Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Sterfte rond de geboorteCijfers & ContextSterfte

Cijfers & Context

In 2016 zijn 811 kinderen dood geboren

Regionaal & Internationaal

Lage zuigelingensterfte in Zeeland

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Sterke daling wiegendood door adviezen rugligging

Perinatale sterfte

Sterfte rond de geboorte 2016

 

Aantal absoluut

Aantal per duizend

Doodgeboorte

811

4,8

Perinatale sterfte (7 d)

1.166

6,9

Perinatale sterfte (28 d)

1.231

7,3

Neonatale sterfte (28 d)

420

2,5


Bron: PRN

 

  • Doodgeboorte: Aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (per 1.000 levend- en doodgeborenen).
  • Perinatale sterfte (7 d): Aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer en sterfte in de eerste 7 dagen (per 1.000 levend- en doodgeborenen).
  • Perinatale sterfte (28 d): Aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer en sterfte in de eerste 28 dagen (per 1.000 levend- en doodgeborenen).
  • Neonatale sterfte (28 d): Aantal overleden in de eerste 28 dagen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (per 1.000 levendgeborenen).

In 2016 zijn 811 kinderen dood geboren

In 2016 werden 811 kinderen dood geboren na een zwangerschap van 22 weken of meer (4,8 per 1.000 levend- en doodgeborenen). In de eerste 28 dagen na de geboorte overleden 420 kinderen, ofwel 2,5 per 1.000 levendgeborenen (neonatale sterfte) (PRN).

Perinatale sterfte treft 1.231 kinderen

In 2016 overleden 1.231 (7,3 per 1.000) kinderen vóór, tijdens of in de eerste 28 dagen na de geboorte (de perinatale sterfte) na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer. Als alleen de sterfte in de eerste 7 dagen wordt meegeteld bedraagt de perinatale sterfte 6,9 per 1.000 (1.166 kinderen). Deze gegevens zijn afkomstig van Perined en zijn gebaseerd op registraties door gynaecologen, verloskundigen en kinderartsen (PRN). Op basis van gekoppelde CBS en PRN gegevens bedraagt de perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschap respectievelijk 7,7 (28 dagen) en 7,0 (7 dagen) per 1.000 in 2015 (voorlopig cijfer) (CBS/PRN via CBS StatLine, 2017).

Meer informatie

  • Definities voor een overzicht van verschillende manieren om sterfte rond de geboorte te meten
  • Bronverantwoording voor een vergelijking van de perinatale sterfte van PRN, de CBS Doodsoorzakenstatistiek en uit het gekoppelde CBS/PRN bestand

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. PRN, Perinatale registratie. zorggegevens.nl
  2. CBS/PRN, Gekoppelde CBS/PRN dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

Datum publicatie

09-02-2018

Zuigelingensterfte

In 2016 overleden 597 kinderen in hun eerste levensjaar

In 2016 overleden 597 levend geboren kinderen vóór hun eerste verjaardag. In dat jaar werden er in totaal 172.520 kinderen in Nederland levend geboren. Dit bracht de zuigelingensterfte op 3,5 per 1.000 levendgeborenen (ongeacht zwangerschapsduur). De meerderheid van de zuigelingen overleed in de eerste 4 weken na geboorte (CBS Doodsoorzakenstatistiek via CBS StatLine, 2017). Aandoeningen ontstaan in de perinatale periode, waaronder vroeggeboorte en laag geboortegewicht, zijn de belangrijkste doodsoorzaken. Daarnaast zijn aangeboren afwijkingen belangrijke oorzaken van overlijden (25-30%). Oorzaken die na de eerst maand na de geboorte ontstaan, zoals wiegendood en uitwendige oorzaken (ongevallen of kindermishandeling), komen veel minder vaak voor (CBS Doodsoorzakenstatistiek  via CBS StatLine, 2017).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl

Wiegendood

 Wiegendood  in Nederland op laag niveau

In de vijfjaarsperiode 2012-2016 werd bij 59 kinderen jonger dan één jaar wiegendood geregistreerd als doodsoorzaak (ongeveer 7 per 100.000 levendgeborenen) (CBS Doodsoorzakenstatistiek via CBS StatLine, 2017). Steeds vaker wordt de leeftijdsgrens van twee jaar gebruikt. Op basis van de leeftijdsgrens van 2 jaar komt de Landelijke Werkgroep Wiegendood van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde uit op een incidentie van minder dan 15 kinderen per 100.000 levendgeborenen in 2003 en 2004 (de Jonge & Hoogenboezem, 2005; Flinsenberg et al., 2008).

