Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Sterfte rond de geboorteRegionaal & InternationaalInternationaal

Cijfers & Context

In 2016 zijn 811 kinderen dood geboren

Regionaal & Internationaal

Lage zuigelingensterfte in Zeeland

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Sterke daling wiegendood door adviezen rugligging

Internationale vergelijking perinatale sterfte

Perinatale sterfte internationaal 2015

Neonatale sterfteFoetale sterfte
Bulgarije (2014)4,35,7
Roemenië3,53,6
Hongarije2,43,7
VK (Noord-Ierland)3,32,6
Kroatië2,73,2
Malta3,22,5
Letland2,23,4
Slowakije1,93,5
Litouwen2,22,9
Frankrijk2,13,0
Polen (2014)2,42,5
België1,63,1
VK (Engeland en Wales)1,63,1
Zweden1,33,0
Estland1,23,1
Zwitserland (2014)1,82,4
NEDERLAND2,02,2
Tsjechië1,22,7
Oostenrijk1,42,4
Noorwegen1,22,3
Luxemburg1,22,3
Denemarken1,42,0
Finland1,22,1
Slovenië0,42,4
Cyprus 1,31,4
IJsland0,52,0
  • Neonatale sterfte vanaf 24 weken zwangerschap tot 28 dagen na de geboorte. Met uitzondering van: Bulgarije (800+ gram of 26+ weken); Ierland en Hongarije (500+ gram of 24+ weken); Oostenrijk en Slovenië (500+ gram)
  • Foetale sterfte vanaf 28 weken zwangerschapsduur
  • Figuur toont EU-landen, Noorwegen, Zwitserland en IJsland. Duitsland, Griekenland, Ierland, Italië, Spanje en Portugal zijn niet in de figuur opgenomen omdat voor deze landen geen data beschikbaar waren voor neonatale sterfte vanaf 24 weken zwangerschap
  • Jaarlijkse fluctuaties en betrouwbaarheidsintervallen zijn mogelijk groter voor enkele landen met kleine aantallen geboorten zoals Cyprus, IJsland, Luxemburg en Malta
  • VK: Verenigd Koninkrijk

Nederlandse perinatale sterfte in de Europese middenmoot

De perinatale sterfte (som van doodgeboorte vanaf 28 weken zwangerschap en neonatale sterfte in de eerste vier weken na geboorte vanaf 24 weken zwangerschap) in Nederland was in 2015 4,2 per duizend geboortes. Vergeleken met het vorige Euro-Peristat-rapport over 2010 is dit een afname van 20%. De Nederlandse positie in de rangorde van landen met de laagste perinatale sterfte verbeterde van de 15e plek in 2010 naar een gedeelde 11e plek in 2015. De foetale sterfte vanaf 28 weken zwangerschapsduur is het sterkst gedaald: met 32,5% van 4,3 per duizend geboortes in 2004 naar 2,2 per duizend geboortes, waarmee Nederland voor deze foetale sterfte tot de beste EU-landen behoort. Voor de sterfte van levendgeborenen (neonatale sterfte) gerekend vanaf 24 weken zwangerschap tot 28 dagen na de geboorte staat Nederland in de middenmoot. Deze sterfte daalde tussen 2004 en 2015 met 28,6% van 2,8 per duizend geboortes in 2004 tot 2,0 per duizend geboortes in 2015 (Euro-Peristat Project, 2018). 

Vergelijkbaarheid afhankelijk van zwangerschapsduur

De in deze internationale vergelijking gepresenteerde cijfers verschillen van de cijfers voor Nederland vanaf 22 weken zwangerschap (zie Perinatale sterfte in Nederland). Volgens Euro-Peristat zijn de internationale cijfers het beste te vergelijken als gekeken wordt naar de foetale sterfte vanaf 28 weken zwangerschapsduur en de neonatale sterfte vanaf 24 weken. Met deze grenzen worden verschillen in registratie en beleid tussen de landen gecompenseerd. Zo wordt foetale sterfte onder de 28 weken in sommige landen niet geregistreerd, zijn in Nederland ook zwangerschapsafbrekingen tot 24 weken in de cijfers opgenomen en zijn er verschillen in actieve behandeling bij extreme vroeggeboorte onder de 24 weken. De perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschapsduur, die dus internationaal minder goed te vergelijken is, is in Nederland hoog in vergelijking met andere landen in de Europese Unie (Perined, 2018). 

