Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

VoedingCijfers & ContextGezondheidsgevolgen

Cijfers & Context

De inname van transvetzuren is gedaald

Regionaal & Internationaal

Nederlandse tieners ontbijten vaak

Kosten

Preventie & Zorg

Wetgeving en voorlichting bereiken veel mensen

Relatie groente-, fruit- en vezelconsumptie en ziekten

Groente, fruit en vezels verlagen risico op hart- en vaatziekten en kanker

De consumptie van groente, fruit en vezelrijke graanproducten vermindert waarschijnlijk zowel het risico op hart- en vaatziekten als op sommige vormen van kanker: kanker in hoofd- en halsgebied, longkanker, slokdarmkanker, maagkanker en darmkanker (Engelfriet et al., 2010; WCRF/AICR, 2007; Gezondheidsraad, 2006). Maar hoe meer kwalitatief goede studies met een lange follow-up gepubliceerd worden, hoe zwakker het verband tussen voeding en hart- en vaatziekten en kanker lijkt te zijn. Ook blijkt steeds vaker dat de gezondheidseffecten van groente hoger zijn dan die van fruit (WCRF/AICR, 2007). Ook is het waarschijnlijk dat voeding met veel groente en fruit bijdraagt aan de handhaving van de energiebalans (Gezondheidsraad, 2006).

Rood vlees verhoogt risico op darmkanker

Consumptie van veel rood vlees en vleeswaren verhoogt de kans op darmkanker (WCRF Continuous Update Project, 2013).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Engelfriet PM, Hoekstra J, Hoogenveen RT, Büchner F, van Rossum CTM, Verschuren WMM. Food and vessels: the importance of a healthy diet to prevent cardiovascular disease. Eur J Cardiovasc Prev Rehabil. 2010;17(1):50-5. Pubmed | DOI
  2. WCRF/AICR. Food, Nutrition, Physical Activity and the Prevention of Cancer: a Global Perspective. Second expert report. Policy Report ed. Washington DC: World Cancer Research Fund. AICR, American Institute for Cancer Research; 2007. Bron
  3. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2006. Den Haag: Gezondheidsraad; 2006. Bron

Relatie vetzuren en ziekten

Verschillende vetzuren verhogen het risico op coronaire hartziekten

Voor de preventie van coronaire hartziekten is de vetzuursamenstelling belangrijker dan de totale hoeveelheid vet in voeding. Meer dan onverzadigde vetzuren verhogen verzadigde vetzuren en enkelvoudig trans-onverzadigde vetzuren het risico op coronaire hartziekten. Onverzadigde vetzuren hebben een gunstig effect op het cholesterolgehalte in het bloed, doordat zij het gunstige HDL-cholesterol verhogen en het ongunstige LDL-cholesterol verlagen. Vis bevat gezonde onverzadigde visvetzuren waaronder EPA en DHA. Deze vetzuren verminderen het risico op coronaire hartziekten. Het is niet waarschijnlijk dat er een verband bestaat tussen de inname van visvetzuren en het risico op kanker (Gezondheidsraad, 2006; WCRF/AICR, 2007).

Totale hoeveelheid vet heeft geen effect op kanker

De totale hoeveelheid vetzuren in voeding heeft geen effect op welk type kanker dan ook (WCRF/AICR, 2007). Het is aannemelijk dat een lagere hoeveelheid vetzuren het risico op diabetes mellitus type 2 verlaagt (Gezondheidsraad, 2006). Waarschijnlijk geeft een zeer hoge consumptie van meervoudig onverzadigde vetzuren, zoals alfa-linoleenzuur en linolzuur, een hoger risico op bepaalde vormen van kanker.

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2006. Den Haag: Gezondheidsraad; 2006. Bron
  2. WCRF/AICR. Food, Nutrition, Physical Activity and the Prevention of Cancer: a Global Perspective. Second expert report. Policy Report ed. Washington DC: World Cancer Research Fund. AICR, American Institute for Cancer Research; 2007. Bron

Relatie microvoedingsstoffen en gezondheid

Voedingssupplementen leveren geen extra gezondheidswinst

Veel mensen slikken voedingssupplementen met micronutriënten (vitamines, mineralen en spoorelementen) om deficiënties te voorkomen, en vooral vanwege de veronderstelde positieve effecten op de gezondheid. Het wordt echter steeds duidelijker dat deze gezondheidseffecten niet aan te tonen zijn (WCRF/AICR, 2007; Sesso et al., 2008; Gaziano et al., 2009). Langdurig meer micronutriënten innemen dan de veilige bovengrens aangeeft, kan zelfs schadelijk zijn voor de gezondheid. Een voorbeeld hiervan is foliumzuurinname bij personen boven de vijftig jaar. Als die te hoog is, vergroot dat het risico op dikkedarmkanker (Ulrich, 2008; Kim, 2008).

