Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Sterfte rond de geboortePreventie & ZorgZorg

Cijfers & Context

In 2015 zijn 809 kinderen dood geboren

Regionaal & Internationaal

Lage zuigelingensterfte in Zeeland

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Sterke daling wiegendood door adviezen rugligging

Inleiding zorg rond zwangerschap en geboorte

Peristat-studie leidde tot diverse maatregelen 

In reactie op de internationale Peristat-studie (zie: Perinatale sterfte in de Europese Unie) zijn diverse beleidsmaatregelen getroffen met als doel de kwaliteit van zorg tijdens zwangerschap en geboorte te borgen en te verbeteren. Die maatregelen betreffen onder andere de oprichting van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte, de oprichting van de stichting Perinatale Audit Nederland (PAN), de invoering van het preconceptieconsult en de invoering van de 20-weken echo (Structureel Echoscopisch Onderzoek, SEO) (VWS, 2008). Ook zijn er intussen veel verloskundige samenwerkingsverbanden (VSV’s) die werken aan een meer integrale aanpak van de geboortezorg. 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. VWS. Ketenzorg zwangerschap en geboorte. Kamerstuk 29 323/ 22, nr 49. Juli 2008. Den Haag: "Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport"; 2008. Bron

Beleidsmaatregelen zorg rond zwangerschap en geboorte

Maatregelen ter verbetering van de perinatale uitkomsten

In de zomer van 2008 heeft de toenmalige minister van Volksgezondheid Ab Klink de 'Stuurgroep zwangerschap en geboorte' ingesteld. Deze kreeg de opdracht om voorstellen te doen om de zorg rond zwangerschap en geboorte te verbeteren. Het doel is om waar mogelijk perinatale sterfte en morbiditeit terug te dringen. In 2009 bracht de stuurgroep het advies ‘Een goed Begin’ uit. Dit advies had als centrale boodschap dat de kwaliteit van de geboortezorg verbeterd moet worden door een hechtere samenwerking en een betere communicatie tussen alle betrokken zorgprofessionals, maar ook tussen zorgprofessionals en de zwangere vrouw en haar omgeving (Stuurgroep zwangerschap en geboorte, 2009). Het werk van de stuurgroep wordt inmiddels voortgezet en geïmplementeerd via het College Perinatale Zorg (CPZ) (CPZ, 2012). Het CPZ heeft in nauwe samenwerking met het Kwaliteitsinstituut een Zorgstandaard Integrale Geboortezorg ontwikkeld. Deze Zorgstandaard beschrijft vanuit het perspectief van een zwangere vrouw voor elke fase in de zwangerschap de noodzakelijk geachte zorg voor en begeleiding van de zwangere vrouw. Het gaat dan zowel om de basiszorg die iedere zwangere vrouw aangeboden hoort te krijgen, als om de aanvullende zorg (bij risico’s of complicaties) conform de geldende richtlijnen, aangevuld met regionale en lokale afspraken (CPZ/ACK-ZIN, 2016). Daarnaast heeft ZonMw het onderzoeksprogramma ‘zwangerschap en geboorte’ gelanceerd (ZonMW, 2014; Huijbregts, 2012). Beide initiatieven versterken de samenwerking binnen de keten. CPZ stimuleert de samenwerking binnen de (92) verloskundige samenwerkingsverbanden (VSV’s). Deze VSV's hebben als doel de samenwerking en afstemming tussen verloskundigen, gynaecologen, kraamverzorgenden, huisartsen, kinderartsen en anesthesiologen te verbeteren. ZonMw heeft (10) regionale multidisciplinaire consortia rond zwangerschap en geboorte mogelijk gemaakt. Binnen deze consortia werken professionals en onderzoekers samen aan verbetering van de zorgpraktijk, ontwikkelen zij kennis over hoe de zorg beter kan en zorgen ze dat deze verspreid wordt. 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Stuurgroep zwangerschap en geboorte. Een goed begin. Veilige zorg rond zwangerschap en geboorte.. Utrecht; 2009. Bron
  2. CPZ. Plan van aanpak. Utrecht: College Perinatale Zorg; 2012. Bron
  3. CPZ/ACK-ZIN. Zorgstandaard Integrale Geboortezorg Versie 1.1. Utrecht/Diemen: Expertgroep Zorgstandaard Integrale Geboortezorg, College Perinatale Zorg / Adviescommissie Kwaliteit Zorginstituut Nederland ; 2016. Bron
  4. ZonMW. Programma Zwangerschap en geboorte. Een impressie van het kennisnetwerk geboortezorg en onderzoeksprojecten. Een gezonde moeder, een gezonde zwangerschap en een gezond kind. Den Haag: ZonMW; 2014. Bron
  5. Huijbregts V. Deelname is vrijwillig, niet vrijblijvend. Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen. 2012;90:472-474. Bron

