Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Sterfte rond de geboorteCijfers & ContextTrends

Cijfers & Context

In 2016 zijn 811 kinderen dood geboren

Regionaal & Internationaal

Lage zuigelingensterfte in Zeeland

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Sterke daling wiegendood door adviezen rugligging

Trend in perinatale sterfte

Trends in perinatale sterfte (≥ 22 weken) 2000-2016

DoodgeboorteNeonatale sterfte Perinatale sterfte (28 dagen)
20008,14,212,3
20018412
20027,9411,9
20037,33,911,2
20047,23,410,6
20057,2411,2
200673,510,4
20076,73,510,2
20086,63,19,7
200963,29,2
20105,73,39
20115,63,38,8
20125,538,5
20135,33,28,4
20144,73,17,8
20154,83,07,8
20164,82,57,3

Bron: Perined

  • Perinatale sterfte (vanaf 22 weken zwangerschap, tot 28 dagen) per 1.000 levend- en doodgeborenen.
  • Doodgeboorte (vanaf 22 weken zwangerschap) per 1.000 levend- en doodgeborenen.
  • Neonatale sterfte (vanaf 22 weken zwangerschap, tot 28 dagen) per 1.000 levendgeborenen.

Perinatale sterfte gedaald tussen 2000 en 2016

Tussen 2000 en 2016 is de perinatale sterfte van kinderen die na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer worden geboren en rond de geboorte overlijden (voor, tijdens of in de eerst 28 dagen na de geboorte) gedaald van 12,3 naar 7,3 per 1.000 (Perined). Gegevens uit het gekoppelde CBS/Perined bestand laten een vergelijkbare daling zien in perinatale sterfte (22 weken, eerste 28 dagen) van 9,9 per 1.000 in 2004 naar 7,7 per 1.000 in 2015 (CBS/Perined via CBS StatLine, 2018). Zowel doodgeboorte als de sterfte in de eerste 28 dagen (neonatale sterfte) daalde. De perinatale sterfte was in de jaren vijftig van de vorige eeuw in Nederland veel hoger dan nu, waarna er een sterke daling volgde tot de jaren tachtig van de vorige eeuw. In de periode 1980-1997 heeft die daling zich in Nederland minder sterk doorgezet dan in veel andere goed ontwikkelde landen (Achterberg & Kramers, 2001).

Meer informatie


 

Datum publicatie

31-01-2018

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. Perined, Perinatale registratie. zorggegevens.nl
  2. CBS/Perined, Gekoppelde CBS/Perined dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Achterberg PW, Kramers PGN. Een gezonde start? Sterfte rond de geboorte in Nederland: trends en oorzaken vanuit internationaal perspectief. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2001. Bron

Trend in zuigelingensterfte

Trend in zuigelingensterfte, 1980-2017

Zuigelingensterfte
19808,6
19818,3
19828,3
19838,4
19848,3
19858,0
19867,7
19877,6
19886,8
19896,8
19907,1
19916,5
19926,3
19936,3
19945,7
19955,5
19965,7
19975,0
19985,2
19995,2
20005,1
20015,4
20025,0
20034,8
20044,4
20054,9
20064,4
20074,1
20083,8
20093,8
20103,8
20113,6
20123,7
20133,8
20143,6
20153,3
20163,5
20173,6

Sterftedaling bij kinderen tot 1 jaar oud

De sterfte in het eerste levensjaar daalde tussen 1980 en 2017. In dezelfde periode daalde ook de perinatale sterfte (voor, tijdens of in de eerst 28 dagen na de geboorte). Tussen 1996 en 2017 daalde de post-neonatale sterfte (sterfte vanaf 4 weken tot één jaar). De daling van de perinatale sterfte heeft in deze periode dus waarschijnlijk niet geleid tot uitstel van sterfte en daarmee een verschuiving van sterfte naar een later tijdstip in het eerste levensjaar.