Geen volksgezondheidsproblemen bekend voor tekorten

In Nederland zijn geen volksgezondheidsproblemen bekend die samenhangen met tekorten aan vitaminen B2, B6, B12 of koper. Voor vitaminen A, B1, C, E, calcium, magnesium, kalium, zink en ijzer is het onduidelijk of een lage inname ook leidt tot een tekort (van Rossum et al., 2011).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. WCRF/AICR. Food, Nutrition, Physical Activity and the Prevention of Cancer: a Global Perspective. Second expert report. Policy Report ed. Washington DC: World Cancer Research Fund. AICR, American Institute for Cancer Research; 2007. Bron
  2. Sesso HD, Buring JE, Christen WG, Kurth T, Belanger C, MacFadyen J, et al. Vitamins E and C in the prevention of cardiovascular disease in men: the Physicians' Health Study II randomized controlled trial. JAMA. 2008;300(18):2123-33. Pubmed | DOI
  3. Gaziano JM, Glynn RJ, Christen WG, Kurth T, Belanger C, MacFadyen J, et al. Vitamins E and C in the prevention of prostate and total cancer in men: the Physicians' Health Study II randomized controlled trial. JAMA. 2009;301(1):52-62. Pubmed | DOI
  4. Ulrich CM. Folate and cancer prevention--where to next? Counterpoint. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev. 2008;17(9):2226-30. Pubmed | DOI
  5. Kim Y-I. Folic acid supplementation and cancer risk: point. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev. 2008;17(9):2220-5. Pubmed | DOI
  6. van Rossum CTM, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma-Rethans EEJM, Ocké MC. Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010: Diet of children and adults aged 7 to 69 years. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; 2011. Bron

Relatie voeding en ziekten via determinanten

Relatie voeding en ziekten vaak via determinanten

De relatie tussen voeding en het risico op een chronische ziekte verloopt ook via intermediaire factoren (determinanten):

Beperkt gebruik keukenzout leidt tot verlaging bloeddruk

Minder natrium (keukenzout) innemen verlaagt de bloeddruk op populatieniveau, wat vervolgens het risico op hart- en vaatziekten verlaagt (Brinsden & Farrand, 2012; Gezondheidsraad, 2006). De consumptie van veel zout en gezouten producten verhoogt bovendien het risico op maagkanker (WCRF/AICR, 2007).

Voeding, bewegen en gezond gewicht belangrijk in voorkomen van ziekten

Naar schatting is 25% van alle kankers te voorkomen door juiste voeding, voldoende lichamelijke activiteit en een gezond lichaamsgewicht (WCRF/AICR, 2009). Er is steeds meer inzicht in de (complexe) relatie tussen voeding en kanker, maar het beeld is niet altijd eenduidig of stabiel. Zo werd er in 1997 nog van uitgegaan dat zelfs 30 tot 40% van alle kankers voorkomen zou worden door die combinatie van factoren. Verder bestaat de gedachte dat de incidentie van hart- en vaatziekten met 20 tot 30% afneemt door een combinatie van juiste voeding en voldoende activiteit (Engelfriet et al., 2010).

 

Meer informatie

Ziektelast in DALY's: bijdrage van risicofactoren

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. KWF Kankerbestrijding. De rol van voeding bij het ontstaan van kanker. Signaleringscommissie Kanker van KWF Kankerbestrijding. 2004. Bron
  2. WCRF/AICR. Food, Nutrition, Physical Activity and the Prevention of Cancer: a Global Perspective. Second expert report. Policy Report ed. Washington DC: World Cancer Research Fund. AICR, American Institute for Cancer Research; 2007. Bron
  3. Brinsden HC, Farrand CE. Reducing salt; preventing stroke. Nutrition Bulletin. 2012;37. Bron
  4. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2006. Den Haag: Gezondheidsraad; 2006. Bron
  5. WCRF/AICR. Food, Nutrition, and Physical activity: a global perspective. Policy Report. World Cancer Research Fund. AICR, American Institute for Cancer ResearchPolicy and Action for Cancer Prevention, Washington; 2009. Bron
  6. Engelfriet PM, Hoekstra J, Hoogenveen RT, Büchner F, van Rossum CTM, Verschuren WMM. Food and vessels: the importance of a healthy diet to prevent cardiovascular disease. Eur J Cardiovasc Prev Rehabil. 2010;17(1):50-5. Pubmed | DOI

