Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Zorg rond de geboorteCijfers & ContextScreeningen

Cijfers & Context

3.221 verloskundigen werkzaam in Nederland

Regionaal & Internationaal

Hoogste verloskundigendichtheid in Gelderse Vallei

Kosten

Kosten geboortezorg 1,9 miljard euro

Zorgprestaties

Vroege zwangerschapsbegeleiding gestegen

Deelname prenataal bloedonderzoek zwangeren PSIE

Bijna alle zwangere vrouwen nemen deel aan bloedonderzoek

In 2015 nam 100% van de zwangere vrouwen deel aan de Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE). De deelname aan PSIE is sinds 2006 stabiel gebleven. PSIE is een landelijk bevolkingsonderzoek waarbij een zwangere vrouw in het eerste verloskundig consult bloedonderzoek aangeboden krijgt (bij voorkeur vóór week 13 van de zwangerschap). Het bloed wordt gescreend op hepatitis B (hepB), syfilis (lues), hiv en de volgende bloedgroepantistoffen: Rhesus (D)-antigeen (RhD), Rhesus (c)-antigeen (Rhc) en irregulaire erytrocyten antistoffen (IEA). Het bevolkingsonderzoek PSIE heeft als doel hepatitis B- en hiv-dragerschap, congenitale syfilis en hemolytische ziekten van de foetus en/of de pasgeborene te voorkomen (TNO, 2017). 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. TNO. Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE) Procesmonitor 2015. TNO; 2017. Bron

Resultaten prenataal bloedonderzoek zwangeren PSIE

Prevalenties uit de monitoring PSIE, 2015

  Aantal getest Aantal opgespoord Percentage opgespoord
Hepatitis B 176.238 506 0,29
Actieve syfilis (verdenking)  176.219 98 0,06
hiv 176.103 105 0,06
RhD-negatief 176.094 25725 14,6
Rhc-negatief 176.101 35734 20,3
Klinisch relevante IEA n.a.v. 1e bloedonderzoek 176.146 248-580 0,14-0,33

Bron: TNO, 2017

RhD = Rhesus (D)-antigeen
Rhc = Rhesus (c)-antigeen
IEA = irregulaire erytrocyten antistoffen

In 2015 had ongeveer 0,06% van zwangere vrouwen hiv

In 2015 bleek uit de Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE) dat de prevalentie van syfilis en hiv onder zwangere vrouwen allebei 0,06% was. De bevallingen van zwangere vrouwen die in 2015 zijn gescreend, vonden plaats van ongeveer juli 2015 tot juli 2016. In deze periode zijn geen kinderen met congenitale syfilis en/of hiv geboren (TNO, 2017). 

Ongeveer 0,29% van zwangere vrouwen heeft hepatitis B

De prevalentie van hepatitis B bij zwangere vrouwen was 0,29% in 2015. Bijna alle kinderen van hepatitis B-positieve zwangere vrouwen zijn in 2015 geïmmuniseerd met hepatitis B-immunoglobuline (HBIg) ter voorkoming van transmissie van moeder naar kind (99,8%) (TNO, 2017). 

Bijna 26 duizend zwangere vrouwen Rhesus D-negatief in 2015 

In 2015 waren bijna 26 duizend zwangere vrouwen Rhesus D-negatief en bijna 36 duizend zwangere vrouwen Rhesus c-negatief (TNO, 2017). Tijdige toediening van anti-Rhesus D-antistoffen bij Rhesus D-negatieve zwangere vrouwen met een RhD-positief kind is belangrijk om te voorkomen dat deze vrouwen antistoffen maken tegen het bloed van hun kind. Sommige antistoffen kunnen het bloed van het kind afbreken en bloedarmoede veroorzaken. Voor zwangere vrouwen met bloedgroep Rhesus c-negatief is geen injectie met anti-Rhesus c-antistoffen beschikbaar. Deze vrouwen krijgen extra controles door de verloskundige of gynaecoloog.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. TNO. Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE) Procesmonitor 2015. TNO; 2017. Bron