Nederlandse positie recent verbeterd, trends tot 2014 minder gunstig 

Tussen 2010 en 2015 verbeterde de Nederlandse positie in de rangorde van landen met de laagste perinatale sterfte zich dus, maar tot 2004 was de trend in Nederland minder gunstig dan elders in de EU. Begin van deze eeuw heeft Nederland zijn oorspronkelijke toppositie met een lage perinatale sterfte in de jaren zeventig en tachtig verloren ten opzichte van het EU-gemiddelde. Uit de eerste Peristat-studie bleek dat in 2000 de perinatale sterfte in Nederland het hoogst was van de toenmalige EU15-landen (Buitendijk et al., 2003; Mohangoo et al., 2008). Voor de tweede Peristat-studie, vijf jaar later, zijn gegevens verzameld voor de toen 25 lidstaten van de Europese Unie plus Noorwegen voor het peiljaar 2004. In dat jaar was de sterfte in Nederland gedaald ten opzichte van de vorige periode. De daling in andere landen was echter vaak even sterk of sterker (Mohangoo et al., 2008). Tussen 2004 en 2010 veranderde de positie van Nederland in de Europese rangorde nauwelijks (Mohangoo et al., 2014). 

Meer informatie

Datum publicatie

12-12-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Euro-Peristat Project. European Perinatal Health Report. Core indicators of the health and care of pregnant women and babies in Europe in 2015. .; 2018. Bron
  2. Perined. EURO-PERISTAT 2018 over cijfers uit 2015. Internationale positie van Nederlandse geboortezorg is verbeterd. Perined; 2018. Bron
  3. Buitendijk SE, Zeitlin JA, Cuttini M, Langhoff-Roos J, Bottu J. Indicators of fetal and infant health outcomes. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol. 2003;111 Suppl 1:S66-77. Pubmed
  4. Mohangoo AD, Buitendijk SE, Hukkelhoven CWPM, Ravelli ACJ, Rijninks-van Driel GC, Tamminga P, et al. Hoge perinatale sterfte in Nederland vergeleken met andere Europese landen: de PERISTAT II studie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2718-27. Pubmed
  5. Mohangoo AD, Hukkelhoven CWPM, Achterberg PW, Elferink-Stinkens PM, Ravelli ACJ, Rijninks-van Driel GC, et al. Decline in foetal and neonatal mortality in the Netherlands: comparison with other Euro-Peristat countries between 2004 and 2010. Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A6675. Bron | Pubmed

Internationale vergelijking verklaring verschillen in perinatale sterfte

Verschillen in leeftijd en roken mogelijke verklaring internationale verschillen

Verschillen in het aandeel tienermoeders of oudere en rokende moeders, het aandeel tweelingen en ivf-behandelingen en het aandeel moeders met niet-westers allochtone herkomst kan een deel van de internationale verschillen in perinatale sterfte verklaren. Nederland scoorde daar in het verleden hoog op, met uitzondering van tienerzwangerschappen (Achterberg & Kramers, 2001; Buitendijk & Nijhuis, 2004; Mackenbach, 2006; Mohangoo et al., 2008).

Ook beleid bij extreme vroeggeboorte mogelijk van invloed op perinatale sterfte

Terughoudend beleid ten aanzien van vroeggeboren kinderen verklaart mogelijk de hogere sterfte onder extreem vroeggeborenen in Nederland (Zeitlin et al., 2008). Sinds 2007 wordt in Nederland echter ook een actiever beleid gevoerd: eerst alleen voor kinderen vanaf 25 weken. Vanaf 2010 kan in individuele gevallen ook vanaf 24 weken een actief beleid gerechtvaardigd zijn (zie Richtlijn Perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte). Sindsdien wordt 93% van de extreem prematuur geboren kinderen vanaf een zwangerschapsduur van 24 weken actief opgevangen en krijgt intensieve zorg. De overleving tot ontslag naar huis na 24 weken zwangerschap steeg daardoor van 11 naar 43%. Er zijn echter nog geen gegevens over de gezondheidsgevolgen op langere termijn (de Kluiver et al., 2013). 