Relatie voeding en sterfte

Beschikbaarheid gezonde voeding verlaagt sterfte

Hoe meer groente (inclusief peulvruchten), fruit, vis, zeevruchten en olijfolie er beschikbaar zijn (en hoe meer die voedingsmiddelen dan ook geconsumeerd worden), hoe lager de totale sterftecijfers, en in het bijzonder de sterfte aan kanker en coronaire hartziekten. Dat blijkt uit een ecologische studie gebaseerd op sterftecijfers en gegevens over de beschikbaarheid van de genoemde voedselgroepen in achttien Europese landen (Naska et al., 2009). Nederland nam niet deel aan deze studie.

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Naska A, Berg M-A, Cuadrado C, Freisling H, Gedrich K, Gregoric M, et al. Food balance sheet and household budget survey dietary data and mortality patterns in Europe. Br J Nutr. 2009;102(1):166-71. Pubmed | DOI

Verantwoording

Definities
  • Voeding en voedsel

    Voedsel en voeding zijn twee verschillende begrippen. Ze zijn niet inwisselbaar. Voedsel is het geheel aan voedingsmiddelen en dranken. Het begrip voeding is breder en behelst ook aspecten als voedingsgedrag, metabolisme en welke nutriënten en hoeveel energie het lichaam nodig heeft om goed te functioneren. De informatie op VZinfo.nl gaat over voeding en in het bijzonder over de vraag of de huidige en toekomstige voeding voldoet aan de Richtlijnen goede voeding voor de algemene bevolking en aan de aanbevelingen voor micronutriënten voor specifieke risicogroepen.

  • Richtlijnen goede voeding

    De  Richtlijnen goede voeding vormen een voedingsadvies voor Nederlanders vanaf de leeftijd van twaalf maanden met een stabiel en gezond gewicht. De Richtlijnen goede voeding zijn er vooral op gericht overgewicht, hart- en vaatziekten, diabetes mellitus type 2 en bepaalde vormen van kanker te voorkómen. De overheid gebruikt de richtlijnen bij het ontwikkelen van beleid en bij het monitoren van de effecten ervan (Gezondheidsraad, 2006).

    De Richtlijnen goede voeding (Gezondheidsraad, 2006) zijn:

    • Gebruik dagelijks 150-200 gram groente en 200 gram fruit.
    • Gebruik dagelijks 30-40 gram vezel, vooral afkomstig van groente, fruit en volkoren graanproducten.
    • Gebruik per week twee porties vis (à 100-150 gram), waarvan ten minste één portie vette vis.
    • Beperk het gebruik van verzadigde vetzuren tot minder dan 10 energieprocent (en%) en van enkelvoudig trans-onverzadigde vetzuren tot minder dan 1 en%.
    • Beperk het gebruik van voedingsmiddelen en dranken met gemakkelijk vergistbare suikers en dranken met een hoog gehalte aan voedingszuren tot 7 eet- of drinkmomenten per dag (inclusief hoofdmaaltijden).
    • Beperk de inname van keukenzout tot maximaal 6 gram per dag.
    • Indien men alcoholische drank gebruikt, beperk dit dan tot twee standaard glazen (mannen) of één standaardglas (vrouwen) per dag.
    • Beweeg op ten minste vijf – maar bij voorkeur op alle – dagen van de week minstens een half uur matig inspannend in de vorm van bijvoorbeeld stevig lopen, fietsen of tuinieren.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2006. Den Haag: Gezondheidsraad; 2006. Bron
  • Relatie voeding en ziekten

    Gezonde voeding is voeding die qua samenstelling en hoeveelheid nutriënten optimaal is voor de gezondheid. Dat wil zeggen dat de balans tussen nutriënten en energie-inname risico’s op ziekten verkleint en deficiëntieziekten als rachitis en osteoporose voorkomt (Gezondheidsraad, 2006). Een ongezond voedingspatroon is een belangrijke risicofactor voor een aantal chronische ziekten, waaronder sommige vormen van kanker, hart- en vaatziekten en diabetes mellitus type 2.

