Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Sterfte rond de geboorteCijfers & ContextSterfte

Cijfers & Context

In 2015 zijn 809 kinderen dood geboren

Regionaal & Internationaal

Lage zuigelingensterfte in Zeeland

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Sterke daling wiegendood door adviezen rugligging

Perinatale sterfte

Sterfte rond de geboorte, 2015

  Aantal absoluut Aantal per duizend
Doodgeboorte 809 4,8
Perinatale sterfte (7 d) 1.240 7,3
Perinatale sterfte (28 d) 1.320 7,8
Neonatale sterfte (28 d) 511 3,0


Bron: PRN

 

  • Doodgeboorte: Aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (per 1.000 levend- en doodgeborenen).
  • Perinatale sterfte (7 d): Aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer en sterfte in de eerste 7 dagen (per 1.000 levend- en doodgeborenen).
  • Perinatale sterfte (28 d): Aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer en sterfte in de eerste 28 dagen (per 1.000 levend- en doodgeborenen).
  • Neonatale sterfte (28 d): Aantal overleden in de eerste 28 dagen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (per 1.000 levendgeborenen).

In 2015 zijn 809 kinderen dood geboren

In 2015 werden 809 kinderen dood geboren na een zwangerschap van 22 weken of meer (4,8 per 1.000 levend- en doodgeborenen). In de eerste 28 dagen na de geboorte overleden 511 kinderen, ofwel 3,0 per 1.000 levendgeborenen (neonatale sterfte) (PRN).

Perinatale sterfte treft 1.320 kinderen

In 2015 overleden 1.320 (7,8 per 1.000) kinderen vóór, tijdens of in de eerste 28 dagen na de geboorte (de perinatale sterfte) na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer. Als alleen de sterfte in de eerste 7 dagen wordt meegeteld bedraagt de perinatale sterfte 7,3 per 1.000 (1.240 kinderen). Deze gegevens zijn afkomstig van Perined en zijn gebaseerd op registraties door gynaecologen, verloskundigen en kinderartsen (PRN). Op basis van gekoppelde CBS en PRN gegevens bedraagt de perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschap respectievelijk 8,0 (28 dagen) en 7,2 (7 dagen) per 1.000 in 2014 (voorlopig cijfer) (CBS/PRN via CBS StatLine, 2017).

Meer informatie

  • Definities voor een overzicht van verschillende manieren om sterfte rond de geboorte te meten
  • Bronverantwoording voor een vergelijking van de perinatale sterfte van PRN, de CBS Doodsoorzakenstatistiek en uit het gekoppelde CBS/PRN bestand

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. PRN, Perinatale registratie. zorggegevens.nl
  2. CBS/PRN, Gekoppelde CBS/PRN dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

Zuigelingensterfte

In 2016 overleden 597 kinderen in hun eerste levensjaar

In 2016 overleden 597 levend geboren kinderen vóór hun eerste verjaardag. In dat jaar werden er in totaal 172.520 kinderen in Nederland levend geboren. Dit bracht de zuigelingensterfte op 3,5 per 1.000 levendgeborenen (ongeacht zwangerschapsduur). De meerderheid van de zuigelingen overleed in de eerste 4 weken na geboorte (CBS Doodsoorzakenstatistiek via CBS StatLine, 2017). Aandoeningen ontstaan in de perinatale periode, waaronder vroeggeboorte en laag geboortegewicht, zijn de belangrijkste doodsoorzaken. Daarnaast zijn aangeboren afwijkingen belangrijke oorzaken van overlijden (25-30%). Oorzaken die na de eerst maand na de geboorte ontstaan, zoals wiegendood en uitwendige oorzaken (ongevallen of kindermishandeling), komen veel minder vaak voor (CBS Doodsoorzakenstatistiek  via CBS StatLine, 2017).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl

Wiegendood

 Wiegendood  in Nederland op laag niveau

In de vijfjaarsperiode 2012-2016 werd bij 59 kinderen jonger dan één jaar wiegendood geregistreerd als doodsoorzaak (ongeveer 7 per 100.000 levendgeborenen) (CBS Doodsoorzakenstatistiek via CBS StatLine, 2017). Steeds vaker wordt de leeftijdsgrens van twee jaar gebruikt. Op basis van de leeftijdsgrens van 2 jaar komt de Landelijke Werkgroep Wiegendood van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde uit op een incidentie van minder dan 15 kinderen per 100.000 levendgeborenen in 2003 en 2004 (de Jonge & Hoogenboezem, 2005; Flinsenberg et al., 2008).