Deelname prenatale screening down-, edwards- en patausyndroom

1 op de 3 neemt deel aan screening op down-, edwards- en patausyndroom

In 2015 nam 33,7% van de zwangere vrouwen deel aan de prenatale screening op down-, edwards- en patausyndroom. De deelname is vanaf 2011 licht gestegen. Voor de screening wordt gebruikgemaakt van de combinatietest. De combinatietest is een prenatale screening op downsyndroom, edwardssyndroom en patausyndroom tussen 9 en 14 weken zwangerschap en bestaat uit een bloedonderzoek bij de zwangere vrouw en een nekplooimeting met een echo bij het kind. Deze test berekent hoe groot de kans is dat de vrouw zwanger is van een kind met downsyndroom, edwardssyndroom of patausyndroom (Liefers et al., 2017). 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Liefers J, Cruijsberg J, Atsma F. Monitor 2015 Screeningsprogramma downsyndroom en Structureel Echoscopisch Onderzoek. Nijmegen: Scientific Center for Quality of Healthcare (IQ healthcare); 2017. Bron

Resultaten prenatale screening down-, edwards- en patausyndroom

Verhoogde kansuitslagen van combinatietest voor down-, edwards- en patausyndroom, 2015

Op basis van 57.755 combinatietesten
  Percentage Aantal
Downsyndroom 5,3 3.084
Edwardssyndroom 1,5 837
Patausyndroom 1,1 649
Totaal verhoogde kans 5,8 3.347
  • Een verhoogde kansuitslag is een kans ≥1:200
  • De percentages en aantallen zijn berekend op foetusniveau, inclusief meerlingzwangerschappen

Bij ruim 5% verhoogde kans op downsyndroom

In totaal was er in 2015 bij ruim 5% van de combinatietesten een verhoogde kansuitslag voor downsyndroom (trisomie 21). Voor edwardssyndroom (trisomie 18) was dit ongeveer 2% en voor patausyndroom (trisomie 13) ongeveer 1%. Bij ongeveer 6% (3.347) van de combinatietesten was er een verhoogde kansuitslag op ten minste één van deze drie afwijkingen. Een verhoogde kansuitslag is een kans ≥1:200 (Liefers et al., 2017). De combinatietest is een prenatale screening op downsyndroom, edwardssyndroom en patausyndroom tussen 9 en 14 weken zwangerschap en bestaat uit een bloedonderzoek bij de zwangere vrouw en een nekplooimeting met een echo bij het kind.

NIPT mogelijk sinds 1 april 2014 

Vanaf april 2014 vindt een studie plaats met de niet-invasieve prenatale test (NIPT) bij zwangeren met een verhoogde kans op een kind met down-, edwards- of patausyndroom. Deze studie heet de TRIDENT-1 studie. Vrouwen die een verhoogde kans hebben op een kind met één van deze aandoeningen blijkend uit de combinatietest of uit een medische indicatie, kunnen als alternatief voor invasieve prenatale diagnostiek (vlokkentest of vruchtwaterpunctie) kiezen voor de NIPT. Als de uitslag van de NIPT afwijkend is, kunnen zij alsnog kiezen voor een invasieve prenatale test om zekerheid te krijgen. NIPT heeft als voordeel dat bij de meeste hoogrisico zwangeren geen invasieve test meer nodig is bij een niet afwijkende testuitslag. Tussen 1 januari 2015 en 31 december 2015 kozen 3.276 vrouwen voor een NIPT. Hierbij werd 89 keer downsyndroom (2,7%), 7 keer patausyndroom (0,2%) en 16 keer edwardssyndroom (0,5%) gerapporteerd. Hierna kozen niet alle zwangere vrouwen voor invasieve diagnostiek. Een invasieve bevestiging (met vruchtwaterpunctie of vlokkentest) werd 82 keer gedaan bij downsyndroom, 6 keer bij patausyndroom en 14 keer bij edwardssyndroom (Liefers et al., 2017). 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Liefers J, Cruijsberg J, Atsma F. Monitor 2015 Screeningsprogramma downsyndroom en Structureel Echoscopisch Onderzoek. Nijmegen: Scientific Center for Quality of Healthcare (IQ healthcare); 2017. Bron

