistratie personen (BRP); 

Internationaal: OECD Health Statistics

Berekening

Teller: aantal personen dat in een jaar opgenomen is geweest met hoofddiagnose hartfalen
Noemer: bevolking van 15 jaar en ouder 

Toelichting bij berekening

Exclusie van dagopnamen, opnamen waarbij de patiënt overleed tijdens de opname, opnamen vanuit een ander ziekenhuis, opnamen bij vrouwen met een diagnose in verband met zwangerschap, bevalling of kraambed, opnamen waarbij een hartoperatie plaatsvond. 

Interpretatie

Hartfalen wordt in de meeste gevallen veroorzaakt door hoge bloeddruk, diabetes of cardiovasculaire aandoeningen. De zorg hiervoor vindt in de meeste gevallen plaats in de eerste lijn. Acute verslechtering en ziekenhuisopnamen door hartfalen kunnen in de meeste gevallen worden voorkomen indien men beschikt over een goed functionerend gezondheidszorgsysteem, waar eerstelijnszorg toegankelijk en van hoge kwaliteit is. Daarnaast kan een gezonde leefstijl het ontstaan van oorzaken voor hartfalen voorkomen. Het aantal opnamen ten gevolge van hartfalen kan geïnterpreteerd worden als maat voor kwaliteit en toegankelijkheid van de eerstelijnszorg en publieke gezondheid. 

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan getoonde OECD-landen (Israël/Australië)

Jaar

Nederlands cijfer: 2016

Internationale vergelijking: 2017 (of laatst beschikbare jaar)

Volledigheid van de gegevens

In 2013 was de gegevensbron (LBZ) onvolledig, daarom worden er van dat jaar geen gegevens getoond. In 2014 was van ongeveer 2,3% van alle opnamen geen diagnose geregistreerd. De schatting van het aantal opnamen vanwege hartfalen is daarom mogelijk iets te laag. Na 2014 was de onvolledigheid zeer klein. In de periode voor 2013 is gecorrigeerd voor deze onvolledigheid.

Literatuur OECD, 2019

 

Datum publicatie

08-04-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. OECD. Health at a Glance 2019. Paris: OECD; 2019. Bron

Ervaren problemen in afstemming tussen eerste en tweede lijn

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 28%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 26%

3-jarige trend*

3-jarige trend: toename dat is ongunstig
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage personen dat problemen heeft ervaren met afstemming tussen de eerste en de tweede lijn

Bron

International Health Policy Survey, 2016; IQ healthcare, 2017

Berekening

Teller: aantal geënqueteerden (volwassen burgers in 11 landen) dat in de voorgaande twee jaar een specialist had bezocht en positief antwoordde op minimaal één van de volgende vragen: "Hebt u de afgelopen 2 jaar meegemaakt toen u een medisch specialist zag …

  • dat de specialist niet over de medische basisinformatie beschikte van uw huisarts?
  • uw huisarts niet geïnformeerd leek en niet op de hoogte was van de zorg die u van de specialist had ontvangen?

Noemer: alle geënqueteerden die aangaven in de voorgaande twee jaar een specialist bezocht te hebben (n=587 in 2016)

Interpretatie

Voor een optimale medisch-specialistische behandeling is het van belang dat zowel de huisarts als de medisch specialist over de juiste informatie over de patiënt beschikken. Dat komt effectiviteit, veiligheid en vraaggerichtheid ten goede.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan 11 landen (Zwitserland)

Jaar

2016

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. IQ healthcare. International Health Policy Survey 2016; Onderzoek onder volwassen burgers in 11 landen . Nijmegen: IQ healthcare; 2017. Bron

Zorginfecties in ziekenhuizen

Indicatorwaarde

Referentiewaarde (niet beschikbaar)

Geen referentiewaarde

3-jarige trend

De 3-jarige trend is stabiel

Trend in zorginfecties in het ziekenhuis

Puntprevalentie
TotaalPOWISepsis/bacteriëmieUrineweginfectiesInfecties van de onderste luchtwegen
20145,42,10,90,71,1
20155,31,90,70,71,1
20165,51,80,90,71,3
20175,31,80,80,91,1
20184,91,40,80,71,4

Bron:  PREZIES, 2019

  • POWI = postoperatieve wondinfecties
  • Urineweginfecties = symptomatische urineweg infecties 
  • Sepsis/bacteriëmie = primaire- en secundaire sepsis               
  • Infecties van de onderste luchtwegen =  longontsteking en andere lagere luchtweginfecties

* De daling in prevalentie van postoperatieve wondinfecties tussen 2014 en 2018 is significant (p <0.01). Voor de andere typen infecties zijn er geen significante veranderingen (PREZIES, 2019). 

Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Aantal zorginfecties aanwezig of behandeld op peildatum, per 100 beoordeelde patiënten die op die peildatum waren opgenomen in het ziekenhuis.

Bron

PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance (PREZIES)

Berekening

Teller: aantal zorginfecties aanwezig of behandeld op peildatum (dit zijn zowel de zorginfecties ontstaan tijdens de huidige opname als de zorginfecties die al aanwezig waren op het moment van heropname).

Noemer: aantal patiënten die op peildatum waren opgenomen in het ziekenhuis (x 100%).
In- en exclusie Inclusie: patiënten die op de registratiedag met ontslag gaan.

Exclusie: patiënten die op de registratiedag worden opgenomen in het ziekenhuis en patiënten opgenomen op de afdelingen dagbehandeling, psychiatrie of (hemo)dialyse.
Toelichting Het prevalentieonderzoek is opgezet als een puntprevelantie meting. De gegevens worden idealiter voor het hele ziekenhuis verzameld op één dag. In de praktijk is dit onmogelijk en worden de gegevens vaak verzameld in één maand. Per afdeling worden de gegevens wel verzameld op één dag (registratiedag). 

Interpretatie

Zorginfecties zijn infecties die ontstaan tijdens of in aansluiting op een opname of behandeling in een zorginstelling. Zorginfecties kunnen ernstige gevolgen hebben voor patiënten. Van oppervlakkige ontstekingen tot ontstekingsreacties in het hele lichaam, tot aan overlijden. Zorginfectes veroorzaken verlenging van opname, heropname, heroperaties en verhoging van kosten.

Toelichting bij de referentiewaarde

N.v.t.

Jaar

2018

Literatuur PREZIES, 2019

Datum publicatie

05-12-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. PREZIES. Referentiecijfers 2014 t/m 2018: Prevalentieonderzoek ziekenhuizen. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2019. Bron

Patiënten met potentieel vermijdbare schade in ziekenhuizen

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde 1,6%

Referentiewaarde*

Referentie waarde: niet beschikbaar

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is dalend; dat is gunstig

Trend potentieel vermijdbare schade in ziekenhuizen

JaarZorggerel. schadePot. vermijdbare schadeBI benedengrens (zorggerelateerde schade)BI bovengrens (zorggerelateerde schade)BI benedengrens (potentieel vermijdbare schade)BI bovengrens (potentieel vermijdbare schade)
20045,72,35,16,41,92,7
200882,96,99,22,33,7
2011/20127,11,66,18,31,12,2

BI = 95% betrouwbaarheidsinterval (alleen zichtbaar in de tabel lay-out)

Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage patiënten dat tijdens een opname in een ziekenhuis potentieel vermijdbare schade opliep.

Bron

Monitor Zorggerelateerde Schade, NIVEL/EMGO

Berekening

Teller: aantal patiënten dat tijdens een opname in een ziekenhuis potentieel vermijdbare schade opliep. Noemer: aantal personen ontslagen uit het ziekenhuis (levend of dood).

Interpretatie

Hoe minder vermijdbare schade hoe beter. Een positieve patiëntveiligheidscultuur draagt bij aan verlaging van de kans op het optreden van vermijdbare schade. Daarbij is  er onder meer aandacht  voor implementatie van kwaliteits- en veiligheidsprogramma's, opleiding van professionals, stroomlijning van zorgprocessen en goede communicatie en samenwerking.

