Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

SterfteCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Toename absolute sterfte door vergrijzing

Regionaal & Internationaal

Sterfte in Nederland gemiddeld in EU

Kosten

Preventie & Zorg

Absolute sterfte naar leeftijd en geslacht

Absolute sterfte 2020

LeeftijdMannenVrouwenTotaal
0360288648
1-4473582
5-9272451
10-14494190
15-1912171192
20-2420099299
25-29243130373
30-34314192506
35-39424261685
40-445724291001
45-491.1267701.896
50-542.0581.3633.421
55-592.9952.1545.149
60-644.8133.4448.257
65-696.9904.85911.849
70-7410.9897.52418.513
75-7912.9029.46322.365
80-8415.01713.05928.076
85-8914.29617.49731.793
90-948.26415.02923.293
95+2.5107.62910.139

In 2020 overleden 168.678 personen

In 2020 overleden in Nederland 168.678 personen, 84.317 mannen en 84.361 vrouwen. Dit komt overeen met 973 per 100.000 mannen en 961 per 100.000 vrouwen. In 2020 was de absolute sterfte voor mannen het hoogst in de leeftijdsgroep van 80 tot en met 84 jaar en voor vrouwen in de leeftijdsgroep van 85 tot en met 89 jaar. Op de leeftijd van 85 jaar en ouder stierven meer vrouwen dan mannen. De belangrijkste reden hiervoor was dat er in 2020 veel meer oudere vrouwen dan oudere mannen waren. In 2020 overleden bijna 17.000 mensen meer dan in 2019, toen 151.885 mensen overleden. Deze toename is voor een belangrijk deel het gevolg van sterfte aan COVID-19 (Traag & Hoogenboezem, 2021).

Meer informatie

Datum publicatie

10-11-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Traag T, Hoogenboezem J. Doodsoorzaken 2000-2020; Verschuivingen in de meestvoorkomende groepen doodsoorzaken tijdens de coronapandemie.; 2021. Bron

Relatieve sterfte naar leeftijd en geslacht

Relatieve sterfte 2020

(logaritmische schaal)
LeeftijdMannenVrouwenTotaal
0416,0349,7383,7
1-413,310,411,9
5-95,85,45,6
10-1410,08,89,4
15-1922,714,018,5
20-2435,718,327,2
25-2942,123,332,8
30-3455,734,945,4
35-3980,350,065,2
40-44111,683,397,4
45-49195,2132,2163,5
50-54319,3213,1266,4
55-59475,1343,7409,6
60-64857,0608,3732,2
65-691.413,0961,81.185,0
70-742.354,11.537,61.936,2
75-794.288,52.801,53.502,0
80-847.798,55.223,06.343,6
85-8914.845,410.887,612.370,6
90-9426.299,620.683,922.379,3
95+42.716,136.640,937.978,0

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek, bewerkt door het RIVM

Op elke leeftijd hebben mannen een grotere sterftekans dan vrouwen

In 2020 hadden mannen op alle leeftijden een grotere kans om te overlijden dan vrouwen. Zowel bij mannen als vrouwen stijgt de sterftekans vanaf de leeftijd van ongeveer 5 jaar exponentieel. De relatieve sterfte (sterftekans) laat al vele jaren een dalende trend zien, maar in 2020 steeg deze substantieel voor zowel mannen als vrouwen. De stijging in 2020 is vooral het gevolg van sterfte door COVID-19 (Traag & Hoogenboezem, 2021).

Meer informatie

 

Datum publicatie

10-11-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Traag T, Hoogenboezem J. Doodsoorzaken 2000-2020; Verschuivingen in de meestvoorkomende groepen doodsoorzaken tijdens de coronapandemie.; 2021. Bron

Sterfteverhouding man-vrouw

Sterfteratio mannen versus vrouwen 2020

LeeftijdSterfteratio
01,19
1-41,28
5-91,07
10-141,14
15-191,63
20-241,96
25-291,81
30-341,60
35-391,61
40-441,34
45-491,48
50-541,50
55-591,38
60-641,41
65-691,47
70-741,53
75-791,53
80-841,49
85-891,36
90-941,27
95+1,17

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek, bewerkt door het RIVM

  • Sterfteratio is de sterfte per 100.000 mannen gedeeld door de sterfte per 100.000 vrouwen

Sterftekans jonge mannen groter door ongevallen en zelfdoding

In de leeftijdsgroep 20 tot en met 24 jaar was in 2020 de sterftekans van mannen twee keer zo groot als die van vrouwen. Dit verschil komt vooral door een hogere sterfte door ongevallen en zelfdoding onder jonge mannen.

Meer informatie

Datum publicatie

10-11-2021

Verantwoording

Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

    Toetsing trends

    Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.
    De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.