Deelname 20 wekenecho

Van de zwangere vrouwen neemt 85% deel aan de 20 wekenecho

In 2015 nam 85,0% van de zwangere vrouwen deel aan het structureel echoscopisch onderzoek (SEO, ook 20 wekenecho genoemd). De deelname van zwangere vrouwen aan de 20 wekenecho is vanaf 2012 licht gestegen. Het SEO is gericht op het opsporen van neurale buisdefecten (open rug, open schedel) en een aantal andere lichamelijke afwijkingen van de foetus (zoals hart- en nierafwijkingen). Doel is zwangere vrouwen de mogelijkheid te bieden een geïnformeerde keuze te maken ten aanzien van verschillende handelingsopties bij een eventuele afwijking van de foetus. Daarbij valt te denken aan het al dan niet uitdragen van de zwangerschap of een voorbereiding op de geboorte van een kind met een afwijking (Liefers et al., 2017).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Liefers J, Cruijsberg J, Atsma F. Monitor 2015 Screeningsprogramma downsyndroom en Structureel Echoscopisch Onderzoek. Nijmegen: Scientific Center for Quality of Healthcare (IQ healthcare); 2017. Bron

Opgespoorde afwijkingen 20 wekenecho

Uitkomsten structureel echoscopisch onderzoek, 2015

Bij 147.967 foetussen

 

Positieve uitslag (vermoeden op afwijking)

 

Aantal

Percentage

Aangeboren afwijking

5.024

3,4

Neurale buisdefect

48

0,03

  • Aantal SEO is exclusief herhalingsonderzoeken en vervolgonderzoeken

Bij ruim 3% afwijking ontdekt door 20 wekenecho

In 2015 resulteerde het structureel echoscopisch onderzoek (SEO) bij 3,4% (5.024) van de foetussen in een vermoeden op een afwijking (inclusief neurale buisdefecten) en bij 0,03% (48) van de foetussen in een vermoeden op een neuraal buisdefect (Liefers et al., 2017). Het SEO, ook wel de 20 wekenecho genoemd, is een prenatale screening rond 20 weken zwangerschap gericht op het opsporen van neurale buisdefecten (open rug, open schedel) en een aantal andere lichamelijke afwijkingen (zoals hart- en nierafwijkingen). Het SEO vervolgonderzoek bestaat uit een geavanceerd ultrageluid onderzoek (GUO). Na een afwijkend SEO vond in 65% van de zwangerschappen een GUO plaats. De percentages varieerden echter sterk tussen de acht regionale centra voor prenatale screening. Dit komt waarschijnlijk door onvolledige registratie met als gevolg een onderschatting van de percentages (Atsma et al., 2016).  

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Liefers J, Cruijsberg J, Atsma F. Monitor 2015 Screeningsprogramma downsyndroom en Structureel Echoscopisch Onderzoek. Nijmegen: Scientific Center for Quality of Healthcare (IQ healthcare); 2017. Bron
  2. Atsma F, Liefers J, Habets K. Monitor 2014 Screeningsprogramma downsyndroom en Structureel Echoscopisch Onderzoek. Nijmegen: Scientific Center for Quality of Healthcare (IQ healthcare); 2016. Bron

Deelname neonatale gehoorscreening

Deelnamepercentage aan neonatale gehoorscreening, 2009-2014

Jaar

1e ronde

2e ronde

3e ronde

3 ronden samen

2009

99,3

99,5

99,6

98,4

2010

99,3

99,4

99,3

97,9

2011

99,4

99,3

98,8

97,6

2012

99,4

99,3

99,7

98,4

2013

99,4

99,4

99,6

98,4

2014

99,5

99,3

99,9

98,7

  • Het deelnamepercentage is het aantal kinderen dat gescreend wordt in een bepaalde screeningsronde gedeeld door het aantal kinderen dat in aanmerking komt voor die ronde, vermenigvuldigd met 100.

Deelname aan neonatale gehoorscreening hoog

De deelname aan de neonatale gehoorscreening is hoog. De screening wordt meestal thuis afgenomen, in combinatie met de hielprikscreening, tussen de 4e en 7e dag na de geboorte. Soms wordt de screening afgenomen op het consultatiebureau als het kind enkele weken oud is. Als bij de eerste screeningsronde geen voldoende gehoor aan beide oren is aangetoond, volgt een tweede en zo nodig derde screeningsronde. Wanneer na drie screeningsrondes nog geen voldoende gehoor kan worden aangetoond, wordt een kind voor verdere diagnostiek verwezen naar een audiologisch centrum. In 2014 bedroeg de dekkingsgraad voor de drie screeningsronden samen, 98,7%. Aan elke screeningsronde nam meer dan 99,3% van de hiervoor in aanmerking komende kinderen deel. In sommige regio’s in Zuid-Holland en Gelderland wordt de gehoortest afgenomen op het consultatiebureau als het kind enkele weken oud is. De deelname hieraan was iets lager dan wanneer de gehoortest thuis in combinatie met de hielprik werd aangeboden. Een mogelijke verklaring is dat de ouders bij thuisscreening minder moeite hoeven te doen (van der Aa et al., 2015).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Aa NGFM, van der Pal SM, Verkerk PH. Monitoring van de neonatale gehoorscreening door de jeugdgezondheidszorg in 2014. Met voorlopige diagnostiek uitkomsten. Leiden: TNO; 2015. Bron

