Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

SterfteCijfers & ContextTrends

Cijfers & Context

Toename absolute sterfte door vergrijzing

Regionaal & Internationaal

Sterfte in Nederland gemiddeld in EU

Kosten

Preventie & Zorg

Trend in absolute sterfte naar geslacht

Absolute sterfte 1950-2020

JaarMannenVrouwenTotaal
195038,936,675,5
195140,137,177,2
195239,236,776,0
195341,938,680,5
195441,837,579,3
195543,238,181,3
195644,639,884,5
195743,938,782,6
195845,039,284,2
195946,539,485,8
196047,240,187,3
196148,039,887,8
196251,641,993,5
196352,842,595,4
196452,041,493,4
196554,543,598,0
196655,644,9100,5
196755,844,099,8
196858,646,3105,0
196959,648,1107,6
197061,148,6109,6
197161,149,1110,2
197263,250,4113,6
197361,549,2110,7
197460,648,6109,3
197563,550,2113,7
197664,050,5114,5
197761,348,8110,1
197863,650,8114,4
197962,250,4112,6
198063,351,0114,3
198163,552,0115,5
198264,153,1117,3
198364,353,5117,8
198464,855,0119,8
198565,856,9122,7
198666,758,7125,3
198765,057,2122,2
198865,458,8124,2
198967,161,8128,9
199066,662,2128,8
199166,763,3130,0
199266,363,6129,9
199369,967,9137,8
199467,066,4133,5
199568,267,4135,7
199669,068,6137,6
199767,268,5135,8
199868,269,3137,5
199968,971,6140,5
200068,871,8140,5
200168,372,1140,4
200269,073,4142,4
200369,072,9141,9
200466,470,2136,6
200566,470,0136,4
200665,370,1135,4
200764,868,2133,0
200864,970,2135,1
200965,468,9134,2
201066,070,1136,1
201165,370,5135,7
201267,972,9140,8
201368,472,9141,2
201467,172,1139,2
201571,076,1147,1
201672,276,8149,0
201772,777,6150,2
201874,578,8153,4
201974,477,5151,9
202084,384,4168,7

Absolute sterfte geleidelijk toegenomen

Onder invloed van de vergrijzing en een groeiende bevolking laat het jaarlijks aantal overledenen een geleidelijke toename zien. De toename was relatief groot na een vrij koude winter van 2012/2013 en een lange griepgolf (21 weken) in 2014/2015 (CBS, 2015). Een griepgolf veroorzaakt vaak een toename van sterfte door hart- en vaatziekten en ziekten van de ademhalingsorganen onder ouderen (Garssen & Hoogenboezem, 2007). Ondanks een verouderende bevolking, is het absolute aantal sterfgevallen tussen 2002 en 2007 afgenomen. Deze afname heeft meerdere oorzaken. Zo was er in de betreffende periode een relatief geringe sterfte als gevolg van extreem hoge of lage temperaturen. Ook deden zich geen grote griepgolven voor, waardoor de sterfte onder ouderen relatief laag was.
In 2020 overleden bijna 17.000 mensen meer dan in 2019. Deze toename is voor een belangrijk deel het gevolg van sterfte aan COVID-19. 

Sinds 1997 overlijden jaarlijks meer vrouwen dan mannen

Sinds1997 overlijden jaarlijks meer vrouwen dan mannen. In de periode daarvoor (vanaf 1950) was het omgekeerde het geval. Dit komt mede doordat de levensverwachting voor mannen sinds 1980 meer is gestegen dan voor vrouwen. Eén van de belangrijkste oorzaken hiervan is de afname van het verschil tussen het aantal rokende mannen en rokende vrouwen. Hierdoor zijn ook sekseverschillen in sterfte aan roken-gerelateerde ziekten, zoals longkanker en hart- en vaatziekten, afgenomen.
Sinds de eeuwwisseling tot en met 2019 was sprake van een vergelijkbare trend in absolute sterfte voor mannen en vrouwen, maar als gevolg van een groter aantal COVID-19-sterfgevallen onder mannen in 2020 overleden er in dat jaar in totaal ongeveer evenveel mannen als vrouwen (Traag & Hoogenboezem, 2021).