Definities

Zorggerelateerde schade is een onbedoelde uitkomst die is ontstaan door het (niet) handelen van een zorgverlener en/of door het zorgsysteem met schade voor de patiënt zodanig ernstig dat er sprake is van tijdelijke of permanente beperking dan wel overlijden van de patiënt. 

Vermijdbare schade is een onbedoelde uitkomst die is ontstaan door het onvoldoende handelen volgens de professionele standaard en/of door tekortkomingen van het zorgsysteem met schade voor de patiënt zodanig ernstig dat er sprake is van tijdelijke of permanente beperking dan wel overlijden van de patiënt.

Potentieel vermijdbare schade is zorggerelateerde schade die meer dan waarschijnlijk vermijdbaar was.

Toelichting bij de referentiewaarde

-

Jaar

2012

Patiënten met potentieel vermijdbare sterfte in ziekenhuizen

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 3,1%

Referentiewaarde*

Referentie waarde: niet beschikbaar

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stabiel

Potentieel vermijdbare sterfte in ziekenhuizen

JaarZorggerel. schadePot. vermijdbare schadePot. vermijdbare sterfteBI benedengrens (zorggerelateerde schade)BI bovengrens (zorggerelateerde schade)BI benedengrens (potentieel vermijdbare schade)BI bovengrens (potentieel vermijdbare schade)BI benedengrens (potentieel vermijdbare sterfte)BI bovengrens (potentieel vermijdbare sterfte)
200410,75,24,19,811,74,55,93,54,8
200815,67,35,51417,36,28,64,56,6
2011/12 11,942,610,613,43,24,923,4
2015/169,94,33,18,9113,65,12,53,8

BI = 95% betrouwbaarheidsinterval (alleen zichtbaar in de tabel lay-out)

Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage in een ziekenhuis overleden patiënten bij wie potentieel vermijdbare schade tijdens het verblijf bijdroeg aan het overlijden.

Bron

Monitor Zorggerelateerde Schade, NIVEL/EMGO

Berekening

Teller: aantal in een ziekenhuis overleden patiënten bij wie potentieel vermijdbare schade bijdroeg aan het overlijden. Noemer: aantal patiënten dat tijdens een ziekenhuisopname is overleden.

Interpretatie

Hoe minder vermijdbare sterfte hoe beter. Een positieve patiëntveiligheidscultuur draagt bij aan verlaging van de kans op het optreden van vermijdbare sterfte. Daarbij is  er onder meer aandacht  voor implementatie van kwaliteits- en veiligheidsprogramma's, opleiding van professionals, stroomlijning van zorgprocessen en goede communicatie en samenwerking.

Definities

Zorggerelateerde schade is een onbedoelde uitkomst die is ontstaan door het (niet) handelen van een zorgverlener en/of door het zorgsysteem met schade voor de patiënt zodanig ernstig dat er sprake is van tijdelijke of permanente beperking dan wel overlijden van de patiënt. 

Vermijdbare schade is een onbedoelde uitkomst die is ontstaan door het onvoldoende handelen volgens de professionele standaard en/of door tekortkomingen van het zorgsysteem met schade voor de patiënt zodanig ernstig dat er sprake is van tijdelijke of permanente beperking dan wel overlijden van de patiënt.

Potentieel vermijdbare schade is zorggerelateerde schade die meer dan waarschijnlijk vermijdbaar was.

Potentieel vermijdbare sterfte is sterfte waarbij potentieel vermijdbare schade mogelijk of zeker heeft  bijgedragen aan het overlijden van de patiënt.

Toelichting bij de referentiewaarde

-

Jaar

2016

Suïcides in de geestelijke gezondheidszorg

Indicatorwaarde

Geen referentiewaarde

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stabiel

Trend suïcides in de geestelijke gezondheidszorg

TotaalIn de GGZBuitenBevraagde instellingenSuïcidepogingen met ernstig schadelijk gevolg
20071353539814
20081435574861
20091525628897
20101600607993
20111647651996105153
201217536771076170176
201318576961161264246
201418397271112254210
201518716841187168186
201618937241169326243
201719177591158349155
201818297641065348242
  • Inclusief PAAZ/PUC en crisisopvang.
  • Exclusief justitiële instellingen en zelfstandig gevestigde beroepsbeoefenaren (solistisch werkende zorgverleners) in de ggz.
  • In 2011 en 2013 is er een trendbreuk omdat het aantal instellingen dat informatie heeft aangeleverd, toenam.
  • In 2015 is er een trendbreuk omdat het aantal instellingen dat informatie heeft aangeleverd, afnam (instellingen die uitsluitend zorg leveren die wordt bekostigd vanuit de generalistische basis-ggz, de Wmo en/of de Jeugdwet).
  • In 2016 is er een breuk in trend omdat uitvraag is gedaan bij alle instellingen waarvan een kwaliteitsstatuut is geregistreerd bij ZiN. Dat leidde tot een toename van het aantal instellingen.
  • In 2017 is er een breuk in de trend omdat de uitvraag over zorg in het kader van de Jeugdwet binnen de ggz-instellingen is hervat, wat kan hebben bijgedragen aan een stijging van het aantal suïcides in de ggz.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Aantal personen in behandeling van de geestelijke gezondheidszorg dat zich heeft gesuïcideerd in een kalenderjaar

Bron

Meldingssysteem voor suïcides en suïcidepogingen met ernstig letsel van de IGJ

Berekening

Het aantal personen in behandeling van een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ) dat zich in één kalenderjaar heeft gesuïcideerd. De indicator heeft betrekking op zowel personen die zijn opgenomen als personen die ambulant worden behandeld. 

Interpretatie

Het aantal suïcides van mensen die in behandeling zijn van de GGZ zegt iets over de implementatie en doeltreffendheid van suïcidepreventie binnen de GGZ. Als dit kengetal in de loop van de tijd stijgt, kan dat betekenen dat de doeltreffendheid van de preventie te wensen overlaat. Zorgverleners in de GGZ worden ondersteund met de generieke module diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag uit 2018, de multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag uit 2012 en het kwaliteitsdocument ketenzorg bij suïcidaliteit uit 2010.

Beperking indicator

Als gevolg van verschillende manieren van het verzamelen van de gegevens en de wijzigingen in het zorgstelsel, wisselt het aantal instellingen waarbij gegevens zijn uitgevraagd van jaar tot jaar (zie de voetnoten bij de cijfers). Daarom kunnen op basis van deze indicator niet al te harde conclusies over trends in de tijd worden getrokken.

Jaar

2018

Literatuur VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2017

Datum publicatie

15-10-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Landelijke agenda suïcidepreventie 2018-2021. Den Haag: Ministerie van VWS; 2017. Bron

Tevredenheid zorgverleners met de kwaliteit van de geleverde zorg in de eigen instelling binnen ziekenhuizen en de GGZ

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 3,5

Referentiewaarde

Referentiewaarde: Een score van 4 betekent tevreden

4-jarige trend

4-jarige trend: stabiel

Tevredenheid zorgverleners met de kwaliteit van de geleverde zorg in de eigen instelling

Ziekenhuizen en de GGZ, schaal van 1 t/m 5
JaarZKH-verplGGZ-VerplTotaal
20093,53,63,5
20113,53,63,5
20133,53,73,5
20153,33,53,4
20173,53,53,5
  • ZKH-verpl = verpleegkundigen in ziekenhuizen; GGZ-verpl = verpleegkundigen in de GGZ
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van het panel tussen de jaren voor wat betreft leeftijd en omvang van elke beroepsgroep.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Gemiddelde score op een schaal voor tevredenheid van zorgverleners in ziekenhuizen en GGZ-instellingen met de kwaliteit van geleverde zorg in de eigen instelling

Bron

NIVEL, Panel Verpleging & Verzorging

Berekening

De scores betreffen een gemiddelde van de antwoorden op 3 vragen naar de kwaliteit van zorg. Dit betreft een sub-schaal van de Maastrichtse arbeidstevredenheidsschaal voor de gezondheidszorg (MAS-GZ). De antwoorden werden gegeven op een vijfpuntsschaal, waarbij: 5=zeer tevreden, 4=tevreden, 3=neutraal, 2=ontevreden en 1=zeer ontevreden. Het gemiddelde kan variëren tussen 1 en 5.

