Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Sterfte rond de geboorteCijfers & ContextTrends

Cijfers & Context

In 2019 zijn 790 kinderen dood geboren

Regionaal & Internationaal

NL in middenmoot sterfte rond de geboorte

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Diverse maatregelen voor verbeteren kwaliteit zorg

Trend in perinatale sterfte

Trends in perinatale sterfte (≥ 22 weken) 2009-2019

DoodgeboorteNeonatale sterftePerinatale sterfte (28 dagen)
20096,03,29,2
20105,73,39,0
20115,63,38,8
20125,53,08,5
20135,33,28,4
20144,73,17,8
20154,83,07,8
20164,82,67,4
20174,63,07,7
20185,02,97,9
20194,82,97,8

Bron: Perined

  • Perinatale sterfte (vanaf 22 weken zwangerschap, tot 28 dagen) per 1.000 levend- en doodgeborenen.
  • Doodgeboorte (vanaf 22 weken zwangerschap) per 1.000 levend- en doodgeborenen.
  • Neonatale sterfte (vanaf 22 weken zwangerschap, tot 28 dagen) per 1.000 levend- en doodgeborenen.

Perinatale sterfte tot 2015 gedaald, daling daarna afgevlakt

Tussen 2009 en 2019 is de perinatale sterfte van kinderen die na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer worden geboren en rond de geboorte overlijden (voor, tijdens of in de eerst 28 dagen na de geboorte) gedaald van 9,2 naar 7,8 per 1.000 (Perined, 2019; Perined, 2020). Gegevens uit het gekoppelde CBS/Perined bestand laten een vergelijkbare daling zien in perinatale sterfte (22 weken, eerste 28 dagen) van 8,8 per 1.000 in 2009 naar 7,5 per 1.000 in 2016 (CBS/Perined via CBS StatLine, 2019). Zowel doodgeboorte als de sterfte in de eerste 28 dagen (neonatale sterfte) daalde. Vanaf 2015 is de daling in perinatale sterfte echter afgevlakt. 

De perinatale sterfte was in de jaren vijftig van de vorige eeuw in Nederland veel hoger dan nu, waarna er een sterke daling volgde tot de jaren tachtig van de vorige eeuw. In de periode 1980-2004 heeft die daling zich in Nederland minder sterk doorgezet dan in veel andere hoge inkomenslanden (Mohangoo et al., 2008; Buitendijk et al., 2003; Achterberg & Kramers, 2001). Na 2010 was de daling in Nederland juist weer wat sterker dan in de andere landen (Broeders et al., 2019; Euro-Peristat, 2018). Wel werd duidelijk dat een aantal positieve factoren die hebben bijgedragen aan genoemde relatief sterke daling van de perinatale sterfte in Nederland in 2015 hun grootste effect hadden gehad (Broeders et al., 2019).

Sterfte tot 2015 gedaald door veranderingen in zorg en preventie

Een aantal veranderingen in de zorg hebben mogelijk bijgedragen aan de daling van de sterfte rond de geboorte tussen 2010 en 2015 (Broeders et al., 2019). Voorbeelden zijn:

Verder is ook het percentage zwangeren dat tijdens de gehele zwangerschap dagelijks heeft gerookt, gedaald van naar schatting 9,9 in 2005 naar 6,3 in 2010. Hoewel dit percentage vervolgens weer is gestegen naar 8,6 in 2015 is het in 2015 nog wel lager dan in 2005 (Lanting et al., 2015). Op grond van de bekende verhoogde risico’s voor perinatale sterfte van roken door de moeder is het zeer aannemelijk dat ook hierdoor de sterfte is gedaald. Daarnaast is gewezen op de afname van het aandeel meerlinggeboortes door veranderingen in het ivf-beleid (minder terugplaatsen van twee of meer embryo’s) en de invloed daarvan op de totale perinatale sterfte. Meerlingkinderen hebben namelijk een aantal malen hoger sterfterisico dan eenlingen (Achterberg et al., 2020).