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. de Jonge GA, Hoogenboezem J. Epidemiologie van 25 jaar wiegendood in Nederland; incidentie van wiegendood en prevalentie van risicofactoren in 1980-2004. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149(23):1273-8. Pubmed
  2. Flinsenberg TWH, Ruys JH, Engelberts AC, van Velzen-Mol HW. Herziene richtlijn 'Preventie wiegendood'. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(24):1370-5. Bron

Moedersterfte

Jaarlijks overlijden enkele vrouwen aan gevolgen van zwangerschap, baring of kraambed

In de periode 1999 tot en met 2012 meldden zorgverleners 266 gevallen van directe (181) en indirecte (85) maternale sterfte tijdens de zwangerschap of binnen 42 dagen na beëindiging van de zwangerschap bij de Auditcommissie Maternale Sterfte van de NVOG. Dit betekent voor die periode dat 9,3 moeders per 100.000 levend geboren kinderen overleden (Stichting PRN, 2013). Het aantal gemelde casus van maternale sterfte ligt hoger dan de moedersterfte op basis van de doodsoorzakenregistratie van het CBS. In de periode 2012-2016 overleden volgens de CBS doodsoorzakenstatistiek in totaal 27 vrouwen aan de gevolgen van zwangerschap, baring of kraambed (moedersterfte) (CBS Doodsoorzakenstatistiek via CBS StatLine, 2017). De onderrapportage van de CBS cijfers ten opzichte van de cijfers van de Auditcommissie Maternale Sterfte van de NVOG bedraagt ongeveer 33% (Schutte et al., 2010; Bouvier-Colle et al., 2012) en betreft vooral sterfte vroeg in de zwangerschap en indirecte moedersterfte (sterfte aan de gevolgen van een ziekte die al bestond of tijdens de zwangerschap ontstond en werd verergerd door de fysiologische effecten van de zwangerschap). Bij de huidige kleine aantallen kan de onderrapportage procentueel nog hoger uitvallen. De belangrijkste oorzaken voor moedersterfte zijn (pre-)eclampsie (zwangerschapsvergiftiging), trombo-embolie en hart- en vaatziekten (Schutte et al., 2010; Schutte et al., 2010; de Graaf et al., 2012). 

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Stichting PRN. Grote Lijnen 1999-2012. Utrecht: Stichting Perinatale registratie Nederland; 2013. Bron
  2. Schutte JM, Steegers EAP, Schuitemaker NWE, Santema JG, de Boer K, Pel M, et al. Rise in maternal mortality in the Netherlands. BJOG. 2010;117(4):399-406. Pubmed | DOI
  3. Bouvier-Colle M-H, Mohangoo AD, Gissler M, Novak-Antolic Z, Vutuc C, Szamotulska K, et al. What about the mothers? An analysis of maternal mortality and morbidity in perinatal health surveillance systems in Europe. BJOG. 2012;119(7):880-9; discussion 890. Pubmed | DOI
  4. Schutte JM, de Jonge L, Schuitemaker NWE, Santema JG, Steegers EAP, van Roosmalen J. Indirect maternal mortality increases in the Netherlands. Acta Obstet Gynecol Scand. 2010;89(6):762-8. Pubmed | DOI
  5. de Graaf JP, Schutte JM, Poeran JJ, van Roosmalen J, Bonsel GJ, Steegers EAP. Regional differences in Dutch maternal mortality. BJOG. 2012;119(5):582-8. Pubmed | DOI

Perinatale sterfte naar etniciteit

Perinatale sterfte naar herkomst, 2010-2012

Categorie/landDoodgeborenen Neonatale sterfte
Overige niet-westers7,34,7
Suriname7,54,2
Totaal niet-westerse allochtoon7,04,1
Nederlandse Antillen en Aruba6,94,1
Marokko7,03,4
Turkije6,03,5
Autochtoon5,02,9
Totaal5,33,1

