Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

VoedingCijfers & ContextBevolkingsgroepen

Cijfers & Context

De inname van transvetzuren is gedaald

Regionaal & Internationaal

Nederlandse tieners ontbijten vaak

Kosten

Preventie & Zorg

Wetgeving en voorlichting bereiken veel mensen

Groente- en fruitconsumptie naar opleidingsniveau - volwassenen

Gemiddelde voedselconsumptie naar opleidingsniveau

Leeftijdsgroep 19- tot 69-jarigen
 
 

Voedingsnorm

Mannen

Vrouwen

   

Laag

Gemiddeld

Hoog

p1

Laag

Gemiddeld

Hoog

p1

Groenten

≥200 g/dag

124

125

147

0,01

120

129

147

0,004

Fruit

≥200 g/dag

93

110

123

0,02

116

124

147

0,06

Vezels

3,4 g/MJ /dag

2,1

2,1

2,3

0,01

2,3

2,3

2,5

0,005

Vis

≥1 x/week

42

45

56

<0,01

52,7

51

55

0,44

 

 Bron: VCP 2007-2010, Geurts et al., 2013

1 p<0,05 = significant

Hoger opgeleiden eten meer groente en fruit

Volwassenen met een hoog opleidingsniveau (hoger beroepsonderwijs of universiteit) eten gemiddeld meer groente en fruit dan mensen met een lage opleiding (geen onderwijs of alleen basisonderwijs). Het gaat om een klein, maar significant verschil van 25 gram groente (ongeveer 2 à 3 cherrytomaatjes) en 30 gram fruit (zo'n kwart appel) per dag.

Volwassenen met het hoogste opleidingsniveau consumeren gemiddeld ook meer vezels en vis dan lager opgeleide volwassenen. Voor fruit en vis zijn de verschillen tussen hoger en lager opgeleide vrouwen niet significant. In het algemeen consumeren volwassenen van alle opleidingsniveaus niet de aanbevolen hoeveelheden groente, fruit, vezels en vis (Geurts et al., 2013).

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. VCP, Voedselconsumptiepeiling. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Geurts M, Beukers M, van Rossum CTM. Memo: Consumptie groenten, fruit, vis en een aantal nutriënten opgedeeld naar opleidingsniveau en verstedelijking. Bilthoven: RIVM; 2013. Bron

Groente- en fruitconsumptie naar opleidingsniveau - kinderen

Gemiddelde voedselconsumptie naar opleidingsniveau

Leeftijdsgroep 7- tot 18-jarigen
 

Voedingsnorm

Jongens

Meisjes

   

Laag

Gemiddeld

Hoog

p1

Laag

Gemiddeld

Hoog

p1

Groenten

≥150 g/dag 2

72

77

92

0,002

63

75

84

0,004

Fruit

≥150 g/dag 3

73

86

88

0,41

81

86

108

0,02

Vezels

3,4 g/MJ/dag

1,8

1,9

2,0

<0.0001

1,8

2,0

2,1

<0.0001

Vis

≥1 x/week

24

32,3

38,5

-

23

27,2

34,6

-

Visvetzuren

250 mg/dag 4

75

78

93

0,72

97

60

86

0,14

Totale vetzuren

<40 en%

34,4

33,3

32,6

0,03

34,0

33,1

33,0

0,23

Verzadigde vetzuren

<10 en%

12,5

12,5

12,3

0,67

12,8

12,6

12,6

0,60

Transvetzuren

<1 en%

0,6

0,5

0,5

0,34

0,5

0,6

0,5

0,38

Bronnen: VCP 2007-2010, Geurts et al., 2013; EFSA, 2010 (richtlijn visvetzuren)

1 p<0,05 = significant
2 Richtlijn voor 7- tot 13-jarigen is 150 g/dag en voor de overige leeftijden 200 g/dag
3 Richtlijn voor 7- en 8-jarigen is 150 g/dag en voor de overige leeftijden 200 g/dag
4 Deze richtlijn is afkomstig van een andere bron (EFSA, 2010c) en geldt voor kinderen vanaf 7 jaar en volwassenen

Kinderen met hoogopgeleide ouders eten meer groente en fruit

Kinderen met hoog opgeleide ouders eten meer groente, fruit en vis dan kinderen met lager opgeleide ouders. Ook krijgen kinderen van hoog opgeleide ouders meer vezels binnen. Net als bij de volwassenen gaat het over kleine maar significante verschillen. Voor jongens zijn de verschillen in fruitconsumptie niet significant. Wel eten jongens met hoog opgeleide ouders gemiddeld minder vet dan die met lager opgeleide ouders (Geurts et al., 2013).