Stagnatie na 2015 door stijging sterfte bij vroeggeboorte voor 32 weken en toename enkele risicofactoren

De belangrijkste reden voor de recente stagnatie van de daling lijkt de recente stijging van de sterfte bij vroeggeboortes met een zwangerschapsduur tussen 24 en 32 weken. Vroeggeboorte is een belangrijke risicofactor voor sterfte rond de geboorte. De daling van het aandeel te vroeg geboren kinderen ging tot 2015 gepaard met een daling van de sterfte door vroeggeboorte. Dit is mede het gevolg van verbeteringen in de behandeling van veel te vroeg geboren kinderen (NVK/NVOG, 2010; zie Richtlijn Perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte). Na 2015 daalde het aandeel te vroeg geboren kinderen verder, maar stijgt de sterfte door vroeggeboorte weer. Dit wijst op een hoger risico dat met vroeggeboorte gepaard gaat (Achterberg et al., 2020). Ook nemen in Nederland een aantal risicofactoren voor vroeggeboorte en perinatale sterfte toe. Zo is er een continue toename van obesitas bij vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Ook het aandeel geboortes in de groep vrouwen met een overig niet-westerse herkomst (Azië, Afrika, waaronder asielzoekers en statushouders) neemt toe. Ook deze veranderingen in de populatie zwangere vrouwen kunnen de stagnatie in de daling verklaren (Achterberg et al., 2020).

Meer informatie

Datum publicatie

07-12-2020

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS/Perined, Gekoppelde CBS/Perined dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Perined. Perinatale zorg in Nederland anno 2018: landelijke perinatale cijfers en duiding. Utrecht: Perined; 2019. Bron
  2. Perined. Geboortezorg in Nederland 2019. Overzicht van cijfers over geboorten en geboortezorg in Nederland in 2019. Perined; 2020. Bron
  3. Mohangoo AD, Buitendijk SE, Hukkelhoven CWPM, Ravelli ACJ, Rijninks-van Driel GC, Tamminga P, et al. Hoge perinatale sterfte in Nederland vergeleken met andere Europese landen: de PERISTAT II studie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2718-27. Pubmed
  4. Buitendijk SE, Zeitlin JA, Cuttini M, Langhoff-Roos J, Bottu J. Indicators of fetal and infant health outcomes. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol. 2003;111 Suppl 1:S66-77. Pubmed
  5. Achterberg PW, Kramers PGN. Een gezonde start? Sterfte rond de geboorte in Nederland: trends en oorzaken vanuit internationaal perspectief. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2001. Bron
  6. Broeders L, Achterberg PW, Waelput AJM, Ravelli ACJ, Kwee A, Groenendaal F, et al. [Decrease in foetal and neonatal mortality in the Netherlands; comparison with other Euro-Peristat countries in 2004, 2010 and 2015]. Ned Tijdschr Geneeskd. 2019;163. Pubmed
  7. Euro-Peristat. European Perinatal Health Report. Core indicators of the health and care of pregnant women and babies in Europe in 2015. .; 2018. Bron
  8. Lanting CI, van Wouwe JP, van Dommelen P, van der Pal-de Bruin KM, de Josselin-de Jong S, Kleinjan M. Roken tijdens de zwangerschap: percentages over de periode 2001-2015. Leiden: TNO; 2015. Bron
  9. Achterberg PW, Harbers MM, Post NAM, Visscher K. Beter weten: een beter begin Samen sneller naar een betere zorg rond de zwangerschap. RIVM Briefrapport 2020-0140. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2020. Bron
  10. NVK/NVOG. Richtlijn Perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG); 2010. Bron

Trend in zuigelingensterfte

Trend in zuigelingensterfte 2000-2018

PeriodenZuigelingensterfte, relatief
19808,6
19818,3
19828,3
19838,4
19848,3
19858,0
19867,7
19877,6
19886,8
19896,8
19907,1
19916,5
19926,3
19936,3
19945,7
19955,5
19965,7
19975,0
19985,2
19995,2
20005,1
20015,4
20025,0
20034,8
20044,4
20054,9
20064,4
20074,1
20083,8
20093,8
20103,8
20113,6
20123,7
20133,8
20143,6
20153,3
20163,5
20173,6
20183,5

