Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Vroeggeboorte en laag geboortegewichtCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

7% van de baby's te vroeg geboren

Regionaal & Internationaal

Grote variatie aantal vroeggeboorten in EU-landen

Kosten

Kosten van zorg 176 miljoen euro in 2015

Preventie & Zorg

Gezondheid vóór zwangerschap belangrijk

Oorzaken vroeggeboorte

Factoren die de kans op vroeggeboorte beïnvloeden

Risicofactor bij moeder
Demografische kenmerken moeder (lage en hoge leeftijd, opleidingsniveau, etniciteit)
Familiair
Korte tijd tussen zwangerschappen
Meerlingzwangerschap
Vruchtbaarheidsbevorderende behandelingen 
Eerdere vroeggeboorte 
Dreigende, eerdere of herhaalde miskraam (geboorte vóór de 20ste zwangerschapsweek)
Complicaties in de zwangerschap (zoals hoge bloeddruk en zwangerschapsvergiftiging, zwangerschapsdiabetes

Voor de zwangerschap al aanwezige chronische aandoening (diabetes, hoge bloeddruk, bloedarmoede, astma, schildklieraandoening)

Infecties (oa urineweginfecties, hiv, syfilis, bacteriële vaginose)
Roken, alcohol- en drugsgebruik
Arbeidsomstandigheden (veel tillen, staan, lopen, stress en hoge werkdruk, onregelmatige werktijden)
Voeding (ernstige ondervoeding, overgewicht, tekort aan micronutriënten zoals foliumzuur en ijzer)

Meeste vroeggeboorten treden spontaan op

Een vroeggeboorte kan spontaan ontstaan, maar ook een gevolg zijn van medisch ingrijpen. Dat laatste kan het geval zijn bij ernstige problemen tijdens de zwangerschap die het noodzakelijk maken dat het kind eerder geboren wordt. In die situaties is het risico voor het kind ín de baarmoeder groter dan daarbuiten. De tabel geeft een overzicht van factoren die de kans op een spontane vroeggeboorte verhogen. Waarschijnlijk spelen meerdere factoren een rol (multifactorieel). Vaak komen deze factoren gezamenlijk voor of lokt de ene risicofactor de andere uit (Timmermans et al., 2011; Lanting et al., 2009). Een voorbeeld is de leeftijd van vrouwen. De kans op vroeggeboorte is verhoogd voor vrouwen ouder dan 35 jaar. Waarschijnlijk hangt dit samen met andere risicofactoren voor vroeggeboorte die vaker voorkomen bij vrouwen boven de 35, zoals chronische ziekten, meerlingzwangerschappen en/of gebruik van IVF (Carolan & Frankowska, 2011). Voor een deel komen de factoren die de kans op vroeggeboorte verhogen overeen met de factoren die de kans op een laag geboortegewicht/groeivertraging verhogen. We lichten er hieronder een aantal uit.

Eigenschappen moeder geassocieerd met vroeggeboorte

Lage en hoge (>35 jaar) leeftijd van de moeder, lage sociaaleconomische status, ongehuwde status en lage opleiding zijn geassocieerd met een verhoogde kans op vroeggeboorte (de Laat et al., 2015; Ruiz et al., 2015; Carolan & Frankowska, 2011; Jansen et al., 2009; Goldenberg et al., 2008). Vrouwen die eerder een te vroeg geboren kind hebben gekregen, hebben ook in hun volgende zwangerschap een verhoogde kans op vroeggeboorte (Yang et al., 2016; Goldenberg et al., 2008).  Verder is etniciteit is een opvallende risicofactor, die onafhankelijk is van andere risicofactoren (Goedhart et al., 2008; Muglia & Katz, 2010).

Meer vroeggeboorten door onvruchtbaarheidsbehandelingen

Behandeling van vruchtbaarheidsstoornissen verhoogt de kans op vroeggeboorte (van Heesch et al., 2010; Heijnen et al., 2008Baird et al., 1999). In vitro fertilisatie (IVF) is in de eerste plaats een risicofactor doordat het de kans op meerlingen vergroot (Allen et al., 2006). IVF is echter ook een onafhankelijke risicofactor, want ook IVF-eenlingen hebben een grotere kans op vroeggeboorte dan andere eenlingen (McDonald et al., 2009; Buitendijk, 2000) en IVF-meerlingen hebben meer kans op vroeggeboorte dan spontane meerlingen (McDonald et al., 2010).

Roken en overgewicht verhogen de kans op vroeggeboorte

Diverse leefstijlfactoren hebben mogelijk invloed op vroeggeboorte, zoals roken, alcohol- en drugsgebruik of overgewicht en bewegen (Patra et al., 2011; Savitz & Murnane, 2010; Shah & Bracken, 2000). Roken verdubbelt de kans op vroeggeboorte (Goldenberg et al., 2008; Jaddoe et al., 2008). Bij vrouwen die al zwanger zijn en alsnog stoppen met roken, wordt de kans op vroeggeboorte kleiner. Ook overgewicht vergroot de kans op vroeggeboorte (Torloni et al., 2009), terwijl bewegen gepaard gaat met een kleinere kans (Aune et al., 2017). Tot slot tonen gegevens uit de Nederlandse hongerwinter aan dat ernstige ondervoeding van de zwangere vrouw in het eerste en tweede trimester van de zwangerschap kan leiden tot een kortere zwangerschapsduur (Lumey, 1992).

Ook arbeidsomstandigheden van invloed op vroeggeboorte

Ook werkomstandigheden vegroten mogelijk de kans op vroeggeboorte, vooral wanneer een combinatie van risicofactoren zich voordoen, zoals tillen, staan, lopen, stress en werken in ploegendienst (Velu et al., 2016; Rosman et al., 2016van Beukering et al., 2014; Bjerrum-Runge et al., 2013; Bonzini et al., 2007).

Grote rol van infectie bij ontstaan van vroeggeboorte

Infecties hebben een belangrijke rol bij het ontstaan van vroeggeboorte (Romero et al., 2007). Waarschijnlijk is de aanwezigheid van alleen een infectie echter niet genoeg om een vroeggeboorte te veroorzaken en spelen ook andere factoren een rol. Bij 25-40% van de vroeggeboorten blijkt er bij nader onderzoek sprake te zijn geweest van een infectie. Bij vier op de vijf zwangerschappen die rond 21-24 weken zwangerschapsduur leiden tot een vroeggeboorte kan een infectie aangetoond worden. Bij 35-36 weken is dit percentage gedaald tot ongeveer 10% (Goldenberg et al., 2008Muglia & Katz, 2010).