Interpretatie

Een van de deelaspecten van arbeidstevredenheid is de kwaliteit van de zorg in de eigen instelling. Als zorgverleners ontevreden zijn over de kwaliteit van zorg, kan dat erop duiden dat patënten zorg van onvoldoende kwaliteit ontvangen, bijvoorbeeld dat er in het algemeen te weinig tijd beschikbaar is om goede zorg te ontvangen of dat de zorg te weinig toegespitst is op de individuele zorgbehoefte.Een hoger cijfer duidt op een betere kwaliteit in de ogen van zorgverleners.

Toelichting bij de referentiewaarde

Een score van 4 staat gelijk aan "tevreden".

Jaar

2017

Onvoldoende kwaliteit van zorg op de eigen afdeling volgens verpleegkundigen binnen ziekenhuizen en de GGZ

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 12,9%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 10%

4-jarige trend

Trend: De 3-jarige trend is stabiel

Trend onvoldoende kwaliteit van zorg op eigen afdeling volgens verpleegkundigen in ziekenhuizen en de GGZ

ZKH-verplGGZ-verplTotaal
200916,29,1
201116,117,016,2
201314,38,812,4
201516,213,715,4
201713,012,812,9
  • ZKH-verpl = verpleegkundigen in ziekenhuizen; GGZ-verpl = verpleegkundigen in de GGZ
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van het panel tussen de jaren voor wat betreft leeftijd en omvang van elke beroepsgroep.
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage verpleegkundigen en verzorgenden in ziekenhuizen en GGZ-instellingen dat van mening is dat de kwaliteit van zorg binnen de eigen afdeling of team regelmatig of vaak niet goed is

Bron

NIVEL, Panel Verpleging & Verzorging

Berekening

Teller: verpleegkundigen en verzorgenden in ziekenhuizen en GGZ die 'regelmatig’ of ‘vaak' antwoordden op de vraag: "Hoe vaak komt het volgens u in het algemeen binnen uw afdeling of team voor dat de kwaliteit van zorg verleend door verpleegkundigen en/of verzorgenden niet goed is?". Noemer: alle verpleegkundigen en verzorgenden die de vraag hebben beantwoord (n=355 in 2017).

Interpretatie

Het oordeel van zorgverleners is subjectief, maar is gebaseerd op ervaring die dagelijks wordt opgedaan en geeft daarmee een belangrijke indicatie voor de kwaliteit van zorg vanuit professioneel perspectief. 

Toelichting bij de referentiewaarde

Er is geen beleidsnorm, veldnorm of internationale vergelijking voorhanden. De referentiewaarde is voor discussie vatbaar, maar is gebaseerd op de aanname dat het wenselijk is dat de vraag door minder dan 10% positief beantwoord zal worden. Er wordt vanuit gegaan dat een 0% score per definitie niet haalbaar is.

Jaar

2017

Onvoldoende gekwalificeerd personeel volgens verpleegkundigen binnen ziekenhuizen en de GGZ

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 36,1%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 25%

4-jarige trend

3-jarige trend: De trend is stijgend; dat is ongunstig

Trend onvoldoende gekwalificeerd personeel volgens verpleegkundigen in ziekenhuizen en de GGZ

JaarZKH-verplGGZ-verplTotaal
201124,318,022,0
201324,124,824,5
201529,429,429,5
201732,841,336,1
  • ZKH-verpl = verpleegkundigen in ziekenhuizen; GGZ-verpl = verpleegkundigen in de GGZ
  • De cijfers zijn gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van het panel tussen de jaren voor wat betreft leeftijd en omvang van elke beroepsgroep.
Dit cijfer is ook onderdeel van
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage verpleegkundigen en verzorgenden in ziekenhuizen en GGZ-instellingen dat van mening is dat er in de eigen instelling onvoldoende gekwalificeerd personeel is om goede kwaliteit van zorg te leveren.

Bron

NIVEL, Panel Verpleging & Verzorging

Berekening

Teller: verpleegkundigen en verzorgenden die 'nee' antwoordden op de vraag: "Vindt u dat er voldoende gekwalificeerd personeel is om goede kwaliteit van zorg te leveren?", Noemer: alle verpleegkundigen en verzorgenden die de vraag hebben beantwoord (n=343 in 2017)

Interpretatie

Voldoende gekwalificeerd personeel is een belangrijke voorwaarde om kwaliteit van zorg te leveren. Het oordeel van zorgverleners is subjectief, maar is gebaseerd op ervaring die dagelijks wordt opgedaan en geeft daarmee een belangrijke indicatie voor de kwaliteit van zorg vanuit professioneel perspectief. De overigen (63,9% in 2017) beantwoordden de vraag met 'ja' of 'weet ik niet'.

Toelichting bij de referentiewaarde

Er is geen beleidsnorm, veldnorm of internationale vergelijking voorhanden. De referentiewaarde is voor discussie vatbaar, maar is gebaseerd op de aanname dat het wenselijk is dat de vraag door drie kwart positief beantwoord zal worden. Er wordt vanuit gegaan dat een 100% score niet haalbaar is.

Jaar

2017

Separaties in de geestelijke gezondheidszorg

Indicatorwaarde

Referentiewaarde (niet beschikbaar)

Referentiewaarde niet beschikbaar

3-jarige trend

Trend bruto uren separatie van alle GGZ-instellingen

JaarAantal uren
2014377376
2017367151
2018378718

Bron:  Openbare dataset op Zorginzicht.nl, bewerking door het RIVM

  • Voor de indicatorwaarde zijn 26 instellingen meegenomen en voor de trend maar 20 instellingen,         
    hierdoorwijkt de indicatorwaarde af van het cijfer in de trend.
  • De cijfers van 2014 zijn gevalideerd. Dat betekent dat alle dubbelingen eruit zijn gehaald en op het
    niveau van de patiënt onderzocht is of patiënten in de verschillende gegevensbronnen voorkomen. In
    de gegevens van 2017 en 2018 was deze controle niet mogelijk.

Trend bruto uren separatie per GGZ-instelling, gesommeerd

RichtingAantal GGZ instellingen
Stijging7
Daling10
Gelijk8

Bron: Openbare data op Zorginzicht.nl, bewerking door het RIVM

  • Dit diagram laat zien welk deel van de GGZ-instellingen in de periode 2014 - 2018 een stijging, daling of geen verschil in totale separatieuren hebben geregistreerd.
  • We spreken van een daling/stijging indien de jaarlijkse verandering +/- 3% bedraagd.
  • Voor dit diagram zijn alleen instellingen meegenomen die 2 of 3 metingen hebben gedaan (dit betreft 25 GGZ-instellingen).
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Totaal aantal uren separatie in de geestelijke gezondheidszorg.

Bron

Openbare dataset op Zorginzicht (2017 - 2018) en Casusregister Argus (2014)
Bronhouder primaire bron

Zorginstituut Nederland (2017 - 2018) en GGNet (2014)

Berekening

Som van het aantal uren separatie per GGZ-instelling (teller van de indicator 'Separatieduur per opnameduur')

Extra toelichting

De indicator is berekend op basis van gegevens van alle grote GGZ-instellingen. Met uitzondering van afdelingen of instellingen voor forensische zorg, instellingen voor specifieke patiëntengroepen (bv kinder/jeugd) en afdelingen psychiatrie in ziekenhuizen (PAAZ). Voor de berekening van de indicatorwaarde in 2018 konden de gegevens van 2 van de 28 algemene GGZ-instellingen niet meegenomen worden. Voor het berekenen van een landelijke trend konden de gegevens van 6 instellingen niet meegenomen worden, omdat: (1) er geen gegevens van alle jaren beschikbaar waren, (2) er extreme verschillen waren tussen jaren, of (3) de separatieduur voor de betreffende instelling als onjuist werd aangemerkt. Voor de berekening van het percentage instellingen met een stijgende, gelijkblijvende of dalende trend, werden alle instellingen met twee of drie metingen meegenomen; dat waren er 25.