    Op VZinfo.nl is te lezen welke relaties bekend zijn tussen deze chronische ziekten en de consumptie van groente en fruit, vet, vis, zout en een aantal micronutriënten. De invloed van voeding op gezondheid blijft echter niet tot deze nutriënten beperkt.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2006. Den Haag: Gezondheidsraad; 2006. Bron
  • Voedingsnormen

    In de Voedingsnormen geeft de Gezondheidsraad advies over de hoeveelheden energie en (micro)nutriënten die mensen nodig hebben. Het doel hiervan is tekorten van bepaalde nutriënten te voorkomen én het risico te beperken op een inname hoger dan de vastgestelde veilige bovengrens. De meest recente voedingsnormen zijn de nieuwe voedingsnormen voor vitamine D (Gezondheidsraad, 2012).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Gezondheidsraad. Evaluatie van de voedingsnormen voor vitamine D. Den Haag: Gezondheidsraad; 2012. Bron
  • Richtlijnen Voedselkeuze

    De  Richtlijnen Voedselkeuze zijn een praktische vertaling van de Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen voor de toepassing in voedingsvoorlichting aan de bevolking. Er staan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden in van voedingsmiddelen om met het Nederlandse voedingspatroon te komen tot de Richtlijnen goede voeding (Voedingscentrum, 2011).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Voedingscentrum. Richtlijnen voedselkeuze. Den Haag: Voedingscentrum; 2011. Bron
  • Extra micronutriënten voor specifieke bevolkingsgroepen

    Goede en gevarieerde voeding bevat over het algemeen voldoende micronutriënten voor gezonde mensen. Sommige bevolkingsgroepen hebben, vanwege hun specifieke situatie, een verhoogd risico op een tekort van een bepaald nutriënt. Voor hen gelden specifieke adviezen om naast een gevarieerd eetpatroon bepaalde extra micronutriënten tot zich te nemen. Het gaat om de volgende micronutriënten en groepen (Gezondheidsraad, 2012; Gezondheidsraad, 2009; Gezondheidsraad, 2006; Gezondheidsraad, 2003; Gezondheidsraad, 2001; Gezondheidsraad, 2000; Gezondheidsraad, 1992):

    • Foliumzuur voor vrouwen met een kinderwens. De reden hiervoor is het verminderde risico op de geboorte van een kind met neurale buisdefecten (bijvoorbeeld spina bifida of een open rug).
    • Vitamine K om hersenbloedingen te voorkomen, voor pasgeborenen en borstgevoede zuigelingen gedurende de eerste drie maanden na de geboorte.
    • Vitamine B12 voor veganisten. Borstgevoede zuigelingen met een moeder die veganistisch eet en geen extra vitamine B12 gebruikt, lopen een zeer groot risico op ernstige neurologische klachten als gevolg van een vitamine B12-tekort.
    • Vitamine D voor verschillende bevolkingsgroepen (zie hierna).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Gezondheidsraad. Evaluatie van de voedingsnormen voor vitamine D. Den Haag: Gezondheidsraad; 2012. Bron
    2. Gezondheidsraad. Naar een voldoende inname van vitamines en mineralen. Den Haag: Gezondheidsraad; 2009. Bron
    3. Gezondheidsraad. Richtlijn voor de vezelconsumptie. Den Haag: Gezondheidsraad; 2006. Bron
    4. Gezondheidsraad. Voedingsnormen: vitamine B6, foliumzuur en vitamine B12. Den Haag: Gezondheidsraad; 2003. Bron
    5. Gezondheidsraad. Voedingsnormen energie, eiwitten, vetten en verteerbare koolhydraten. Den Haag: Gezondheidsraad; 2001. Bron
    6. Gezondheidsraad. Voedingsnormen calcium, vitamine D, thiamine, riboflavine, niacine, panthotheenzuur en biotinee. Den Haag: Gezondheidsraad; 2000. Bron
    7. Gezondheidsraad. Nederlandse Voedingsnormen 1989 (editie 1992). Den Haag: Gezondheidsraad; 1992. Bron
  • Extra vitamine D voor verschillende bevolkingsgroepen

