Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

ZorginfectiesCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Aantal zorginfecties in ziekenhuizen stabiel

Regionaal & Internationaal

Vooral luchtweginfecties in Europese ziekenhuizen

Kosten

Preventie & Zorg

Effecten van preventie moeilijk te achterhalen

Prevalentie zorginfecties in ziekenhuizen

Puntprevalentie zorginfecties in ziekenhuizen 2017

Type zorginfectieAantal per 100 patiëntenBI ondergrensBI bovengrens
Postoperatieve wondinfecties1,81,52,0
Infecties van de onderste luchtwegen1,10,91,3
Sepsis/ bacteriëmie0,80,60,9
Urineweginfecties0,90,71,1
Infecties van het maagdarmkanaal0,20,10,3
Infecties van huid en weke delen0,20,10,3

Bron: PREZIES, 2018

  • Infecties van de onderste luchtwegen inclusief longontsteking
  • BI = 95% betrouwbaarheidsinterval (alleen zichtbaar in de tabel lay-out)

Prevalentie zorginfecties in ziekenhuizen is 5,3 per 100 patiënten

In het prevalentieonderzoek PREZIES werd in 2017 de puntprevalentie van zorginfecties vastgesteld op gemiddeld 5,3 zorginfecties per 100 beoordeelde patiënten (95% BI: 4,9-5,7 per 100) (PREZIES, 2018). Zorgverleners (voornamelijk deskundigen infectiepreventie) beoordeelden in dat jaar 12.591 patiënten en registreerden bij 619 patiënten in totaal 667 ziekenhuisinfecties.  Bij sommige patiënten werd dus meer dan één zorginfectie gerapporteerd. De meest voorkomende zorginfecties waren postoperatieve wondinfecties (POWI’s). Deze cijfers gelden voor ziekenhuizen die deelnemen aan PREZIES, een landelijk surveillancenetwerk voor zorginfecties in ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra. Twee maal per jaar wordt in één maand de prevalentie van zorginfecties gemeten. In 2017 namen in totaal 47 ziekenhuizen deel. Het gaat om infecties die aanwezig zijn of worden behandeld op het moment van de meting.

Grote verschillen in prevalentie zorginfecties tussen ziekenhuizen

Het aantal zorginfecties per 100 patiënten per ziekenhuis varieerde van ongeveer 1,3 tot 15,3. Dit verschil wordt deels veroorzaakt door verschillen in patiëntenpopulatie; een universitair medisch centrum (UMC) heeft bijvoorbeeld een andere patiëntenpopulatie dan een basisziekenhuis (PREZIES, 2018). In de deelnemende UMC's was de prevalentie gemiddeld 8,3 per 100 patiënten.

Zorginfecties ontstaan tijdens of in aansluiting op verblijf in zorginstelling

Zorginfecties zijn infecties die ontstaan tijdens of in aansluiting op het verblijf of behandeling in een zorginstelling (ziekenhuis, zelfstandig behandelcentrum, verpleeghuis) (Smid et al., 2013). De zorginfecties zijn vaak het gevolg van invasieve handelingen, zoals operaties die plaatsvinden in een zorginstelling of het gebruik van medische hulpmiddelen, waaronder katheters, en/of van de verminderde weerstand van de patiënt.

Meer informatie

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. PREZIES. Referentiecijfers 2014 t/m 2017: Prevalentieonderzoek ziekenhuizen. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
  2. Smid EA, Hopmans TEM, de Greeff SC, Koek MBG. Daling van de prevalentie van zorginfecties in ziekenhuizen. Infectieziekten Bulletin. 2013;24(8):251-2. Bron
  3. PREZIES. PREZIES. Referentiecijfers 2007 t/m 2014: Prevalentieonderzoek ziekenhuizen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2015. Bron

Prevalentie zorginfecties in ziekenhuizen naar risicogroep

Zorginfecties komen het vaakst voor bij patiënten ouder dan 60 jaar en op intensive care 

Het voorkomen van zorginfecties in 2017 was het hoogst bij patiënten ouder dan 60 jaar en bij patiënten op de afdeling intensive care. Ten tijde van de PREZIES registratie in 2017 werd 13,5% van de zorginfecties bij patiënten op de intensive care vastgesteld, terwijl slechts 6,6% van het totaal aantal patiënten op de intensive care afdeling werd verpleegd (inclusief neonatale intensive care afdelingen) (PREZIES, 2018).