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. de Jonge GA, Hoogenboezem J. Epidemiologie van 25 jaar wiegendood in Nederland; incidentie van wiegendood en prevalentie van risicofactoren in 1980-2004. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149(23):1273-8. Pubmed
  2. Flinsenberg TWH, Ruys JH, Engelberts AC, van Velzen-Mol HWM. Herziene richtlijn 'Preventie wiegendood'. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(24):1370-5. Bron

Moedersterfte

Jaarlijks overlijden enkele vrouwen aan gevolgen van zwangerschap, baring of kraambed

In de periode 1999 tot en met 2012 meldden zorgverleners 266 gevallen van directe (181) en indirecte (85) maternale sterfte tijdens de zwangerschap of binnen 42 dagen na beëindiging van de zwangerschap bij de Auditcommissie Maternale Sterfte van de NVOG. Dit betekent voor die periode dat 9,3 moeders per 100.000 levend geboren kinderen overleden (Stichting PRN, 2013). Het aantal gemelde casus van maternale sterfte ligt hoger dan de moedersterfte op basis van de doodsoorzakenregistratie van het CBS. In de periode 2012-2016 overleden volgens de CBS doodsoorzakenstatistiek in totaal 27 vrouwen aan de gevolgen van zwangerschap, baring of kraambed (moedersterfte) (CBS Doodsoorzakenstatistiek via CBS StatLine, 2017). De onderrapportage van de CBS cijfers ten opzichte van de cijfers van de Auditcommissie Maternale Sterfte van de NVOG bedraagt ongeveer 33% (Schutte et al., 2010; Bouvier-Colle et al., 2012) en betreft vooral sterfte vroeg in de zwangerschap en indirecte moedersterfte (sterfte aan de gevolgen van een ziekte die al bestond of tijdens de zwangerschap ontstond en werd verergerd door de fysiologische effecten van de zwangerschap). Bij de huidige kleine aantallen kan de onderrapportage procentueel nog hoger uitvallen. De belangrijkste oorzaken voor moedersterfte zijn (pre-)eclampsie (zwangerschapsvergiftiging), trombo-embolie en hart- en vaatziekten (Schutte et al., 2010; Schutte et al., 2010; de Graaf et al., 2012). 

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Stichting PRN. Grote Lijnen 1999-2012. Utrecht: Stichting Perinatale registratie Nederland; 2013. Bron
  2. Schutte JM, Steegers EAP, Schuitemaker NWE, Santema JG, de Boer K, Pel M, et al. Rise in maternal mortality in the Netherlands. BJOG. 2010;117(4):399-406. Pubmed | DOI
  3. Bouvier-Colle M-H, Mohangoo AD, Gissler M, Novak-Antolic Z, Vutuc C, Szamotulska K, et al. What about the mothers? An analysis of maternal mortality and morbidity in perinatal health surveillance systems in Europe. BJOG. 2012;119(7):880-9; discussion 890. Pubmed | DOI
  4. Schutte JM, de Jonge L, Schuitemaker NWE, Santema JG, Steegers EAP, van Roosmalen J. Indirect maternal mortality increases in the Netherlands. Acta Obstet Gynecol Scand. 2010;89(6):762-8. Pubmed | DOI
  5. de Graaf JP, Schutte JM, Poeran JJ, van Roosmalen J, Bonsel GJ, Steegers EAP. Regional differences in Dutch maternal mortality. BJOG. 2012;119(5):582-8. Pubmed | DOI

Verantwoording

Definities
  • Verschillende maten voor sterfte rond de geboorte

    De tabel geeft een overzicht van de sterftematen die gerekend worden tot sterfte rond de geboorte. Sterfte rond de geboorte bij zowel moeder als kind vormt een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de zorg tijdens de zwangerschap en rond de geboorte.