Bron: CBS/PRN via CBS StatLine, 2015

  • Doodgeborenen vanaf 22 weken per 1.000 levend- en doodgeborenen
  • Neonatale sterfte in eerste 28 dagen per 1.000 levendgeborenen
  • De perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en neonatale sterfte.
  • Vanwege kleine aantallen is het gemiddelde cijfer voor 2010, 2011 en 2012 gepresenteerd. Desondanks valt niet uit te sluiten dat de cijfers aan toevalsfluctuaties onderhevig zijn. De verschillen tussen westerse en niet-westerse vrouwen worden echter bevestigd door analyses van gekoppelde gegevens van gynaecologen, verloskundigen en kinderartsen over de periode 2000-2006. Hierin hadden niet-westerse allochtonen een relatief risico van 1,4 en dit was statistisch significant (Ravelli et al., 2008).
  • Cijfers voor 2011 en 2012 zijn voorlopige cijfers.

Hogere perinatale sterfte onder allochtone baby's

Sterfte rond de geboorte komt relatief vaker voor bij pasgeborenen van Antilliaanse/Arubaanse, Surinaamse, Marokkaanse en Turkse afkomst dan bij autochtone pasgeborenen. De perinatale sterfte bij kinderen van niet-westerse allochtonen ligt bijna 30% hoger dan het landelijk gemiddelde (een verschil van ongeveer 2,7 per 1.000 over de periode 2010-2012) (CBS/PRN via CBS StatLine, 2015). De verschillen in perinatale sterfte worden vooral veroorzaakt door verschillen in doodgeboorten. Het aantal doodgeboorten is vooral groter bij Afrikaanse, Creoolse, Hindoestaanse, Turkse, Marokkaanse en andere niet-westerse vrouwen (Ravelli et al., 2011).

Effect sociale achterstand verschilt voor westerse en niet-westerse vrouwen

Behalve niet-westerse afkomst is ook een lage sociaaleconomische status (lage opleiding, laag inkomen) en het wonen in achterstandswijken een risicofactor voor perinatale sterfte (de Graaf et al., 2013; Timmermans et al., 2011Vos et al., 2014). Het grotere risico van wonen in een achterstandswijk komt door een stapeling van risicofactoren in achterstandswijken, zoals laag inkomen, lage opleiding, niet-westerse etniciteit en ongezonde leefstijl (Timmermans et al., 2011). Het effect van sociale achterstand, waaronder laag inkomen, op perinatale sterfte is verschillend voor westerse en niet-westerse vrouwen. Niet-westerse vrouwen hebben gemiddeld een verhoogd risico op perinatale sterfte, maar het risico op armoede gerelateerde perinatale sterfte is groter voor westerse dan voor niet-westerse vrouwen (Poeran et al., 2013; de Graaf et al., 2008).