Perinatale audit

Perinatale audit moet kwaliteit zorg rond de geboorte bewaken en verbeteren

Sinds 1 januari 2010 is de landelijke perinatale audit van start gegaan. Het doel van een perinatale audit is het kritisch en gestructureerd analyseren in hoeverre de daadwerkelijk verleende zorg, zoals de zorg rondom bepaalde aandoeningen of ziektebeelden of overlijden rond de geboorte van moeder (maternale sterfte) of kind (perinatale sterfte), voldeed aan de geaccepteerde standaarden. Daarnaast wordt nagegaan in hoeverre het niet naleven van richtlijnen en protocollen heeft bijgedragen aan de sterfte of andere uitkomsten. Het uiteindelijke doel is het verbeteren en bewaken van de kwaliteit van de integrale zorgverlening. Bespreking van de voldragen (> 37 weken zwangerschapsduur) kinderen uit 2010 en 2011 die rond de geboorte zijn overleden (PAN, 2011; PAN, 2013), heeft geleid tot aanbevelingen die lokaal, regionaal en landelijk worden opgepakt (PAN, 2013; PAN, 2013; Eskes et al., 2015Eskes et al., 2014). Vrijwel alle eerstelijnsverloskundigen, klinisch verloskundigen en gynaecologen in Nederland hebben in de periode 2010-2012 één of meerdere keren deelgenomen aan een perinatale audit (Stichting PAN, 2014). Van de verloskundig actieve huisartsen nam 20% deel (van den Berg et al., 2014).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. PAN. A terme sterfte 2010. Perinatale audit: eerste verkenningen. Utrecht: Stichting Perinatale Audit Nederland; 2011. Bron
  2. PAN. A terme sterfte 2011. De voortgang. Utrecht: Stichting Perinatale Audit Nederland; 2013. Bron
  3. PAN. Procesevaluatie. Invoering van landelijke perinatale audit. Utrecht: Stichting Perinatale Audit Nederland; 2013. Bron
  4. Eskes M, Waelput AJM, Erwich JJHM, Brouwers HAA, Ravelli ACJ, Achterberg PW, et al. Term perinatal mortality audit in the Netherlands 2010-2012: a population-based cohort study. Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:A8609. Bron | Pubmed
  5. Eskes M, Waelput AJM, Erwich JJHM, Brouwers HAA, Ravelli ACJ, Achterberg PW, et al. Term perinatal mortality audit in the Netherlands 2010-2012: a population-based cohort study. BMJ Open. 2014;4(10):e005652. Bron
  6. Stichting PAN. A terme sterfte 2010-2012: Perinatale audit op koers. Utrecht: Stichting Perinatale Audit; 2014. Bron
  7. van den Berg MJ, de Boer D, Gijsen R, Heijink R, Limburg LCM, Zwakhals SLN. Zorgbalans 2014. De prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; 2014. Bron

Preconceptiezorg

Preconceptiezorg bij zwangerschapswens

Preconceptiezorg kan bijdragen aan een gezondere leefstijl van de zwangere vrouw, aan minder aangeboren afwijkingen en mogelijk ook aan verlaging van de perinatale sterfte (Gezondheidsraad, 2007). De Gezondheidsraad omschrijft preconceptiezorg als ‘het geheel aan maatregelen ter bevordering van de gezondheid van de (aanstaande) moeder en het aanstaande kind, die, willen ze effectief zijn, bij voorkeur vóór de conceptie moeten worden genomen‘. Een voorbeeld is het advies aan vrouwen om vanaf 4 weken voor de conceptie tot minimaal 8 weken daarna foliumzuur te gebruiken. Dit voorkomt een aanzienlijk deel van de open ruggetjes en enkele andere aangeboren afwijkingen. Andere voorbeelden zijn het stoppen met roken, alcohol en drugs, nagaan van de familieanamnese, en aanpassen van eventuele medicatie. Verloskundigen, huisartsen en gynaecologen kunnen kinderwensconsulten/preconceptieconsulten aanbieden (KNOV, 2016; De Jong-Potjer et al., 2011; NVOG, 2008). Zo bieden diverse verloskundigen een kinderwensspreekuur aan en maken hiervoor gebruik van internetsites of werken samen met speciaal opgeleide Voorlichters Perinatale Gezondheid om kwetsbare doelgroepen te bereiken (Peters et al., 2014). Binnen het ZonMw-programma Zwangerschap en geboorte zijn projecten gestart om het bereik van preconceptiezorg te verhogen (ZonMW, 2014).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Gezondheidsraad. Preconceptiezorg: voor een goed begin. Den Haag: Gezondheidsraad; 2007. Bron
  2. KNOV. Aanbieders kinderwensspreekuur. Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV); 2016. Bron
  3. De Jong-Potjer LC, Beentjes M, Bogchelman M, Jaspar AHJ, van Asselt KM. NHG-Standaard Preconceptiezorg . Huisarts Wet. 2011;54(6):310-2. Bron
  4. NVOG. Nota preconceptiezorg. Versie 1.0. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG); 2008. Bron
  5. Peters I.A., Schölmerich VLN, van Veen D.W., Steegers EAP, Denktaş S. Reproductive health peer education for multicultural target groups. Journal for Multicultural Education. 2014;3:162-178. GoogleScholar
  6. ZonMW. Programma Zwangerschap en geboorte. Een impressie van het kennisnetwerk geboortezorg en onderzoeksprojecten. Een gezonde moeder, een gezonde zwangerschap en een gezond kind. Den Haag: ZonMW; 2014. Bron