Meer informatie

Datum publicatie

29-10-2018

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl

Trend in wiegendood

Wiegendood blijft op laag niveau

Sinds midden jaren negentig is de sterfte aan wiegendood op een laag niveau. In de jaren zeventig steeg in Nederland de sterfte aan wiegendood nog (van Velzen-Mol et al., 1997), maar sinds 1987 is het aantal gevallen van wiegendood in Nederland snel gedaald.  Na het bekend worden van de relatie met buikligging wordt sinds 1987 in Nederland geadviseerd om baby’s niet meer op hun buik, maar op de rug te leggen. Dit leidde tot een sterke afname van wiegendood. Begin jaren negentig werden meer risicofactoren ontdekt en werd voorlichting ingevoerd over onder meer rookgedrag, afzien van het gebruik van een dekbedje en niet meer in het bed van de ouders slapen (1993) (de Jonge & Hoogenboezem, 2005). Dit leidde opnieuw tot minder overlijden door wiegendood (de Jonge & Hoogenboezem, 2005; Flinsenberg et al., 2008; Munsters et al., 2013).  Begin 2013 zijn nieuwe adviezen toegevoegd over onder meer het gebruik van fopspenen en het vermijden van stabilisatiekussens (Munsters et al., 2013).
 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Velzen-Mol HW, Burgmeijer RJF, Hofkamp M, den Ouden AL. Consensus preventie van wiegendood. Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141(37):1779-83. Pubmed
  2. de Jonge GA, Hoogenboezem J. Epidemiologie van 25 jaar wiegendood in Nederland; incidentie van wiegendood en prevalentie van risicofactoren in 1980-2004. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149(23):1273-8. Pubmed
  3. Flinsenberg TWH, Ruys JH, Engelberts AC, van Velzen-Mol HW. Herziene richtlijn 'Preventie wiegendood'. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(24):1370-5. Bron
  4. Munsters JM, Wierenga H, Boere-Boonekamp MM, Semmekrot BA, Engelberts AC. Aanvullende adviezen voor veilig slapen ter preventie van wiegendood. Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;158(8):A5568. Bron

Trend in moedersterfte

Moedersterfte stabiel

In de periode 1999-2012 overleden 266 vrouwen (9,3 per 100.000 levendgeborenen) tijdens de zwangerschap of binnen 42 dagen na beëindiging van de zwangerschap (Stichting PRN, 2013). In de periode 1993-2008 overleden 10,8 moeders per 100.000 levendgeborenen (de Graaf et al., 2012), in de periode 1993-2005 overleden 12,1 moeders per 100.000 en in de periode 1983-1992 overleden 9,7 moeders per 100.000 (Schutte et al., 2010). Het gaat hierbij om moedersterfte volgens de definitie van de Auditcommissie Maternale Sterfte van de NVOG. Vanwege de kleine aantallen zijn trends in de moedersterfte alleen over langere perioden waar te nemen (Schutte et al., 2005).