Meer informatie

Datum publicatie

30-08-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Timmermans S, Bonsel GJ, Steegers-Theunissen RPM, Mackenbach JP, Steyerberg EW, Raat H, et al. Individual accumulation of heterogeneous risks explains perinatal inequalities within deprived neighbourhoods. Eur J Epidemiol. 2011;26(2):165-80. Pubmed | DOI
  2. Lanting CI, Buitendijk SE, Crone MR, Segaar D, Bennebroek-Gravenhorst J, van Wouwe JP. Clustering of socioeconomic, behavioural, and neonatal risk factors for infant health in pregnant smokers. PLoS One. 2009;4(12):e8363. Pubmed | DOI
  3. Carolan M, Frankowska D. Advanced maternal age and adverse perinatal outcome: A review of the evidence. Midwifery. 2011;27(6):793-801. Bron | DOI
  4. de Laat SAA, Essink-Bot M-L, van Wassenaer-Leemhuis AG, Vrijkotte TGM. [Preterm birth and low socioeconomic status: more psychosocial problems at age 5-6?]. Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;160:D34. Pubmed
  5. Ruiz M, Goldblatt P, Morrison J, Kukla L, Vancara JŠ, Riitta-Järvelin M, et al. Mother's education and the risk of preterm and small for gestational age birth: a DRIVERS meta-analysis of 12 European cohorts. J Epidemiol Community Health. 2015;69(9):826-33. Pubmed | DOI
  6. Jansen PW, Tiemeier H, Jaddoe VWV, Hofman A, Steegers EAP, Verhulst FC, et al. Explaining educational inequalities in preterm birth: the generation r study. Arch Dis Child Fetal Neonatal Ed. 2009;94(1):F28-34. Pubmed | DOI
  7. Goldenberg RL, Culhane JF, Lams JD, Romero R. Epidemiology and causes of preterm birth. The Lancet. 2008;371(9606):75-84. Bron | DOI
  8. Yang J, Baer RJ, Berghella V, Chambers C, Chung P, Coker T, et al. Recurrence of Preterm Birth and Early Term Birth. Obstet Gynecol. 2016;128(2):364-72. Pubmed | DOI
  9. Goedhart G, van Eijsden M, van der Wal MF, Bonsel GJ. Ethnic differences in preterm birth and its subtypes: the effect of a cumulative risk profile. BJOG. 2008;115(6):710-9. Pubmed | DOI
  10. Muglia LJ, Katz M. The Enigma of Spontaneous Preterm Birth. New England Journal of Medicine. 2010;362(6):529-535. Bron | DOI
  11. van Heesch MMJ, Bonsel GJ, Dumoulin JCM, Evers JLH, van der Hoeven MAHBM, Severens JL, et al. Long term costs and effects of reducing the number of twin pregnancies in IVF by single embryo transfer: the TwinSing study. BMC Pediatrics. 2010;10(75). Bron | DOI
  12. Heijnen E.M.E., Eijkemans M, de Klerk C., Polinder S, Beckers N.G.M., Klinkert E.R., et al. Minder risico's, patiëntenongemak en kosten, maar niet minder zwangerschappen in de milde behandelstrategie voor ivf. Ned Tijdschr Geneeskd. . 2008;152:809-16. Bron
  13. Baird DD, Wilcox AJ, Kramer MS. Why might infertile couples have problem pregnancies? The Lancet. 1999;353(9166):1724-1725. Bron | DOI
  14. Allen VM, Wilson RD, Cheung A. Pregnancy outcomes after assisted reproductive technology. J Obstet Gynaecol Can.. 2006;28((3)):220-50. Bron
  15. McDonald SD, Han Z, Mulla S, Murphy KE, Beyene J, Ohlsson A. Preterm birth and low birth weight among in vitro fertilization singletons: A systematic review and meta-analyses. European Journal of Obstetrics & Gynecology and Reproductive Biology. 2009;146(2):138-148. Bron | DOI
  16. Buitendijk SE. IVF pregnancies: outcome and follow-up. Leiden: University of Leiden; 2000. Bron
  17. McDonald SD, Han Z, Mulla S, Ohlsson A, Beyene J, Murphy KE. Preterm birth and low birth weight among in vitro fertilization twins: A systematic review and meta-analyses. European Journal of Obstetrics & Gynecology and Reproductive Biology. 2010;148(2):105-113. Bron | DOI
  18. Patra J, Bakker R, Irving H, Jaddoe VWV, Malini S, Rehm J. Dose-response relationship between alcohol consumption before and during pregnancy and the risks of low birthweight, preterm birth and small for gestational age (SGA)-a systematic review and meta-analyses. BJOG: An International Journal of Obstetrics & Gynaecology. 2011;118(12):1411-1421. Bron | DOI
  19. Savitz DA, Murnane P. Behavioral influences on preterm birth: a review. Epidemiology. 2010;21(3):291-9. Pubmed | DOI
  20. Shah NR, Bracken MB. A systematic review and meta-analysis of prospective studies on the association between maternal cigarette smoking and preterm delivery. Am J Obstet Gynecol. 2000;182(2):465-72. Pubmed
  21. Jaddoe VWV, Troe E-JWM, Hofman A, Mackenbach JP, Moll HA, Steegers EAP, et al. Active and passive maternal smoking during pregnancy and the risks of low birthweight and preterm birth: the Generation R Study. Paediatr Perinat Epidemiol. 2008;22(2):162-71. Pubmed | DOI
  22. Torloni MRegin, Betrán APilar, Daher S, Widmer M, Dolan SM, Menon R, et al. Maternal BMI and preterm birth: a systematic review of the literature with meta-analysis. J Matern Fetal Neonatal Med. 2009;22(11):957-70. Pubmed | DOI
  23. Aune D, Schlesinger S, Henriksen T, Saugstad OD, Tonstad S. Physical activity and the risk of preterm birth: a systematic review and meta-analysis of epidemiological studies. BJOG. 2017;124(12):1816-1826. Pubmed | DOI
  24. Lumey LH. Decreased birthweights in infants after maternal in utero exposure to the Dutch famine of 1944–1945. Paediatric and Perinatal Epidemiology. 1992;6(2):240-253. Bron | DOI
  25. Velu AV, Torij HW, Miedema H, van Beukering MDM, Steegers EAP, Rosman AN. Kennismodule Arbeid en Zwangerschap. Arbeid en Gezond zwanger - maak er werk van! . Rotterdam: ErasmusMC en Hogeschool Rotterdam; 2016. Bron
  26. Rosman AN, Velu AV, Steegers EAP. Arbeid en gezond zwanger. Quintesse. 2016;2016(3):51-57. Bron
  27. van Beukering MDM, van Melick MJGJ, Mol BW, Frings-Dresen MHW, Hulshof CTJ. Physically demanding work and preterm delivery: a systematic review and meta-analysis. Int Arch Occup Environ Health. 2014;87(8):809-34. Pubmed | DOI
  28. Bjerrum-Runge S, Krabbe-Pedersen J, Svendsen SWulff, Juhl M, Bonde JP, Nybo-Andersen A-M. Occupational lifting of heavy loads and preterm birth: a study within the Danish National Birth Cohort. Occup Environ Med. 2013;70(11):782-8. Pubmed | DOI
  29. Bonzini M, Coggon D, Palmer KT. Risk of prematurity, low birthweight and pre-eclampsia in relation to working hours and physical activities: a systematic review. Occup Environ Med. 2007;64(4):228-43. Pubmed | DOI
  30. Romero R, Espinoza J, Gonçalves LF, Kusanovic JPedro, Friel L, Hassan S. The role of inflammation and infection in preterm birth. Semin Reprod Med. 2007;25(1):21-39. Pubmed | DOI
  31. March of Dimes, PMNCH, Save the children, WHO. Born Too Soon: The Global action report on preterm Birth. Geneve: World Health Organization (WHO); 2012. Bron
  32. van Oppenraaij R.H.F., Jauniaux E., Christiansen O.B., Horcajadas J.A., Farquharson R.G., Exalto N. Predicting adverse obstetric outcome after early pregnancy events and complications: a review. Human Reproduction Update. 2009;15(4):409-421. Bron | DOI

Oorzaken laag geboortegewicht en groeivertraging

Factoren van invloed op groeivertraging en/of laag geboortegewicht

Risicofactor bij moeder
Demografische kenmerken moeder (lage leeftijd, hoge leeftijd (>35 jaar), opleidingsniveau, etniciteit)
Korte tijd tussen zwangerschappen (<6 maanden)
Groeirestrictie in eerdere zwangerschap
Meerlingzwangerschap
Complicaties in de zwangerschap (zoals hoge bloeddruk en zwangerschapsdiabetes
Voor de zwangerschap al aanwezige chronische aandoening (diabetes, hoge bloeddruk, astma, nieraandoeningen) 
Medicijngebruik
Aangeboren infecties (toxoplasmose, cytomegalie, rodehond, herpes, parvo B19 (5de ziekte))
Genetische / chromosomale afwijkingen
Roken, meerokenalcohol- en drugsgebruik 
Voeding (ernstige ondervoeding, tekort aan micronutriënten)
Overgewicht, obesitas
Arbeidsomstandigheden
Psychosociale factoren (stress, depressie)