Meer informatie

Datum publicatie

10-11-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. CBS. Meer ouderen overleden in de winter.; 2015. Bron
  2. Garssen JJ, Hoogenboezem J. Aantal sterfgevallen blijft dalen. Voorburg / Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2007. Bron
  3. Traag T, Hoogenboezem J. Doodsoorzaken 2000-2020; Verschuivingen in de meestvoorkomende groepen doodsoorzaken tijdens de coronapandemie.; 2021. Bron

Trend in gestandaardiseerde sterfte naar geslacht

Sterfte 1950-2020

JaarMannenVrouwenTotaal
19501.7362.0111.879
19511.7501.9951.879
19521.6831.9291.812
19531.7411.9671.859
19541.7091.8861.802
19551.7431.9121.831
19561.7721.9761.875
19571.6961.8451.775
19581.7011.8141.762
19591.7001.7891.745
19601.6961.7701.735
19611.6661.7021.683
19621.7681.7731.769
19631.7861.7451.765
19641.6861.6191.647
19651.7521.6641.704
19661.7511.6771.705
19671.7161.5781.637
19681.7901.6331.702
19691.7871.6381.699
19701.8051.6121.694
19711.7921.6031.682
19721.8361.6101.704
19731.7701.5331.631
19741.7221.4761.578
19751.7901.4741.607
19761.7761.4271.573
19771.6661.3281.466
19781.7151.3441.496
19791.6541.2851.434
19801.6591.2601.421
19811.6461.2481.407
19821.6481.2461.405
19831.6421.2271.390
19841.6321.2241.383
19851.6421.2301.389
19861.6411.2371.392
19871.5771.1751.328
19881.5671.1771.324
19891.5941.2141.354
19901.5621.1951.330
19911.5441.1911.319
19921.5111.1731.295
19931.5791.2361.358
19941.4921.1871.295
19951.5001.1841.296
19961.4941.1841.294
19971.4351.1661.259
19981.4321.1621.256
19991.4231.1841.265
20001.3931.1681.245
20011.3561.1571.224
20021.3441.1631.223
20031.3201.1451.202
20041.2401.0831.136
20051.2141.0621.113
20061.1631.0441.082
20071.1229961.039
20081.0901.0051.031
20091.065964999
20101.041961988
2011996943959
20121.004956970
2013980938951
2014931910914
2015956942944
2016940934933
2017917928920
2018911929919
2019882897889
2020973962967

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek, gegevens bewerkt door RIVM

Gestandaardiseerde sterfte gehalveerd sinds 1950

De gestandaardiseerde sterfte, waarbij is gecorrigeerd voor de effecten van bevolkingsgroei en vergrijzing, is tussen 1950 en 2019 sterk gedaald. De sterftedaling was over de hele periode groter voor vrouwen (55%) dan voor mannen (49%). De sterftedaling onder vrouwen vond vooral plaats in de periode 1950-1980 en 2002-2014. Voor mannen vond de daling vooral plaats in de periode 1975-2019.

Toename gestandaardiseerde sterfte in 2020

In 2020 lag het gestandaardiseerde sterftecijfer met 967 per 100.000 inwoners beduidend hoger dan in 2019 (889 per 100.000 inwoners). De stijging is vooral het gevolg van sterfte door COVID-19 (Traag & Hoogenboezem, 2021).

Meer informatie

Datum publicatie

10-11-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Traag T, Hoogenboezem J. Doodsoorzaken 2000-2020; Verschuivingen in de meestvoorkomende groepen doodsoorzaken tijdens de coronapandemie.; 2021. Bron

Trend naar leeftijd voor mannen

Sterfte mannen 1970-2019

0-1415-2425-4445-6465-7475 plus
1970100100100100100100
197194991019799100
19728810010298102103
19737999959498101
1974759988939697
197569838695101103
197666868894101102
1977629287899794
1978658683899899
1979587981869596
1980588083869597
1981577280849497
1982566882859398
1983556779829398
1984576481829298
19855366798192100
1986556180819299
1987556378778796
1988536179748796
1989506178758599
1990555881718597
1991515981698297
1992475881668195
19934761806783101
1994425878637995
1995425877617996
1996405776617996
1997375374587592
1998395671587591
1999375572577391
2000365870577090
2001385270556988
2002365268546788
2003364569546487
2004304365526181
2005313861495881
2006293858485578
2007264056475376
2008243658475075
2009253454464973
2010243552454872
2011243451434570
2012243352434571
2013223051424470
2014222850404166
2015202948404369
2016202948404268
2017233348394167
2018213047394266
2019213146374065

 Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek, gegevens bewerkt door het RIVM

Sterftedaling voor oudere mannen het minst groot

In de periode 1970-2019 is de sterfte bij mannen voor alle leeftijdsgroepen gedaald. In de jongste leeftijdsklassen daalde de sterfte het meest. Bij ouderen zette de daling van de sterfte later in en over de hele periode is deze daling ook kleiner dan voor de jongere leeftijdsgroepen. In de leeftijdsgroep van 75 en ouder begon de sterfte pas vanaf 1996 te dalen.

Datum publicatie

11-09-2020

Trend naar leeftijd voor vrouwen

Trend sterfte vrouwen 1970-2019

jaar0-1415-2425-4445-6465-7475 plus
1970100100100100100100
19719286949798100
19728793969695102
19738210098949295
1974768088909092
1975707489908894
1976728484888791
1977637686898284
1978658685878286
1979607183877983
1980607778837782
1981606777837782
1982597278827582
1983607277837381
1984576076837382
1985576075837483
1986616480837284
1987596477817180
1988515777787081
1989557477817084
1990596177786984
1991526481777084
1992525780766983
1993505781767189
1994455980756986
1995436180737086
1996455881727186
1997405878736885
1998385075726885
1999435580736886
2000426077726786
2001415175726686
2002395676746686
2003375274726485
2004324470716181
2005374771685880
2006323665685680
2007294461665476
2008294161685478
2009294061665175
2010283157655276
2011243660655175
2012263655655177
2013253952634976
2014264052604974
2015233050615077
2016253652615076
2017243448584977
2018233347585076
2019254047565073

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek, gegevens bewerkt door het RIVM

Sterkste sterftedaling voor meisjes van 0 tot en met 14 jaar

Over de periode 1970-2019 is de sterfte onder meisjes van 0-14 jaar het sterkst gedaald. De sterfte onder vrouwen is in de jaren zeventig voor alle leeftijdsgroepen vanaf 15 jaar even sterk gedaald. Na 1980 daalde de sterfte onder jongere vrouwen verder maar bleef voor oudere leeftijdsgroepen gelijk. Na 2000 daalde de sterfte ook weer in de oudere leeftijdsgroepen.

Datum publicatie

11-09-2020

Trend onder nuljarigen

Sterfte onder nuljarigen 1950-2020

JongensMeisjesTotaal
19502.8392.2102.534
19512.8502.2132.541
19522.5082.0232.273
19532.5551.8992.236
19542.3611.8912.133
19552.3011.7472.031
19562.1731.6271.907
19571.9601.4841.729
19581.9181.5281.729
19591.9031.4581.686
19601.8601.4531.662
19611.7951.3001.553
19621.7331.3331.538
19631.6391.2431.446
19641.6781.2881.488
19651.6171.2781.452
19661.6911.2561.479
19671.4851.1921.343
19681.5751.1481.366
19691.5161.1341.330
19701.4461.1111.282
19711.4001.0301.220
19721.3341.0101.176
19731.2841.0281.159
19741.2641.0001.135
19751.2089201.067
19761.1689731.074
19771.100801954
19781.101813961
1979996742872
1980972742860
1981939720832
1982934724832
1983928754843
1984960702834
1985890714804
1986858691776
1987862646757
1988800564685
1989768590681
1990799610707
1991772525651
1992685570629
1993719533628
1994634490564
1995625463546
1996629512572
1997552453504
1998600433519
1999545496521
2000550472512
2001590477535
2002548452501
2003546410480
2004494382439
2005526462495
2006494391444
2007471339407
2008399357378
2009417351385
2010402351377
2011407318364
2012401336369
2013402351377
2014396323360
2015358299329
2016365327346
2017398315358
2018385304345
2019395333365
2020416349384

Sterfte onder nuljarigen met ongeveer 85% gedaald sinds 1950

De sterfte per 100.000 onder nuljarigen is in de periode 1950-2007 voor zowel  jongens als meisjes met ongeveer 85% gedaald, vanaf 2007 is de sterfte gestabiliseerd. In alle jaren overleden per 100.000 nuljarigen meer nuljarige jongens dan meisjes.