    Tabel: Maten voor sterfte rond de geboorte

     
    Sterftemaat Verklaring
    Doodgeboortecijfer (foetale sterfte) Aantal doodgeborenen per 1.000 levend- en doodgeborenen. Een doodgeborene is een vrucht die na de geboorte geen enkel teken van levensverrichting (ademhaling, hartactie, spiercontractie) heeft vertoond. Er wordt onderscheid gemaakt in een doodgeborene na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (Perined), 24 weken of meer (CBS, wettelijke ondergrens voor aangifte van geboorte) en 28 weken of meer.
    Neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 28 dagen, ongeacht zwangerschapsduur. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Vroeg-neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 7 dagen. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Post-neonatale sterfte Aantal overledenen tussen vier levensweken en 1 jaar na geboorte. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Perinatale sterfte Het aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22, 24 of 28 weken of meer en sterfte in de eerste 7 of 28 dagen (de perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en (vroeg) neonatale sterfte). Welke definitie gebruikt wordt, is afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens. Bij een onbekende zwangerschapsduur worden het geboortegewicht of de lengte van het kind gebruikt als benadering van die zwangerschapsduur. Een geboortegewicht van 500 gram en/of een kruin-hiellengte van 25 cm komen ongeveer overeen met een zwangerschapsduur van ten minste 22 weken. De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen.
    Zuigelingensterfte Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van de neonatale en de post-neonatale sterfte). Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Wiegendood Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart (per 1.000 levendgeborenen). Wiegendood wordt ook Sudden Infant Death Syndrome (SIDS) genoemd.
    Moedersterfte (maternale sterfte) Moedersterfte is het totaal van directe en indirecte moedersterfte (binnen 42 dagen na beëindiging van een zwangerschap). Directe sterfte is het gevolg van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed, van interventies, omissies of onjuiste behandeling, of van een reeks gebeurtenissen die voortvloeien uit deze complicaties. Indirecte sterfte is het gevolg van een pre-existente ziekte of van een ziekte die tijdens de zwangerschap ontstond maar werd verergerd door de fysiologische effecten van de zwangerschap. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen.
Bronverantwoording
  • PRN, CBS doodsoorzakenstatistiek en gekoppelde CBS/PRN-gegevens

    Gegevens over geboorte en perinatale sterfte in Nederland komen uit twee landelijke registraties:

    1. de CBS Doodsoorzakenstatistiek op basis van de Gemeentelijke Basis Administratie en het doodgeborenenbestand van het CBS.
    2. de landelijke perinatale registraties van de zorgverleners in de perinatale zorg van Perined (PRN).

    Sinds 2004 bestaat door koppeling van deze twee gegevensbronnen een gezamenlijke CBS/PRN dataset (Elferink-Stinkens et al., 2010).

    Doodsoorzakenstatistiek CBS

    Van een doodgeboren kind moet aangifte worden gedaan bij de gemeente als het kind na een zwangerschapsduur van minimaal 24 weken is geboren. Voor levendgeboren kinderen geldt dat deze altijd moeten worden aangegeven bij de gemeente als de vader of moeder staat ingeschreven in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. Deze kinderen worden dan opgenomen in de Gemeentelijke Basis Administratie. Daarbij wordt de zwangerschapsduur niet genoteerd. Kinderen die levend geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 en kort na de geboorte overlijden worden dus meegeteld.

    Landelijke perinatale registraties van zorgverleners (PRN)

    De PRN-gegevens zijn afkomstig uit de gekoppelde registraties van verloskundigen, gynaecologen en kinderartsen. Deelname aan de registraties is niet wettelijk verplicht. De dekkingsgraad van de registraties is in de loop van de jaren toegenomen. In 2014 nam 100% van de verloskundige praktijken en 99% van de ziekenhuizen met het specialisme obstetrie en gynaecologie deel aan de Landelijke Verloskunde Registratie (LVR). In hetzelfde jaar namen 21 verloskundig actieve huisartsen deel aan de LVR. Het totaal aantal verloskundig actieve huisartsen is echter niet bekend. Daarnaast nam naar schatting 88% van alle kinderartspraktijken in 2014 deel aan de Landelijke Neonatale Registratie (LNR). Daarbij zitten alle 10 ziekenhuizen met een Neonatale Intensive Care Unit (NICU), die verplicht registreren (Perined, 2015). In de perinatale registraties worden ook geboorten opgenomen van vrouwen die niet in de bevolkingsadministratie zijn ingeschreven en geboorten vóór de 24e zwangerschapsweek. Hierdoor zijn cijfers beschikbaar over perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschap.