Sterftedaling bij kinderen tot 1 jaar oud

De sterfte van kinderen in het eerste levensjaar daalde tussen 2000 en 2018. Daarbij daalde vooral het aantal kinderen dat stierf aan aangeboren afwijkingen en aan aandoeningen die voortkomen uit de perinatale periode. In dezelfde periode daalde ook de perinatale sterfte (voor, tijdens of in de eerst 28 dagen na de geboorte). 

Snelle daling wiegendood sinds 1987

Een deel van de daling in zuigelingensterfte komt voor rekening van een snelle daling van het aantal gevallen van wiegendood sinds 1987 (NCJ, 2017). Na het bekend worden van de relatie van wiegendood met buikligging, krijgen alle ouders het advies om hun baby's op hun rug te leggen. Begin jaren negentig werden meer risicofactoren ontdekt en werd voorlichting ingevoerd over onder meer rookgedrag, afzien van het gebruik van een dekbedje en niet meer in het bed van de ouders slapen (1993) (de Jonge & Hoogenboezem, 2005). Dit leidde opnieuw tot minder overlijden door wiegendood (Munsters et al., 2013; Flinsenberg et al., 2008; de Jonge & Hoogenboezem, 2005).  Begin 2013 zijn nieuwe adviezen toegevoegd over onder meer het gebruik van fopspenen en het vermijden van stabilisatiekussens (Munsters et al., 2013).

Meer informatie

Datum publicatie

07-12-2020

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. NCJ. Daling cijfers wiegendood door adviezen over veilig slapen. NCJ; 2017. Bron
  2. de Jonge GA, Hoogenboezem J. Epidemiologie van 25 jaar wiegendood in Nederland; incidentie van wiegendood en prevalentie van risicofactoren in 1980-2004. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149(23):1273-8. Pubmed
  3. Munsters JM, Wierenga H, Boere-Boonekamp MM, Semmekrot BA, Engelberts AC. Aanvullende adviezen voor veilig slapen ter preventie van wiegendood. Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;158(8):A5568. Bron
  4. Flinsenberg TWH, Ruys JH, Engelberts AC, van Velzen-Mol HW. Herziene richtlijn 'Preventie wiegendood'. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(24):1370-5. Bron

Trend in moedersterfte

Moedersterfte stabiel

In de periode 1999-2012 overleden 266 vrouwen (9,3 per 100.000 levendgeborenen) tijdens de zwangerschap of binnen 42 dagen na beëindiging van de zwangerschap (Stichting PRN, 2013). In de periode 1993-2008 overleden 10,8 moeders per 100.000 levendgeborenen (de Graaf et al., 2012), in de periode 1993-2005 overleden 12,1 moeders per 100.000 en in de periode 1983-1992 overleden 9,7 moeders per 100.000 (Schutte et al., 2010). Het gaat hierbij om moedersterfte volgens de definitie van de Auditcommissie Maternale Sterfte van de NVOG. Vanwege de kleine aantallen zijn trends in de moedersterfte alleen over langere perioden waar te nemen (Schutte et al., 2005).