Meer informatie

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. PREZIES. Referentiecijfers 2014 t/m 2017: Prevalentieonderzoek ziekenhuizen. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron

Prevalentie zorginfecties in verpleeghuizen

Puntprevalentie zorginfecties in verpleeghuizen

Gemiddelde over de periode 2012-2016
Aantal per 100 patiënten95% BI
Urineweginfectie1,81,6-1,9
Infectie van de onderste luchtwegen0,60,5-0,7
Bacteriële conjunctivitis0,10,1-0,2
Infecties van het maagdarmkanaal0,10,1-0,2
Sepsis/ bacteriëmie<0,10,0-0,1

Bron: SNIV, 2017

  • Vanwege het geringe aantal deelnemende verpleeghuizen in de jaren 2012-2016 (totaal 42 verpleeghuizen op 164 locaties) wordt de gemiddelde puntprevalentie voor deze periode gepresenteerd.
  • Infecties van de onderste luchtwegen incl. longontsteking
  • Bacteriële conjunctivitis = bindvliesontsteking van het oog
  • 95% BI = 95% betrouwbaarheidsinterval (alleen zichtbaar in de tabel lay-out)

Drie per 100 verpleeghuispatiënten loopt zorginfectie op

Het gemiddeld aantal zorginfecties in verpleeghuizen bedraagt 2,7 per 100 patiënten (95% BI: 2,5-2,9 per 100) over de periode 2012-2016. In die periode werden op 164 zorglocaties bij 838 van 31.270 patiënten 849 zorginfecties geconstateerd. De spreiding tussen de verpleeghuizen bedraagt 0,0-15 per 100 patiënten. Urineweginfecties (n=551), gevolgd door infecties van de onderste luchtwegen (n=189), zijn de meest voorkomende zorginfecties (SNIV, 2017). Het voorkomen van zorginfecties is lager onder patiënten die een eenpersoonskamer hebben ten opzichte van een meerpersoonskamer en onder patiënten die op de afdeling somatiek of psychogeriatrie verblijven vergeleken met de afdeling revalidatie (SNIV, 2017).

Twee maal per jaar prevalentieonderzoek

In de periode 2012-2016 werd twee maal per jaar een prevalentieonderzoek naar zorginfecties uitgevoerd in verpleeghuizen (SNIV). De metingen werden uitgevoerd door verpleeghuismedewerkers, in samenwerking met SNIV. De gemiddelde puntprevalentie is gebaseerd op 42 deelnemende verpleeghuizen (164 locaties). 

Meer informatie

Datum publicatie

23-04-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. SNIV. Referentiecijfers 2012-2016: Prevalentieonderzoek verpleeghuizen (SNIV). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2017. Bron

Incidentie postoperatieve wondinfecties in zorginstellingen

Cumulatieve incidentie postoperatieve wondinfecties 2013-2017

Aantal per 100 operaties

Chirurgische ingreep

Aantal 
operaties

Cumulatieve  incidentie

95% BI

Cardiochirurgie

     

Bypassoperatie hart

11.759

1,8

1,6 - 2,1

Mammachirurgie

     

Borstamputatie (zonder implantaat)

11.753

4,4

4,0 - 4,7

Borstsparende operatie (zonder implantaat)

21.306

2,6

2,4 - 2,8

Chirurgie van colon, galblaas en appendix

     

Verwijderen van de galblaas, gesloten procedure

28.037

2,7

2,5 - 2,9

Colonchirurgie, combinatie van alle gesloten procedures

13.949

8,4

8,0-8,9

Vaatchirurgie

     

Bypassoperatie slagader(s) in been, open procedure

1.459

11,7

10,1 - 13,4

Orthopedische chirurgie

     

Primaire totale heupprothese

110.711

1,5

1,4 - 1,5

Primaire totale knieprothese

97.591

0,9

0,8 - 0,9

Gynaecologie en Verloskunde

     

Keizersnede

33.905

1,3

1,2 - 1,4

Neurochirurgie

     