Interpretatie

Het terugdringen van aantal en duur van vrijheidsbeperkende interventies is een belangrijk doel van de brancheorganisatie in de GGZ, beroepsverenigingen, cliëntenorganisaties en Rijksoverheid. Vrijheidsbeperkende interventies, zoals separatie, zijn ingrijpende maatregelen die niet zelden leiden tot verergering van angsten, depressie, psychose of tot suïcidaliteit. Er zijn alternatieve aanpakken beschikbaar maar die worden niet altijd  toegepast.
Indicatorontwikkeling De Argus-registratie van vrijheidsbeperkende interventies bestaat niet meer. Om toch inzicht te krijgen in landelijke ontwikkelingen in het toepassen van vrijheidsbeperkende interventies, is voor de actualisatie van de indicator gebruik gemaakt van een andere bron (Zorginzicht), met als kanttekening dat de betrouwbaarheid van de cijfers niet helemaal duidelijk is, terwijl aan de validatie van de cijfers uit de Argus-registratie veel zorg besteed is. Er wordt gewerkt aan de opzet van een nieuwe registratie voor vrijheidsbeperkende interventies.

Toelichting bij de referentiewaarde

N.v.t.

Jaar

2018

Literatuur

Het Dolhuys Manifest, 2016; IGJ, 2018; IGJ, 2019Rijksoverheid, 2018TNO, 2013

Experts en redactie

Datum publicatie

17-02-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Het Dolhuys Manifest. Het Dolhuys Manifest. Haarlem: Dolhuys; 2016. Bron
  2. IGJ. Dwangtoepassing en separatiepraktijk in de GGZ: toezicht 2015 en 2016. Utrecht: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd; 2018. GoogleScholar
  3. IGJ. Toezicht terugdringen separeren en afzonderen in de GGZ 2016 - 2019. Utrecht: IGJ; 2019. Bron
  4. Rijksoverheid. Bestuurlijk akkoord geestelijke gezondheidszorg (GGZ) 2019 t/m 2022. Den Haag: Rijksoverheid; 2018. GoogleScholar
  5. TNO. Vrijheidsbeperking in de GGZ: veldnorm insluiting . Soesterberg: TNO; 2013. Bron

Huisarts betrekt patiënt bij beslissingen

Indicatorwaarde (2019)

Indicatorwaarde: 92%

Referentiewaarde

3-jarige trend (2017 - 2019)

3-jarige trend is stabiel

Personen die aangeven dat de huisarts hen betrekt bij beslissingen (laatst beschikbare jaar)

LandJaarPercentage
Israël (2018)201892,4
NEDERLAND (2017)201791,9
Portugal (2015)201590,9
Verenigd Koninkrijk (2016)201688,9
Nieuw-Zeeland (2016)201687,9
Australië (2016)201687,8
Duitsland (2016)201687,2
Zwitserland (2016)201686,9
Verenigde Staten (2016)201685,2
Canada (2016)201684,8
Zuid-Korea (2018)201882,4
Estland (2016)201680,9
Hongarije (2019)201980,1
Zweden (2016)201679,5
Noorwegen (2016)201678,8
Spanje (2016)201678,0
Polen (2016)201661,5

Bron: OECD

  • Door een verschil in de noemer bij de internationale berekening, wijkt het internationale cijfer iets af van het trendcijfer. Daarnaast wordt het internationale cijfer niet gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht.
Deze cijfers zijn ook onderdeel van  
 

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage personen dat aangeeft dat de huisarts hem of haar meestal of altijd betrekt bij beslissingen over de zorg en behandeling.

Bron

Nivel consumentenpanel, OECD

Berekening

Teller: aantal respondenten dat aangeeft dat de huisarts hen meestal of altijd betrekt bij het maken van beslissingen. 
Noemer trend: aantal respondenten van 18 jaar en ouder met een vaste huisarts óf een vaste huisartsenpraktijk (n=630 (2019))
Noemer internationaal: aantal respondenten van 18 jaar en ouder met een vaste huisarts óf een vaste huisartsenpraktijk (n=630 (2017)).

Toelichting bij de berekening

  • De cijfers in de trendfiguur zijn tot stand gekomen na weging van de resultaten, waardoor deze wat betreft leeftijd en geslacht representatief zijn voor de algemene bevolking.
  • De internationale cijfers worden ongecorrigeerd weergegeven. 
  • Om een verandering in de periode 2016 - 2019 vast te stellen is een regressieanalyse uitgevoerd, waarbij is gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht.  

Interpretatie

Het betrekken van de patiënt bij beslissingen maakt deel uit van een patiëntgerichte zorg en is daarmee een indicator voor de kwaliteit van zorg.  

Toelichting indicator- en referentiewaarde

De indicatorwaarde is gemeten in 2019.

De referentiewaarde is het laatst beschikbare jaar zoals gepubliceerd in Health at a Glance (OECD) en is de mediaan van 17 OECD landen (gemiddelde van VS).

Jaar

2019

Literatuur Meijer et al., 2020OECD, 2019

Datum publicatie

06-05-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Meijer M, Brabers A, Victoor A, de Jong J. Patiënten positief over de bejegening door de huisarts. Dit is niet veranderd in de periode 2016-2019. Utrecht: NIVEL; 2020. Bron
  2. OECD. Health at a Glance 2019. Paris: OECD; 2019. Bron

Huisarts besteedt voldoende tijd aan patiënt

Indicatorwaarde (2019)

Referentiewaarde

3-jarige trend (2017 - 2019)

3-jarige trend is stabiel

Personen die aangeven dat de huisarts voldoende tijd aan hen besteed (laatst beschikbare jaar)

LandJaartalPercentage
Israël (2018)201896,1
Nederland (2017)201793,3
Australië (2016)201691,6
Portugal (2015)201589,7
Nieuw-Zeeland (2016)201687,9
Hongarije (2019)201987,5
Estland (2016)201687,4
Zwitserland (2016)201687,4
Duitsland (2016)201685,8
Verenigd Koninkrijk (2018)201884,9
Frankrijk (2016)201683,7
Verenigde Staten (2016)201681,5
Zuid-Korea (2018)201880,8
Canada (2016)201679,9
Noorwegen (2016)201678,8
Zweden (2016)201673,7
Polen (2016)201670,0
Japan (2017)201742,1

Bron: OECD

  • Door een verschil in de noemer bij de internationale berekening, wijkt het internationale cijfer iets af van het trendcijfer. Daarnaast wordt het internationale cijfer niet gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht.
Deze cijfers zijn ook onderdeel van  
 

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage personen dat aangeeft dat de huisarts meestal of altijd voldoende tijd voor hen neemt.

Bron

Nivel ConsumentenpanelOECD

Berekening

Teller: aantal respondenten met aangeeft dat de huisarts meestal of altijd voldoende tijd voor hen neemt. 
Noemer trend: aantal respondenten van 18 jaar en ouder met een vaste huisarts óf een vaste huisartsenpraktijk (n=633 (2019)).
Noemer internationaal: aantal respondenten van 18 jaar en ouder met een vaste huisarts óf een vaste huisartsenpraktijk (n=630 (2017)).

Toelichting bij de berekening:

  • De cijfers in de trendfiguur zijn tot stand gekomen na weging van de resultaten, waardoor deze wat betreft leeftijd en geslacht representatief zijn voor de algemene bevolking.
  • De internationale cijfers worden ongecorrigeerd weergegeven. 
  • Om een verandering in de periode 2016 - 2019 vast te stellen is een regressieanalyse uitgevoerd, waarbij is gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht.  

Interpretatie

Het besteden van voldoende tijd maakt deel uit van een patiëntgerichte zorg en is daarmee een indicator voor de kwaliteit van zorg. 