Invloed van Nederlands verloskundig systeem op perinatale sterfte niet eenduidig

Voor Nederlandse vrouwen met een laag risico bij wie de bevalling startte onder begeleiding van een eerstelijnsverloskundige is het risico op perinatale sterfte (tot en met 28 dagen na de geboorte) bij een geplande thuisbevalling niet verhoogd in vergelijking met een geplande ziekenhuisbevalling. Dit blijkt uit een analyse van gegevens uit de PRN over de jaren 2000-2009 (Geerts et al., 2015; de Jonge et al., 2015). Een eerder onderzoek over de periode 2000-2006 wees uit dat de perinatale sterfte bij vrouwen met een laag risico bij wie de bevalling startte in de eerste lijn (onder begeleiding van verloskundige of verloskundig actieve huisarts) lager was dan die bij vrouwen met een hoog risico bij wie de bevalling startte in de tweede lijn (Ravelli et al., 2011). Uit ander onderzoek bleek de perinatale sterfte in geval van acute verwijzing van de eerste naar de tweede lijn hoger te zijn dan wanneer er geen sprake was van verwijzing (Amelink-Verburg et al., 2008; Evers et al., 2010).

Een studie in de Utrechtse regio had als onverwachte bevinding dat het risico op perinatale sterfte van een geselecteerde groep vrouwen bij wie de bevalling startte in de eerste lijn hoger was dan bij vrouwen bij wie de bevalling startte in de tweede lijn (Evers et al., 2010). Deze bevinding wordt echter niet bevestigd door een onderzoek over de periode 2005 t/m 2007 in de regio Amsterdam (Wiegerinck et al., 2015). In deze Amsterdamse studie was de perinatale sterfte bij bevallingen die begonnen  in de eerste lijn (thuis of in het ziekenhuis onder begeleiding van een verloskundige) gelijk aan die van bevallingen die begonnen in de tweede lijn (in het ziekenhuis onder begeleiding van een gynaecoloog).  Het risico op complicaties (keizersnede, kunstverlossing) was lager bij bevallingen die startten in de eerstelijn (Wiegerinck et al., 2015).

In Engeland minder ingrepen, maar licht verhoogd risico bij thuisbevalling van eerste kind

Ook in Engeland is onderzoek gedaan naar de uitkomsten van zorg naar plaats van de baring (thuis, geboortecentrum of ziekenhuis). Gezonde vrouwen zonder risicofactoren die thuis bevielen van hun eerste kind hadden een iets verhoogd risico op perinatale sterfte en intrapartumgerelateerde neonatale morbiditeit. Dit gold niet voor vrouwen die van hun tweede kind, of meer bevielen. Thuis of in een geboortecentrum bevallen hing samen met minder ingrepen rond de bevalling dan bij vrouwen die in het ziekenhuis bevielen (Brocklehurst et al., 2011).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Achterberg PW, Kramers PGN. Een gezonde start? Sterfte rond de geboorte in Nederland: trends en oorzaken vanuit een internationaal perspectief. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2001. Bron
  2. Buitendijk SE, Nijhuis JG. High perinatal mortality in the Netherlands compared to the rest of Europe. Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148(38):1855-60. Pubmed
  3. Mackenbach JP. Perinatal mortality in the Netherlands: everyone's problem and yet no one's problem. Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150(8):409-12. Pubmed
  4. Mohangoo AD, Buitendijk SE, Hukkelhoven CWPM, Ravelli ACJ, Rijninks-van Driel GC, Tamminga P, et al. Hoge perinatale sterfte in Nederland vergeleken met andere Europese landen: de PERISTAT II studie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2718-27. Pubmed
  5. Zeitlin JA, Draper ES, Kollée LA, Milligan D, Boerch K, Agostino R, et al. Differences in rates and short-term outcome of live births before 32 weeks of gestation in Europe in 2003: results from the MOSAIC cohort. Pediatrics. 2008;121(4):e936-44. Pubmed | DOI
  6. de Kluiver E, Offringa M, Walther FJ, Duvekot JJ, de Laat MWM. Perinatal policy in cases of extreme prematurity; an investigation into the implementation of the guidelines. Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;157(38):A6362. Bron | Pubmed
  7. Geerts CC, de Jonge A, van der Goes BY, Mol BWJ, Buitendijk SE, Nijhuis JG. Perinatal mortality and morbidity up to 28 days after birth among home and hospital births. Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:A8482. Bron | Pubmed
  8. de Jonge A, Geerts CC, van der Goes BY, Mol BW, Buitendijk SE, Nijhuis JG. Perinatal mortality and morbidity up to 28 days after birth among 743 070 low-risk planned home and hospital births: a cohort study based on three merged national perinatal databases. BJOG. 2015;122(5):720-8. Pubmed | DOI
  9. Ravelli ACJ, Tromp M, Eskes M, Droog JC, van der Post JAM, Jager KJ, et al. Ethnic differences in stillbirth and early neonatal mortality in The Netherlands. J Epidemiol Community Health. 2011;65(8):696-701. Pubmed | DOI
  10. Amelink-Verburg MP, Verloove-Vanhorick SP, Hakkenberg RMA, Veldhuijzen IME, Bennebroek-Gravenhorst J, Buitendijk SE. Evaluation of 280,000 cases in Dutch midwifery practices: a descriptive study. BJOG. 2008;115(5):570-8. Pubmed | DOI
  11. Evers ACC, Brouwers HAA, Hukkelhoven CWPM, Nikkels PGJ, Boon J, van Egmond-Linden A, et al. Perinatal mortality and severe morbidity in low and high risk term pregnancies in the Netherlands: prospective cohort study. BMJ. 2010;341:c5639. Pubmed | DOI
  12. Wiegerinck M.M.J., van der Goes BY, Ravelli ACJ, van der Post J.A.M., Klinkert J., Brandenbarg J., et al. Intrapartum and neonatal mortality in primary midwife-led and secondary obstetrician-led care in the Amsterdam region of the Netherlands: A retrospective cohort study. Midwifery. 2015;31(12):1168-76. Bron
  13. Brocklehurst P, Hardy P, Hollowell J, Linsell L, Macfarlane A, McCourt C, et al. Perinatal and maternal outcomes by planned place of birth for healthy women with low risk pregnancies: the Birthplace in England national prospective cohort study. BMJ. 2011;343:d7400. Pubmed | DOI