Oorzaak etnische verschillen nog grotendeels onbekend

De etnische verschillen zijn niet te verklaren door risicofactoren waarvan bekend is dat ze vaker voorkomen onder deze groepen, zoals lage SES, tienerzwangerschappen, het wonen in de grote steden en prematuriteit (Ravelli et al., 2011). Kinderen van Surinaamse en Antilliaanse/Arubaanse afkomst worden vaker te vroeg of met een te laag gewicht geboren (van Enk et al., 1998). Dat verhoogt hun kans op sterfte in de eerste levensweek. Aangeboren afwijkingen komen vaker voor bij kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst. Onder hen is de sterfte vanaf vier weken na de geboorte verhoogd (Troe et al., 2006). Andere risicofactoren komen juist minder vaak voor onder allochtone vrouwen. Marokkaanse vrouwen roken bijvoorbeeld minder (Troe, 2008). Bij Amsterdamse allochtone zwangere vrouwen is overgewicht een zwaarder wegende risicofactor dan roken (Djelantik et al., 2012). Deze resultaten zijn onder andere afkomstig van de ABCD-studie in Amsterdam en Generation R in Rotterdam. Dit zijn twee langlopende cohortonderzoeken naar het waarom van de etnische verschillen en naar mogelijke aangrijpingspunten voor preventie en verbetering van zorg (Jaddoe et al., 2006; van Eijsden et al., 2011).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS/PRN, Gekoppelde CBS/PRN dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl
  2. Amsterdam Born Children and their Development Study, ABCD-study. zorggegevens.nl
  3. Generation R, zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Ravelli ACJ, Tromp M, Eskes M, Droog JC, van der Post JAM, Jager KJ, et al. Ethnic differences in stillbirth and early neonatal mortality in The Netherlands. J Epidemiol Community Health. 2011;65(8):696-701. Pubmed | DOI
  2. de Graaf JP, Steegers EAP, Bonsel GJ. Inequalities in perinatal and maternal health. Curr Opin Obstet Gynecol. 2013;25(2):98-108. Pubmed | DOI
  3. Timmermans S, Bonsel GJ, Steegers-Theunissen RPM, Mackenbach JP, Steyerberg EW, Raat H, et al. Individual accumulation of heterogeneous risks explains perinatal inequalities within deprived neighbourhoods. Eur J Epidemiol. 2011;26(2):165-80. Pubmed | DOI
  4. Vos AA, Posthumus AG, Bonsel GJ, Steegers EAP, Denktaş S. Deprived neighborhoods and adverse perinatal outcome: a systematic review and meta-analysis. Acta Obstet Gynecol Scand. 2014;93(8):727-40. Pubmed | DOI
  5. Poeran JJ, Maas AFG, Birnie E, Denktaş S, Steegers EAP, Bonsel GJ. Social deprivation and adverse perinatal outcomes among Western and non-Western pregnant women in a Dutch urban population. Soc Sci Med. 2013;83:42-9. Pubmed | DOI
  6. de Graaf JP, Ravelli ACJ, Wildschut HIJ, Denktaş S, Voorham AJJ, Bonsel GJ, et al. Perinatale uitkomsten in de vier grote steden en de prachtwijken in Nederland. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2734-40. Pubmed
  7. van Enk A, Buitendijk SE, van der Pal-de Bruin KM, van Enk WJ, Schulpen TW. Perinatal death in ethnic minorities in The Netherlands. J Epidemiol Community Health. 1998;52(11):735-9. Bron | Pubmed
  8. Troe E-JWM, Bos V, Deerenberg IM, Mackenbach JP, Joung IMA. Ethnic differences in total and cause-specific infant mortality in The Netherlands. Paediatr Perinat Epidemiol. 2006;20(2):140-7. Pubmed | DOI
  9. Troe EJWM. Ethnic differences in fetal growth, birth weight and infant mortality. The Generation R Study. Erasmus University, Rotterdam; 2008. Bron
  10. Djelantik AAAMJ, Kunst AE, van der Wal MF, Smit HA, Vrijkotte TGM. Contribution of overweight and obesity to the occurrence of adverse pregnancy outcomes in a multi-ethnic cohort: population attributive fractions for Amsterdam. BJOG. 2012;119(3):283-90. Pubmed | DOI
  11. Jaddoe VWV, Mackenbach JP, Moll HA, Steegers EAP, Tiemeier HW, Verhulst FC, et al. The Generation R Study: Design and cohort profile. Eur J Epidemiol. 2006;21(6):475-84. Pubmed | DOI
  12. van Eijsden M, Vrijkotte TGM, Gemke RJBJ, van der Wal MF. Cohort profile: the Amsterdam Born Children and their Development (ABCD) study. Int J Epidemiol. 2011;40(5):1176-86. Pubmed | DOI

Zuigelingensterfte naar etniciteit

Zuigelingensterfte naar herkomst, 2007-2012

Categorie/landZuigelingensterfte per 1.000 levendgeborenen
Nederlandse Antillen en Aruba7,7
Overige niet-westers6,5
Suriname6,3
Totaal niet-westerse allochtoon6,0
Turkije5,5
Marokko5,1
Autochtoon3,8
Totaal4,1

Bron: CBS/PRN via CBS StatLine, 2015

  • Vanwege kleine aantallen is het gemiddelde cijfer voor 2007-2012 gepresenteerd. Desondanks valt niet uit te sluiten dat de percentages aan toevalsfluctuaties onderhevig zijn. De verschillen tussen westerse en niet-westerse baby’s worden echter bevestigd door analyses op CBS data over de periode 1995-2000 waarin de zuigelingensterfte significant hoger was voor baby’s van niet-westerse afkomst (Troe et al., 2006).
  • Cijfers voor 2011 en 2012 zijn voorlopige cijfers.