Opsporing gehoorverlies door neonatale gehoorscreening

0,3% van gescreende pasgeborenen vanuit JGZ doorverwezen voor diagnostiek

Vanaf de start van de neonatale gehoorscreening (in de periode 2002-2006) tot 2014 werd vanuit de jeugdgezondheidszorg (JGZ) steeds ongeveer hetzelfde percentage kinderen voor diagnostiek verwezen naar een audiologisch centrum (rond de 0,26 - 0,30% per jaar). Sinds 2008 worden in Nederland jaarlijks gemiddeld 124 kinderen met een dubbelzijdig gehoorverlies en 86 kinderen met een enkelzijdig gehoorverlies opgespoord vanuit de JGZ. Hier komen nog de kinderen bij die door middel van de gehoorscreening op de intensive care afdelingen voor pasgeborenen (NICU's) worden opgespoord. Door vroegtijdige opsporing kunnen behandeling en begeleiding eerder van start gaan. Daardoor draagt vroegtijdige opsporing bij aan betere ontwikkelingsmogelijkheden van slechthorende kinderen (van der Aa et al., 2015).

In periode 1998-2014 bijna 1.400 kinderen met gehoorverlies opgespoord door gehoorscreening NICU's 

Vanaf de start van de gehoorscreening in de Neonatale Intensive Care Units (NICU's) in 1998 tot en met 2014 zijn 1.035 kinderen opgespoord met een bilateraal gehoorverlies (prevalentie 1,8%) en 361 kinderen met een unilateraal gehoorverlies (prevalentie 0,6%) (van Straaten et al., 2016).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Aa NGFM, van der Pal SM, Verkerk PH. Monitoring van de neonatale gehoorscreening door de jeugdgezondheidszorg in 2014. Met voorlopige diagnostiek uitkomsten. Leiden: TNO; 2015. Bron
  2. van Straaten HLM, van Dommelen P, Verkerk PH. Jaarverslag neonatale gehoorscreening in de Neonatale Intensive Care Units 2014. Isalaklinieken; 2016. Bron

Deelname neonatale hielprikscreening

Deelname neonatale hielprikscreening, 2002-2016

Deelname hielprikscreening
200299,5
200399,5
200499,5
200599,6
200699,6
200799,7
200899,8
200999,7
201099,7
201199,4
201299,3
201399,4
201499,3
201599,3
201699,2

Bron: TNO, 2017

Deelname aan neonatale hielprikscreening hoger dan 99%

In 2016 is bij 99,2% van de pasgeborenen de hielprik afgenomen (TNO, 2017). De deelname aan de neonatale hielprikscreening is stabiel. De screening bestaat uit het afnemen van bloed dat in het laboratorium wordt onderzocht. In de periode 2011-2016 waren 17 ernstige zeldzame aandoeningen opgenomen in het programma. De meeste daarvan zijn erfelijk. Een snelle opsporing van deze ziekten kan zeer ernstige schade aan de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van een kind voorkomen of beperken. De ziekten zijn niet te genezen, maar wel te behandelen, bijvoorbeeld met medicijnen of een dieet.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. TNO. De neonatale hielprikscreening. Monitor 2016. Leiden: TNO; 2017. Bron

Datum publicatie

19-03-2018

Opgespoorde aandoeningen hielprikscreening

Hielprik spoort merendeel aandoeningen op waarop gescreend wordt

In 2016 werd 97,8% van de pasgeborenen met een zeldzame ernstige aandoening waarop gescreend wordt, opgespoord via de neonatale hielprikscreening. Dit percentage ligt sinds 2002 tussen de 95 en 100%. De neonatale hielprikscreening bestaat uit het afnemen van bloed bij de pasgeborenen. In de periode 2011-2016 waren 17 aandoeningen opgenomen in het programma. Een snelle opsporing van deze ziekten kan zeer ernstige schade aan de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van een kind voorkomen of beperken.