Operatie aan rug of wervels

5.156

1,4

1,1 - 1,8

Bron: PREZIES, 2018

  • Hier wordt het gemiddelde van drie jaar gepresenteerd omdat per jaar (het aantal) deelnemende ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra kunnen verschillen.
  • De tabel toont voor zeven specialismen de indicatoroperaties die relatief vaak en in veel instellingen worden uitgevoerd.
  • BI = Betrouwbaarheidsinterval

Cumulatieve incidentie POWI's afhankelijk van type operatie

In de periode 2013-2017 werden in 92 zorginstellingen (locaties van ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra) bij 386.393 zogenaamde indicatoroperaties 9.128 postoperatieve wondinfecties (POWI) vastgesteld. In 39% (3.598) van de gevallen betrof het een oppervlakkige POWI en in 49% (4.471) een diepe POWI. Een oppervlakkige POWI is een infectie van de huid en subcutaan weefsel van de incisie (insnijding). Bij een diepe POWI is sprake van een infectie van diepliggend weefsel van de incisie en organen en/of van de holte waarin organen liggen. Er werden 1.059 POWI’s vastgesteld bij patiënten die een mamma-operatie ondergingen zonder implantaat. Bij deze ingrepen wordt geen onderscheid gemaakt tussen diepe en oppervlakkige infecties. Bij 74% (6.722) van de POWI’s manifesteerde deze zich pas na ontslag uit de zorginstelling (PREZIES, 2018). We spreken van cumulatieve incidentie om aan te geven dat deze maat het optreden van POWI’s over een standaard follow-up periode uitdrukt. Deze periode was ten tijde van de surveillance, afhankelijk van het type operatie 30 dagen of 90 dagen. 

Incidentie van POWI’s verschilt aanzienlijk tussen chirurgische ingrepen

De incidentie van POWI’s verschilt aanzienlijk tussen chirurgische ingrepen. Vooral bij operaties aan colon (dikke darm), galblaas en appendix (blindedarm) is er een hoger infectierisico dan bij bijvoorbeeld het inbrengen van een heupprothese. De incidentie is het hoogst bij ‘Colonresectie, linker colon, open procedure’ (verwijdering van  het linker deel van de dikke darm waarbij de buikwand geopend wordt), deze bedroeg 19,5 per 100 operaties in de periode 2013-2017. Over het algemeen leiden bij chirurgische ingrepen open procedures vaker tot een POWI dan gesloten procedures (PREZIES, 2018). Zorginstellingen die aan de module Postoperatieve wondinfecties deelnemen, kunnen het optreden van infecties bij 34 vastgestelde indicatoroperaties registreren (PREZIES, 2018). Deze indicatoroperaties betreffen zeven specialismen (cardiochirurgie, algemene chirurgie, vaatchirurgie, orthopedie, gynaecologie, neurochirurgie en plastische of cosmetische chirurgie). Medewerkers van de zorginstellingen zelf registreren of patiënten een POWI hebben gekregen. 

Puntprevalentie en cumulatieve incidentie POWI’s niet te vergelijken

De puntprevalentie en cumulatieve incidentie van POWI’s kunnen om een aantal redenen niet met elkaar vergeleken worden. Zo zijn bij een prevalentiemeting in een ziekenhuis zieke patiënten (met een grotere kans op een infectie) oververtegenwoordigd; relatief gezonde patiënten worden sneller ontslagen, hebben een kortere ligduur en hebben dus een kleinere kans om in de meting terecht te komen. Daarnaast beperkt de incidentiemeting zich tot POWI’s bij indicatoroperaties, en worden bij de prevalentiemeting POWI’s van alle operaties meegeteld. Bovendien wordt bij de prevalentiemeting op één moment vastgesteld of er een infectie aanwezig is, terwijl bij de incidentiemeting een follow-up duur na ontslag uit de zorginstelling verplicht is.