Verantwoording

Definities
  • Verschillende maten voor sterfte rond de geboorte

    De tabel geeft een overzicht van de sterftematen die gerekend worden tot sterfte rond de geboorte. Sterfte rond de geboorte bij zowel moeder als kind vormt een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de zorg tijdens de zwangerschap en rond de geboorte.

    Tabel: Maten voor sterfte rond de geboorte

     
    Sterftemaat Verklaring
    Doodgeboortecijfer (foetale sterfte) Aantal doodgeborenen per 1.000 levend- en doodgeborenen. Een doodgeborene is een vrucht die na de geboorte geen enkel teken van levensverrichting (ademhaling, hartactie, spiercontractie) heeft vertoond. Er wordt onderscheid gemaakt in een doodgeborene na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (Perined), 24 weken of meer (CBS, wettelijke ondergrens voor aangifte van geboorte) en 28 weken of meer.
    Neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 28 dagen, ongeacht zwangerschapsduur. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Vroeg-neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 7 dagen. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Post-neonatale sterfte Aantal overledenen tussen vier levensweken en 1 jaar na geboorte. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Perinatale sterfte Het aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22, 24 of 28 weken of meer en sterfte in de eerste 7 of 28 dagen (de perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en (vroeg) neonatale sterfte). Welke definitie gebruikt wordt, is afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens. Bij een onbekende zwangerschapsduur worden het geboortegewicht of de lengte van het kind gebruikt als benadering van die zwangerschapsduur. Een geboortegewicht van 500 gram en/of een kruin-hiellengte van 25 cm komen ongeveer overeen met een zwangerschapsduur van ten minste 22 weken. De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen.
    Zuigelingensterfte Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van de neonatale en de post-neonatale sterfte). Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Wiegendood Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart (per 1.000 levendgeborenen). Wiegendood wordt ook Sudden Infant Death Syndrome (SIDS) genoemd.
    Moedersterfte (maternale sterfte) Moedersterfte is het totaal van directe en indirecte moedersterfte (binnen 42 dagen na beëindiging van een zwangerschap). Directe sterfte is het gevolg van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed, van interventies, omissies of onjuiste behandeling, of van een reeks gebeurtenissen die voortvloeien uit deze complicaties. Indirecte sterfte is het gevolg van een pre-existente ziekte of van een ziekte die tijdens de zwangerschap ontstond maar werd verergerd door de fysiologische effecten van de zwangerschap. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen.
Bronverantwoording
  • PRN, CBS doodsoorzakenstatistiek en gekoppelde CBS/PRN-gegevens

    Gegevens over geboorte en perinatale sterfte in Nederland komen uit twee landelijke registraties:

    1. de CBS Doodsoorzakenstatistiek op basis van de Gemeentelijke Basis Administratie en het doodgeborenenbestand van het CBS.
    2. de landelijke perinatale registraties van de zorgverleners in de perinatale zorg van Perined (PRN).

    Sinds 2004 bestaat door koppeling van deze twee gegevensbronnen een gezamenlijke CBS/PRN dataset (Elferink-Stinkens et al., 2010).

    Doodsoorzakenstatistiek CBS

    Van een doodgeboren kind moet aangifte worden gedaan bij de gemeente als het kind na een zwangerschapsduur van minimaal 24 weken is geboren. Voor levendgeboren kinderen geldt dat deze altijd moeten worden aangegeven bij de gemeente als de vader of moeder staat ingeschreven in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. Deze kinderen worden dan opgenomen in de Gemeentelijke Basis Administratie. Daarbij wordt de zwangerschapsduur niet genoteerd. Kinderen die levend geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 en kort na de geboorte overlijden worden dus meegeteld.