    Gekoppelde CBS/PRN bestand

    Het voordeel van het gekoppelde CBS/PRN bestand is dat van alle dood-  en levendgeboren kinderen, geboren na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer, informatie over de zwangerschapsduur beschikbaar is. Hierdoor is een betere internationale vergelijking mogelijk, omdat bij internationale vergelijkingen van perinatale sterftecijfers een grens van 22 weken zwangerschapsduur wordt gehanteerd. Een ander voordeel is dat het gekoppelde bestand opsplitsing naar provincie, etniciteit en inkomen mogelijk maakt. Nadeel is dat geen informatie beschikbaar is van kinderen van wie de moeder niet in de GBA is opgenomen. Hierdoor zijn de cijfers voor perinatale sterfte uit het gekoppelde CBS/PRN-bestand lager dan de cijfers uit enkel PRN (Elferink-Stinkens et al., 2010) (zie figuur PRN versus CBS/PRN).

    Vergelijking perinatale sterfte in PRN en CBS doodsoorzakenstatistiek

    De compleetheid van PRN kan – vanaf 24 weken zwangerschapsduur – vergeleken worden ten opzichte van de CBS registratie. Vanaf 22.0 weken is er geen vergelijking te maken omdat het CBS officieel vanaf 24.0 weken registreert. In 2014 zijn er vanaf 24.0 weken 174.739 kinderen beschreven in de PRN en 175.181 kinderen bekend in de CBS registratie. Dit is een overeenkomst van 99,7% (Perined, 2015). De PRN-registratie van doodgeboorte en sterfte in de eerste levensweek is vollediger dan die van het CBS. Voor de sterfte in de eerste vier weken na de geboorte (neonatale sterfte) is de CBS registratie vollediger. PRN heeft te maken met onderrapportage van laatneonatale sterfte door de niet-registrerende kinderartspraktijken. Bovendien wordt een kraambed in principe afgesloten binnen 1 week na de baring, waarna de gegevens aan PRN worden aangeleverd. Omdat de deelname van kinderartspraktijken aan de LNR is gestegen en inmiddels bijna 90% bedraagt is de onderraportage de laatste jaren afgenomen (Berger - van Sijl et al., 2007; Ravelli et al., 2008; CBS, 2009; Stichting PRN, 2014).

     

    Meer informatie

     

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
    2. PRN, Perinatale registratie. zorggegevens.nl
    3. CBS/PRN, Gekoppelde CBS/PRN dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Elferink-Stinkens PM, Roskam A.J.R., Witvliet H. Methodebeschrijving van de gemeenschappelijke PRN-CBScijfers over perinatale en zuigelingensterfte. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek; 2010. Bron
    2. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2014. Jaarboek 2014. Bijlage 1. Utrecht: Perined; 2015. Bron
    3. Berger - van Sijl M, Tromp M, de Bruin A, Ravelli ACJ, Gast J, Kardaun JWPF. Pilot koppeling PRN- en CBS-registraties, methoden en resultaten. Amsterdam, Voorburg, Utrecht: AMC / CBS / PRN; 2007. Bron
    4. Ravelli ACJ, Eskes M, Tromp M, van Huis AM, Steegers EAP, Tamminga P, et al. Perinatale sterfte in Nederland 2000-2006; risicofactoren en risicoselectie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2728-33. Pubmed
    5. CBS. Gezondheid en zorg in cijfers. Perinatale sterfte onder de loep genomen. Den Haag / Heerlen: CBS; 2009. Bron
    6. Stichting PRN. PRN Jaarboek 2013. Bijlage 1. Utrecht: Stichting Perinatale Registratie Nederland; 2014. Bron