Meer informatie

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. PREZIES. Referentiecijfers 2013-2017: Postoperatieve Wondinfecties. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron

Incidentie lijnsepsis in ziekenhuizen

Lijnsepsis, CVK, lijndagen en lijnduur

Lijnsepsis is sepsis gerelateerd aan het gebruik van een centraal veneuze katheter (CVK). Een CVK is een katheter die wordt ingebracht in een grote ader, meestal onder het sleutelbeen (vena subclavia), in de hals (vena jugularis interna) of in de lies (vena femoralis). Anders dan bij een perifere veneuze katheter (‘infuus’ genoemd, die meestal in een kleine ader in de onderarm wordt ingebracht), kan een CVK langere tijd blijven zitten, en geeft het patiënten meer bewegingsvrijheid. Een CVK wordt gebruikt om geconcentreerde vloeistoffen (zoals voeding en medicijnen) toe te dienen, bloed mee af te nemen, de hemodynamische druk te monitoren, en voor tijdelijke dialyse. Ook de perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter (PICC), die via een ader in bijvoorbeeld de bovenarm wordt ingebracht, wordt tot de CVK’s gerekend. Een lijndag is een dag dat een patiënt een CVK in een vene heeft. De lijnduur is het totale aantal dagen dat een patiënt een CVK in een vene heeft. De incidentie van lijnsepsis wordt uitgedrukt als aantal gevallen van lijnsepsis per 1.000 lijndagen.

Gemiddelde incidentie lijnsepsis 1,8 per 1000 lijndagen in de periode 2013-2017

De gemiddelde incidentie van lijnsepsis bedraagt 1,8 (95%-BI:1,7-2,0) per 1.000 lijndagen in de periode 2013-2017 (PREZIES, 2018). In het kader van de PREZIES module Lijnsepsis werden tussen 2013 en 2017 in totaal 35.819 CVK’s met 243.084 lijndagen geregistreerd bij 30.889 patiënten op 55 ziekenhuislocaties. Er werd 447 maal lijnsepsis vastgesteld (PREZIES, 2018).

Verschil in incidentie op IC en niet-IC afdelingen

De incidentie van lijnsepsis bij CVK’s op de IC bedraagt in de periode 2013-2017 gemiddeld 1,1 infecties per 1000 lijndagen. De incidentie op de niet-IC afdelingen bedraagt gemiddeld 3,1 per 1000 lijndagen. Een mogelijke verklaring voor dit verschil is dat CVK’s op niet-IC afdelingen veel vaker worden gebruikt voor het toedienen van voeding en dat bij CVK’s gebruikt voor het toedienen van voeding een hogere incidentie van lijnsepsis wordt vastgesteld (PREZIES, 2018). 

Meer informatie

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. PREZIES. Referentiecijfers 2013 t/m 2017: Lijnsepsis. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron

Incidentie zorginfecties in verpleeghuizen

Incidentie zorginfecties per 1.000 bewonersweken in verpleeghuizen 2015

Type zorginfectie Incidentie  (95% BI) Totaal aantal infectieziekte-episoden
Urineweginfectie 10,3 (9,8-10,8) 1.474
Vermoedelijke longontsteking 3,8 (3,5-4,2) 548
Infectie van het maagdarmkanaal 2,2 (2,0-2,5) 315
Influenza-achtig ziektebeeld 0,9 (0,8-1,1) 132

 

Bron: SNIV, 2016

  • BI = Betrouwbaarheidsinterval

Urineweginfecties meest voorkomende zorginfectie in verpleeghuizen

De incidentie van urineweginfecties in verpleeghuizen was 10,3 per 1.000 bewonersweken in 2015. De incidentie van vermoedelijke longontsteking was 3,8 per 1.000 bewonersweken, daarmee is deze infectie de tweede meest gerapporteerde infectie.

Winterse pieken in incidentie bij 3 van de 4 infectieziekten

De incidentie van infecties van het maagdarmkanaal, influenza-achtig ziektebeeld, en in mindere mate ook van vermoedelijke longontsteking, laat duidelijke pieken in de winter zien. De cijfers zijn ontleend aan de SNIV wekelijkse incidentie surveillance infectieziekten in verpleeghuizen. In 2015 namen 24 verpleeghuizen deel aan de incidentie-module, waarin de incidentie van vier ziekten werd geregistreerd (SNIV, 2016).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. SNIV. Surveillance Netwerk Infectieziekten in Verpleeghuizen. Resultaten van wekelijkse surveillance. Referentiecijfers 2011 – 2015. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron

Verantwoording

Definities
  • Zorginfecties

    Zorginfecties zijn infecties die ontstaan zijn tijdens of in aansluiting op een opname of behandeling in een zorginstelling (ziekenhuis, verpleeghuis, zelfstandig behandelcentrum). Een infectie mag dus bij ziekenhuisopname niet reeds aanwezig zijn. Uitzonderingen hierop zijn een neonatale infectie als gevolg van het passeren van het geboortekanaal bij een klinische bevalling, of een infectie die pas na ontslag uit het ziekenhuis is ontstaan maar wel aan de opname of behandeling gerelateerd is. 