Meer informatie

Datum publicatie

19-03-2018

Verantwoording

Definities
  • Zorg rond de geboorte

    Het onderwerp zorg rond de geboorte volgt de definitie van integrale geboortezorg uit de Zorgstandaard Integrale Geboortezorg (CPZ/ACK-ZIN, 2016). Met ‘integrale geboortezorg’ wordt het gehele traject van zorg bedoeld vanaf de preconceptiefase tot en met de eerste zes weken na de geboorte, inclusief de samenwerking met en/of de overdracht naar kraamzorg, jeugdgezondheidszorg, huisarts en/of op indicatie de overdracht of verwijzing naar andere zorgverleners, zoals de kinderarts. Het doel van integrale geboortezorg is het verbeteren van de zorg door een integrale, multidisciplinaire aanpak (CPZ/ACK-ZIN, 2016). 

    In het onderwerp zorg rond de geboorte komen de volgende fases van geboortezorg aanbod: 

    • preconceptiezorg
    • prenatale zorg
    • zorg tijdens de bevalling en geboorte
    • zorg na de bevalling en geboorte
    • acute zorg.

    Onder zorg rond de geboorte valt ook de hulp door een kraamverzorgster bij de bevalling (naast de verloskundige hulp door de verloskundige en/of gynaecoloog) en aan de moeder en het pasgeboren kind gedurende de kraamtijd.

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. CPZ/ACK-ZIN. Zorgstandaard Integrale Geboortezorg Versie 1.1. Utrecht/Diemen: Expertgroep Zorgstandaard Integrale Geboortezorg, College Perinatale Zorg / Adviescommissie Kwaliteit Zorginstituut Nederland ; 2016. Bron
Bronverantwoording
  • Registratie verloskundigen

    De Registratie verloskundigen van het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL) bevat persoons- en praktijkgegevens van alle werkzame verloskundigen in Nederland, die klinisch, zelfstandig, in loondienst of als waarneemster werkzaam zijn. De cijfers over aantallen, kenmerken en spreiding van de beroepsgroep zijn beschikbaar via de brochure op de website en ook via een databank op de website.

  • Perinatale registratie

    Gegevens over geboorten naar lijn, plaats en wijze van bevalling en over perinatale sterfte, vroeggeboorte en laag geboortegewicht komen uit de Perinatale Registratie van Perined. Ook gegevens over het aantal neonatale intensive care units (NICU's) en het aantal kinderen dat op de NICU wordt opgenomen zijn afkomstig uit de Perinatale Registratie.  

    Meer informatie

  • Zwangerschapsscreeningen

    De cijfers over deelname aan de screening op downsyndroom en de 20-weken echo komen uit de monitor screeningsprogramma downsyndroom / Structureel Echoscopisch Onderzoek. IQ healthcare voert deze monitor uit in opdracht van het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het RIVM. Cijfers over deelname aan de Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE) komen uit de Procesmonitor Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE) van TNO.  

    Meer informatie

     

  • Neonatale screeningen

    Cijfers over deelname aan de neonatale gehoorscreening komen uit de monitoring van de neonatale gehoorscreening door de jeugdgezondheidszorg. Doel van de gehoorscreening is het vroegtijdig opsporen van kinderen met een gehoorverlies van minimaal 40 dB aan één of beide oren. De gehoorscreening die uitgevoerd wordt binnen de Neonatale Intensive Care Units valt buiten het programma. Cijfers over deelname aan de neonatale hielprikscreening komen uit de monitor neonatale hielprikscreening. TNO voert beide monitors uit in opdracht van het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het RIVM.

    Meer informatie

  • Kosten van Ziekten: zwangerschap, bevalling en kraambed en perinatale aandoeningen

    De kosten van zwangerschap, bevalling en kraambed en de kosten van perinatale aandoeningen zijn afkomstig van de Kosten van Ziektenstudie. De gebruikte ICD-9-codes zijn:

    Kosten van zwangerschap, bevalling en kraambed
    Diagnosegroep Definitie volgens ICD-9
    Zwangerschap  630-648, V22-V23
    Bevalling  650-669, V20, V27, V30-V39
    Kraambed  670-676, V24
    Anticonceptie  V25

     

    Kosten van perinatale aandoeningen
    Diagnosegroep Definitie volgens ICD-9
    Vroeggeboorten 765
    Problemen bij op tijd geborenen 764, 768, 771
    Overige aandoeningen perinatale periode 760-763, 766-767, 769-770, 772-779