Diverse factoren van invloed op geboortegewicht en foetale groei

Baby’s kunnen een laag geboortegewicht hebben omdat ze te vroeg geboren zijn, door foetale groeivertraging of door beiden. Een kortere zwangerschapsduur hangt samen met een lager geboortegewicht. Sommige gezonde op tijd geboren baby’s kunnen echter ook een laag geboortegewicht hebben omdat ze in aanleg klein zijn. Zo blijken niet-westerse kinderen genetisch lichter dan kinderen van westerse komaf (Troe et al., 2007). Van groeivertraging is pas sprake als een baby in verhouding tot de zwangerschapsduur te klein is. Voor jongens en meisjes gelden andere grenzen omdat meisjes gemiddeld lichter zijn dan jongens (Perined, 2017). Ook het aantal keren dat een vrouw is bevallen (pariteit) heeft invloed op het geboortegewicht (Shah, 2010). Waarschijnlijk spelen meerdere factoren een rol (multifactorieel) bij het ontstaan van groeivertraging (zie tabel). Vaak komen deze factoren gezamenlijk voor of lokt de ene risicofactor de andere uit (Timmermans et al., 2011; Lanting et al., 2009). Voor een deel komen de risicofactoren voor groeivertraging overeen met de factoren die de kans op een vroeggeboorte verhogen. We lichten er hieronder een aantal uit.

Kenmerken moeder hebben invloed op foetale groei

Diverse kenmerken van de moeder zijn van invloed op de foetale groei, zoals lengte, gewicht, leeftijd (<14 en >35 jaar), etniciteit en sociaal-economische klasse (NVOG, 2017; Ruiz et al., 2015; Beentjes et al., 2013Bakker et al., 2011; Goedhart et al., 2008; Ohlsson & Shah, 2008van Eijsden, 2008). Ook een te lage BMI (<20 kg/m2) en een te hoge BMI (≥25 kg/m2) hebben een negatief effect op het geboortegewicht (Goto, 2017; Djelantik et al., 2012). Vrouwen die in een eerdere zwangerschap een zogeheten small for gestational age (SGA) kind kregen, hebben in een volgende zwangerschap een verhoogde kans op weer een kind met SGA (Voskamp et al., 2013). Ook vrouwen, die binnen 6 maanden na een voorgaande zwangerschap weer zwanger worden, hebben een verhoogde kans op foetale groeibeperking (Conde-Agudelo et al., 2006).  Een laag geboortegewicht komt vaker voor bij meerlingen, maar tot 30 weken zijn geboortegewichten vergelijkbaar tussen eenlingen, tweelingen en drielingen (NVOG, 2017; zie Laag geboortegewicht en vroeggeboorte gecombineerd).

Periode vóór en begin zwangerschap beïnvloedt latere groei

Lange tijd is gedacht dat bij het merendeel van de groeivertraagde kinderen de groeivertraging in het derde trimester ontstaat (Beentjes et al., 2013Figueras & Gardosi, 2009). Er komen echter steeds meer aanwijzingen dat de periode rond de conceptie en de eerste drie maanden belangrijk zijn voor de groei van de foetus en de gezondheid van het kind later in zijn leven (Jaddoe et al., 2014; van Uitert et al., 2013; van Uitert et al., 2013). Groeivertraging aan het begin van de zwangerschap komt veelal door intoxicaties (geneesmiddelen, roken, alcohol, drugs), congenitale (aangeboren) infecties en abnormale celontwikkeling bij chromosomale afwijkingen (Beentjes et al., 2013Marroun et al., 2009; Ohlsson & Shah, 2008Snijders et al., 1993). Voorbeelden van congenitale infecties met invloed op de groei zijn toxoplasmose, varicella (waterpokken), malaria, listeria, rode hond, cytomegalie, herpes simplex, Epstein-Barr (ziekte van Pfeiffer) en syfilis (NVOG, 2017; Beentjes et al., 2013Ohlsson & Shah, 2008). Bij ongeveer 10% van de gevallen van groeivertraging is sprake van een infectie (Beentjes et al., 2013).

Groeivertraging door verminderde placentafunctie

Bij het overgrote deel van de zwangere vrouwen met groeivertraging is de oorzaak een stoornis in de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen door een verminderde placentafunctie. Hierdoor kan het ongeboren kind vooral in de tweede helft van de zwangerschap minder goed groeien. Een verminderde placentafunctie is de belangrijkste oorzaak van groeivertraging in het derde trimester is (Beentjes et al., 2013Figueras & Gardosi, 2011). Groeivertraging door een verminderde placentafunctie kenmerkt zich door een asymmetrische groeivertraging. Door de groei van de hersenen prioriteit te geven krijgen andere organen minder voeding en blijft de foetale buikomtrek achter ten opzichte van de hoofdomtrek.

Chronische ziekten bij moeder verhogen kans op groeivertraging

Een hoge bloeddruk in de zwangerschap (zoals bij pre-eclampsie en het HELLP-syndroom) gaan samen met stoornissen in de aanleg en doorbloeding van de placenta. Dit verhoogt de kans op een verminderde functie van de placenta en groeivertraging (Beentjes et al., 2013Ohlsson & Shah, 2008de Boer et al., 2011; Bakker et al., 2011). Omgekeerd kan een verminderde placentafunctie een te hoge bloeddruk veroorzaken. Ook andere ziekten bij de moeder zoals astma kunnen het risico op groeivertraging verhogen. Vrouwen met (zwangerschaps)diabetes hebben niet alleen een verhoogde kans op een te groot kind, maar ook op een te klein kind (Beentjes et al., 2013Ohlsson & Shah, 2008). Bij een te groot kind speelt een hoge bloedsuikerspiegel een rol, en bij een te klein kind een verstoorde doorbloeding van de placenta als gevolg van vaatproblemen door diabetes. Tot slot zijn diverse medicijnen in verband gebracht met foetale groeibeperking. Hierbij is het moeilijk onderscheid te maken tussen het effect van de ziekte of aandoening waarvoor de medicatie wordt gebruikt en het effect van het medicijn zelf (NVOG, 2017).

Leefstijl speelt rol bij ontstaan van groeivertraging

Ook leefstijl speelt een rol bij het ontstaan van groeivertraging, vooral roken (Abraham et al., 2017; Mook-Kanamori et al., 2010; Jaddoe et al., 2007; Jaddoe et al., 2008; Bada et al., 2005). Naast roken beïnvloeden ook meeroken, alcohol- en drugsgebruik de foetale groei (Patra et al., 2011Salmasi et al., 2010; Marroun et al., 2009; Jaddoe et al., 2007). Verder speelt ook voeding een rol. Daarbij gaat het zowel om tekorten aan specifieke nutriënten als foliumzuur en vitamine D als om de inname van te weinig of te veel calorieën (ondergewicht en overgewicht) (Santamaria et al., 2018; De-Regil et al., 2016; van den Berg et al., 2013; Leffelaar et al., 2010; Timmermans et al., 2009).