Risicofactoren voor moedersterfte nemen toe

Met uitzondering van een hoog kindertal is de prevalentie van risicofactoren voor moedersterfte (hogere leeftijd van de moeder, allochtone herkomst van de moeder, keizersneden, obesitas en een chronische aandoening zoals hart- en vaatziekten of diabetes) decennialang toegenomen (Schuitemaker et al., 1998; Rietberg et al., 2005; van der Pal-de Bruin et al., 2012). Ondanks deze toename blijft de moedersterfte stabiel. De sterfte aan de directe gevolgen van een zwangerschap is gedaald. De zogenoemde indirecte moedersterfte onder vrouwen met een onderliggende ziekte, zoals door hart- en vaatziekten, nam wel toe (Schutte et al., 2010; Schutte et al., 2010; Schutte et al., 2013).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Stichting PRN. Grote Lijnen 1999-2012. Utrecht: Stichting Perinatale registratie Nederland; 2013. Bron
  2. de Graaf JP, Schutte JM, Poeran JJ, van Roosmalen J, Bonsel GJ, Steegers EAP. Regional differences in Dutch maternal mortality. BJOG. 2012;119(5):582-8. Pubmed | DOI
  3. Schutte JM, Steegers EAP, Schuitemaker NWE, Santema JG, de Boer K, Pel M, et al. Rise in maternal mortality in the Netherlands. BJOG. 2010;117(4):399-406. Pubmed | DOI
  4. Schutte JM, de Boer K, Briët JW, Pel M, Santema JG, Schuitemaker NWE. Moedersterfte in Nederland: het topje van de ijsberg. NTOG. 2005;118(5):89-91. Bron
  5. Schuitemaker NWE, van Roosmalen J, Dekker G, van Dongen P, van Geijn H, Bennebroek-Gravenhorst J. Confidential enquiry into maternal deaths in The Netherlands 1983-1992. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol. 1998;79(1):57-62. Pubmed
  6. Rietberg CCTh, Elferink-Stinkens PM, Visser GHA. The effect of the Term Breech Trial on medical intervention behaviour and neonatal outcome in The Netherlands: an analysis of 35,453 term breech infants. BJOG. 2005;112(2):205-9. Pubmed | DOI
  7. van der Pal-de Bruin KM, Mohangoo AD, Achterberg PW, Buitendijk SE. Trends in determinanten van perinatale sterfte in Nederland. TSG. 2012;90(8):555-562. Bron | DOI
  8. Schutte JM, de Jonge L, Schuitemaker NWE, Santema JG, Steegers EAP, van Roosmalen J. Indirect maternal mortality increases in the Netherlands. Acta Obstet Gynecol Scand. 2010;89(6):762-8. Pubmed | DOI
  9. Schutte JM, van den Akker T, Engel N, de Groot CJM, Kuppens S, Schuitemaker NWE, et al. Moedersterfte in Nederland: op de goede weg? Tijdschr Verloskundigen. 2013:30-33. Bron

Verantwoording

Definities
  • Verschillende maten voor sterfte rond de geboorte

    De tabel geeft een overzicht van de sterftematen die gerekend worden tot sterfte rond de geboorte. Sterfte rond de geboorte bij zowel moeder als kind vormt een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de zorg tijdens de zwangerschap en rond de geboorte.

    Tabel: Maten voor sterfte rond de geboorte

     
    Sterftemaat Verklaring
    Doodgeboortecijfer (foetale sterfte) Aantal doodgeborenen per 1.000 levend- en doodgeborenen. Een doodgeborene is een vrucht die na de geboorte geen enkel teken van levensverrichting (ademhaling, hartactie, spiercontractie) heeft vertoond. Er wordt onderscheid gemaakt in een doodgeborene na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (Perined), 24 weken of meer (CBS, wettelijke ondergrens voor aangifte van geboorte) en 28 weken of meer.
    Neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 28 dagen, ongeacht zwangerschapsduur. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Vroeg-neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 7 dagen. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Post-neonatale sterfte Aantal overledenen tussen vier levensweken en 1 jaar na geboorte. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Perinatale sterfte Het aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22, 24 of 28 weken of meer en sterfte in de eerste 7 of 28 dagen (de perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en (vroeg) neonatale sterfte). Welke definitie gebruikt wordt, is afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens. Bij een onbekende zwangerschapsduur worden het geboortegewicht of de lengte van het kind gebruikt als benadering van die zwangerschapsduur. Een geboortegewicht van 500 gram en/of een kruin-hiellengte van 25 cm komen ongeveer overeen met een zwangerschapsduur van ten minste 22 weken. De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen.
    Zuigelingensterfte Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van de neonatale en de post-neonatale sterfte). Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Wiegendood Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart (per 1.000 levendgeborenen). Wiegendood wordt ook Sudden Infant Death Syndrome (SIDS) genoemd.
    Moedersterfte (maternale sterfte) Moedersterfte is het totaal van directe en indirecte moedersterfte (binnen 42 dagen na beëindiging van een zwangerschap). Directe sterfte is het gevolg van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed, van interventies, omissies of onjuiste behandeling, of van een reeks gebeurtenissen die voortvloeien uit deze complicaties. Indirecte sterfte is het gevolg van een pre-existente ziekte of van een ziekte die tijdens de zwangerschap ontstond maar werd verergerd door de fysiologische effecten van de zwangerschap. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen.
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over sterfte rond de gebooorte