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. VCP, Voedselconsumptiepeiling. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Geurts M, Beukers M, van Rossum CTM. Memo: Consumptie groenten, fruit, vis en een aantal nutriënten opgedeeld naar opleidingsniveau en verstedelijking. Bilthoven: RIVM; 2013. Bron

Consumptie vetzuren naar opleidingsniveau - volwassenen

Gemiddelde consumptie vetzuren naar opleidingsniveau

Leeftijdsgroep 19- tot 69-jarigen
 

Voedingsnorm

Mannen

Vrouwen

   

Laag

Gemiddeld

Hoog

p

Laag

Gemiddeld

Hoog

p

Visvetzuren

250 mg/dag 2

159

158

233

0,11

151

164

247

0,21

Totale vetzuren

<40 en%

35,1

34,4

34,1

0,20

34,5

33,5

33,4

0,10

Verzadigde vetzuren

<10 en%

13,0

12,7

12,7

0,35

13,2

12,8

12,8

0,20

Transvetzuren

<1 en%

0,6

0,5

0,6

0,19

0,6

0,6

0,6

0,81

 

Bron: VCP 2007-2010; Geurts et al., 2013; EFSA, 2010 (richtlijn visvetzuren)

Geen verschil in consumptie vetzuren naar opleidingsniveau

De inname van vetzuren verschilt niet significant per opleidingsniveau. Lager opgeleide volwassenen krijgen de meeste vetzuren binnen, ook verzadigde vetzuren, terwijl de hoogst opgeleiden meer visvetzuren innemen. In het algemeen krijgen volwassenen van alle opleidingsniveaus gemiddeld in totaal minder vetzuren binnen dan de aanbevolen hoeveelheid van 40 energieprocent (en%) per dag en meer verzadigd vet dan aanbevolen (10 en%). Opleidingsniveau heeft ook geen invloed op de consumptie van transvetzuren. Gemiddeld is de inname 0,6 en%. Dit ligt onder de aanbevolen hoeveelheid van 1 en% (Geurts et al., 2013).

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. VCP, Voedselconsumptiepeiling. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Geurts M, Beukers M, van Rossum CTM. Memo: Consumptie groenten, fruit, vis en een aantal nutriënten opgedeeld naar opleidingsniveau en verstedelijking. Bilthoven: RIVM; 2013. Bron

Consumptie overig naar opleidingsniveau

Hoger opgeleide mannen hebben lagere energie-inname

Laag opgeleide mannen nemen gemiddeld meer energie in dan hoog opgeleide mannen (van Rossum et al., 2011). Een hoge energie-inname in combinatie met te weinig lichamelijke activiteit kan leiden tot overgewicht (Ocké & Kromhout, 2004). Bij vrouwen en meisjes is er geen verschil in energie-inname naar opleidingsniveau. Jongens nemen juist meer energie in wanneer de ouders hoog opgeleid zijn.

Minder folaatinname onder kinderen van laag opgeleiden

Kinderen van laag opgeleide ouders krijgen het minste folaat binnen (van Rossum et al., 2011). Folaat is foliumzuur dat van nature voorkomt in voedingsmiddelen.

Helft van vrouwen met kinderwens neemt geen foliumzuur

Vrouwen met een kinderwens wordt aangeraden naast het folaat dat ze via de voeding binnenkrijgen, via een supplement 400 mg foliumzuur extra in te nemen. De helft van de Nederlandse vrouwen gebruikt echter geen foliumzuursupplement rond de conceptie of begint te laat. Vrouwen met een lagere opleiding gebruiken minder vaak foliumzuursupplementen dan vrouwen met een hogere opleiding (Gezondheidsraad, 2008).

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Rossum CTM, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma-Rethans EEJM, Ocké MC. Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010: Diet of children and adults aged 7 to 69 years. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; 2011. Bron
  2. Ocké MC, Kromhout D. Voeding in relatie tot gezondheid en ziekte. In: Ons eten gemeten. Gezonde voeding en veilig voedsel in Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; 2004. Bron
  3. Gezondheidsraad. Naar een optimaal gebruik van foliumzuur. Den Haag: Gezondheidsraad; 2008. Bron

Consumptie naar etniciteit

Groenteconsumptie van Turken en Marokkanen gunstiger dan van autochtonen

Turkse mannen en vrouwen en Marokkaanse vrouwen eten meer groente dan autochtonen. Toch halen, met uitzondering van Turkse vrouwen, ook Turkse en Marokkaanse Nederlanders de aanbevolen twee stuks fruit (200 gram) en 200 gram groente per dag niet. Alleen Turkse vrouwen voldoen aan die norm. Dit blijkt uit een studie onder 18- tot 30-jarigen van Turkse en Marokkaanse afkomst (Palsma et al., 2006; Nicolaou et al., 2007).