Risicofactoren voor moedersterfte nemen toe

Met uitzondering van een hoog kindertal is de prevalentie van risicofactoren voor moedersterfte (hogere leeftijd van de moeder, allochtone herkomst van de moeder, keizersneden, obesitas en een chronische aandoening zoals hart- en vaatziekten of diabetes) decennialang toegenomen (van der Pal-de Bruin et al., 2012; Rietberg et al., 2005; Schuitemaker et al., 1998). Ondanks deze toename blijft de moedersterfte stabiel. De sterfte aan de directe gevolgen van een zwangerschap is gedaald. De zogenoemde indirecte moedersterfte onder vrouwen met een onderliggende ziekte, zoals door hart- en vaatziekten, nam wel toe (Schutte et al., 2013; Schutte et al., 2010; Schutte et al., 2010).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Stichting PRN. Grote Lijnen 1999-2012. Utrecht: Stichting Perinatale registratie Nederland; 2013. Bron
  2. de Graaf JP, Schutte JM, Poeran JJ, van Roosmalen J, Bonsel GJ, Steegers EAP. Regional differences in Dutch maternal mortality. BJOG. 2012;119(5):582-8. Pubmed | DOI
  3. Schutte JM, Steegers EAP, Schuitemaker NWE, Santema JG, de Boer K, Pel M, et al. Rise in maternal mortality in the Netherlands. BJOG. 2010;117(4):399-406. Bron | Pubmed
  4. Schutte JM, de Boer K, Briët JW, Pel M, Santema JG, Schuitemaker NWE. Moedersterfte in Nederland: het topje van de ijsberg. NTOG. 2005;118(5):89-91. Bron
  5. van der Pal-de Bruin KM, Mohangoo AD, Achterberg PW, Buitendijk SE. Trends in determinanten van perinatale sterfte in Nederland. TSG. 2012;90(8):555-562. Bron | DOI
  6. Rietberg CCTh, Elferink-Stinkens PM, Visser GHA. The effect of the Term Breech Trial on medical intervention behaviour and neonatal outcome in The Netherlands: an analysis of 35,453 term breech infants. BJOG. 2005;112(2):205-9. Pubmed | DOI
  7. Schuitemaker NWE, van Roosmalen J, Dekker G, van Dongen P, van Geijn H, Bennebroek-Gravenhorst J. Confidential enquiry into maternal deaths in The Netherlands 1983-1992. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol. 1998;79(1):57-62. Pubmed
  8. Schutte JM, van den Akker T, Engel N, de Groot CJM, Kuppens S, Schuitemaker NWE, et al. Moedersterfte in Nederland: op de goede weg? Tijdschr Verloskundigen. 2013:30-33. Bron
  9. Schutte JM, de Jonge L, Schuitemaker NWE, Santema JG, Steegers EAP, van Roosmalen J. Indirect maternal mortality increases in the Netherlands. Acta Obstet Gynecol Scand. 2010;89(6):762-8. Pubmed | DOI

Verantwoording

Definities
  • Verschillende maten voor sterfte rond de geboorte

    De tabel geeft een overzicht van de sterftematen die gerekend worden tot sterfte rond de geboorte. Sterfte rond de geboorte bij zowel moeder als kind vormt een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de zorg tijdens de zwangerschap en rond de geboorte.

    Tabel: Maten voor sterfte rond de geboorte

     
    Sterftemaat Verklaring
    Doodgeboortecijfer (foetale sterfte) Aantal doodgeborenen per 1.000 levend- en doodgeborenen. Een doodgeborene is een vrucht die na de geboorte geen enkel teken van levensverrichting (ademhaling, hartactie, spiercontractie) heeft vertoond. Er wordt onderscheid gemaakt in een doodgeborene na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (Perined), 24 weken of meer (CBS, wettelijke ondergrens voor aangifte van geboorte) en 28 weken of meer.
    Neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 28 dagen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer. Als afzonderlijke maat, wordt deze sterftemaat uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. Wanneer neonatale sterfte als onderdeel van perinatale sterfte wordt weergegeven, wordt deze uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. 
    Vroeg-neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 7 dagen. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Post-neonatale sterfte Aantal overledenen tussen vier levensweken en 1 jaar na geboorte. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Perinatale sterfte Het aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22, 24 of 28 weken of meer en sterfte in de eerste 7 of 28 dagen (de perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en (vroeg) neonatale sterfte). Welke definitie gebruikt wordt, is afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens. Bij een onbekende zwangerschapsduur worden het geboortegewicht of de lengte van het kind gebruikt als benadering van die zwangerschapsduur. Een geboortegewicht van 500 gram en/of een kruin-hiellengte van 25 cm komen ongeveer overeen met een zwangerschapsduur van ten minste 22 weken. De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen.
    Zuigelingensterfte Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van de neonatale en de post-neonatale sterfte). Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Wiegendood Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart (per 1.000 levendgeborenen). Wiegendood wordt ook Sudden Infant Death Syndrome (SIDS) genoemd.
    Moedersterfte (maternale sterfte) Moedersterfte is het totaal van directe en indirecte moedersterfte (binnen 42 dagen na beëindiging van een zwangerschap). Directe sterfte is het gevolg van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed, van interventies, omissies of onjuiste behandeling, of van een reeks gebeurtenissen die voortvloeien uit deze complicaties. Indirecte sterfte is het gevolg van een pre-existente ziekte of van een ziekte die tijdens de zwangerschap ontstond maar werd verergerd door de fysiologische effecten van de zwangerschap. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen.
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over sterfte rond de gebooorte