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Perined
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte (28 dagen)
    3. perinatale sterfte (7 dagen en 28 dagen)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    2. levendgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    3. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap

    PerinedPerined, 2018

    CBS/Perined
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte (28 dagen)
    3. perinatale sterfte (7 dagen en 28 dagen)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    2. levendgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    3. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    CBS/Perined

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    1. zuigelingensterfte
    2. wiegendood
    3. moedersterfte
    1. kinderen jonger dan 1 jaar
    2. kinderen jonger dan 1 jaar
    3. bevallen vrouwen

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Euro-Peristat
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte
    3. perinatale sterfte (som neonatale en foetale sterfte)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 28 weken zwangerschapsduur
    2. levendgeboren kinderen vanaf 24 weken zwangerschap tot 28 dagen na de geboorte
    Euro-Peristat; Euro-Peristat Project, 2018
    Eurostat zuigelingensterfte kinderen jonger dan 1 jaar Eurostat  

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2016. Utrecht: Perined; 2018. Bron
    2. Euro-Peristat Project. European Perinatal Health Report. Core indicators of the health and care of pregnant women and babies in Europe in 2015. .; 2018. Bron
  • Perined, CBS doodsoorzakenstatistiek en gekoppelde CBS/Perined-gegevens

    Gegevens over geboorte en perinatale sterfte in Nederland komen uit twee landelijke registraties:

    1. de CBS Doodsoorzakenstatistiek op basis van de Basisregistratie Personen (BRP) en het doodgeborenenbestand van het CBS.
    2. de landelijke perinatale registraties van de zorgverleners in de perinatale zorg van Perined (Perined).

    Sinds 2004 bestaat door koppeling van deze twee gegevensbronnen een gezamenlijke CBS/Perined dataset (Elferink-Stinkens et al., 2010).

    Doodsoorzakenstatistiek CBS

    Van een doodgeboren kind moet aangifte worden gedaan bij de gemeente als het kind na een zwangerschapsduur van minimaal 24 weken is geboren. Voor levendgeboren kinderen geldt dat deze altijd moeten worden aangegeven bij de gemeente als de vader of moeder staat ingeschreven in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. Deze kinderen worden dan opgenomen in de Basisregistratie Personen. Daarbij wordt de zwangerschapsduur niet genoteerd. Kinderen die levend geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 en kort na de geboorte overlijden worden dus meegeteld.

    Landelijke perinatale registraties van zorgverleners (Perined)

    De Perined-gegevens zijn afkomstig uit de gekoppelde registraties van verloskundigen, gynaecologen en kinderartsen. Deelname aan de registraties is niet wettelijk verplicht. De dekkingsgraad van de registraties is in de loop van de jaren toegenomen. In 2014 nam 100% van de verloskundige praktijken en 99% van de ziekenhuizen met het specialisme obstetrie en gynaecologie deel aan de Landelijke Verloskunde Registratie (LVR). In hetzelfde jaar namen 21 verloskundig actieve huisartsen deel aan de LVR. Het totaal aantal verloskundig actieve huisartsen is echter niet bekend. Daarnaast nam naar schatting 88% van alle kinderartspraktijken in 2014 deel aan de Landelijke Neonatale Registratie (LNR). Daarbij zitten alle 10 ziekenhuizen met een Neonatale Intensive Care Unit (NICU), die verplicht registreren (Perined, 2015). In de perinatale registraties worden ook geboorten opgenomen van vrouwen die niet in de bevolkingsadministratie zijn ingeschreven en geboorten vóór de 24e zwangerschapsweek. Hierdoor zijn cijfers beschikbaar over perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschap.