Stress en arbeidsomstandigheden

Een lager geboortegewicht of groeivertraging kunnen ook een relatie hebben met psychosociale stress en een hoge werkbelasting in de vorm van nachtdiensten, onregelmatige dienst of ploegendienst, minimaal vier uur per dag staan, zwaar tillen, lawaai en matige tot hoge werkbelasting in combinatie met slechte sociale steun kunnen een lager geboortegewicht of groeivertraging veroorzaken (NVOG, 2017; Velu et al., 2016; Rosman et al., 2016; Beentjes et al., 2013; Loomans et al., 2013; Henrichs et al., 2010; Van Dijk et al., 2010). Zwangere vrouwen die lange perioden achtereen fysiek zwaar werk verrichten, hebben een hogere kans op groeivertraging en een lager geboortegewicht (Snijder et al., 2012). Hoe meer risicofactoren er op het gebied van arbeid aanwezig zijn, hoe groter het risico op groeivertraging (van Beukering et al., 2014; Bjerrum-Runge et al., 2013; Vrijkotte et al., 2009; Bonzini et al., 2007).  

Meer informatie

Datum publicatie

30-08-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Troe EJWM, Raat H, Jaddoe VWV, Hofman A, Looman CWN, Moll HA, et al. Explaining differences in birthweight between ethnic populations. The Generation R Study. BJOG. 2007;114(12):1557-65. Pubmed | DOI
  2. Perined. Perined (Hoftiezer) geboortegewichtcurven. Perined; 2017. Bron
  3. Shah PS. Parity and low birth weight and preterm birth: a systematic review and meta-analyses. Acta Obstet Gynecol Scand. 2010;89(7):862-75. Pubmed | DOI
  4. Timmermans S, Bonsel GJ, Steegers-Theunissen RPM, Mackenbach JP, Steyerberg EW, Raat H, et al. Individual accumulation of heterogeneous risks explains perinatal inequalities within deprived neighbourhoods. Eur J Epidemiol. 2011;26(2):165-80. Pubmed | DOI
  5. Lanting CI, Buitendijk SE, Crone MR, Segaar D, Bennebroek-Gravenhorst J, van Wouwe JP. Clustering of socioeconomic, behavioural, and neonatal risk factors for infant health in pregnant smokers. PLoS One. 2009;4(12):e8363. Pubmed | DOI
  6. NVOG. NVOG-richtlijn Foetale groeirestrictie (FGR). 2017: Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG); 2017. Bron
  7. Ruiz M, Goldblatt P, Morrison J, Kukla L, Vancara JŠ, Riitta-Järvelin M, et al. Mother's education and the risk of preterm and small for gestational age birth: a DRIVERS meta-analysis of 12 European cohorts. J Epidemiol Community Health. 2015;69(9):826-33. Pubmed | DOI
  8. Beentjes M, de Roon-Immerzeel A, Zeeman K. KNOV-standaard Opsporing van foetale groeivertraging. Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV); 2013. Bron
  9. Bakker R, Steegers EAP, Biharie AA, Mackenbach JP, Hofman A, Jaddoe VWV. Explaining differences in birth outcomes in relation to maternal age: the Generation R Study. BJOG. 2011;118(4):500-9. Pubmed | DOI
  10. Goedhart G, van Eijsden M, van der Wal MF, Bonsel GJ. Ethnic differences in term birthweight: the role of constitutional and environmental factors. Paediatr Perinat Epidemiol. 2008;22(4):360-8. Pubmed | DOI
  11. Ohlsson A, Shah P. Determinants and Prevention of Low Birth Weight: A Synopsis of the Evidence. Alberta, Canada: Institute of Health Economics (IHE); 2008. Bron
  12. van Eijsden M. Ethnicity, nutrition, and pregnancy : food for thought. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam; 2008. Bron
  13. Goto E. Dose-response association between maternal body mass index and small for gestational age: a meta-analysis. J Matern Fetal Neonatal Med. 2017;30(2):213-218. Pubmed | DOI
  14. Djelantik AAAMJ, Kunst AE, van der Wal MF, Smit HA, Vrijkotte TGM. Contribution of overweight and obesity to the occurrence of adverse pregnancy outcomes in a multi-ethnic cohort: population attributive fractions for Amsterdam. BJOG. 2012;119(3):283-90. Pubmed | DOI
  15. Voskamp BJan, Kazemier BM, Ravelli ACJ, Schaaf J, Mol BWille, Pajkrt E. Recurrence of small-for-gestational-age pregnancy: analysis of first and subsequent singleton pregnancies in The Netherlands. Am J Obstet Gynecol. 2013;208(5):374.e1-6. Pubmed | DOI
  16. Conde-Agudelo A, Rosas-Bermúdez A, Kafury-Goeta ACecil. Birth spacing and risk of adverse perinatal outcomes: a meta-analysis. JAMA. 2006;295(15):1809-23. Pubmed | DOI
  17. Figueras F., Gardosi J. Should We Customize Fetal Growth Standards? Fetal Diagnosis and Therapy. 2009;25(3):297-303. Bron | DOI
  18. Jaddoe VWV, de Jonge LL, Hofman A, Franco OH, Steegers EAP, Gaillard R. First trimester fetal growth restriction and cardiovascular risk factors in school age children: population based cohort study. BMJ. 2014;348:g14. Pubmed | DOI
  19. van Uitert EM, van der Elst-Otte N, Wilbers JJ, Exalto N, Willemsen SP, Eilers PHC, et al. Periconception maternal characteristics and embryonic growth trajectories: the Rotterdam Predict study. Hum Reprod. 2013;28(12):3188-96. Pubmed | DOI
  20. van Uitert EM, Exalto N, Burton GJ, Willemsen SP, Koning AHJ, Eilers PHC, et al. Human embryonic growth trajectories and associations with fetal growth and birthweight. Hum Reprod. 2013;28(7):1753-61. Pubmed | DOI
  21. Marroun HEl, Tiemeier H, Steegers EAP, Jaddoe VWV, Hofman A, Verhulst FC, et al. Intrauterine cannabis exposure affects fetal growth trajectories: the Generation R Study. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry. 2009;48(12):1173-81. Pubmed | DOI
  22. Snijders R.J.M., Sherrod C., Gosden C.M., Nicolaides K.H. Fetal growth retardation: Associated malformations and chromosomal abnormalities. American Journal of Obstetrics and Gynecology. 1993;168(2):547-555. Bron | DOI
  23. Figueras F, Gardosi J. Intrauterine growth restriction: new concepts in antenatal surveillance, diagnosis, and management. American Journal of Obstetrics and Gynecology. 2011;204(4):288-300. Bron | DOI
  24. de Boer J, Zeeman K, Verhoeven C. Standaard Hypertensieve aandoeningen tijdens de zwangerschap, bevalling en kraamperiode. Aanbevelingen voor risicoselectie, diagnostiek en beleid. Utrecht: Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV); 2011. Bron
  25. Bakker R, Steegers EAP, Hofman A, Jaddoe VWV. Blood pressure in different gestational trimesters, fetal growth, and the risk of adverse birth outcomes: the generation R study. Am J Epidemiol. 2011;174(7):797-806. Pubmed | DOI
  26. Abraham M, Alramadhan S, Iniguez C, Duijts L, Jaddoe VWV, den Dekker HT, et al. A systematic review of maternal smoking during pregnancy and fetal measurements with meta-analysis. PLoS One. 2017;12(2):e0170946. Pubmed | DOI
  27. Mook-Kanamori DO, Steegers EAP, Eilers PH, Raat H, Hofman A, Jaddoe VWV. Risk factors and outcomes associated with first-trimester fetal growth restriction. JAMA. 2010;303(6):527-34. Pubmed | DOI
  28. Jaddoe VWV, Verburg BO, de Ridder MAJ, Hofman A, Mackenbach JP, Moll HA, et al. Maternal smoking and fetal growth characteristics in different periods of pregnancy: the generation R study. Am J Epidemiol. 2007;165(10):1207-15. Pubmed | DOI
  29. Jaddoe VWV, Troe E-JWM, Hofman A, Mackenbach JP, Moll HA, Steegers EAP, et al. Active and passive maternal smoking during pregnancy and the risks of low birthweight and preterm birth: the Generation R Study. Paediatr Perinat Epidemiol. 2008;22(2):162-71. Pubmed | DOI
  30. Bada HS, Das A, Bauer CR, Shankaran S, Lester BM, Gard CC, et al. Low Birth Weight and Preterm Births: Etiologic Fraction Attributable to Prenatal Drug Exposure. Journal of Perinatology. 2005;25(10):631-637. Bron | DOI
  31. Patra J, Bakker R, Irving H, Jaddoe VWV, Malini S, Rehm J. Dose-response relationship between alcohol consumption before and during pregnancy and the risks of low birthweight, preterm birth and small for gestational age (SGA)-a systematic review and meta-analyses. BJOG: An International Journal of Obstetrics & Gynaecology. 2011;118(12):1411-1421. Bron | DOI
  32. Salmasi G, Grady R, Jones J, McDonald SD. Environmental tobacco smoke exposure and perinatal outcomes: a systematic review and meta-analyses. Acta Obstet Gynecol Scand. 2010;89(4):423-41. Pubmed | DOI
  33. Jaddoe VWV, Bakker R, Hofman A, Mackenbach JP, Moll HA, Steegers EAP, et al. Moderate alcohol consumption during pregnancy and the risk of low birth weight and preterm birth. The generation R study. Ann Epidemiol. 2007;17(10):834-40. Pubmed | DOI
  34. Santamaria C, Bi WGuang, Leduc L, Tabatabaei N, Jantchou P, Luo Z-C, et al. Prenatal vitamin D status and offspring's growth, adiposity and metabolic health: a systematic review and meta-analysis. Br J Nutr. 2018;119(3):310-319. Pubmed | DOI
  35. De-Regil LMaria, Palacios C, Lombardo LK, Peña-Rosas JPablo. Vitamin D supplementation for women during pregnancy. Cochrane Database Syst Rev. 2016;(1):CD008873. Pubmed | DOI
  36. van den Berg G, van Eijsden M, Vrijkotte TGM, Gemke RJBJ. Suboptimal maternal vitamin D status and low education level as determinants of small-for-gestational-age birth weight. Eur J Nutr. 2013;52(1):273-9. Pubmed | DOI
  37. Leffelaar ER, Vrijkotte TGM, van Eijsden M. Maternal early pregnancy vitamin D status in relation to fetal and neonatal growth: results of the multi-ethnic Amsterdam Born Children and their Development cohort. Br J Nutr. 2010;104(1):108-17. Pubmed | DOI
  38. Timmermans S, Jaddoe VWV, Hofman A, Steegers-Theunissen RPM, Steegers EAP. Periconception folic acid supplementation, fetal growth and the risks of low birth weight and preterm birth: the Generation R Study. Br J Nutr. 2009;102(5):777-85. Pubmed | DOI
  39. Velu AV, Torij HW, Miedema H, van Beukering MDM, Steegers EAP, Rosman AN. Kennismodule Arbeid en Zwangerschap. Arbeid en Gezond zwanger - maak er werk van! . Rotterdam: ErasmusMC en Hogeschool Rotterdam; 2016. Bron
  40. Rosman AN, Velu AV, Steegers EAP. Arbeid en gezond zwanger. Quintesse. 2016;2016(3):51-57. Bron
  41. Loomans EM, van Dijk AE, Vrijkotte TGM, van Eijsden M, Stronks K, Gemke RJBJ, et al. Psychosocial stress during pregnancy is related to adverse birth outcomes: results from a large multi-ethnic community-based birth cohort. Eur J Public Health. 2013;23(3):485-91. Pubmed | DOI
  42. Henrichs J, Schenk JJ, Roza SJ, van den Berg MP, Schmidt HG, Steegers EAP, et al. Maternal psychological distress and fetal growth trajectories: the Generation R Study. Psychol Med. 2010;40(4):633-43. Pubmed | DOI
  43. Van Dijk AE, van Eijsden M, Stronks K, Gemke RJBJ, Vrijkotte TGM. Maternal depressive symptoms, serum folate status, and pregnancy outcome: results of the Amsterdam Born Children and their Development study. Am J Obstet Gynecol. 2010;203(6):563.e1-7. Pubmed | DOI
  44. Snijder CA, Brand T, Jaddoe VWV, Hofman A, Mackenbach JP, Steegers EAP, et al. Physically demanding work, fetal growth and the risk of adverse birth outcomes. The Generation R Study. Occup Environ Med. 2012;69(8):543-50. Pubmed | DOI
  45. van Beukering MDM, van Melick MJGJ, Mol BW, Frings-Dresen MHW, Hulshof CTJ. Physically demanding work and preterm delivery: a systematic review and meta-analysis. Int Arch Occup Environ Health. 2014;87(8):809-34. Pubmed | DOI
  46. Bjerrum-Runge S, Krabbe-Pedersen J, Svendsen SWulff, Juhl M, Bonde JP, Nybo-Andersen A-M. Occupational lifting of heavy loads and preterm birth: a study within the Danish National Birth Cohort. Occup Environ Med. 2013;70(11):782-8. Pubmed | DOI
  47. Vrijkotte TGM, van der Wal MF, van Eijsden M, Bonsel GJ. First-trimester working conditions and birthweight: a prospective cohort study. Am J Public Health. 2009;99(8):1409-16. Pubmed | DOI
  48. Bonzini M, Coggon D, Palmer KT. Risk of prematurity, low birthweight and pre-eclampsia in relation to working hours and physical activities: a systematic review. Occup Environ Med. 2007;64(4):228-43. Pubmed | DOI
  49. De Bernabé JValer, Soriano T, Albaladejo R, Juarranz M, Calle MElisa, Martínez D, et al. Risk factors for low birth weight: a review. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol. 2004;116(1):3-15. Pubmed | DOI