Meer informatie

Datum publicatie

10-11-2021

Toekomstige trend in sterfte

Trend in absolute sterfte 1950-2020 en prognose 2021-2070

JaarWaargenomen (M)Waargenomen (V)Prognose (M)Prognose (V)
195038,936,6
195140,137,1
195239,236,7
195341,938,6
195441,837,5
195543,238,1
195644,639,8
195743,938,7
19584539,2
195946,539,4
196047,240,1
19614839,8
196251,641,9
196352,842,5
19645241,4
196554,543,5
196655,644,9
196755,844
196858,646,3
196959,648,1
197061,148,6
197161,149,1
197263,250,4
197361,549,2
197460,648,6
197563,550,2
19766450,5
197761,348,8
197863,650,8
197962,250,4
198063,351
198163,552
198264,153,1
198364,353,5
198464,855
198565,856,9
198666,758,7
19876557,2
198865,458,8
198967,161,8
199066,662,2
199166,763,3
199266,363,6
199369,967,9
19946766,4
199568,267,4
19966968,6
199767,268,5
199868,269,3
199968,971,6
200068,871,8
200168,372,1
20026973,4
20036972,9
200466,470,2
200566,470
200665,370,1
200764,868,2
200864,970,2
200965,468,9
20106670,1
201165,370,5
201267,972,9
201368,472,9
201467,172,1
20157176,1
201672,276,8
201772,777,6
201874,578,8
201974,477,5
202084,384,4
202178,479,4
202278,878,7
202379,778,8
202481,279,5
202582,680,3
20268481,2
202785,482
202886,982,9
202988,483,9
203089,984,9
203191,485,9
203292,986,9
203394,388
203495,789,1
203596,990,2
203698,191,3
203799,292,4
2038100,193,5
2039100,994,5
2040101,795,5
2041102,396,4
2042102,897,2
2043103,398
2044103,798,6
2045104,199,3
2046104,499,8
2047104,7100,4
2048105100,9
2049105,3101,5
2050105,5102,1
2051105,7102,6
2052105,8103,1
2053105,9103,6
2054105,8104
2055105,6104,2
2056105,3104,4
2057104,9104,4
2058104,4104,2
2059103,7103,9
2060103103,5
2061102,1103
2062101,2102,2
2063100,2101,4
206499,3100,5
206598,399,5
206697,598,5
206796,797,5
20689696,6
206995,495,7
207095,194,9

Absolute sterfte zal flink stijgen, tot ongeveer 210.000 in 2055

Als gevolg van de vergrijzing van de naoorlogse geboortegolf (babyboom) zal het aantal sterfgevallen in de komende decennia flink toenemen. De stijging zal het sterkst zijn in de periode 2020-2040. Overleden er in 2019 nog ongeveer 152.000 mensen, in 2040 zullen dit er naar schatting 197.000 zijn. Daarna stijgt het nog licht tot ongeveer 210.000 in 2055. Vanaf 2055 zal de absolute sterfte naar verwachting weer licht gaan dalen.

Sinds 1997 overlijden per jaar meer vrouwen dan mannen

In de periode 1950 tot en met 1996 overleden in Nederland meer mannen dan vrouwen. In de daarop volgende periode 1997 tot en met 2019 overleden er per jaar meer vrouwen dan mannen. De verwachting is dat tot het jaar 2058 jaarlijks meer mannen dan vrouwen zullen overlijden en dat vanaf 2059 tot 2070 jaarlijks weer iets meer vrouwen dan mannen zullen overlijden.

Meer informatie

Datum publicatie

10-11-2021

Verantwoording

Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

    Toetsing trends

    Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.
    De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.