Internationale vergelijking zuigelingensterfte

Trend in zuigelingensterfte internationaal 1980-2016

NEDERLANDOostenrijkBelgiëBulgarijeKroatiëCyprusTsjechiëDenemarkenEstlandFinlandFrankrijkDuitslandGriekenlandHongarijeIerlandItaliëLetlandLitouwenLuxemburgMaltaNoorwegenPolenPortugalRoemeniëSlowakijeSloveniëSpanjeZwedenZwitserlandVerenigd KoninkrijkEU28EU minEU max
19808,614,312,120,220,614,416,98,417,17,612,417,923,211,114,615,314,511,515,28,125,424,329,320,915,312,36,99,113,915,96,929,3
19818,312,611,518,918,914,415,47,917,06,511,816,320,810,314,116,016,513,811,07,524,921,828,619,213,112,56,97,613,015,26,528,6
19828,312,811,118,218,314,315,08,217,26,011,115,120,010,513,013,915,012,114,98,124,419,828,017,914,011,36,87,712,814,56,028,0
19838,411,910,616,518,714,314,57,716,16,210,414,619,010,112,315,913,911,214,97,923,119,223,917,513,910,97,07,611,913,76,223,9
19848,311,410,016,116,814,414,17,713,66,59,814,320,49,611,412,913,411,711,78,323,016,723,417,213,99,96,47,111,313,16,423,4
19858,011,29,815,416,614,412,57,914,16,39,114,120,48,810,513,014,29,014,58,522,117,825,616,313,08,96,86,911,112,86,325,6
19867,710,39,614,715,714,412,38,216,05,88,712,219,08,910,212,811,67,910,17,821,315,823,215,011,99,25,96,89,512,05,823,2
19877,69,89,714,714,013,212,08,316,06,28,411,717,37,99,811,312,39,47,38,421,214,228,914,211,18,96,16,89,112,06,128,9
19886,88,19,013,613,113,011,07,612,56,07,611,015,88,99,311,011,68,58,08,019,913,025,413,310,08,05,86,89,011,15,825,4
19896,88,38,514,411,712,910,08,014,86,17,59,715,78,18,711,310,79,910,47,819,312,126,913,58,17,85,87,38,410,85,826,9
19907,17,88,014,810,712,910,87,512,35,67,09,714,88,28,113,710,27,39,16,919,410,926,912,08,47,66,06,87,910,35,626,9
19916,57,58,316,911,112,210,47,313,35,86,99,015,67,68,015,714,49,29,66,218,210,822,713,28,27,26,26,27,49,85,822,7
19926,37,58,215,911,611,19,96,615,75,26,28,414,16,57,817,616,38,510,85,817,59,223,312,68,97,15,36,46,69,35,223,3
19936,36,58,015,59,98,78,55,415,64,45,88,512,56,17,016,215,76,08,25,016,28,623,310,66,86,74,85,66,38,74,423,3
19945,66,37,616,310,28,67,95,514,44,75,67,911,55,76,415,714,25,39,15,215,17,923,911,26,56,04,45,16,28,34,423,9
19955,55,46,014,88,98,57,75,114,93,95,38,110,76,46,118,812,55,58,94,013,67,421,211,05,55,54,15,16,27,53,921,2
19965,75,15,015,68,08,56,05,610,54,05,05,07,210,96,06,015,910,14,910,94,012,26,822,310,24,75,54,04,76,17,24,022,3
19975,04,75,417,58,28,05,95,210,03,94,94,96,49,96,15,515,310,34,26,84,110,26,422,08,75,25,03,64,85,86,83,622,0
19985,24,95,214,48,27,05,24,79,44,24,84,76,79,75,95,115,09,35,07,34,09,56,020,58,85,24,93,54,85,76,53,520,5