Turkse en Marokkaanse vrouwen eten meer gezonde vetten

Turkse en Marokkaanse vrouwen hebben een hogere inname van de gezonde (meervoudig en enkelvoudig onverzadigde) vetzuren dan de autochtone vrouwen. Wel hebben Turkse en Marokkaanse Nederlanders evenals autochtonen een te hoge inname van verzadigd vet (Palsma et al., 2006; Nicolaou et al., 2007).

Allochtonen nemen minder vitamine D, ijzer en calcium

Turken en Marokkanen van 18 tot 30 jaar nemen minder vitamine D, ijzer en calcium in dan autochtonen en bovendien minder dan aanbevolen (Palsma et al., 2006; Nicolaou et al., 2007). Ook vrouwen met een Surinaamse achtergrond hebben een relatief lage ijzer- en calciuminname (van Dam et al., 2005).

Veel allochtone vrouwen gebruiken geen foliumzuursupplement

Ruim 75% van de vrouwen met een niet-Nederlandse achtergrond gebruikt geen foliumzuursupplement rond de conceptie of begint te laat. Van de autochtone vrouwen gebruikt de helft geen supplement of begint te laat (Gezondheidsraad, 2008).

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Palsma AH, Nicolaou M, van Dam RM, Stronks K. De voeding van Turkse en Marokkaanse Nederlanders in de leeftijd van 18-30 jaar: prioriteiten voor voedingsinterventies. Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen. 2006;84(7). Bron
  2. Nicolaou M, Palsma AH, Stronks K. De voeding van jonge volwassenen van Turkse en Marokkaanse afkomst. Een probleemanalyse en aanbevelingen voor voedingsinterventies. Amsterdam: AMC, afdeling Sociale Geneeskunde; 2007. Bron
  3. van Dam RM, Nicolaou M, Stronks K. Voedingspatroon van Surinaamse Amsterdammers in kaart gebracht. Nederlands Tijdschrift voor de Diëtisten. 2005;60(4). Bron
  4. Gezondheidsraad. Naar een optimaal gebruik van foliumzuur. Den Haag: Gezondheidsraad; 2008. Bron

Verantwoording

Definities
  • Voeding en voedsel

    Voedsel en voeding zijn twee verschillende begrippen. Ze zijn niet inwisselbaar. Voedsel is het geheel aan voedingsmiddelen en dranken. Het begrip voeding is breder en behelst ook aspecten als voedingsgedrag, metabolisme en welke nutriënten en hoeveel energie het lichaam nodig heeft om goed te functioneren. De informatie op VZinfo.nl gaat over voeding en in het bijzonder over de vraag of de huidige en toekomstige voeding voldoet aan de Richtlijnen goede voeding voor de algemene bevolking en aan de aanbevelingen voor micronutriënten voor specifieke risicogroepen.

  • Richtlijnen goede voeding

    De  Richtlijnen goede voeding vormen een voedingsadvies voor Nederlanders vanaf de leeftijd van twaalf maanden met een stabiel en gezond gewicht. De Richtlijnen goede voeding zijn er vooral op gericht overgewicht, hart- en vaatziekten, diabetes mellitus type 2 en bepaalde vormen van kanker te voorkómen. De overheid gebruikt de richtlijnen bij het ontwikkelen van beleid en bij het monitoren van de effecten ervan (Gezondheidsraad, 2006).

    De Richtlijnen goede voeding (Gezondheidsraad, 2006) zijn:

    • Gebruik dagelijks 150-200 gram groente en 200 gram fruit.
    • Gebruik dagelijks 30-40 gram vezel, vooral afkomstig van groente, fruit en volkoren graanproducten.
    • Gebruik per week twee porties vis (à 100-150 gram), waarvan ten minste één portie vette vis.
    • Beperk het gebruik van verzadigde vetzuren tot minder dan 10 energieprocent (en%) en van enkelvoudig trans-onverzadigde vetzuren tot minder dan 1 en%.
    • Beperk het gebruik van voedingsmiddelen en dranken met gemakkelijk vergistbare suikers en dranken met een hoog gehalte aan voedingszuren tot 7 eet- of drinkmomenten per dag (inclusief hoofdmaaltijden).
    • Beperk de inname van keukenzout tot maximaal 6 gram per dag.
    • Indien men alcoholische drank gebruikt, beperk dit dan tot twee standaard glazen (mannen) of één standaardglas (vrouwen) per dag.
    • Beweeg op ten minste vijf – maar bij voorkeur op alle – dagen van de week minstens een half uur matig inspannend in de vorm van bijvoorbeeld stevig lopen, fietsen of tuinieren.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2006. Den Haag: Gezondheidsraad; 2006. Bron
  • Relatie voeding en ziekten

