Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

ZoönosenPreventie & ZorgZorg

Cijfers & Context

23.500 mensen met erythema migrans door tekenbeet

Regionaal & Internationaal

Grootste uitbraak Q-koorts was in Nederland

Kosten

Preventie & Zorg

Vroegsignalering vastgelegd in zoönosestructuur

Vroegsignalering

Vroegsignalering vastgelegd in zoönosestructuur

Om de vroegsignalering van 'opkomende' zoönosen en niet-meldingsplichtige zoönosen te verbeteren is in 2011 de 'zoönosestructuur' ingericht. Doel van deze risico-analysestructuur is dat signalen die op een (opkomende) zoönose kunnen duiden, worden herkend en dat tijdig actie wordt ondernomen. Verschillende partijen zijn betrokken in de zoönosestructuur. Deskundigen beoordelen de regionale, landelijke en internationale signalen van (mogelijke) zoönosen uit verschillende sectoren en dierreservoirs. Afhankelijk van de ernst van het signaal worden de benodigde acties bepaald door gespecialiseerde teams van deskundigen en adviseert een outbreak-managementteam (OMT-Z) de ministeries van VWS en EZ over maatregelen die kunnen worden genomen om verspreiding zoveel mogelijk te voorkomen (RIVM, 2011). De zoönosestructuur is vergelijkbaar met de structuur voor de bestrijding van infectieziekten in het algemeen.

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. RIVM. Landelijke advisering bij infectieziektedreigingen en -crises. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron

Meldingsplicht

Meldingsplicht zoönosen

Zoönose

GWWD

Wpg

Opgenomen in Staat van zoönosen 2012

Anthrax

+

+

nee, komt niet/nauwelijks in Nederland voor

Aviaire influenza

+

+

ja

Botulisme

-

+

ja

Brucellose

+

+

ja

BSE/TSE/(v)CJD

+

+

ja, BSE

Kwade droes (B. mallei)

+

-

ja

Campylobacteriose

-

+

ja

Echinococcose

+

-

ja

Voedselinfectie, cluster

+

+

ja

Hantavirus

-

+

ja

Leptospirose

+

+

ja

Listeriose

+

+

ja

Monkey pox

+

-

nee, exotische dierziekte

Methicillin-resistant Staphylococcus aureus (community cluster)

-

+

nee, zoönostische overdracht van (veegerelateerde-)MRSA is niet aangifteplichtig

Newcastle disease

+

-

ja

Psittacose

+

+

ja

Q-koorts

+

+

ja

Rabiës

+

+

ja

Rift Valley Fever

+

-

ja

SARS

-

+

nee, komt niet/nauwelijks in Nederland voor

Salmonellose

-

+

ja

SIV (simian immunodeficiency virusinfecties)

+

-

nee, exotische dierziekte

STEC

+

+

ja

Toxoplasmose

+

-

ja

Trichinellose

+

+

ja

Tuberculose

+

+

ja

Tularemie

+

-

ja

Virale haemorrhagische koorts (virussen van de familie Filoviridae)

+

+

nee, exotische dierziekte

Virale paardenencefalomyelitis (onder andere West Nijlkoorts)

+

+

ja, West Nijlkoorts

Yersiniose

-

+

ja

Bron: Staat van de zoönosen 2012 (Graveland et al., 2013)

+ Meldingsplichtig
- Niet meldingsplichtig

(Dieren)artsen, dierhouders en laboratoria hebben meldingsplicht

Meldingsplichtige zoönosen zijn zoönosen waarbij (afhankelijk van de regelgeving) bij een verdenking op of bevestiging van de ziekte binnen een bepaalde termijn een melding dient te worden gedaan aan een bevoegde autoriteit. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de meldingsplichtige zoönosen. Behandelend artsen en medisch microbiologische laboratoria zijn, op basis van de Wet Publieke Gezondheid (WPG) verplicht een aantal infectieziekten te melden bij de GGD. Dierenartsen zijn, op basis van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD) verplicht een aantal dierziekten te melden bij de NVWA. Wanneer de NVWA een veterinaire melding krijgt van een zoönose, meldt zij dit ook aan de betreffende GGD. De GGD kan indien nodig, daarop actie ondernemen en/of de NVWA vragen bronopsporing te doen in het kader van de volksgezondheid. In sommige gevallen zijn ook dierhouders of laboratoria verplicht melding te doen van een zoönose. Verder moeten bedrijfsartsen zoönosen opgelopen tijdens het werk melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten.