Gevolgen vroeggeboorte

Hoe korter de zwangerschap, hoe groter de kans op problemen

De kans op problemen hangt samen met de zwangerschapsduur. Hoe korter de zwangerschap heeft geduurd hoe groter de kans op sterfte (zie Sterfte naar zwangerschapsduur). Hoe korter de zwangerschapsduur, hoe onrijper de organen van het kind zijn. Onrijpe organen, maar ook de behandeling daarvan, kunnen leiden tot een aantal ernstige ziektebeelden. Zo kan vroeggeboorte leiden tot (ernstige) problemen met de ademhaling door onrijpe longblaasjes en mogelijke nadelige gevolgen van de behandeling van deze problemen (Groenendaal et al., 2010). Ook kan vroeggeboorte leiden tot problemen met de bloedsomloop, de zuurstofvoorziening in de hersenen en andere vitale organen. Infecties komen veelvuldig voor door onvoldoende weerstand. Door het onrijpe maagdarmstelsel kunnen voedingsproblemen ontstaan. Onrijpheid van de darmen is ook een belangrijke risicofactor voor necrotiserende enterocolitis (NEC) (Heida et al., 2017). Dit is een levensbedreigende darmontsteking die ook tot ernstige gevolgen op de lange termijn kan leiden, zoals ontwikkelingsachterstand en kortedarmsyndroom. Door een abnormale uitgroei van de vaten van het netvlies van het oog kan het netvlies loslaten, wat tot slechtziendheid of blindheid kan leiden (retinopathy of prematurity (ROP)). Vroeggeborenen kunnen hun temperatuur nog niet op peil houden, wat kan leiden tot onderkoeling. Net als bij sterfte geldt ook voor deze aandoeningen dat hoe korter de zwangerschap heeft geduurd hoe groter de kans op problemen. In het MOSAIC-onderzoek onder vroeggeborenen jonger dan 32 weken nam het percentage hersenaandoeningen of chronische longschade af van bijna 50% bij 26 weken en 25% bij 27 weken tot 5% bij 31 weken (Gerrits-Kuiper et al., 2008).