19995,24,44,914,67,76,04,64,29,63,64,44,56,28,45,94,911,38,74,77,53,98,95,618,68,34,54,53,44,65,86,13,418,6
20005,14,84,813,37,45,64,15,38,43,84,54,45,99,26,24,310,38,65,15,23,88,15,518,68,64,94,43,44,95,65,93,418,6
20015,44,84,514,47,74,94,04,98,83,24,64,35,18,15,74,411,08,05,93,83,97,75,018,46,24,24,03,75,05,55,83,218,4
20025,04,14,413,37,04,74,14,45,73,04,24,25,17,25,04,19,88,15,15,43,57,55,017,37,63,84,13,34,55,25,43,017,3
20034,84,54,112,36,34,13,94,47,03,14,24,24,07,35,33,89,46,94,95,73,37,04,116,77,94,03,93,14,35,35,33,116,7
20044,44,53,911,66,13,53,74,46,43,34,04,14,16,64,63,49,38,13,95,73,26,83,816,86,83,73,93,14,25,05,13,116,8
20054,94,23,710,45,74,63,44,45,43,03,83,93,86,23,83,37,77,12,65,43,16,43,515,07,24,13,72,44,25,14,82,415,0
20064,43,64,09,75,23,13,33,54,42,83,83,83,75,73,93,27,47,22,53,73,26,03,313,96,63,43,52,84,44,94,62,513,9
20074,13,73,99,25,63,73,14,05,02,73,83,93,55,93,23,18,56,31,86,63,16,03,412,06,12,83,42,53,94,74,41,812,0
20083,83,73,88,64,53,52,84,05,02,63,83,52,75,63,43,16,65,51,88,52,75,63,311,05,92,43,32,54,04,64,21,811,0
20093,83,83,59,05,33,32,93,13,62,63,93,53,15,13,33,27,65,62,55,53,15,63,610,15,72,43,22,54,34,54,22,410,1
20103,83,93,69,44,43,22,73,43,32,33,63,43,85,33,63,05,65,03,45,62,85,02,59,85,72,53,22,53,84,24,02,39,8
20113,63,63,48,54,73,12,73,52,52,43,53,63,44,93,52,96,64,84,36,52,44,73,19,44,92,93,12,13,84,23,92,19,4
20123,73,23,87,83,63,52,63,43,62,43,53,32,94,93,52,96,33,92,55,32,54,63,49,05,81,63,12,63,64,03,81,69,0
20133,83,13,57,34,11,62,53,52,11,83,63,33,75,03,62,94,43,73,96,72,44,62,98,95,52,92,72,73,93,93,71,68,9
20143,63,03,47,65,02,12,44,02,72,23,53,23,74,53,32,83,83,92,85,02,44,22,98,25,81,82,82,23,93,93,71,88,2
20153,33,13,36,64,12,72,53,72,51,73,73,34,04,23,42,94,14,22,85,82,34,02,97,65,11,62,72,53,93,93,61,67,6
20163,53,13,26,54,32,62,83,12,31,93,73,44,23,93,02,83,74,53,87,42,24,03,27,05,42,02,72,53,63,83,61,97,4

Bron: Eurostat, 2018

Zuigelingensterfte in Nederland gemiddeld

De zuigelingensterfte (sterfte in het eerste levensjaar) is in Nederland gemiddeld vergeleken met andere EU-landen (Eurostat, 2018). Tot 1992 had Nederland een toppositie in de Europese Unie, met een lage zuigelingensterfte (plek 1 tot 4). Vanaf de tweede helft van de jaren negentig vlakte in de West- en Noord-Europese landen met hogere inkomens de daling van de zuigelingensterfte af. Toch daalde de sterfte in veel landen harder dan in Nederland en vanaf 2001 zit Nederland op of net onder het EU-gemiddelde.