    Gezonde voeding is voeding die qua samenstelling en hoeveelheid nutriënten optimaal is voor de gezondheid. Dat wil zeggen dat de balans tussen nutriënten en energie-inname risico’s op ziekten verkleint en deficiëntieziekten als rachitis en osteoporose voorkomt (Gezondheidsraad, 2006). Een ongezond voedingspatroon is een belangrijke risicofactor voor een aantal chronische ziekten, waaronder sommige vormen van kanker, hart- en vaatziekten en diabetes mellitus type 2.

    Op VZinfo.nl is te lezen welke relaties bekend zijn tussen deze chronische ziekten en de consumptie van groente en fruit, vet, vis, zout en een aantal micronutriënten. De invloed van voeding op gezondheid blijft echter niet tot deze nutriënten beperkt.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2006. Den Haag: Gezondheidsraad; 2006. Bron
  • Voedingsnormen

    In de Voedingsnormen geeft de Gezondheidsraad advies over de hoeveelheden energie en (micro)nutriënten die mensen nodig hebben. Het doel hiervan is tekorten van bepaalde nutriënten te voorkomen én het risico te beperken op een inname hoger dan de vastgestelde veilige bovengrens. De meest recente voedingsnormen zijn de nieuwe voedingsnormen voor vitamine D (Gezondheidsraad, 2012).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Gezondheidsraad. Evaluatie van de voedingsnormen voor vitamine D. Den Haag: Gezondheidsraad; 2012. Bron
  • Richtlijnen Voedselkeuze

    De  Richtlijnen Voedselkeuze zijn een praktische vertaling van de Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen voor de toepassing in voedingsvoorlichting aan de bevolking. Er staan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden in van voedingsmiddelen om met het Nederlandse voedingspatroon te komen tot de Richtlijnen goede voeding (Voedingscentrum, 2011).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Voedingscentrum. Richtlijnen voedselkeuze. Den Haag: Voedingscentrum; 2011. Bron
  • Extra micronutriënten voor specifieke bevolkingsgroepen

    Goede en gevarieerde voeding bevat over het algemeen voldoende micronutriënten voor gezonde mensen. Sommige bevolkingsgroepen hebben, vanwege hun specifieke situatie, een verhoogd risico op een tekort van een bepaald nutriënt. Voor hen gelden specifieke adviezen om naast een gevarieerd eetpatroon bepaalde extra micronutriënten tot zich te nemen. Het gaat om de volgende micronutriënten en groepen (Gezondheidsraad, 2012; Gezondheidsraad, 2009; Gezondheidsraad, 2006; Gezondheidsraad, 2003; Gezondheidsraad, 2001; Gezondheidsraad, 2000; Gezondheidsraad, 1992):

    • Foliumzuur voor vrouwen met een kinderwens. De reden hiervoor is het verminderde risico op de geboorte van een kind met neurale buisdefecten (bijvoorbeeld spina bifida of een open rug).
    • Vitamine K om hersenbloedingen te voorkomen, voor pasgeborenen en borstgevoede zuigelingen gedurende de eerste drie maanden na de geboorte.
    • Vitamine B12 voor veganisten. Borstgevoede zuigelingen met een moeder die veganistisch eet en geen extra vitamine B12 gebruikt, lopen een zeer groot risico op ernstige neurologische klachten als gevolg van een vitamine B12-tekort.
    • Vitamine D voor verschillende bevolkingsgroepen (zie hierna).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Gezondheidsraad. Evaluatie van de voedingsnormen voor vitamine D. Den Haag: Gezondheidsraad; 2012. Bron
    2. Gezondheidsraad. Naar een voldoende inname van vitamines en mineralen. Den Haag: Gezondheidsraad; 2009. Bron
    3. Gezondheidsraad. Richtlijn voor de vezelconsumptie. Den Haag: Gezondheidsraad; 2006. Bron
    4. Gezondheidsraad. Voedingsnormen: vitamine B6, foliumzuur en vitamine B12. Den Haag: Gezondheidsraad; 2003. Bron
    5. Gezondheidsraad. Voedingsnormen energie, eiwitten, vetten en verteerbare koolhydraten. Den Haag: Gezondheidsraad; 2001. Bron
    6. Gezondheidsraad. Voedingsnormen calcium, vitamine D, thiamine, riboflavine, niacine, panthotheenzuur en biotinee. Den Haag: Gezondheidsraad; 2000. Bron
    7. Gezondheidsraad. Nederlandse Voedingsnormen 1989 (editie 1992). Den Haag: Gezondheidsraad; 1992. Bron
  • Extra vitamine D voor verschillende bevolkingsgroepen