    Zorginfecties die binnen PREZIES geregistreerd worden, zijn postoperatieve wondinfecties, urineweginfecties, sepsis/bacteriëmie, infecties van de lage en bovenste luchtwegen, gastro-intestinale infecties, infecties van gewrichten en botten, infecties van het cardiovasculaire systeem, infecties van het oog, infecties van het oor, infecties van mond, tong of tandvlees, infecties van huid en weke delen, infecties aan het centraal zenuwstelsel, en infecties van het voortplantingssysteem.

    De meeste voorkomende infecties zijn postoperatieve wondinfecties, urineweginfecties, sepsis/bacteriëmie en lage luchtweginfecties, inclusief pneumonie.

    De definities voor zorginfecties zijn ontleend aan de PREZIES registratie (PREZIES, 2017; PREZIES, 2017). Zij zijn gebaseerd op de definities van Centers for Disease Control and Prevention (CDC) en het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. PREZIES. PREZIES. Referentiecijfers 2014 t/m 2016: Prevalentieonderzoek ziekenhuizen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2017. Bron
    2. PREZIES. Jaarcijfers 2016: Prevalentieonderzoek ziekenhuizen PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2017. Bron
  • Sepsis

    Sepsis is een klinisch syndroom dat gekenmerkt wordt door een algemene ontstekingsreactie van het hele lichaam op een infectie. Het is een zeer ernstige aandoening met een aanzienlijke kans dat de patiënt in korte tijd overlijdt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire sepsis. Primaire sepsis wordt gekenmerkt door positieve bloedkweken en/of klinische verschijnselen die niet geassocieerd zijn met een reeds vastgestelde ziekenhuisinfectie. Ook als bron van de sepsis een intravasale katheter is, speekt men van primaire sepsis. Een secundaire sepsis wordt vastgesteld als het pathogeen micro-organisme uit de bloedkweek geassocieerd is met een reeds vastgestelde ziekenhuisinfectie.

    Bij lijnsepsis is de sepsis gerelateerd aan de aanwezigheid van een centraal veneuze katheter (CVK) inclusief een perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter (PICC-lijn), welke binnen 48 uur voor het ontstaan van de sepsis in situ dient te zijn (PREZIES, 2016).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. PREZIES. Bijlage 2: Definities ziekenhuisinfecties. Module Prevalentieonderzoek ziekenhuizen PREZIES – versie: 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  • Postoperatieve wondinfectie

    Postoperatieve wondinfecties (POWI) zijn infecties van het operatiegebied. Deze worden onderverdeeld in oppervlakkige POWI's en diepe POWI's. Een oppervlakkige POWI is een infectie van huid en subcutaan weefsel van de incisie, is ontstaan binnen 30 dagen na de operatie, en voldoet ook aan een of meerdere klinische verschijnselen. Een diepe POWI is een infectie van diepliggend weefsel van de incisie, van de organen en/of van de anatomische ruimten die geopend zijn of waarmee gemanipuleerd is tijdens de operatie, is ontstaan binnen 30 dagen na de operatie zonder een niet-humaan implantaat of binnen 90 dagen na de operatie met een implantaat van niet-humane oorsprong,en voldoet ook aan een of meerdere klinische verschijnselen (PREZIES, 2016).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. PREZIES. Bijlage 2: Definities ziekenhuisinfecties. Module Prevalentieonderzoek ziekenhuizen PREZIES – versie: 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  • Luchtweginfectie

    Luchtweginfecties worden onderscheiden in longontsteking, andere lage luchtweginfecties en infecties van de bovenste luchtwegen. Onder 'andere lage luchtweginfecties' vallen bronchitis, tracheobronchitis, bronchiolitis, tracheïtis, long abces en empyeem. Sinusitis, pharyngitis, laryngitis en epiglottitis zijn infecties van de bovenste luchtwegen. 