Meer informatie

Datum publicatie

29-10-2018

Internationale vergelijking wiegendood

De sterfte aan wiegendood is in Nederland laag vergeleken met andere EU-landen

Binnen de EU15 kennen alleen Portugal, Italië en Griekenland een iets lagere sterfte aan wiegendood dan Nederland. In België en Duitsland ligt deze juist hoger (de Jonge & Hoogenboezem, 2005). Nederland is de voorloper geweest in de succesvolle aanpak van wiegendood. Hier werd in 1987 gestart met de introductie van het advies om pasgeborenen niet op hun buik te laten slapen. Dit leidde onmiddellijk tot een daling in de sterfte aan wiegendood. Enkele jaren later volgden Nieuw Zeeland, het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen met de preventie van wiegendood (McKee et al., 1996).
 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. de Jonge GA, Hoogenboezem J. Epidemiologie van 25 jaar wiegendood in Nederland; incidentie van wiegendood en prevalentie van risicofactoren in 1980-2004. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149(23):1273-8. Pubmed
  2. McKee M, Fulop N, Bouvier P, Hort A, Brand H, Rasmussen F, et al. Preventing sudden infant deaths--the slow diffusion of an idea. Health Policy. 1996;37(2):117-35. Pubmed

Internationale vergelijking moedersterfte

Moedersterfte internationaal moeilijk vergelijkbaar

Onderrapportage van moedersterfte in de officiële bevolkingsstatistieken bemoeilijkt internationale vergelijkingen van moedersterfte. De onderrapportage varieert in Europa van 30% tot 50% (Bouvier-Colle et al., 2012). Slechts enkele landen hebben een landelijke aanpak voor een beter inzicht in moedersterfte (WHO, 2010). Voorbeelden zijn de Confidential Enquiries into Maternal Deaths in Engeland en de Auditcommissie Maternale Sterfte van de NVOG in Nederland (CMACE, 2011; Schutte et al., 2010). Daarnaast is internationale vergelijking naar trends en oorzaken van moedersterfte ook lastig vanwege de soms kleine aantallen.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Bouvier-Colle M-H, Mohangoo AD, Gissler M, Novak-Antolic Z, Vutuc C, Szamotulska K, et al. What about the mothers? An analysis of maternal mortality and morbidity in perinatal health surveillance systems in Europe. BJOG. 2012;119(7):880-9; discussion 890. Pubmed | DOI
  2. WHO. Trends in maternal mortality: 1990 to 2010. Geneva: World Health Organization; 2010. Bron
  3. CMACE. Saving Mothers’ Lives: Reviewing maternal deaths to make motherhood safer: 2006-2008. The Eighth Report of the Confidential Enquiries into Maternal Deaths in the United Kingdom. Centre for Maternal and Child Enquiries; 2011. Bron
  4. Schutte JM, Steegers EAP, Schuitemaker NWE, Santema JG, de Boer K, Pel M, et al. Rise in maternal mortality in the Netherlands. BJOG. 2010;117(4):399-406. Pubmed | DOI

Verantwoording

Definities
  • Verschillende maten voor sterfte rond de geboorte

    De tabel geeft een overzicht van de sterftematen die gerekend worden tot sterfte rond de geboorte. Sterfte rond de geboorte bij zowel moeder als kind vormt een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de zorg tijdens de zwangerschap en rond de geboorte.