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Perined
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte (28 dagen)
    3. perinatale sterfte (7 dagen en 28 dagen)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    2. levendgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    3. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap

    PerinedPerined, 2018

    CBS/Perined
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte (28 dagen)
    3. perinatale sterfte (7 dagen en 28 dagen)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    2. levendgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    3. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    CBS/Perined

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    1. zuigelingensterfte
    2. wiegendood
    3. moedersterfte
    1. kinderen jonger dan 1 jaar
    2. kinderen jonger dan 1 jaar
    3. bevallen vrouwen

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Euro-Peristat
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte
    3. perinatale sterfte (som neonatale en foetale sterfte)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 28 weken zwangerschapsduur
    2. levendgeboren kinderen vanaf 24 weken zwangerschap tot 28 dagen na de geboorte
    Euro-Peristat; Euro-Peristat, 2018
    Eurostat zuigelingensterfte kinderen jonger dan 1 jaar Eurostat  

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2016. Utrecht: Perined; 2018. Bron
    2. Euro-Peristat. European Perinatal Health Report. Core indicators of the health and care of pregnant women and babies in Europe in 2015. .; 2018. Bron
  • Perined, CBS doodsoorzakenstatistiek en gekoppelde CBS/Perined-gegevens

    Gegevens over geboorte en perinatale sterfte in Nederland komen uit twee landelijke registraties:

    1. de CBS Doodsoorzakenstatistiek op basis van de Basisregistratie Personen (BRP) en het doodgeborenenbestand van het CBS.
    2. de landelijke perinatale registraties van de zorgverleners in de perinatale zorg van Perined (Perined).

    Sinds 2004 bestaat door koppeling van deze twee gegevensbronnen een gezamenlijke CBS/Perined dataset (Elferink-Stinkens et al., 2010).

    Doodsoorzakenstatistiek CBS

    Van een doodgeboren kind moet aangifte worden gedaan bij de gemeente als het kind na een zwangerschapsduur van minimaal 24 weken is geboren. Voor levendgeboren kinderen geldt dat deze altijd moeten worden aangegeven bij de gemeente als de vader of moeder staat ingeschreven in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. Deze kinderen worden dan opgenomen in de Basisregistratie Personen. Daarbij wordt de zwangerschapsduur niet genoteerd. Kinderen die levend geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 en kort na de geboorte overlijden worden dus meegeteld.

    Landelijke perinatale registraties van zorgverleners (Perined)

    De Perined-gegevens zijn afkomstig uit de gekoppelde registraties van verloskundigen, gynaecologen en kinderartsen. Deelname aan de registraties is niet wettelijk verplicht. De dekkingsgraad van de registraties is in de loop van de jaren toegenomen. In 2014 nam 100% van de verloskundige praktijken en 99% van de ziekenhuizen met het specialisme obstetrie en gynaecologie deel aan de Landelijke Verloskunde Registratie (LVR). In hetzelfde jaar namen 21 verloskundig actieve huisartsen deel aan de LVR. Het totaal aantal verloskundig actieve huisartsen is echter niet bekend. Daarnaast nam naar schatting 88% van alle kinderartspraktijken in 2014 deel aan de Landelijke Neonatale Registratie (LNR). Daarbij zitten alle 10 ziekenhuizen met een Neonatale Intensive Care Unit (NICU), die verplicht registreren (Perined, 2015). In de perinatale registraties worden ook geboorten opgenomen van vrouwen die niet in de bevolkingsadministratie zijn ingeschreven en geboorten vóór de 24e zwangerschapsweek. Hierdoor zijn cijfers beschikbaar over perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschap.