Hogere zuigelingensterfte onder niet-westerse baby’s

De zuigelingensterfte (sterfte in het eerste levensjaar) is hoger onder niet-westerse allochtonen (Troe et al., 2006). De zuigelingensterfte onder baby’s van Antilliaanse of Arubaanse afkomst is bijna twee keer zo hoog als onder baby’s van autochtone ouders (een verschil van 3,6 per 1.000 over de periode 2007-2012). De sterfte is ook hoger voor baby’s van Surinaamse, Turkse en Marokkaanse afkomst (CBS/PRN via CBS StatLine, 2015). Sociaal-economische verschillen verklaren deels de etnische verschillen in zuigelingensterfte (Troe et al., 2006).

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS/PRN, Gekoppelde CBS/PRN dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Troe E-JWM, Bos V, Deerenberg IM, Mackenbach JP, Joung IMA. Ethnic differences in total and cause-specific infant mortality in The Netherlands. Paediatr Perinat Epidemiol. 2006;20(2):140-7. Pubmed | DOI

Wiegendood naar etniciteit

Vaker wiegendood bij niet-westerse kinderen

Kinderen in Antilliaanse, Surinaamse en Turkse gezinnen hebben historisch gezien meer kans op wiegendood dan andere kinderen. Preventieve maatregelen voor wiegendood zoals het belang van een veilige slaaphouding zijn vaak minder bekend bij de ouders (van der Wal et al., 1999; Korfker et al., 2002; van Sleuwen et al., 2003). In 2003-2004 rapporteerde 18% van de Nederlandse moeders onveilig slaapgedrag (slapen onder een warm dekbed, met een hoofdkussen, in buikligging of bij de ouders in bed) tegen 70% van de Turkse moeders, 68% van de Ghanese moeders en 63% van de Surinaamse moeders. Onder de Marokkaanse en Antilliaanse moeders was dit percentage lager, respectievelijk 50 en 48%, maar nog steeds aanzienlijk hoger dan onder Nederlandse moeders (Lamkaddem et al., 2014). De gewoonte in Marokkaanse en Turkse gezinnen om kinderen in een eigen bed op de slaapkamer van de ouders te laten slapen, is juist beschermend (van Sleuwen et al., 2003). De verschillen in het voorkomen van wiegendood bij de verschillende etnische groepen zijn aangetoond in meerdere onderzoeken uit verschillende perioden. Vanwege veranderingen in de gebruikte definities van etniciteit zijn de resultaten uit deze perioden moeilijk vergelijkbaar (de Jonge & Hoogenboezem, 2005).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Wal MF, de Jonge GA, Pauw-Plomp H. Etnische afkomst en voor wiegendood relevante verzorgingsfactoren. Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143(43):2141-6. Pubmed
  2. Korfker DG, Herschderfer KC, de Boer JB, Buitendijk SE. Kraamzorg in Nederland: een landelijk onderzoek. Eindrapportage "Kraamzorg voor Allochtonen; een onderzoek naar kraamzorg bij Turkse en Marokkaanse vrouwen". Leiden: TNO; 2002. Bron
  3. van Sleuwen BE, L'Hoir MP, Engelberts AC, Westert GP, Schulpen TW. Infant care practices related to cot death in Turkish and Moroccan families in the Netherlands. Arch Dis Child. 2003;88(9):784-8. Pubmed
  4. Lamkaddem M, van der Straten A, Essink-Bot ML, van Eijsden M, Vrijkotte TGM. Ethnic differences in uptake of professional maternity care assistance. Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A7718. Bron | Pubmed
  5. de Jonge GA, Hoogenboezem J. Epidemiologie van 25 jaar wiegendood in Nederland; incidentie van wiegendood en prevalentie van risicofactoren in 1980-2004. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149(23):1273-8. Pubmed

Moedersterfte naar etniciteit

Meer moedersterfte onder allochtone vrouwen

Allochtone vrouwen hebben historisch gezien een verhoogd risico op moedersterfte (maternale sterfte). Dit blijkt uit de gegevens van de Auditcommissie Maternale Sterfte van de NVOG. In de periode 1999-2005 was 30% van de overleden vrouwen van allochtone afkomst. Tussen de verschillende etnische groepen bestaan grote verschillen in moedersterfte. Verbetering van de communicatie en voorlichting draagt mogelijk bij aan een verlaging van deze verhoogde risico’s (Schutte et al., 2010).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Schutte JM, Steegers EAP, Schuitemaker NWE, Santema JG, de Boer K, Pel M, et al. Rise in maternal mortality in the Netherlands. BJOG. 2010;117(4):399-406. Pubmed | DOI
  2. Schutte JM. Safe Motherhood. Confidential enquiries into maternal deaths in the Netherlands 1993-2005. Amsterdam: Vrije Universiteit; 2010. Bron

Verantwoording

Definities
  • Verschillende maten voor sterfte rond de geboorte

    De tabel geeft een overzicht van de sterftematen die gerekend worden tot sterfte rond de geboorte. Sterfte rond de geboorte bij zowel moeder als kind vormt een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de zorg tijdens de zwangerschap en rond de geboorte.