Toelichting indicator- en referentiewaarde

De indicatorwaarde is gemeten in 2019.

De referentiewaarde is het laatst beschikbare jaar zoals gepubliceerd in Health at a Glance (OECD) en is de mediaan van 18 OECD landen (gemiddelde van VK en Duitsland).

Jaar

2019

Literatuur

Meijer et al., 2020; OECD, 2019

Datum publicatie

06-05-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Meijer M, Brabers A, Victoor A, de Jong J. Patiënten positief over de bejegening door de huisarts. Dit is niet veranderd in de periode 2016-2019. Utrecht: NIVEL; 2020. Bron
  2. OECD. Health at a Glance 2019. Paris: OECD; 2019. Bron

Huisarts geeft de gelegenheid om vragen te stellen

Indicatorwaarde (2019)

Referentiewaarde (2016)

Referentiewaarde: 90,3%

3-jarige trend (2017 - 2019)

3-jarige trend is stabiel

Personen die aangeven dat de huisarts voldoende gelegenheid geeft om vragen te stellen (laatst beschikbare jaar)

LandJaarPercentage
NEDERLAND (2018)201794,8
Zwitserland (2010)201094,7
Tsjechië (2010)201093,9
Duitsland (2010)201093,7
Israël (2016)201693
Verenigd Koninkrijk (2010)201092,4
Nieuw-Zeeland (2010)201092,3
Portugal (2015)201591,6
Australië (2010)201088,9
Canada (2010)201088
Verenigde Staten (2010)201087,8
Estland (2016)201683,2
Noorwegen (2010)201083,1
Frankrijk (2010)201082,7
Zweden (2016)201681,3
Polen (2016)201667,9

Bron: OECD

  • Door een verschil in de noemer bij de internationale berekening, wijkt het internationale cijfer iets af van het trendcijfer. Daarnaast wordt het internationale cijfer niet gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht.

 

Deze cijfers zijn ook onderdeel van  
 

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage personen dat aangeeft dat de huisarts hem of haar meestal/altijd de gelegenheid geeft om vragen te stellen.

Bron

Nivel Consumentenpanel, OECD

Berekening

Teller: aantal respondenten dat aangeeft dat de huisarts hen meestal of altijd de gelegenheid geeft om vragen te stellen.
Noemer trend: aantal respondenten van 18 jaar en ouder met een vaste huisarts óf een vaste huisartsenpraktijk (n=632 (2019))
Noemer internationaal: aantal respondenten van 18 jaar en ouder met een vaste huisarts óf een vaste huisartsenpraktijk (n=630 (2017)).

Toelichting bij de berekening

  • De cijfers in de trendfiguur zijn tot stand gekomen na weging van de resultaten, waardoor deze wat betreft leeftijd en geslacht representatief zijn voor de algemene bevolking.
  • De internationale cijfers worden ongecorrigeerd weergegeven. 
  • Om een verandering in de periode 2016 - 2019 vast te stellen is een regressieanalyse uitgevoerd, waarbij is gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht.  

Interpretatie

Ruimte bieden voor vragen maakt deel uit van patiëntgerichte zorg en is daarmee een indicator voor de kwaliteit van zorg.

Toelichting indicator- en referentiewaarde

De indicatorwaarde is gemeten in 2019.

De referentiewaarde is het laatst beschikbare jaar zoals gepubliceerd door de OECD en is de mediaan van 16 OECD landen (gemiddelde van Australië en Portugal).

Jaar

2019

Literatuur Meijer et al., 2020

 

Datum publicatie

06-05-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Meijer M, Brabers A, Victoor A, de Jong J. Patiënten positief over de bejegening door de huisarts. Dit is niet veranderd in de periode 2016-2019. Utrecht: NIVEL; 2020. Bron

Antibioticavoorschriften buiten het ziekenhuis

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 10,1

Referentiewaarde

3-jarige trend

Afname dat is gunstig

Antibioticavoorschriften buiten het ziekenhuis 2018

2018
Griekenland (v)32,4
Spanje (b)24,5
Frankrijk (v)23,6
Polen (v)23
Ierland (v)20,9
België (g)20,8
Slowakije (v)20,2
Italië (b)19,5
Portugal (g)17,2
Kroatië (g)17
Verenigd Koninkrijk (g)16,3
Lithouwen (v)15,4
Noorwegen (b)14
Denemarken (v)13,7
Hongarije (v)13,7
Finland (v)13,2
Duitsland (g)11,9
Slovenië (b)11,7
Letland (v)11,4
Zweden (v)10,8
Oostenrijk (g)10,4
Estland (v)10,2
NEDERLAND (v)8,9

Bron: ESAC-Net 

  • Tussen haakjes is weergegeven van welk type bron de gegevens afkomstig zijn: v = verkoopcijfers,
    g = gedeclareerde afleveringen, b = beide typen gegevens. Bronnen gebaseerd op verkoopcijfers zijn mogelijk vollediger dan bronnen gebaseerd op gedeclareerde afleveringen, omdat antibiotica die zonder recept zijn verkregen of niet worden vergoed vaak wel in de verkoopcijfers zijn meegeteld, maar niet bij de gedeclareerde cijfers.
  • In 2019 is de ESAC-Net interactieve database geactualiseerd met een de nieuwe 2019 versie van de ATC/DDD index. Dit heeft geleid tot veranderingen in gerapporteerde consumptie die ook met terugwerkende kracht zijn doorgevoerd in eerder gepubliceerde cijfers in de ESAC-Net database. Hierdoor kunnen cijfers afwijken van cijfers die in het verleden zijn gerapporteerd. Ook wijkt het cijfer voor Nederland in deze internationale vergelijking hierdoor af van het gepresenteerde kerncijfer omdat dit cijfer (nog) niet volgens de aangepaste ATC/DDD index zijn. In de trendfiguur worden beide cijfers weergegeven. 

 

Trend antibioticavoorschriften buiten het ziekenhuis

JaarNethmapESAC-NET
20009,88,8
20019,98,8
20029,88,8
20039,88,7
20049,88,7
200510,59,4
200610,89,7
2007119,9
200811,210
200911,410,1
201011,210
201111,410,1
201211,310,1
201310,89,6
201410,69,4
201510,79,5
201610,49,2
201710,18,9
201810,18,9

Deze cijfers zijn ook onderdeel van

 
 

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Antibioticavoorschriften buiten het ziekenhuis 

Bronnen

ESAC-NETNethmap 2019

Berekening

Teller: Som DDD van alle antibioticavoorschriften in de eerste lijn voor systemisch gebruik (= voor het hele lichaam, ATC-code J01)
Noemer: Populatie van de gebruikte database

Interpretatie

De Defined Daily Dose (DDD) is de gemiddelde onderhoudsdosis van een geneesmiddel voor de hoofdindicatie bij volwassenen, vastgesteld door de WHO

Lager is beter: hoe meer antibiotica er wordt voorgeschreven, des te groter de kans op resistente stammen. Antibiotica moeten alleen worden voorgeschreven als er een kans is op een (ernstige) bacteriële infectie.

In 2019 is de database die de ECDC gebruikt (ESAC-Net) geactualiseerd met een nieuwe 2019 versie van de ATC/DDD index. Dit heeft geleid tot veranderingen in gerapporteerde consumptie die ook met terugwerkende kracht zijn doorgevoerd in eerder gepubliceerde cijfers in de ESAC-Net database.

SWAB levert de Nederlandse cijfers aan ESAC-NET en SWAB publiceert deze zelf in Nethmap, deze cijfers zijn (nog) niet volgens de aangepaste ATC/DDD index. De Nederlandse trend laat zowel de trend van de ESAC-NET als die van Nethmap zien. 