    Tabel: Maten voor sterfte rond de geboorte

     
    Sterftemaat Verklaring
    Doodgeboortecijfer (foetale sterfte) Aantal doodgeborenen per 1.000 levend- en doodgeborenen. Een doodgeborene is een vrucht die na de geboorte geen enkel teken van levensverrichting (ademhaling, hartactie, spiercontractie) heeft vertoond. Er wordt onderscheid gemaakt in een doodgeborene na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (Perined), 24 weken of meer (CBS, wettelijke ondergrens voor aangifte van geboorte) en 28 weken of meer.
    Neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 28 dagen, ongeacht zwangerschapsduur. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Vroeg-neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 7 dagen. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Post-neonatale sterfte Aantal overledenen tussen vier levensweken en 1 jaar na geboorte. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Perinatale sterfte Het aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22, 24 of 28 weken of meer en sterfte in de eerste 7 of 28 dagen (de perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en (vroeg) neonatale sterfte). Welke definitie gebruikt wordt, is afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens. Bij een onbekende zwangerschapsduur worden het geboortegewicht of de lengte van het kind gebruikt als benadering van die zwangerschapsduur. Een geboortegewicht van 500 gram en/of een kruin-hiellengte van 25 cm komen ongeveer overeen met een zwangerschapsduur van ten minste 22 weken. De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen.
    Zuigelingensterfte Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van de neonatale en de post-neonatale sterfte). Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Wiegendood Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart (per 1.000 levendgeborenen). Wiegendood wordt ook Sudden Infant Death Syndrome (SIDS) genoemd.
    Moedersterfte (maternale sterfte) Moedersterfte is het totaal van directe en indirecte moedersterfte (binnen 42 dagen na beëindiging van een zwangerschap). Directe sterfte is het gevolg van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed, van interventies, omissies of onjuiste behandeling, of van een reeks gebeurtenissen die voortvloeien uit deze complicaties. Indirecte sterfte is het gevolg van een pre-existente ziekte of van een ziekte die tijdens de zwangerschap ontstond maar werd verergerd door de fysiologische effecten van de zwangerschap. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen.
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over sterfte rond de gebooorte

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Perined
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte (28 dagen)
    3. perinatale sterfte (7 dagen en 28 dagen)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    2. levendgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    3. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap

    PerinedPerined, 2018

    CBS/Perined
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte (28 dagen)
    3. perinatale sterfte (7 dagen en 28 dagen)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    2. levendgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    3. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    CBS/Perined

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    1. zuigelingensterfte
    2. wiegendood
    3. moedersterfte
    1. kinderen jonger dan 1 jaar
    2. kinderen jonger dan 1 jaar
    3. bevallen vrouwen

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Euro-Peristat
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte
    3. perinatale sterfte (som neonatale en foetale sterfte)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 28 weken zwangerschapsduur
    2. levendgeboren kinderen vanaf 24 weken zwangerschap tot 28 dagen na de geboorte
    Euro-Peristat; Euro-Peristat Project, 2018
    Eurostat zuigelingensterfte kinderen jonger dan 1 jaar Eurostat  

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2016. Utrecht: Perined; 2018. Bron
    2. Euro-Peristat Project. European Perinatal Health Report. Core indicators of the health and care of pregnant women and babies in Europe in 2015. .; 2018. Bron
  • Perined, CBS doodsoorzakenstatistiek en gekoppelde CBS/Perined-gegevens

    Gegevens over geboorte en perinatale sterfte in Nederland komen uit twee landelijke registraties:

    1. de CBS Doodsoorzakenstatistiek op basis van de Basisregistratie Personen (BRP) en het doodgeborenenbestand van het CBS.
    2. de landelijke perinatale registraties van de zorgverleners in de perinatale zorg van Perined (Perined).

    Sinds 2004 bestaat door koppeling van deze twee gegevensbronnen een gezamenlijke CBS/Perined dataset (Elferink-Stinkens et al., 2010).

    Doodsoorzakenstatistiek CBS

    Van een doodgeboren kind moet aangifte worden gedaan bij de gemeente als het kind na een zwangerschapsduur van minimaal 24 weken is geboren. Voor levendgeboren kinderen geldt dat deze altijd moeten worden aangegeven bij de gemeente als de vader of moeder staat ingeschreven in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. Deze kinderen worden dan opgenomen in de Basisregistratie Personen. Daarbij wordt de zwangerschapsduur niet genoteerd. Kinderen die levend geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 en kort na de geboorte overlijden worden dus meegeteld.