    Een longontsteking is gerelateerd aan beademing indien invasieve (via intubatie of tracheostoma) beademing plaatsvond binnen 48 uur voor het ontstaan van de longontsteking (PREZIES, 2016). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. PREZIES. Bijlage 2: Definities ziekenhuisinfecties. Module Prevalentieonderzoek ziekenhuizen PREZIES – versie: 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  • Urineweginfectie

    Urineweginfecties omvatten symptomatische infecties, asymptomatische bacteriurie en andere infecties van de urinewegen. Asymptomatische bacteriurie wordt binnen het PREZIES prevalentieonderzoek niet geregistreerd. Onder 'andere infecties van de urinewegen' vallen infecties aan de nier, ureter, blaas, urethra, of weefsel rond de retroperitoneale of perirenale ruimte.

    Een urineweginfectie is gerelateerd aan het gebruik van een urethrakatheter indien de katheter in situ was tot 7 dagen voor het ontstaan van de urineweginfectie (PREZIES, 2016).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. PREZIES. Bijlage 2: Definities ziekenhuisinfecties. Module Prevalentieonderzoek ziekenhuizen PREZIES – versie: 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  • Overige zorginfecties

    Onder 'overige zorginfecties' vallen infecties van het cardiovasculaire systeem, infecties van gewrichten en botten, infecties van het centrale zenuwstelsel, ooginfecties, oorinfecties, infecties van mond, tong of tandvlees en infecties van het voortplantingssysteem. Deze infecties komen relatief weinig voor (PREZIES, 2016).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. PREZIES. Bijlage 2: Definities ziekenhuisinfecties. Module Prevalentieonderzoek ziekenhuizen PREZIES – versie: 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over zorginfecties

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    PREZIES Prevalentieonderzoek Ziekenhuizen  Puntprevalentie zorginfecties in ziekenhuizen Patiënten in ziekenhuizen Prevalentieonderzoek ZiekenhuizenPREZIES, 2018
    PREZIES Incidentieonderzoek Postoperatieve wondinfecties  Incidentie van postoperatieve wondinfecties in ziekenhuizen 34 ‘indicatoroperaties’ afkomstig van 7 specialismen: cardiochirurgie, algemene chirurgie, vaatchirurgie, orthopedie, gynaecologie, neurologie en plastische of cosmetische chirurgie.  Incidentieonderzoek POWIPREZIES, 2018
    PREZIES Incidentieonderzoek Lijnsepsis Incidentie van lijnsepsis in ziekenhuizen Per 1.000 lijndagen dwz het aantal dagen dat een patiënt een centraal veneuze katheter in een vene heeft.  Incidentieonderzoek lijnsepsis; PREZIES, 2018
    SNIV Prevalentieonderzoek verpleeghuizen Puntprevalentie van zorginfecties in verpleeghuizen Bewoners van verpleeghuizen SNIV Prevalantiemeting; SNIV, 2017
    SNIV Incidentiemeting verpleeghuizen Incidentie van zorginfecties in verpleeghuizen Bewoners van verpleeghuizen SNIV Incidentiemeting;SNIV, 2016 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. PREZIES. Referentiecijfers 2014 t/m 2017: Prevalentieonderzoek ziekenhuizen. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
    2. PREZIES. Referentiecijfers 2013-2017: Postoperatieve Wondinfecties. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
    3. PREZIES. Referentiecijfers 2013 t/m 2017: Lijnsepsis. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
    4. SNIV. Referentiecijfers 2012-2016: Prevalentieonderzoek verpleeghuizen (SNIV). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2017. Bron
    5. SNIV. Surveillance Netwerk Infectieziekten in Verpleeghuizen. Resultaten van wekelijkse surveillance. Referentiecijfers 2011 – 2015. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  • PREZIES

    PREZIES (PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance) is een landelijk surveillancenetwerk voor zorginfecties in ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra (PREZIES, 2018). Surveillance is het registreren van zorginfecties, het analyseren van de gegevens en het terugkoppelen van de resultaten aan betrokkenen zodat interventiemaatregelen kunnen worden ingesteld om het optreden van de zorginfecties te reduceren.