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan 23 OECD-landen: Litouwen 

Jaar

2018

Literatuur ECDC, 2014NethMap, 2019; World Health Organization Essential Medicines and Health Products

Datum publicatie

25-02-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. ECDC ECentr. Antimicrobial consumption interactive database (ESAC-Net). Stockholm: European Centre for Disease Prevention And Control; 2014. Bron
  2. NethMap. NethMap 2019: Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands in 2018.. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2019. Bron
  3. World Health Organization Essential Medicines and Health Products. ATC/DDD Toolkit. Vol 2019. Geneva: World Health Organization;. Bron

Wachttijd tot poliklinisch consult medisch specialistische zorg langer dan de Treeknorm

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

Referentiewaarde: Deze is nul. Wachttijd mag niet boven de treeknorm uitkomen.

Door trendbreuk geen conclusie mogelijk

Trend wachttijd tot poliklinisch consult medisch specialistische zorg langer dan de Treeknorm

JaarPercentage wachttijden polikliniek
201025,7
201125,0
201221,9
201317,4
201418,0
201519,4
201624,0
201730,8
201828,7
  • 2018 betreft januari t/m juli 
  • Tot en met juli 2018 werden wachttijdgegevens verzameld en bewerkt door Mediquest.
  • Door verandering van de bron en methode is het niet verantwoord om een conclusie te trekken over het percentage in 2019 ten opzichte van voorgaande jaren

 

Dit cijfer is ook onderdeel van

Wachttijd tot poliklinisch consult medisch specialistische zorg langer dan de Treeknorm 2019

Per maand
MaandPercentage
Jan29,8
Feb29,2
Mrt30,5
Apr35,6
Mei34,6
Jun37,1
Jul39,7
Aug41,4
Sep34,5
Okt38,3
Nov37,2
Dec43,4

Bron: NZa

  • Veranderingen over het jaar heen kunnen onder andere te maken hebben met seizoenspatronen van ziekten en aanbod van zorgpersoneel (zomer- en kerstvakanties).
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage wachttijden tot een poliklinisch consult medisch specialistische zorg langer dan de Treeknorm.

Bron

Wachttijdenonderzoek, Mediquest (t/m juli 2018); Wachttijdenregistratie NZa (2019).

Berekening

Teller: aantal wachttijden voor een eerste poliklinisch consult langer dan de Treeknorm.
Noemer: totaal aantal wachttijden voor een eerste poliklinisch consult.
Toelichting bij de berekening

Voor de berekening van de indicator is per maand voor de wachttijden van alle hoofdspecialismen en alle zorgaanbieders samen, het percentage wachttijden berekend dat de Treeknorm van 4 weken overschrijdt. Een jaarcijfer is berekend door een gemiddeld percentage over alle maanden te berekenen. De indicator is aldus gebaseerd op zo’n 12 metingen per hoofdspecialisme per zorgaanbieder. Hierbij is gewogen voor de frequentie waarin specialismen voorkomen; specialismen die weinig voorkomen (bijvoorbeeld allergologie) tellen minder zwaar mee dan specialismen die veel voorkomen (bijvoorbeeld chirurgie).

Vaststelling van de wachttijd

De instelling kan een actuele wachttijd registreren of een retrospectief bepaalde wachttijd. De actuele wachttijd is het aantal dagen tussen het moment dat een patiënt een afspraak maakt voor een eerste poliklinisch consult tot het moment dat de patiënt terecht kan. Hierbij wordt gekozen voor de derde mogelijkheid in het afsprakenregister op het moment dat de patiënt de afspraak maakt. Met het kiezen van de derde mogelijkheid worden eventuele toevalstreffers, die een realistische wachttijd kunnen beïnvloeden (zoals onverwachte afzegging van een afspraak), voorkomen.

De retrospectief bepaalde wachttijd is de gemiddelde effectieve wachttijd van de laatste drie maanden.

 

Inclusie/exclusie

Inclusie: alle instellingen die medisch specialistische zorg bieden (ziekenhuizen of ZBC’s). Voor 23 specialismen (afdelingen) zijn wachttijden vastgesteld. 

Exclusie:

  • Subspecialismen; zorgaanbieders die poliklinieken georganiseerd hebben rond subspecialismen kunnen wachttijden publiceren voor subspecialismen, bijvoorbeeld voor vaatchirurgie het hoofdspecialisme chirurgie. Voor subspecialismen gelden andere wachttijden (en overschrijdingen). Deze subspecialismen zijn hier buiten beschouwing gelaten. Zorginstellingen die specialistische zorg aanbieden dat onder geen van de subspecialismen valt, registreren de wachttijd onder het hoofdspecialisme. Die wachttijden zijn dus wel meegenomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de wachttijd tot een consult met een chirurg in een hand- en polscentrum, wat geregistreerd wordt onder het hoofdspecialisme chirurgie.
  • acute zorg.

Interpretatie

Alle instellingen voor medisch specialistische zorg zijn per 1 januari 2008 verplicht om maandelijks de wachttijden voor electieve medisch specialistische zorg op hun website te publiceren. Dit volgt uit de ‘Regeling verplichte publicatie wachttijden somatische zorg’ (2008) van de NZa en de aangepaste 'Regeling Wachttijden en wachttijdbemiddeling medisch specialistische zorg' (NZa, 2018, regeling NR/REG-1823a). Zorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben afspraken gemaakt over maximaal aanvaardbare wachttijden in de zorg. Deze wachttijden worden Treeknormen genoemd. De Treeknorm voor poliklinische zorg is 4 weken (NZa, 2017, regeling TH/BR-025).

De indicator is een samenvattende maat voor het totaal van alle aanbieders en alle specialismen. Het geeft een indruk van de algemene trend in wachttijden, en laat zien of het totale aanbod van medisch specialistische zorg passend is bij de vraag naar deze zorg.

Kantekening De omvang van het specialisme en de zorgaanbieder (in termen van hoeveelheid personeel, voorzieningen zoals bedden of productie) worden in deze indicator niet meegewogen. De wachttijd van een kleine afdeling in een perifeer ziekenhuis heeft evenveel invloed op deze indicator als een grote afdeling in een universitair medisch centrum. Daarnaast is deze indicator ongevoelig voor de duur van de wachttijd boven of onder de Treeknorm. Bij een Treeknorm van 4 weken maakt het voor de uitkomst van de indicator niet uit of een zorgaanbieder een wachttijd heeft van 1 dag of 3,5 weken (beide onder de norm). Ook een wachttijd van 5 weken of 10 weken maakt geen verschil (beide boven de norm).

Toelichting bij de referentiewaarde

De Treeknorm bedraagt 4 weken (28 kalenderdagen). De bijbehorende norm dat 80% van de burgers binnen 3 weken terecht moet kunnen, wordt niet geregistreerd (NZa, 2017, beleidsregel TH/BR-025).

Jaar

2019

Toelichting bij de trend Tot en met juli 2018 werden wachttijdgegevens verzameld en bewerkt door Mediquest. Door verandering van de bron en methode is het niet verantwoord om een conclusie te trekken over het percentage in 2019 ten opzichte van voorgaande jaren.

Datum publicatie

11-05-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. NZa. Regeling Wachttijden en wachttijdbemiddeling medisch specialistische zorg - NR/REG-1823a.; 2018. Bron
  2. NZa. Beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars Zvw - TH/BR-025.; 2017. Bron

Wachttijden behandeling in ziekenhuizen langer dan de Treeknorm

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

Door trendbreuk geen conclusie mogelijk

Trend wachttijden voor behandeling langer dan de Treeknorm

JaarPercentage behandeling
201019,4
201116,6
201215,4
201313,5
201413,0
201513,0
201614,1
201717,7
201824,0
  • 2018 betreft januari t/m juli
  • Tot en met juli 2018 werden wachttijdgegevens verzameld en bewerkt door Mediquest.
  • Door verandering van de bron en methode is het niet verantwoord om een conclusie te trekken over het percentage in 2019 ten op zichte van voorgaande jaren.