    Landelijke perinatale registraties van zorgverleners (Perined)

    De Perined-gegevens zijn afkomstig uit de gekoppelde registraties van verloskundigen, gynaecologen en kinderartsen. Deelname aan de registraties is niet wettelijk verplicht. De dekkingsgraad van de registraties is in de loop van de jaren toegenomen. In 2014 nam 100% van de verloskundige praktijken en 99% van de ziekenhuizen met het specialisme obstetrie en gynaecologie deel aan de Landelijke Verloskunde Registratie (LVR). In hetzelfde jaar namen 21 verloskundig actieve huisartsen deel aan de LVR. Het totaal aantal verloskundig actieve huisartsen is echter niet bekend. Daarnaast nam naar schatting 88% van alle kinderartspraktijken in 2014 deel aan de Landelijke Neonatale Registratie (LNR). Daarbij zitten alle 10 ziekenhuizen met een Neonatale Intensive Care Unit (NICU), die verplicht registreren (Perined, 2015). In de perinatale registraties worden ook geboorten opgenomen van vrouwen die niet in de bevolkingsadministratie zijn ingeschreven en geboorten vóór de 24e zwangerschapsweek. Hierdoor zijn cijfers beschikbaar over perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschap.

    Gekoppelde CBS/Perined-bestand

    Het voordeel van het gekoppelde CBS/Perined-bestand is dat van alle dood-  en levendgeboren kinderen, geboren na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer, informatie over de zwangerschapsduur beschikbaar is. Hierdoor is een betere internationale vergelijking mogelijk, omdat bij internationale vergelijkingen van perinatale sterftecijfers een grens van 22 weken zwangerschapsduur wordt gehanteerd. Een ander voordeel is dat het gekoppelde bestand opsplitsing naar provincie, etniciteit en inkomen mogelijk maakt. Nadeel is dat geen informatie beschikbaar is van kinderen van wie de moeder niet in de BRP is opgenomen. Hierdoor zijn de cijfers voor perinatale sterfte uit het gekoppelde CBS/Perined-bestand lager dan de cijfers uit enkel Perined (Elferink-Stinkens et al., 2010) (zie figuur Perined versus CBS/Perined).

    Vergelijking perinatale sterfte in Perined en CBS doodsoorzakenstatistiek

    De compleetheid van Perined kan – vanaf 24 weken zwangerschapsduur – vergeleken worden ten opzichte van de CBS registratie. Vanaf 22.0 weken is er geen vergelijking te maken omdat het CBS officieel vanaf 24.0 weken registreert. In 2014 zijn er vanaf 24.0 weken 174.739 kinderen beschreven in de Perined en 175.181 kinderen bekend in de CBS registratie. Dit is een overeenkomst van 99,7% (Perined, 2015). De Perined-registratie van doodgeboorte en sterfte in de eerste levensweek is vollediger dan die van het CBS. Voor de sterfte in de eerste vier weken na de geboorte (neonatale sterfte) is de CBS registratie vollediger. Perined heeft te maken met onderrapportage van laatneonatale sterfte door de niet-registrerende kinderartspraktijken. Bovendien wordt een kraambed in principe afgesloten binnen 1 week na de baring, waarna de gegevens aan Perined worden aangeleverd. Omdat de deelname van kinderartspraktijken aan de LNR is gestegen en inmiddels bijna 90% bedraagt is de onderraportage de laatste jaren afgenomen (Berger-van Sijl et al., 2007; Ravelli et al., 2008; CBS, 2009; Stichting PRN, 2014).

     

    Meer informatie

     

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
    2. Perined, Perinatale registratie. zorggegevens.nl
    3. CBS/Perined, Gekoppelde CBS/Perined dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Elferink-Stinkens PM, Roskam A.J.R., Witvliet H. Methodebeschrijving van de gemeenschappelijke PRN-CBScijfers over perinatale en zuigelingensterfte. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek; 2010. Bron
    2. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2014. Jaarboek 2014. Bijlage 1. Utrecht: Perined; 2015. Bron
    3. Berger-van Sijl M, Tromp M, de Bruin A, Ravelli ACJ, Gast J, Kardaun JWPF. Pilot koppeling PRN- en CBS-registraties, methoden en resultaten. Amsterdam, Voorburg, Utrecht: AMC / CBS / PRN; 2007. Bron
    4. Ravelli ACJ, Eskes M, Tromp M, van Huis AM, Steegers EAP, Tamminga P, et al. Perinatale sterfte in Nederland 2000-2006; risicofactoren en risicoselectie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2728-33. Pubmed
    5. CBS. Gezondheid en zorg in cijfers. Perinatale sterfte onder de loep genomen. Den Haag / Heerlen: CBS; 2009. Bron
    6. Stichting PRN. PRN Jaarboek 2013. Bijlage 1. Utrecht: Stichting Perinatale Registratie Nederland; 2014. Bron