    Landelijke perinatale registraties van zorgverleners (PRN)

    De PRN-gegevens zijn afkomstig uit de gekoppelde registraties van verloskundigen, gynaecologen en kinderartsen. Deelname aan de registraties is niet wettelijk verplicht. De dekkingsgraad van de registraties is in de loop van de jaren toegenomen. In 2014 nam 100% van de verloskundige praktijken en 99% van de ziekenhuizen met het specialisme obstetrie en gynaecologie deel aan de Landelijke Verloskunde Registratie (LVR). In hetzelfde jaar namen 21 verloskundig actieve huisartsen deel aan de LVR. Het totaal aantal verloskundig actieve huisartsen is echter niet bekend. Daarnaast nam naar schatting 88% van alle kinderartspraktijken in 2014 deel aan de Landelijke Neonatale Registratie (LNR). Daarbij zitten alle 10 ziekenhuizen met een Neonatale Intensive Care Unit (NICU), die verplicht registreren (Perined, 2015). In de perinatale registraties worden ook geboorten opgenomen van vrouwen die niet in de bevolkingsadministratie zijn ingeschreven en geboorten vóór de 24e zwangerschapsweek. Hierdoor zijn cijfers beschikbaar over perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschap.

    Gekoppelde CBS/PRN bestand

    Het voordeel van het gekoppelde CBS/PRN bestand is dat van alle dood-  en levendgeboren kinderen, geboren na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer, informatie over de zwangerschapsduur beschikbaar is. Hierdoor is een betere internationale vergelijking mogelijk, omdat bij internationale vergelijkingen van perinatale sterftecijfers een grens van 22 weken zwangerschapsduur wordt gehanteerd. Een ander voordeel is dat het gekoppelde bestand opsplitsing naar provincie, etniciteit en inkomen mogelijk maakt. Nadeel is dat geen informatie beschikbaar is van kinderen van wie de moeder niet in de GBA is opgenomen. Hierdoor zijn de cijfers voor perinatale sterfte uit het gekoppelde CBS/PRN-bestand lager dan de cijfers uit enkel PRN (Elferink-Stinkens et al., 2010) (zie figuur PRN versus CBS/PRN).

    Vergelijking perinatale sterfte in PRN en CBS doodsoorzakenstatistiek

    De compleetheid van PRN kan – vanaf 24 weken zwangerschapsduur – vergeleken worden ten opzichte van de CBS registratie. Vanaf 22.0 weken is er geen vergelijking te maken omdat het CBS officieel vanaf 24.0 weken registreert. In 2014 zijn er vanaf 24.0 weken 174.739 kinderen beschreven in de PRN en 175.181 kinderen bekend in de CBS registratie. Dit is een overeenkomst van 99,7% (Perined, 2015). De PRN-registratie van doodgeboorte en sterfte in de eerste levensweek is vollediger dan die van het CBS. Voor de sterfte in de eerste vier weken na de geboorte (neonatale sterfte) is de CBS registratie vollediger. PRN heeft te maken met onderrapportage van laatneonatale sterfte door de niet-registrerende kinderartspraktijken. Bovendien wordt een kraambed in principe afgesloten binnen 1 week na de baring, waarna de gegevens aan PRN worden aangeleverd. Omdat de deelname van kinderartspraktijken aan de LNR is gestegen en inmiddels bijna 90% bedraagt is de onderraportage de laatste jaren afgenomen (Berger - van Sijl et al., 2007; Ravelli et al., 2008; CBS, 2009; Stichting PRN, 2014).

     

    Meer informatie

     

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
    2. PRN, Perinatale registratie. zorggegevens.nl
    3. CBS/PRN, Gekoppelde CBS/PRN dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Elferink-Stinkens PM, Roskam A.J.R., Witvliet H. Methodebeschrijving van de gemeenschappelijke PRN-CBScijfers over perinatale en zuigelingensterfte. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek; 2010. Bron
    2. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2014. Jaarboek 2014. Bijlage 1. Utrecht: Perined; 2015. Bron
    3. Berger - van Sijl M, Tromp M, de Bruin A, Ravelli ACJ, Gast J, Kardaun JWPF. Pilot koppeling PRN- en CBS-registraties, methoden en resultaten. Amsterdam, Voorburg, Utrecht: AMC / CBS / PRN; 2007. Bron
    4. Ravelli ACJ, Eskes M, Tromp M, van Huis AM, Steegers EAP, Tamminga P, et al. Perinatale sterfte in Nederland 2000-2006; risicofactoren en risicoselectie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2728-33. Pubmed
    5. CBS. Gezondheid en zorg in cijfers. Perinatale sterfte onder de loep genomen. Den Haag / Heerlen: CBS; 2009. Bron
    6. Stichting PRN. PRN Jaarboek 2013. Bijlage 1. Utrecht: Stichting Perinatale Registratie Nederland; 2014. Bron