    Vitamine D speelt een rol bij de botopbouw en wordt onder invloed van ultraviolette straling uit zonlicht aangemaakt in de huid. Hoeveel vitamine D er wordt aangemaakt, hangt af van de leeftijd, de hoeveelheid pigment in de huid en de tijdsduur dat de huid is blootgesteld aan de zon (IARC, 2008b). Vitamine D zit ook in voeding, bijvoorbeeld in vis, vlees, halvarine en margarine. De Gezondheidsraad adviseert de volgende bevolkingsgroepen extra vitamine D in te nemen (Gezondheidsraad, 2012):

    •     jonge kinderen van 0 tot 4 jaar (10 mcg)
    •     mensen met een donkere huid (10 mcg)
    •     mensen die weinig of niet in de zon komen (10 mcg)
    •     vrouwen die zwanger zijn of borstvoeding geven (10 mcg)
    •     vrouwen die een sluier dragen (10 mcg)
    •     vrouwen van 50 tot 70 jaar (10mcg)
    •     mannen en vrouwen vanaf 70 jaar (20 mcg).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Gezondheidsraad. Evaluatie van de voedingsnormen voor vitamine D. Den Haag: Gezondheidsraad; 2012. Bron
Bronverantwoording
  • Voedselconsumptiepeiling (VCP)

    De voedselconsumptiepeilingen (VCP) brengen de voedselconsumptie en nutriënteninname van de Nederlandse bevolking in beeld. De meest recente resultaten van de hele bevolking zijn van de VCP-basisgegevensverzameling 2007-2010, waarin het RIVM de consumptie van de algemene bevolking van 7 tot 69 jaar heeft gemeten (van Rossum et al., 2011). In de volgende VCP wordt van 2012 tot 2016 de voedselconsumptie in de leeftijdsgroep van 1 tot en met 79 jaar gemeten.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van Rossum CTM, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma-Rethans EEJM, Ocké MC. Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010: Diet of children and adults aged 7 to 69 years. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; 2011. Bron
  • Voedingsstatusonderzoek

    Voor enkele mineralen kan de inname met voedselconsumptiepeilingen niet goed worden bepaald en is voedingsstatusonderzoek nodig. Daarin worden mineralen en andere stoffen gemeten in onder andere bloed en urine. De consumptie van jodium en natrium (zout) kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de uitscheiding in 24-uurs urine (van den Hooven et al., 2007). Ook wordt de aanwezigheid van bepaalde stoffen in het bloed gemeten. De resultaten op VZinfo.nl zijn afkomstig van voedingsstatusonderzoek uit 2006 en 2010 (van Rossum et al., 2011).

    De combinatie van de voedselconsumptiepeilingen en het voedingsstatusonderzoek geeft een beeld van de mate waarin Nederlanders voldoen aan de Richtlijnen goede voeding en de Nederlandse Voedingsnormen, anders gezegd, hoe gezond Nederlanders eten.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van den Hooven C, Fransen H, Janse E, Ocké MC. 24-uurs urine-excretie van natrium. Voedingsstatusonderzoek bij volwassen Nederlanders. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2007. Bron
    2. van Rossum CTM, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma-Rethans EEJM, Ocké MC. Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010: Diet of children and adults aged 7 to 69 years. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; 2011. Bron
Methoden
  • Opleidingsniveau en etniciteit

    Als maat voor de sociaaleconomische status is hier gebruik gemaakt van het opleidingsniveau. Bij kinderen wordt gekeken naar het opleidingsniveau van de ouders en/of verzorgers.

  • Internationale vergelijkingen

    Internationale vergelijkingen van voedselpatronen zijn vaak gebaseerd op schattingen, omdat er weinig goede gegevensbronnen zijn om consumptiegegevens bij de totale bevolking te kunnen vergelijken. Waar mogelijk maakt VZ-info.nl bij de internationale vergelijkingen gebruik van ECHI-indicatoren. ECHI-indicatoren (European Community Health Indicators) worden gebruikt om de volksgezondheid in de EU te monitoren en te vergelijken. Bij het onderwerp Voeding gebruiken we ECHI indicator 49 ‘Consumption of fruit’.