    Tabel: Maten voor sterfte rond de geboorte

     
    Sterftemaat Verklaring
    Doodgeboortecijfer (foetale sterfte) Aantal doodgeborenen per 1.000 levend- en doodgeborenen. Een doodgeborene is een vrucht die na de geboorte geen enkel teken van levensverrichting (ademhaling, hartactie, spiercontractie) heeft vertoond. Er wordt onderscheid gemaakt in een doodgeborene na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (Perined), 24 weken of meer (CBS, wettelijke ondergrens voor aangifte van geboorte) en 28 weken of meer.
    Neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 28 dagen, ongeacht zwangerschapsduur. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Vroeg-neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 7 dagen. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Post-neonatale sterfte Aantal overledenen tussen vier levensweken en 1 jaar na geboorte. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Perinatale sterfte Het aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22, 24 of 28 weken of meer en sterfte in de eerste 7 of 28 dagen (de perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en (vroeg) neonatale sterfte). Welke definitie gebruikt wordt, is afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens. Bij een onbekende zwangerschapsduur worden het geboortegewicht of de lengte van het kind gebruikt als benadering van die zwangerschapsduur. Een geboortegewicht van 500 gram en/of een kruin-hiellengte van 25 cm komen ongeveer overeen met een zwangerschapsduur van ten minste 22 weken. De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen.
    Zuigelingensterfte Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van de neonatale en de post-neonatale sterfte). Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Wiegendood Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart (per 1.000 levendgeborenen). Wiegendood wordt ook Sudden Infant Death Syndrome (SIDS) genoemd.
    Moedersterfte (maternale sterfte) Moedersterfte is het totaal van directe en indirecte moedersterfte (binnen 42 dagen na beëindiging van een zwangerschap). Directe sterfte is het gevolg van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed, van interventies, omissies of onjuiste behandeling, of van een reeks gebeurtenissen die voortvloeien uit deze complicaties. Indirecte sterfte is het gevolg van een pre-existente ziekte of van een ziekte die tijdens de zwangerschap ontstond maar werd verergerd door de fysiologische effecten van de zwangerschap. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen.
Bronverantwoording
  • PRN, CBS doodsoorzakenstatistiek en gekoppelde CBS/PRN-gegevens

    Gegevens over geboorte en perinatale sterfte in Nederland komen uit twee landelijke registraties:

    1. de CBS Doodsoorzakenstatistiek op basis van de Gemeentelijke Basis Administratie en het doodgeborenenbestand van het CBS.
    2. de landelijke perinatale registraties van de zorgverleners in de perinatale zorg van Perined (PRN).

    Sinds 2004 bestaat door koppeling van deze twee gegevensbronnen een gezamenlijke CBS/PRN dataset (Elferink-Stinkens et al., 2010).

    Doodsoorzakenstatistiek CBS

    Van een doodgeboren kind moet aangifte worden gedaan bij de gemeente als het kind na een zwangerschapsduur van minimaal 24 weken is geboren. Voor levendgeboren kinderen geldt dat deze altijd moeten worden aangegeven bij de gemeente als de vader of moeder staat ingeschreven in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. Deze kinderen worden dan opgenomen in de Gemeentelijke Basis Administratie. Daarbij wordt de zwangerschapsduur niet genoteerd. Kinderen die levend geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 en kort na de geboorte overlijden worden dus meegeteld.