 

Dit cijfer is ook onderdeel van

Wachttijden behandeling langer dan de Treeknorm 2019

Per maand
MaandPercentage
Jan28,83015174
Feb27,75186567
Mrt28,19074334
Apr26,96078431
Mei27,6504298
Jun25,02443793
Jul26,63043478
Aug25,80645161
Sep26,00304723
Okt26,88821752
Nov29,55854127
Dec32,90598291

Bron: NZa

  • Veranderingen over het jaar heen kunnen onder andere te maken hebben met seizoenspatronen van ziekten en aanbod van zorgpersoneel (zomer- en kerstvakanties).
 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage wachttijden voor behandeling medisch specialistische zorg langer dan de Treeknorm

Bron

Wachttijdenonderzoek, Mediquest (t/m juli 2018); Wachttijdenregistratie NZa (2019).

Berekening

Teller: aantal wachttijden voor een behandeling/operatie langer dan de Treeknorm.
Noemer: totaal aantal wachttijden voor een behandeling/operatie.
Toelichting bij de berekening

Voor de berekening van de indicator is per maand voor de wachttijden van alle behandelingen en alle zorgaanbieders samen, het percentage wachttijden berekend dat de Treeknorm van 7 weken overschrijdt. Een jaarcijfer is berekend door een gemiddeld percentage over alle maanden te berekenen. De indicator is aldus gebaseerd op zo’n 12 metingen per behandeling per zorgaanbieder. Hierbij is gewogen voor de frequentie waarin behandelingen voorkomen; behandelingen die minder vaak worden uitgevoerd tellen minder zwaar mee dan behandelingen die vaak uitgevoerd worden.

Vaststelling van de wachttijd

De wachttijd voor een behandeling is de tijd (in dagen) tussen het ordermoment en het uitvoeren van de behandeling. Het ordermoment is de datum waarop patiënt en arts besluiten dat een behandeling noodzakelijk is.

Inclusie/exclusie

Alle instellingen die medisch specialistische zorg bieden (ziekenhuizen of ZBC’s). Voor 40 behandelingen zijn wachttijden vastgesteld.
Exclusie: spoedbehandelingen.

Interpretatie

Alle instellingen voor medisch specialistische zorg zijn per 1 januari 2008 verplicht om maandelijks de wachttijden voor electieve medisch specialistische zorg op hun website te publiceren. Dit volgt uit de ‘Regeling verplichte publicatie wachttijden somatische zorg’ (2008) van de NZa en de aangepaste 'Regeling Wachttijden en wachttijdbemiddeling medisch specialistische zorg' (NZa, 2018, regeling NR/REG-1823a). Zorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben afspraken gemaakt over maximaal aanvaardbare wachttijden in de zorg. Deze wachttijden worden Treeknormen genoemd. De Treeknorm voor behandeling is 7 weken (NZa, 2017, regeling TH/BR-025).

De indicator is een samenvattende maat voor het totaal van alle aanbieders en alle behandelingen. Het geeft een indruk van de algemene trend in wachttijden, en laat zien of het totale aanbod van medisch specialistische zorg passend is bij de vraag naar deze zorg.

Kanttekening Het volume van de behandelingen en de grootte van de zorgaanbieder (in termen van hoeveelheid personeel, voorzieningen zoals bedden of productie) worden in deze indicator niet meegewogen. De wachttijd van een kleine afdeling in een perifeer ziekenhuis heeft evenveel invloed op deze indicator als een grote afdeling in een universitair medisch centrum. Daarnaast is deze indicator ongevoelig voor de duur van de wachttijd boven of onder de Treeknorm. Bij een Treeknorm van 7  weken maakt het voor deze indicator niet uit of een zorgaanbieder een wachttijd heeft van 1 dag of 6,5 weken (beide onder de norm). Ook een wachttijd van 8 weken of 16 weken maakt geen verschil (beide boven de norm).

Toelichting bij de referentiewaarde

De Treeknorm bedraagt 7 weken (48 kalenderdagen). De bijbehorende norm dat 80% van de burgers binnen 5 weken terecht moet kunnen, wordt niet geregistreerd (NZa, 2017, beleidsregel TH/BR-025).
Jaar

2019

Toelichting op de trend Tot en met juli 2018 werden wachttijdgegevens verzameld en bewerkt door Mediquest. Door verandering van de bron en methode is het niet verantwoord om een conclusie te trekken over het percentage in 2019 ten opzichte van voorgaande jaren.

Datum publicatie

11-05-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. NZa. Regeling Wachttijden en wachttijdbemiddeling medisch specialistische zorg - NR/REG-1823a.; 2018. Bron
  2. NZa. Beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars Zvw - TH/BR-025.; 2017. Bron

Wachttijden diagnostiek in ziekenhuizen langer dan de Treeknorm

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

Referentiewaarde: Deze is nul. Wachttijd mag niet boven de treeknorm uitkomen.

Door trendbreuk geen conclusie mogelijk

Wachttijden diagnostiek langer dan de Treeknorm 2019

Per maand
MaandPercentage
Jan11,9
feb13,5
mrt14,2
Apr13,6
Mei14,9
Jun15,9
Jul14,5
Aug15,1
Sep13,0
Okt13,3
Nov15,1
Dec18,3

Bron: NZa

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage wachttijden voor diagnosiek langer dan de Treeknorm.

Bron

Wachttijdenonderzoek, Mediquest; Wachttijdenregistratie NZa

Berekening

Wachttijdenonderzoek, Mediquest (t/m juli 2018); Wachttijdenregistratie NZa (2019).
Toelichting bij de berekening Voor de berekening van de indicator is per maand voor de wachttijden voor diagnostiek en alle zorgaanbieders samen, het percentage wachttijden berekend dat de Treeknorm van 4 weken overschrijdt. Een jaarcijfer is berekend door een gemiddeld percentage over alle maanden te berekenen. De indicator is aldus gebaseerd op zo’n 12 metingen per specialisme (radiologie en gastro-entrologie) per zorgaanbieder. 
Inclusie/exclusie Inclusie: ale instellingen die medisch specialistische zorg bieden (ziekenhuizen of ZBC’s). Voor radiologie en gasto-enterologie zijn wachttijden vastgesteld.
Exclusie: acute zorg.

Interpretatie

Alle instellingen voor medisch specialistische zorg zijn per 1 januari 2008 verplicht om maandelijks de wachttijden voor electieve medisch specialistische zorg op hun website te publiceren. Dit volgt uit de ‘Regeling verplichte publicatie wachttijden somatische zorg’ (2008) van de NZa en de aangepaste 'Regeling Wachttijden en wachttijdbemiddeling medisch specialistische zorg' (NZa, 2018, regeling NR/REG-1823a). Zorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben afspraken gemaakt over maximaal aanvaardbare wachttijden in de zorg. Deze wachttijden worden Treeknormen genoemd. De Treeknorm voor diagnostiek is 4 weken (NZa, 2017, regeling TH/BR-025).

De indicator is een samenvattende maat voor het totaal van alle aanbieders en alle specialismen. Het geeft een indruk van de algemene trend in wachttijden, en laat zien of het totale aanbod van medisch specialistische zorg passend is bij de vraag naar deze zorg.

Kanttekening De omvang van het specialisme en de zorgaanbieder (in termen van hoeveelheid personeel, voorzieningen zoals bedden of productie) worden in deze indicator niet meegewogen. De wachttijd van een kleine afdeling in een perifeer ziekenhuis heeft evenveel invloed op deze indicator als een grote afdeling in een universitair medisch centrum. Daarnaast is deze indicator ongevoelig voor de duur van de wachttijd boven of onder de Treeknorm. Bij een Treeknorm van 4 weken maakt het voor de uitkomst van de indicator niet uit of een zorgaanbieder een wachttijd heeft van 1 dag of 3,5 weken (beide onder de norm). Ook een wachttijd van 5 weken of 10 weken maakt geen verschil (beide boven de norm).

Toelichting bij de referentiewaarde

De Treeknorm bedraagt 4 weken (28 kalenderdagen). De bijbehorende norm dat 80% van de burgers binnen 3 weken terecht moet kunnen, wordt niet geregistreerd (NZa, 2017, beleidsregel TH/BR-025).