Prognose voor te vroeg geboren kinderen is afgelopen decennia verbeterd

Door verbeteringen in de prenatale en neonatale zorg is over de periode 1991-2006 de prognose verbeterd voor kinderen die geboren zijn tussen 25 en 30 weken zwangerschap.  Kinderen geboren in de periode 2002-2006 hadden een grotere kans op overleving, minder vaak beschadiging van het darmslijmvlies (necrotische enterocolitis) of hersenaandoeningen (periventriculaire leukomalacie). De incidentie van chronische longziekte (CLD) daalde echter niet (Groenendaal et al., 2010).

Ernstige vroeggeboorte heeft langdurig effect op het kind

Behalve gevolgen voor de gezondheid direct of kort na geboorte, kan vroeggeboorte ook op de lange termijn gevolgen hebben voor de fysieke gezondheid,  en voor de ontwikkeling, gedrag en cognitie. Wat betreft de fysieke gezondheid hebben te vroeg geboren kinderen op de leeftijd van 19 jaar vaker een groeiachterstand, een hoge bloeddruk, insulineresistentie, longklachten en een minder goed gehoor dan gemiddeld. Dit blijkt uit de Nederlandse POPS-studie (Project on Preterm and Small for Gestational Age Infants) waarin kinderen die in 1983 veel te vroeg zijn geboren langdurig worden gevolgd (TNO, 2008). Uit reviews van internationale studies blijkt dat vroeggeboorte het risico verhoogt op chronische longaandoeningen, hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, diabetes en osteoporose (Luu et al., 2016; Been et al., 2014; van der Voort et al., 2014; Parkinson et al., 2013; de Jong et al., 2012).
Wat betreft gevolgen voor ontwikkeling, gedrag en cognitie komen bij kinderen geboren vóór de 32ste zwangerschapsweek motorische of verstandelijke stoornissen, beperkingen en handicaps vaker voor dan bij op tijd geborenen(Kerstjens et al., 2012; Stoelhorst et al., 2003). Ook gedragstoornissen, zoals ‘Attention Deficit and Hyperactivity Disorder’ (ADHD), autisme en psychiatrische ziektebeelden, zoals depressie en angststoornissen, worden relatief vaak bij te vroeg geboren kinderen gezien (Hornman et al., 2016; Theunissen et al., 2000). Deze stemmings- en concentratieproblemen nemen toe naarmate de kinderen ouder worden (Theunissen et al., 2000). 

Ernstige vroeggeboorte heeft gevolgen voor school en werkloopbaan

Soms komen effecten pas later aan het licht, zoals specifieke leerstoornissen in de schoolleeftijd. Te vroeg geboren kinderen hebben een lager IQ en hebben later vaker problemen met taal (Kerr-Wilson et al., 2012; van Noort-van der Spek et al., 2012; Barre et al., 2011). In Nederland volgen vroeg geboren kinderen op 14-jarige leeftijd zes keer vaker speciaal onderwijs dan hun leeftijdgenoten. Op de leeftijd van 19 jaar heeft 24% alleen speciaal onderwijs gevolgd. Bij vroeg geboren jongvolwassenen komen vaak matige tot ernstige cognitieve stoornissen of problemen op het gebied van het gezichtsvermogen voor. Ook dit blijkt uit de Nederlandse POPS-studie (TNO, 2008). In vergelijking met op tijd geboren leeftijdsgenoten zijn zij (op de leeftijd van 19 jaar) driemaal vaker werkloos en volgen zij driemaal zo vaak geen onderwijs meer (Hille et al., 2007). De oorzaken zijn complex: niet alleen de mate van vroeggeboorte, maar ook de sociaaleconomische status van het gezin en opleiding van de ouders spelen een belangrijke rol (Weisglas-Kuperus et al., 2008).

Ook late vroeggeboorte leidt tot problemen

Het merendeel (80%) van de vroeggeboorten vindt plaats tussen 32 en 37 weken. Ook deze groep heeft kort na de geboorte problemen met temperatuur, voeding en ademhaling. Ook zij hebben later vaker concentratie- en leerstoornissen dan kinderen die op tijd geboren worden. Hun intelligentie, (fijne) motoriek en psychische gezondheid is later minder goed dan bij kinderen geboren vanaf 37 weken. Ook in deze groep zijn de problemen groter als de zwangerschapsduur korter wordt. Dit blijkt uit het Pinkeltje-onderzoek in Groningen (internationaal: Lollypop) (Kerstjens et al., 2011; Kerstjens et al., 2012; Cserjesi et al., 2012) en onderzoek in Tilburg (de Jong et al., 2012; van Baar et al., 2009). Daarnaast heeft deze groep op 5-jarige leeftijd vaker last van problemen met de luchtwegen (Vrijlandt et al., 2013).