    Er zijn twee methoden om het voorkomen van zorginfecties te meten namelijk via prevalentie- of incidentiemeting. Binnen het PREZIES netwerk worden het Prevalentieonderzoek Ziekenhuizen, het Incidentieonderzoek Postoperatieve wondinfecties en het Incidentieonderzoek Lijnsepsis uitgevoerd.

    Deelname aan het landelijke netwerk is op vrijwillige basis en jaarlijks kan men tot deelname besluiten.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. PREZIES. Referentiecijfers 2014 t/m 2017: Prevalentieonderzoek ziekenhuizen. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
  • PREZIES Prevalentieonderzoek Ziekenhuizen

    Sinds 2007 wordt tweemaal per jaar in een beperkte tijd de prevalentie van zorginfecties in Nederlandse ziekenhuizen gemeten. Het gaat hierbij dus om de puntprevalentie. De zorginfecties die geregistreerd worden, zijn postoperatieve wondinfecties, sepsis/bacteriëmie, lage luchtweginfecties, urineweginfecties, infecties van gewrichten en botten, infecties van het cardiovasculaire systeem, infecties van het centrale zenuwstelsel, infecties van het oog, infecties van het oor, infecties van mond, tong of tandvlees, infecties van de bovenste luchtwegen, infecties van het gastro-intestinale systeem, infecties van het voortplantingssysteem, en infecties van huid en weke delen (PREZIES, 2018).

    Van een zorginfectie wordt nagegaan of deze tijdens de huidige of eerdere opname ontstaan is. Vanaf 2014 worden de zorginfecties die gerelateerd zijn aan een eerdere ziekenhuisopname ook opgenomen in de registratie en als zorginfecties bij opname (ZIBO) geregistreerd. Voor een ZIBO heropname telt een specifieke termijn per soort infectie.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. PREZIES. Referentiecijfers 2014 t/m 2017: Prevalentieonderzoek ziekenhuizen. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
  • PREZIES Incidentieonderzoek Postoperatieve wondinfecties

    De registratie van POWI’s gebeurt sinds 2012 op basis van 34 ‘indicatoroperaties’ verdeeld over de chirurgische gebieden: cardiochirurgie, algemene chirurgie, vaatchirurgie, orthopedie, gynaecologie, neurochirurgie en plastische of cosmetische chirurgie. Deze indicatoroperaties worden relatief vaak uitgevoerd. Alleen initiële operaties aan een orgaan of structuur worden geregistreerd, en geen heroperaties of revisies. Voor 2012 werd er binnen het incidentieonderzoek geregistreerd op basis van CTG-codering en werden POWI’s na heroperaties of revisies ook meegeteld. Daarom wordt in VZInfo alleen de incidentie sinds 2012 gepresenteerd.

    Doordat de opnameduur in ziekenhuizen afneemt, openbaren POWI’s zich steeds vaker pas na ontslag uit het ziekenhuis. Daarom is binnen deze POWI-module surveillance gedurende een vaste follow-up periode verplicht. Deze periode was ten tijde van de surveillance, afhankelijk van het type operatie, 30 dagen of 90 dagen (PREZIES, 2018). Bij het plaatsen van een implantaat van niet-humane oorsprong bedroeg deze periode tot 2015 één jaar (PREZIES, 2016).

    De opzet van de surveillance staat niet toe dat er één incidentiecijfer voor alle POWI’s wordt gepresenteerd. Het risico op een POWI is afhankelijk van de indicatoroperatie en daarmee is ook de incidentie afhankelijk van de indicatoroperatie.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. PREZIES. Referentiecijfers 2013-2017: Postoperatieve Wondinfecties. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
    2. PREZIES. PREZIES. Referentiecijfers 2012-2015: Postoperatieve Wondinfecties. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  • PREZIES Incidentieonderzoek Lijnsepsis

    Lijnsepsis is sepsis gerelateerd aan het gebruik van centraal veneuze katheters (CVK). De incidentie van lijnsepsis wordt uitgedrukt in het aantal infecties per 1.000 lijndagen. Een lijndag is een dag dat een patiënt een CVK in een vene heeft. Het aantal lijndagen is het aantal dagen dat lijnen bij patiënten in situ blijven. De incidentie wordt berekend door het aantal geconstateerde infecties in een bepaalde periode te delen door het aantal lijndagen maal 1.000 (PREZIES, 2018). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. PREZIES. Referentiecijfers 2013 t/m 2017: Lijnsepsis. PREZIES. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
  • SNIV

    SNIV, Surveillance Netwerk Infectieziekten Verpleeghuizen, heeft als doel een netwerk van verpleeghuizen te vormen die functioneren als peilstations voor een landelijke surveillance van infectieziekten in verpleeghuizen. Binnen SNIV worden uitgevoerd het punt-prevalentieonderzoek, de wekelijkse incidentiemeting zorginfecties in verpleeghuizen, en de verdiepende surveillance van antibioticaresistentie (SNIV).