Jaar

2019

Toelicchting bij de trend Tot en met juli 2018 werden wachttijdgegevens verzameld en bewerkt door Mediquest. Door verandering van de bron en methode is het niet verantwoord om een conclusie te trekken over het percentage in 2019 ten opzichte van voorgaande jaren.

Datum publicatie

11-05-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. NZa. Regeling Wachttijden en wachttijdbemiddeling medisch specialistische zorg - NR/REG-1823a.; 2018. Bron
  2. NZa. Beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars Zvw - TH/BR-025.; 2017. Bron

Langer dan 2 jaar op wachtlijst voor donornier

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 39,6%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 34,8%

3-jarige trend

De 3-jarige trend laat een daling zien. Dat is gunstig

Aantal jaren op wachtlijst voor donornier 2018

Aantal jarenMinder dan 2 jaar2 tot 5 jaarMeer dan 5 jaar
Duitsland36,137,126,9
Hongarije53,439,17,5
Nederland60,432,07,6
Kroatië65,227,77,1
België67,123,39,5
Oosterijk69,126,54,4
Slovenië80,612,56,9

Bron:  Eurotransplant

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage mensen dat 2 jaar of langer wacht op een donornier

Bron

Nederlandse Transplantatie Stichting, 2018; Eurotransplant

Berekening

Teller: aantal mensen dat, op 31 december 2018, 2 jaar of langer wacht op een donornier.
Noemer: aantal mensen dat op 31 december 2018 op de wachtlijst staat voor een donornier.

Interpretatie

Voor patiënten die wachten op een donororgaan kan lang wachten zeer ernstige gevolgen hebben, waaronder overlijden. Het beschikbaar komen van donororganen is afhankelijk van de stand van de medische wetenschap, de beschikbare ziekenhuiscapaciteit, omvang van de sterfte in de algemene bevolking, het herkennen door artsen en verpleegkundigen van potentiële donoren, de organisatie van de donatie, bereidheid van mensen om postmortaal organen af te staan, publieksvoorlichting en wetgeving. De situatie voor patiënt die wachten op een donornier is in vergelijking met patiënten die wachten op een andere orgaan uniek omdat de beschikbaarheid van een nier ook afhangt van de bereidheid van potentiële donoren om een geschikt orgaan tijdens het leven ter beschikking te stellen.

Toelichting bij de referentiewaarde

De mediaan van de landen die deelnemen aan Eurotransplant (Kroatië).

Jaar

2018

Mensen die afzien van zorg vanwege de kosten

Indicatorwaarde (2019)

Geen referentiewaarde

Geen referentiewaarde

3-jarige trend

Afzien van zorg vanwege kosten

[container]

Bron: OECD

 

Deze cijfers zijn ook onderdeel van  
 

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage van de volwassen bevolking dat in de voorgaande 12 maanden wel eens afzag van zorg vanwege de kosten.

Bron

NIVEL Consumentenpanel Gezondheidszorg (2019), OECD Health Statistics (2016)

Berekening

Teller: aantal personen dat aangeeft in de voorgaande 12 maanden een medisch probleem te hebben maar heeft afgezien van (a) artsenbezoek, (b) een aanbevolen medisch onderzoek of (na)behandeling en/of (c) afhalen of gebruik van medicijnen vanwege de kosten.
Noemer: alle respondenten van 18 jaar en ouder (n=664).

Toelichting bij de berekening

De groep respondenten was naar leeftijd en geslacht niet geheel representatief voor de samenstelling van de bevolking in Nederland. Er is daarom een weging toegepast om hiervoor te corrigeren. 

Interpretatie

Dit kerncijfer betreft het percentage van de bevolking van 18 jaar en ouder dat in de voorgaande 12 maanden vanwege kosten wel eens heeft afgezien van één of meer vormen van zorg. Dit geeft een indruk van de mate waarin kosten als een belemmering wordt gezien om naar een arts te gaan voor een klacht, aanbevolen onderzoek of behandeling of als belemmering voor het afhalen of gebruik van medicijnen.

Jaar

2019

Literatuur Meijer et al., 2020

Datum publicatie

09-07-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Meijer M., Brabers A., Victoor A., De Jong J. Negen procent van de mensen ziet af van zorg vanwege de kosten. Er is sprake van een daling in de periode 2016-2019. Utrecht: Nivel; 2020. Bron

Mensen die afzien van dringende tandheelkundige zorg vanwege de kosten

Indicatorwaarde

Indicatorwaarde: 0,1%

Referentiewaarde

Referentiewaarde: 2,4%

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is dalend; dat is gunstig

Afzien van dringende tandheelkundige zorg vanwege kosten 2017

16 jaar en ouder, in de afgelopen 12 maanden
Land20172016201520142013
Letland13,413,113,417,518,4
Portugal11,513,814,415,514,2
Griekenland9,713,411,912,48,1
Estland6,39,210,27,67,8
Noorwegen4,43,63,93,14,4
Denemarken4,23,73,94,13,9
Spanje4,05,14,87,67,4
België3,53,73,53,82,8
Litouwen3,33,63,13.13,4
Zwitserland (2016)3,33,32,74,64,6
Ierland3,03,14,85,75,5
Frankrijk2,72,93,15,35,1
Italië2,08,09,69,99,4
Verenigd Koninkrijk2,01,42,02,42,3
Hongarije1,72,03,93,94,3
Zweden1,53,43,64,45,5
Polen1,42,93,33,84,0
Slowakije1,41,71,92,01,9
Slovenië0,90,40,30,40,6
Oostenrijk0,70,40,30,41,1
Tsjechië0,70,60,81,21,0
Duitsland0,50,60,51,81,9
Finland0,30,40,30,30,2
NEDERLAND0,10,30,31,50,9

Bron: EU-SILCEurostat, 2019

Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Percentage van de bevolking dat afziet van dringende tandheelkundige zorg vanwege de kosten

Bron

EU-SILCEurostat

Berekening

Teller: alle respondenten in de EU-SILC enquête van 16 jaar en ouder die aangaven in de afgelopen 12 maanden te hebben afgezien van dringende tandheelkundige zorg omdat dit teveel geld kostte.
Noemer: alle respondenten van 16 jaar en ouder. 

Interpretatie

De indicator geeft een indruk van financiële toegankelijkheid van tandheelkundige zorg. Tandheelkundige zorg is voor personen van 18 jaar en ouder niet opgenomen in het basispakket.

Toelichting bij de referentiewaarde

Mediaan 24 Europese landen

Jaar

2017

Experts en redactie

Datum publicatie

15-04-2019

Wanbetalers zorgverzekering

Indicatorwaarde

Referentiewaarde

Referentiewaarde: Er is geen norm, maar iedereen is wettelijk verplicht de premie voor een basisverzekering te betalen.

3-jarige trend

3-jarige trend: De trend is dalend; dat is gunstig
Dit cijfer is ook onderdeel van

 

 

Toelichting

Volledige naam indicator

Aantal mensen met een zorgverzekering dat tenminste zes maanden hun premie voor de basisverzekering niet heeft betaald

Bron

 VWS Vverzekerden Monitor (VWS., 2019)

Berekening

Totaal aantal wanbetalers

Interpretatie

Wanbetalers zijn mensen die wel een zorgverzekering hebben maar de premie tenminste zes maanden niet betaald hebben. Wanbetaling van de zorgpremie staat niet op zichzelf. Vaak zijn er ook andere schulden. Uit onderzoek van Social Force (2014) blijkt dat deze groep moeilijk te bereiken is. Herhaaldelijke telefonische en schriftelijke oproepen leveren vaak niets op.

Toelichting bij de referentiewaarde

Er bestaat geen beleidsnorm voor het aantal wanbetalers, maar iedereen is wettelijk verplicht voor de basisverzekering te betalen.

Jaar

2018

Datum publicatie

24-10-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. VWS. VWS-Verzekerdenmonitor 2019. Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; 2019. Bron