Meer informatie

Datum publicatie

30-08-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Groenendaal F, Termote JUM, van der Heide-Jalving M, van Haastert IC, de Vries LS. Complications affecting preterm neonates from 1991 to 2006: what have we gained? Acta Paediatrica. 2010;99(3):354-358. Bron | DOI
  2. Heida FH, Stolwijk L, Loos MH, van den Ende SJ, Onland W, van den Dungen FA, et al. Increased incidence of necrotizing enterocolitis in the Netherlands after implementation of the new Dutch guideline for active treatment in extremely preterm infants: Results from three academic referral centers. J Pediatr Surg. 2017;52(2):273-276. GoogleScholar
  3. Gerrits-Kuiper J.A., de Heus R., Brouwers H.A.A., Visser G.H.A., den Ouden AL, Kollée L.A.A. Op de grens van levensvatbaarheid: Nederlands verwijsbeleid bij vroeggeboorte te terughoudend. Ned Tijdschr Geneeskd. . 2008;152:383-8. Bron
  4. TNO. POPS-19 Magazine. Vervolgonderzoek levenslange zorg voor te vroeg geboren kinderen. Leiden: TNO; 2008. Bron
  5. Luu TMai, Katz SL, Leeson P, Thébaud B, Nuyt A-M. Preterm birth: risk factor for early-onset chronic diseases. CMAJ. 2016;188(10):736-46. Pubmed | DOI
  6. Been JV, Lugtenberg MJ, Smets E, van Schayck CP, Kramer BW, Mommers M, et al. Preterm birth and childhood wheezing disorders: a systematic review and meta-analysis. PLoS Med. 2014;11(1):e1001596. Pubmed | DOI
  7. van der Voort AMMSon, Arends LR, de Jongste JC, Annesi-Maesano I, S Arshad H, Barros H, et al. Preterm birth, infant weight gain, and childhood asthma risk: a meta-analysis of 147,000 European children. J Allergy Clin Immunol. 2014;133(5):1317-29. Pubmed | DOI
  8. Parkinson JRC, Hyde MJ, Gale C, Santhakumaran S, Modi N. Preterm birth and the metabolic syndrome in adult life: a systematic review and meta-analysis. Pediatrics. 2013;131(4):e1240-63. Pubmed | DOI
  9. de Jong F, Monuteaux MC, van Elburg RM, Gillman MW, Belfort MB. Systematic review and meta-analysis of preterm birth and later systolic blood pressure. Hypertension. 2012;59(2):226-34. Pubmed | DOI
  10. Kerstjens JM, de Winter AF, Bocca-Tjeertes IFA, Bos AF, Reijneveld SA. Risk of developmental delay increases exponentially as gestational age of preterm infants decreases: a cohort study at age 4 years. Dev Med Child Neurol. 2012;54(12):1096-101. Pubmed | DOI
  11. Stoelhorst GMSJ, Rijken M, Martens SE, van Zwieten PHT, Feenstra J., Zwinderman AH, et al. Developmental outcome at 18 and 24 months of age in very preterm children: a cohort study from 1996 to 1997. Early Human Development. 2003;72(2):83-95. Bron | DOI
  12. Hornman J, de Winter AF, Kerstjens JM, Bos AF, Reijneveld SA. Emotional and Behavioral Problems of Preterm and Full-Term Children at School Entry. Pediatrics. 2016;137(5). Pubmed | DOI
  13. Theunissen NCM, den Ouden AL, Meulman JJ, Koopman HM, Verloove-Vanhorick SP, Wit J-M. Health status development in a cohort of preterm children. The Journal of Pediatrics. 2000;137(4):534-539. Bron | DOI
  14. Kerr-Wilson CO, Mackay DF, Smith GCS, Pell JP. Meta-analysis of the association between preterm delivery and intelligence. J Public Health (Oxf). 2012;34(2):209-16. Pubmed | DOI
  15. van Noort-van der Spek IL, Franken M-CJP, Weisglas-Kuperus N. Language functions in preterm-born children: a systematic review and meta-analysis. Pediatrics. 2012;129(4):745-54. Pubmed | DOI
  16. Barre N, Morgan A, Doyle LW, Anderson PJ. Language abilities in children who were very preterm and/or very low birth weight: a meta-analysis. J Pediatr. 2011;158(5):766-774.e1. Pubmed | DOI
  17. Hille E.TM, Weisglas-Kuperus N, van Goudoever J.B, Jacobusse G.W, Ens-Dokkum MH, de Groot L., et al. Functional Outcomes and Participation in Young Adulthood for Very Preterm and Very Low Birth Weight Infants: The Dutch Project on Preterm and Small for Gestational Age Infants at 19 Years of Age. PEDIATRICS. 2007;120(3):e587-e595. Bron | DOI
  18. Weisglas-Kuperus N, Hille ETM, Duivenvoorden HJ, Finken MJJ, Wit JM, van Buuren S, et al. Intelligence of very preterm or very low birthweight infants in young adulthood. Archives of Disease in Childhood - Fetal and Neonatal Edition. 2008;94(3):F196-F200. Bron | DOI
  19. Kerstjens JM, de Winter AF, Bocca-Tjeertes IFA, Vergert EMJ te, Reijneveld SA, Bos AF. Developmental Delay in Moderately Preterm-Born Children at School Entry. The Journal of Pediatrics. 2011;159(1):92-98. Bron | DOI
  20. Cserjesi R, van Braeckel KNJA, Butcher PR, Kerstjens JM, Reijneveld SA, Bouma A, et al. Functioning of 7-year-old children born at 32 to 35 weeks' gestational age. Pediatrics. 2012;130(4):e838-46. Pubmed | DOI
  21. de Jong M, Verhoeven M, van Baar AL. School outcome, cognitive functioning, and behaviour problems in moderate and late preterm children and adults: a review. Semin Fetal Neonatal Med. 2012;17(3):163-9. Pubmed | DOI
  22. van Baar AL, Vermaas J, Knots E., de Kleine MJK, Soons P. Functioning at School Age of Moderately Preterm Children Born at 32 to 36 Weeks' Gestational Age. PEDIATRICS. 2009;124(1):251-257. Bron | DOI
  23. Vrijlandt EJLE, Kerstjens JM, Duiverman EJ, Bos AF, Reijneveld SA. Moderately preterm children have more respiratory problems during their first 5 years of life than children born full term. Am J Respir Crit Care Med. 2013;187(11):1234-40. Pubmed | DOI

Gevolgen laag geboortegewicht en groeivertraging

Sterfte en gezondheidsproblemen door groeivertraging 

Een kind met groeivertraging voor de geboorte (foetale groeivertraging) heeft een verhoogd risico op een aantal specifieke problemen (Beentjes et al., 2013; Figueras & Gardosi, 2011; Mongelli & Gardosi, 2000; Barker, 1997). Zo is groeivertraging een belangrijke oorzaak van perinatale sterfte (doodgeboorte en sterfte in de eerste weken na de geboorte (neonatale sterfte), zie Sterfte naar geboortegewicht). Ook kan groeivertraging leiden tot gezondheidsproblemen direct na de geboorte en heeft groeivertraging gevolgen voor de gezondheid op kortere en langere termijn (Beentjes et al., 2013; Figueras & Gardosi, 2011). 

Gevolgen groeivertraging op korte termijn

Hoe ernstiger de foetale groeivertraging, hoe groter het risico op onder meer tekenen van foetale nood tijdens de baring, neonatale hypoglycaemie (lage bloedglucosewaarden) en ernstige asfyxie (zuurstofgebrek tijdens de geboorte wat weerspiegeld wordt in lage Apgar-scores en navelstreng-pH) (Beentjes et al., 2013; NVOG, 2008; Kramer et al., 1990). Kinderen met een geboortegewicht onder percentiel 2,3 (dat wil zeggen de 2 lichtste kinderen uit een groep van 100 pasgeborenen) hebben een verdubbelde kans op asfyxie. Groeivertraging laat in de zwangerschap is geassocieerd met een grotere kans op zowel een kunstverlossing vanwege foetale nood als NICU-opname (Beentjes et al., 2013; Figueras & Gardosi, 2011; Mongelli & Gardosi, 2000). In vergelijking met pasgeborenen met een normaal gewicht voor de zwangerschapsduur blijkt de incidentie van infecties, necrotiserende enterocolitis, trombopenie en chronische longaandoeningen verhoogd (NVOG, 2008; Aucott et al., 2004; Ganzevoort et al., 2006). Foetale groeivertraging kan ook leiden tot blijvende neurologische schade met beperkingen in het functioneren en verstandelijke beperkingen als gevolg (Beentjes et al., 2013; Mongelli & Gardosi, 2000).

Gevolgen groeivertraging op langere termijn

Op latere leeftijd hebben kinderen met groeivertraging een verhoogde kans op het ontwikkelen van aandoeningen als hart- en vaatziekten, kanker, obesitas en diabetes mellitus (van den Berg et al., 2010Tijhuis et al., 2009; Barker, 2006; Gluckman & Hanson, 2004; Gluckman & Hanson, 2004; Barker, 1997). Zo heeft een kind dat als embryo klein was, op 6-jarige leeftijd al een ongunstig cardiovasculair risicoprofiel met een verhoogd vetpercentage, een hogere cholesterolconcentratie en een hogere bloeddruk (Jaddoe et al., 2014). Ook kunnen er lange termijngevolgen zijn op het gebied van gedrag (aandachtproblemen/ADHD, autismespectrumstoornis, gedragsproblemen), sociale ontwikkeling, motorische ontwikkeling en cognitie (zoals mentale/cognitieve achterstand, lagere intelligentie, schoolproblemen en spraak- en taalproblemen) (van Mill, 2016; Tanis et al., 2015;  Kormos et al., 2014; NCJ, 2013Barre et al., 2011; Henrichs, 2010).