    Gekoppelde CBS/Perined-bestand

    Het voordeel van het gekoppelde CBS/Perined-bestand is dat van alle dood-  en levendgeboren kinderen, geboren na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer, informatie over de zwangerschapsduur beschikbaar is. Hierdoor is een betere internationale vergelijking mogelijk, omdat bij internationale vergelijkingen van perinatale sterftecijfers een grens van 22 weken zwangerschapsduur wordt gehanteerd. Een ander voordeel is dat het gekoppelde bestand opsplitsing naar provincie, etniciteit en inkomen mogelijk maakt. Nadeel is dat geen informatie beschikbaar is van kinderen van wie de moeder niet in de BRP is opgenomen. Hierdoor zijn de cijfers voor perinatale sterfte uit het gekoppelde CBS/Perined-bestand lager dan de cijfers uit enkel Perined (Elferink-Stinkens et al., 2010) (zie figuur Perined versus CBS/Perined).

    Vergelijking perinatale sterfte in Perined en CBS doodsoorzakenstatistiek

    De compleetheid van Perined kan – vanaf 24 weken zwangerschapsduur – vergeleken worden ten opzichte van de CBS registratie. Vanaf 22.0 weken is er geen vergelijking te maken omdat het CBS officieel vanaf 24.0 weken registreert. In 2014 zijn er vanaf 24.0 weken 174.739 kinderen beschreven in de Perined en 175.181 kinderen bekend in de CBS registratie. Dit is een overeenkomst van 99,7% (Perined, 2015). De Perined-registratie van doodgeboorte en sterfte in de eerste levensweek is vollediger dan die van het CBS. Voor de sterfte in de eerste vier weken na de geboorte (neonatale sterfte) is de CBS registratie vollediger. Perined heeft te maken met onderrapportage van laatneonatale sterfte door de niet-registrerende kinderartspraktijken. Bovendien wordt een kraambed in principe afgesloten binnen 1 week na de baring, waarna de gegevens aan Perined worden aangeleverd. Omdat de deelname van kinderartspraktijken aan de LNR is gestegen en inmiddels bijna 90% bedraagt is de onderraportage de laatste jaren afgenomen (Berger-van Sijl et al., 2007; Ravelli et al., 2008; CBS, 2009; Stichting PRN, 2014).

     

    Meer informatie

     

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
    2. Perined, Perinatale registratie. zorggegevens.nl
    3. CBS/Perined, Gekoppelde CBS/Perined dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Elferink-Stinkens PM, Roskam A.J.R., Witvliet H. Methodebeschrijving van de gemeenschappelijke PRN-CBScijfers over perinatale en zuigelingensterfte. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek; 2010. Bron
    2. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2014. Jaarboek 2014. Bijlage 1. Utrecht: Perined; 2015. Bron
    3. Berger-van Sijl M, Tromp M, de Bruin A, Ravelli ACJ, Gast J, Kardaun JWPF. Pilot koppeling PRN- en CBS-registraties, methoden en resultaten. Amsterdam, Voorburg, Utrecht: AMC / CBS / PRN; 2007. Bron
    4. Ravelli ACJ, Eskes M, Tromp M, van Huis AM, Steegers EAP, Tamminga P, et al. Perinatale sterfte in Nederland 2000-2006; risicofactoren en risicoselectie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2728-33. Pubmed
    5. CBS. Gezondheid en zorg in cijfers. Perinatale sterfte onder de loep genomen. Den Haag / Heerlen: CBS; 2009. Bron
    6. Stichting PRN. PRN Jaarboek 2013. Bijlage 1. Utrecht: Stichting Perinatale Registratie Nederland; 2014. Bron