    Vitamine D speelt een rol bij de botopbouw en wordt onder invloed van ultraviolette straling uit zonlicht aangemaakt in de huid. Hoeveel vitamine D er wordt aangemaakt, hangt af van de leeftijd, de hoeveelheid pigment in de huid en de tijdsduur dat de huid is blootgesteld aan de zon (IARC, 2008b). Vitamine D zit ook in voeding, bijvoorbeeld in vis, vlees, halvarine en margarine. De Gezondheidsraad adviseert de volgende bevolkingsgroepen extra vitamine D in te nemen (Gezondheidsraad, 2012):

    •     jonge kinderen van 0 tot 4 jaar (10 mcg)
    •     mensen met een donkere huid (10 mcg)
    •     mensen die weinig of niet in de zon komen (10 mcg)
    •     vrouwen die zwanger zijn of borstvoeding geven (10 mcg)
    •     vrouwen die een sluier dragen (10 mcg)
    •     vrouwen van 50 tot 70 jaar (10mcg)
    •     mannen en vrouwen vanaf 70 jaar (20 mcg).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Gezondheidsraad. Evaluatie van de voedingsnormen voor vitamine D. Den Haag: Gezondheidsraad; 2012. Bron
Bronverantwoording
  • Voedselconsumptiepeiling (VCP)

    De voedselconsumptiepeilingen (VCP) brengen de voedselconsumptie en nutriënteninname van de Nederlandse bevolking in beeld. De meest recente resultaten van de hele bevolking zijn van de VCP-basisgegevensverzameling 2007-2010, waarin het RIVM de consumptie van de algemene bevolking van 7 tot 69 jaar heeft gemeten (van Rossum et al., 2011). In de volgende VCP wordt van 2012 tot 2016 de voedselconsumptie in de leeftijdsgroep van 1 tot en met 79 jaar gemeten.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van Rossum CTM, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma-Rethans EEJM, Ocké MC. Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010: Diet of children and adults aged 7 to 69 years. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; 2011. Bron
  • Voedingsstatusonderzoek

    Voor enkele mineralen kan de inname met voedselconsumptiepeilingen niet goed worden bepaald en is voedingsstatusonderzoek nodig. Daarin worden mineralen en andere stoffen gemeten in onder andere bloed en urine. De consumptie van jodium en natrium (zout) kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de uitscheiding in 24-uurs urine (van den Hooven et al., 2007). Ook wordt de aanwezigheid van bepaalde stoffen in het bloed gemeten. De resultaten op VZinfo.nl zijn afkomstig van voedingsstatusonderzoek uit 2006 en 2010 (van Rossum et al., 2011).

    De combinatie van de voedselconsumptiepeilingen en het voedingsstatusonderzoek geeft een beeld van de mate waarin Nederlanders voldoen aan de Richtlijnen goede voeding en de Nederlandse Voedingsnormen, anders gezegd, hoe gezond Nederlanders eten.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van den Hooven C, Fransen H, Janse E, Ocké MC. 24-uurs urine-excretie van natrium. Voedingsstatusonderzoek bij volwassen Nederlanders. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2007. Bron
    2. van Rossum CTM, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma-Rethans EEJM, Ocké MC. Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010: Diet of children and adults aged 7 to 69 years. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; 2011. Bron
Methoden
  • Opleidingsniveau en etniciteit

    Als maat voor de sociaaleconomische status is hier gebruik gemaakt van het opleidingsniveau. Bij kinderen wordt gekeken naar het opleidingsniveau van de ouders en/of verzorgers.

  • Internationale vergelijkingen

    Internationale vergelijkingen van voedselpatronen zijn vaak gebaseerd op schattingen, omdat er weinig goede gegevensbronnen zijn om consumptiegegevens bij de totale bevolking te kunnen vergelijken. Waar mogelijk maakt VZ-info.nl bij de internationale vergelijkingen gebruik van ECHI-indicatoren. ECHI-indicatoren (European Community Health Indicators) worden gebruikt om de volksgezondheid in de EU te monitoren en te vergelijken. Bij het onderwerp Voeding gebruiken we ECHI indicator 49 ‘Consumption of fruit’.