     

  • SNIV Prevalentieonderzoek verpleeghuizen

    Binnen het SNIV prevalentieonderzoek worden gegevens verzameld over het optreden van zorggerelateerde infecties in verpleeghuizen en over risicofactoren die de kans op het krijgen van een zorggerelateerde infectie beïnvloeden (SNIV, 2014). De infectieziekten die geregistreerd worden, zijn sepsis/bacteriëmie, infectie van de onderste luchtwegen, urineweginfectie, gastro-intestinale infectie en bacteriële conjunctivitis.

    Tweemaal per jaar, op een dag in april en/of november, worden de infecties op de afdelingen geregistreerd. Registratie vereist dat op de dag van het onderzoek nog klinische symptomen aanwezig zijn, dan wel nog behandeling plaatsvindt. De infectie hoeft op de onderzoeksdag niet meer te voldoen aan de definitie (bijvoorbeeld als gevolg van de behandeling), maar moet daar eerder wel aan hebben voldaan (SNIV, 2015). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. SNIV. Registratieprotocol incidentiemeting Surveillance Netwerk Infectieziekten Verpleeghuizen (SNIV). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2014. Bron
    2. SNIV. Protocol en dataspecificaties: SNIV Prevalentieonderzoek Verpleeghuizen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2015. Bron
  • SNIV Incidentiemeting zorginfecties

    Binnen de incidentiemodule van SNIV worden gegevens verzameld over het optreden van infectieziekten en het aantal sterfgevallen en over risicofactoren die de kans op het krijgen van een infectie en de kans op overlijden in het verpleeghuis zouden kunnen beïnvloeden (SNIV, 2016).

    Wekelijks worden voor de vier infectieziekten lage luchtweginfecties (vermoedelijke pneumonie), influenza-achtig ziektebeeld, urineweginfectie en gastro-enteritis elk gediagnostiseerde geval op de afdeling een registratieformulier ingevuld voor de bewoners van de afdelingen die meedoen aan de surveillance op één verpleeghuislocatie (SNIV, 2014).

    De incidentie van zorginfecties in verpleeghuizen wordt uitgedrukt in het aantal bewonersweken per infectie. Een bewonersweek is het aantal bewoners (bedden) in de deelnemende verpleeghuizen in een bepaalde week. De incidentie wordt berekend door het aantal infecties in een week te delen door het aantal bewoners in de verpleeghuizen dat die week deelnam aan de registratie maal 1.000 (SNIV, 2014). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. SNIV. Surveillance Netwerk Infectieziekten in Verpleeghuizen. Resultaten van wekelijkse surveillance. Referentiecijfers 2011 – 2015. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
    2. SNIV. Registratieprotocol incidentiemeting Surveillance Netwerk Infectieziekten Verpleeghuizen (SNIV). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2014. Bron
  • Europese cijfers afkomstig van ECDC

    De Europese gegevens over zorginfecties zijn afkomstig van het eerste prevalentieonderzoek naar zorginfecties en antibioticagebruik in de 28 landen van de EU aangevuld met IJsland en Noorwegen (ECDC, 2014). Het Europese Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) coördineerde dit onderzoek uit 2011-2012 waarin gegevens over het aantal gerapporteerde ziekenhuisinfecties uit verschillende landen werden verzameld. Het prevalentieonderzoek werd in alle deelnemende landen volgens een standaard protocol uitgevoerd. De landen waren zelf verantwoordelijk voor het selecteren van een al dan niet representatieve steekproef van ziekenhuizen. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. ECDC. Point prevalence survey of healthcare-associated infections and antimicrobial use in European long-term care facilities April-May 2013. Stockholm: European Centre for Disease Prevention and Control; 2014. Bron