    Landelijke perinatale registraties van zorgverleners (PRN)

    De PRN-gegevens zijn afkomstig uit de gekoppelde registraties van verloskundigen, gynaecologen en kinderartsen. Deelname aan de registraties is niet wettelijk verplicht. De dekkingsgraad van de registraties is in de loop van de jaren toegenomen. In 2014 nam 100% van de verloskundige praktijken en 99% van de ziekenhuizen met het specialisme obstetrie en gynaecologie deel aan de Landelijke Verloskunde Registratie (LVR). In hetzelfde jaar namen 21 verloskundig actieve huisartsen deel aan de LVR. Het totaal aantal verloskundig actieve huisartsen is echter niet bekend. Daarnaast nam naar schatting 88% van alle kinderartspraktijken in 2014 deel aan de Landelijke Neonatale Registratie (LNR). Daarbij zitten alle 10 ziekenhuizen met een Neonatale Intensive Care Unit (NICU), die verplicht registreren (Perined, 2015). In de perinatale registraties worden ook geboorten opgenomen van vrouwen die niet in de bevolkingsadministratie zijn ingeschreven en geboorten vóór de 24e zwangerschapsweek. Hierdoor zijn cijfers beschikbaar over perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschap.

    Gekoppelde CBS/PRN bestand

    Het voordeel van het gekoppelde CBS/PRN bestand is dat van alle dood-  en levendgeboren kinderen, geboren na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer, informatie over de zwangerschapsduur beschikbaar is. Hierdoor is een betere internationale vergelijking mogelijk, omdat bij internationale vergelijkingen van perinatale sterftecijfers een grens van 22 weken zwangerschapsduur wordt gehanteerd. Een ander voordeel is dat het gekoppelde bestand opsplitsing naar provincie, etniciteit en inkomen mogelijk maakt. Nadeel is dat geen informatie beschikbaar is van kinderen van wie de moeder niet in de GBA is opgenomen. Hierdoor zijn de cijfers voor perinatale sterfte uit het gekoppelde CBS/PRN-bestand lager dan de cijfers uit enkel PRN (Elferink-Stinkens et al., 2010) (zie figuur PRN versus CBS/PRN).

    Vergelijking perinatale sterfte in PRN en CBS doodsoorzakenstatistiek

    De compleetheid van PRN kan – vanaf 24 weken zwangerschapsduur – vergeleken worden ten opzichte van de CBS registratie. Vanaf 22.0 weken is er geen vergelijking te maken omdat het CBS officieel vanaf 24.0 weken registreert. In 2014 zijn er vanaf 24.0 weken 174.739 kinderen beschreven in de PRN en 175.181 kinderen bekend in de CBS registratie. Dit is een overeenkomst van 99,7% (Perined, 2015). De PRN-registratie van doodgeboorte en sterfte in de eerste levensweek is vollediger dan die van het CBS. Voor de sterfte in de eerste vier weken na de geboorte (neonatale sterfte) is de CBS registratie vollediger. PRN heeft te maken met onderrapportage van laatneonatale sterfte door de niet-registrerende kinderartspraktijken. Bovendien wordt een kraambed in principe afgesloten binnen 1 week na de baring, waarna de gegevens aan PRN worden aangeleverd. Omdat de deelname van kinderartspraktijken aan de LNR is gestegen en inmiddels bijna 90% bedraagt is de onderraportage de laatste jaren afgenomen (Berger-van Sijl et al., 2007; Ravelli et al., 2008; CBS, 2009; Stichting PRN, 2014).

     

    Meer informatie

     

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
    2. PRN, Perinatale registratie. zorggegevens.nl
    3. CBS/PRN, Gekoppelde CBS/PRN dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Elferink-Stinkens PM, Roskam A.J.R., Witvliet H. Methodebeschrijving van de gemeenschappelijke PRN-CBScijfers over perinatale en zuigelingensterfte. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek; 2010. Bron
    2. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2014. Jaarboek 2014. Bijlage 1. Utrecht: Perined; 2015. Bron
    3. Berger-van Sijl M, Tromp M, de Bruin A, Ravelli ACJ, Gast J, Kardaun JWPF. Pilot koppeling PRN- en CBS-registraties, methoden en resultaten. Amsterdam, Voorburg, Utrecht: AMC / CBS / PRN; 2007. Bron
    4. Ravelli ACJ, Eskes M, Tromp M, van Huis AM, Steegers EAP, Tamminga P, et al. Perinatale sterfte in Nederland 2000-2006; risicofactoren en risicoselectie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2728-33. Pubmed
    5. CBS. Gezondheid en zorg in cijfers. Perinatale sterfte onder de loep genomen. Den Haag / Heerlen: CBS; 2009. Bron
    6. Stichting PRN. PRN Jaarboek 2013. Bijlage 1. Utrecht: Stichting Perinatale Registratie Nederland; 2014. Bron