    Gekoppelde CBS/Perined-bestand

    Het voordeel van het gekoppelde CBS/Perined-bestand is dat van alle dood-  en levendgeboren kinderen, geboren na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer, informatie over de zwangerschapsduur beschikbaar is. Hierdoor is een betere internationale vergelijking mogelijk, omdat bij internationale vergelijkingen van perinatale sterftecijfers een grens van 22 weken zwangerschapsduur wordt gehanteerd. Een ander voordeel is dat het gekoppelde bestand opsplitsing naar provincie, etniciteit en inkomen mogelijk maakt. Nadeel is dat geen informatie beschikbaar is van kinderen van wie de moeder niet in de BRP is opgenomen. Hierdoor zijn de cijfers voor perinatale sterfte uit het gekoppelde CBS/Perined-bestand lager dan de cijfers uit enkel Perined (Elferink-Stinkens et al., 2010) (zie figuur Perined versus CBS/Perined).

    Vergelijking perinatale sterfte in Perined en CBS doodsoorzakenstatistiek

    De compleetheid van Perined kan – vanaf 24 weken zwangerschapsduur – vergeleken worden ten opzichte van de CBS registratie. Vanaf 22.0 weken is er geen vergelijking te maken omdat het CBS officieel vanaf 24.0 weken registreert. In 2014 zijn er vanaf 24.0 weken 174.739 kinderen beschreven in de Perined en 175.181 kinderen bekend in de CBS registratie. Dit is een overeenkomst van 99,7% (Perined, 2015). De Perined-registratie van doodgeboorte en sterfte in de eerste levensweek is vollediger dan die van het CBS. Voor de sterfte in de eerste vier weken na de geboorte (neonatale sterfte) is de CBS registratie vollediger. Perined heeft te maken met onderrapportage van laatneonatale sterfte door de niet-registrerende kinderartspraktijken. Bovendien wordt een kraambed in principe afgesloten binnen 1 week na de baring, waarna de gegevens aan Perined worden aangeleverd. Omdat de deelname van kinderartspraktijken aan de LNR is gestegen en inmiddels bijna 90% bedraagt is de onderraportage de laatste jaren afgenomen (Berger-van Sijl et al., 2007; Ravelli et al., 2008; CBS, 2009; Stichting PRN, 2014).

     

    Meer informatie

     

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
    2. Perined, Perinatale registratie. zorggegevens.nl
    3. CBS/Perined, Gekoppelde CBS/Perined dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Elferink-Stinkens PM, Roskam A.J.R., Witvliet H. Methodebeschrijving van de gemeenschappelijke PRN-CBScijfers over perinatale en zuigelingensterfte. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek; 2010. Bron
    2. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2014. Jaarboek 2014. Bijlage 1. Utrecht: Perined; 2015. Bron
    3. Berger-van Sijl M, Tromp M, de Bruin A, Ravelli ACJ, Gast J, Kardaun JWPF. Pilot koppeling PRN- en CBS-registraties, methoden en resultaten. Amsterdam, Voorburg, Utrecht: AMC / CBS / PRN; 2007. Bron
    4. Ravelli ACJ, Eskes M, Tromp M, van Huis AM, Steegers EAP, Tamminga P, et al. Perinatale sterfte in Nederland 2000-2006; risicofactoren en risicoselectie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2728-33. Pubmed
    5. CBS. Gezondheid en zorg in cijfers. Perinatale sterfte onder de loep genomen. Den Haag / Heerlen: CBS; 2009. Bron
    6. Stichting PRN. PRN Jaarboek 2013. Bijlage 1. Utrecht: Stichting Perinatale Registratie Nederland; 2014. Bron