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Graveland H, Roest HJ, Stenvers O, Valkenburgh S, Friesema IHM, van der Giessen J, et al. Staat van Zoönosen 2012. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2013. Bron

Verantwoording

Definities
  • Een zoönose is een infectieziekte van dier op mens

    Een zoönose is een infectieziekte die van dier op mensen kan overgaan. Er zijn ongeveer honderd ziekteverwekkers, waarvan ongeveer zeventig procent via dieren op mensen kan worden overgedragen. Zoönosen kunnen veroorzaakt worden door bacteriën, virussen, parasieten en schimmels. Allerlei dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden, zoals landbouwhuisdieren (kippen, varkens, koeien, geiten), wilde dieren (hazen, wilde zwijnen) of huisdieren (honden, katten). Bij een zoönose kunnen dieren er soms ook ziek van worden, maar dat hoeft niet. Zo dragen kippen vaak Campylobacter of Salmonella bij zich zonder een enkel ziekteverschijnsel.

    Infectieziekten die alleen bij dieren voorkomen, zoals varkenspest, of infectieziekten die van mens op mens worden overgedragen, zoals mazelen, zijn geen zoönosen. Ook infectieziekten die via een insect of teek (vector) van mens op mens worden overgedragen, zoals malaria via de malariamug, worden niet tot de zoönosen gerekend.

  • Overdracht van dier op mens via diverse routes

    Er zijn verschillende manieren waarop iemand een zoönose kan oplopen. De besmetting vindt dus plaats via de orale route, via inademing of via (wondjes op) de huid. De belangrijkste routes zijn:

    • via inname van besmet voedsel (vlees, eieren, melk) of water;
    • via direct contact met geïnfecteerde dieren;
    • via direct contact met besmet dierlijk materiaal (bijvoorbeeld abortusmateriaal of mest;
    • via inademen van dierlijke ziekteverwekkers (bijvoorbeeld stofdeeltjes in stal);
    • via vectoren, zoals muggen of teken.
  • Lyme wordt overgedragen via een tekenbeet

    Teken zijn kleine spinachtige beestjes die van bloed leven. Teken komen in het hele land voor, in bos, park, hei, duinen of in de tuin. Ze zitten in struiken, in (hoog) gras of tussen dode bladeren. Teken kruipen op dieren of mensen en bijten zich vast in de huid. Door het zuigen van bloed zwelt een teek op. De meeste mensen worden gebeten tussen maart en oktober.

    De ziekte van Lyme wordt ook wel lymeborreliose genoemd, omdat het veroorzaakt wordt door de borrelia-bacterie. Ongeveer één op de vijf teken is besmet met de lymebacterie. Elk jaar worden meer dan een miljoen mensen door een teek gebeten. De meeste mensen worden daarna niet ziek. Hoe eerder de teek wordt verwijderd, hoe kleiner de kans dat de lymebacterie wordt overgebracht. De gemiddelde kans op de ziekte van Lyme na een tekenbeet wordt geschat op 1-3%.

    Het meest voorkomende signaal van de ziekte van Lyme is erythema migrans, een rode of blauwachtige vlek op de plaats van de tekenbeet. De vlek kan ringvormig zijn, maar is dat niet altijd. De vlek verschijnt meestal binnen twee weken na de beet, maar soms pas na drie maanden. Soms raken mensen besmet zonder dat ze een rode ring of vlek hebben gezien. Als de lymebacterie in het lichaam blijft, veroorzaakt hij in eerste instantie griepachtige verschijnselen. Deze klachten ontstaan meestal binnen 3 maanden. Als de ziekte niet wordt opgemerkt, kunnen later neurologische, gewrichts-, huid- of hartklachten ontstaan. De klachten verschillen per persoon. De ziekte van Lyme is te behandelen met antibiotica. Hoe eerder de ziekte wordt opgemerkt, hoe beter de behandeling zal aanslaan.

  • Geiten en schapen dragen Q-koorts over op de mens

    Q-koorts kan van verschillende dieren afkomstig zijn, geiten en schapen zijn de meest bekende. Zo speelden geïnfecteerde geiten een belangrijke rol tijdens een grote uitbraak onder mensen in de periode 2007-2012. Het inademen van besmette stofdeeltjes is de voornaamste oorzaak van besmetting. Het stof is afkomstig van stallen, mest, weilanden, ruwe wol, huiden, kleding, et cetera. De bacterie die Q-koorts veroorzaakt (Coxiella burnetii) kan lang overleven in het milieu en via stof over enkele kilometers getransporteerd worden. Dit speelt mee in het risico op infectie. Een andere belangrijke besmettingsbron is rechtstreeks contact met bacteriën uit de lichaamsvochten van geïnfecteerde dieren (vooral vruchtwater en mogelijk ook traanvocht, urine, slijm, speeksel en melk). Vooral tijdens het kalven of lammeren kunnen dieren grote hoeveelheden bacteriën uitscheiden. Tot slot is ook besmetting mogelijk door consumptie van besmette rauwe melk(-producten) of onvoldoende verhit vlees, maar dit komt slechts sporadisch voor (EFSA, 2010d).