Meer informatie

Datum publicatie

30-08-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Beentjes M, de Roon-Immerzeel A, Zeeman K. KNOV-standaard Opsporing van foetale groeivertraging. Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV); 2013. Bron
  2. Figueras F, Gardosi J. Intrauterine growth restriction: new concepts in antenatal surveillance, diagnosis, and management. American Journal of Obstetrics and Gynecology. 2011;204(4):288-300. Bron | DOI
  3. Mongelli M, Gardosi J. Fetal growth. Curr Opin Obstet Gynecol.. 2000;12((2)):111-5. Bron
  4. Barker DJ. The Long-Term Outcome of Retarded Fetal Growth. Clin Obstet Gynecol. 1997;40((4)):853-63. Bron
  5. NVOG. NVOG richtlijn Foetale groeibeperking. Versie 2.1. Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG); 2008. Bron
  6. Kramer MS, Olivier M, McLean FH, Willis DM, Usher RH. Impact of Intrauterine Growth Retardation and Body Proportionality on Fetal and Neonatal Outcome. Pediatrics. 1990;86((5) ):707-713. Bron
  7. Aucott SW, Donohue PK, Northington FJ. Increased Morbidity in Severe Early Intrauterine Growth Restriction. Journal of Perinatology. 2004;24(7):435-440. Bron | DOI
  8. Ganzevoort W, Rep A, de Vries JIP, Bonsel GJ, Wolf H. Prediction of maternal complications and adverse infant outcome at admission for temporizing management of early-onset severe hypertensive disorders of pregnancy. American Journal of Obstetrics and Gynecology. 2006;195(2):495-503. Bron | DOI
  9. van den Berg SW, van Duijnhoven FJB, Bueno-de-Mesquita HB, Boer JMA. Geboortegewicht en chronische ziekten. Resultaten van de EPIC-NL-studie. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
  10. Tijhuis MAR, van den Berg S, van Muilwijk E, Boer J. Onderzoek naar de relatie tussen geboortegewicht en chronische ziekten in het Maastricht cohort. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2009. Bron
  11. Barker DJ. Adult consequences of fetal growth restriction. Clin Obstet Gynecol. 2006;49((2)):270-83. Bron
  12. Gluckman PD, Hanson MA. Developmental origins of disease paradigm: a mechanistic and evolutionary perspective. Pediatr Res. 2004;56(3):311-7. Pubmed | DOI
  13. Gluckman PD, Hanson MA. Maternal constraint of fetal growth and its consequences. Semin Fetal Neonatal Med. 2004;9(5):419-25. Pubmed | DOI
  14. Jaddoe V.WV, de Jonge L.L, Hofman A., Franco O.H, Steegers E.AP, Gaillard R. First trimester fetal growth restriction and cardiovascular risk factors in school age children: population based cohort study. BMJ. 2014;348(jan23 1):g14. Bron | DOI
  15. van Mill NH. Proefschrift. Prenatal Influences on Foetal Growth and Children’s Cognition and Behaviour: Epidemiological and Epigenetic Studies. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR); 2016. Bron
  16. Tanis JC, van Braeckel KNJA, Kerstjens JM, Bocca-Tjeertes IFA, Reijneveld SA, Bos AF. Functional outcomes at age 7 years of moderate preterm and full term children born small for gestational age. J Pediatr. 2015;166(3):552-8.e1. Pubmed | DOI
  17. Kormos CE, Wilkinson AJ, Davey CJ, Cunningham AJ. Low birth weight and intelligence in adolescence and early adulthood: a meta-analysis. J Public Health (Oxf). 2014;36(2):213-24. Pubmed | DOI
  18. NCJ. JGZ Richtlijn: Vroeg en/of small voor gestational age (SGA) geboren kinderen. Samenvatting. Utrecht: Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ); 2013. Bron
  19. Barre N, Morgan A, Doyle LW, Anderson PJ. Language abilities in children who were very preterm and/or very low birth weight: a meta-analysis. J Pediatr. 2011;158(5):766-774.e1. Pubmed | DOI
  20. Henrichs J. Proefschrift. Prenatal Determinants of Early Behavioral and Cognitive Development. The Generation R Study. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR); 2010. Bron

Verantwoording

Definities
  • Vroeggeboorte

    Vroeggeboorte is geboorte vóór de 37ste zwangerschapsweek

    In VZinfo definiëren we een vroeggeboorte of prematuriteit als een geboorte (inclusief doodgeboorte) tussen de 22ste en 37ste complete zwangerschapsweek (259 dagen zwangerschapsduur). Van extreme vroeggeboorte is sprake bij een geboorte vóór de 26ste zwangerschapsweek (NVK/NVOG, 2010).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. NVK/NVOG. Richtlijn Perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG); 2010. Bron
  • Laag geboortegewicht

    Geboortegewicht beneden de 2500 gram is laag geboortegewicht

    Een te laag geboortegewicht is een gewicht onder het tiende percentiel (P10) op de geboortegewichtcurve bij de desbetreffende zwangerschapsduur. In internationale vergelijkingen wordt de grens van 2500 gram beschouwd als maat voor een te laag geboortegewicht en 1500 gram voor een veel te laag geboortegewicht. Vroeggeboorte gaat vaak samen met een laag geboortegewicht, maar ook op tijd (vanaf 37 weken) geboren kinderen kunnen een laag geboortegewicht hebben. Een geboortegewicht van minder dan 2500 gram valt vanaf ongeveer 37-38 weken onder het tiende percentiel (P10) (Visser et al., 2009; PRN, 2017).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Visser GHA, Eilers PHC, Elferink-Stinkens PM, Merkus HMWM, Wit JM. New Dutch reference curves for birthweight by gestational age. Early Hum Dev. 2009;85(12):737-44. Pubmed | DOI
    2. PRN. Geboortegewichtcurven. PRN-Werkgroep Referentiecurven. Utrecht: Perined; 2017. Bron
  • Groeivertraging en 'small for gestational age'

    Te klein in verhouding tot zwangerschapsduur

    Van 'small for gestational age' (SGA) is sprake als een kindje in verhouding tot de zwangerschapsduur te klein is. Dit kan zich uiten in te kleine foetale maten of te laag geboortegewicht voor de zwangerschapsduur. Small for gestational age (SGA) en foetale groeivertraging (Intra-Uteriene Groei Retardatie (IUGR)) worden vaak als synoniem gebruikt, maar niet elk kind dat groeivertraagd is, is ook SGA en niet elk SGA-kind is groeivertraagd. Van foetale groeivertraging is sprake als een kind zijn eigen optimale geboortegewicht, zijn individuele groeipotentieel, niet heeft kunnen bereiken. Bij dit groeipotentieel speelt ook de aanleg van het kind een rol (Beentjes et al., 2013). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Beentjes M, de Roon-Immerzeel A, Zeeman K. KNOV-standaard Opsporing van foetale groeivertraging. Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV); 2013. Bron
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over vroeggeboorte en een laag geboortegewicht

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Perinatale registratie Vroeggeboorte, geboortegewicht, foetale sterfte naar zwangerschapsduur of geboortegewicht, neonatale sterfte naar zwangerschapsduur of geboortegewicht, NICU opnamen naar zwangerschapsduur of geboortegewicht Levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    Euro-Peristat Vroeggeboorte, geboortegewicht onder de 2500 gram Levendgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap Euro-Peristat Project, 2018
    Landelijke Medische Registratie Ziekenhuisopname bij vroeggeboorte en laag geboortegewicht  

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2016. Utrecht: Perined; 2018. Bron
    2. Euro-Peristat Project. European Perinatal Health Report. Core indicators of the health and care of pregnant women and babies in Europe in 2015. .; 2018. Bron