Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Sterfte rond de geboorteCijfers & ContextOorzaken

Cijfers & Context

In 2020 zijn 735 kinderen dood geboren

Regionaal & Internationaal

NL in middenmoot sterfte rond de geboorte

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Diverse maatregelen voor verbeteren kwaliteit zorg

Risicofactoren voor perinatale sterfte

Risicofactoren voor het optreden van perinatale sterfte

Risicofactor Referentie
Moeder  
Leeftijd van de moeder Ravelli et al., 2020; Ravelli et al., 2008
Lage sociaaleconomische status de Graaf et al., 2013
Wonen in een achterstandswijk Bertens et al., 2020; Vos et al., 2015de Graaf et al., 2008
Overgewicht (BMI 25,0-29,9) en obesitas (BMI ≥ 30) Marchi et al., 2015; Aune et al., 2014
Roken tijdens de zwangerschap Posthumus et al., 2016
Migratieachtergrond Ravelli et al., 2020; Ravelli et al., 2008; Garssen & van der Meulen, 2004
Bepaalde ziekten of aandoeningen bij de zwangere (infectieziekten, diabetes mellitus, hoge bloeddruk) Lawn et al., 2016
Kind  
Rangnummer in gezin Ravelli et al., 2008
Geslacht van het kind Ravelli et al., 2008
Meerlingzwangerschap Perined, 2019
Vroeggeboorte < 37 weken Zie Sterfte naar zwangerschapsduur
Geboortegewicht < het tiende percentiel (P10) op de Hoftiezer geboortegewichtcurve Zie Sterfte naar geboortegewicht
Ernstige aangeboren afwijkingen Ravelli et al., 2008

Overgewicht en roken beïnvloedbare risicofactoren perinatale sterfte

Overgewicht en roken zijn beïnvloedbare risicofactoren voor perinatale sterfte (Ravelli et al., 2020; Posthumus et al., 2016; Aune et al., 2014Flenady et al., 2011). Hoe hoger het BMI van de moeder hoe hoger het risico op perinatale sterfte (Marchi et al., 2015). Ook een bepaalde ziekten of aandoeningen bij de zwangere (zoals infectieziekten, diabetes en hoge bloeddruk) verhogen het risico op perinatale sterfte (Lawn et al., 2016). Risicofactoren als geslacht van het kind en migratieachtergrond zijn niet of moeilijk beïnvloedbaar. Een aantal belangrijke risicofactoren voor perinatale sterfte staan in de tabel. Ook zorgfactoren beïnvloeden de perinatale sterfte (Tromp et al., 2009). Daarbij gaat het bijvoorbeeld om betere opsporing van groeivertraging, keuzes rond prenatale screening en de opvang van extreem vroeggeboren kinderen.

Vroeggeboorte en laag geboortegewicht belangrijke risicofactoren

Ongeveer 85% van de perinatale sterfte hangt samen met vroeggeboorte, laag geboortegewicht/groeivertraging, evenals met aangeboren afwijkingen en met een slechte start bij de geboorte (Bonsel et al., 2010). Kinderen geboren voor de 37ste zwangerschapsweek (ongeveer 7% van de kinderen), maken ongeveer 80% uit van alle kinderen die vóór of tijdens de eerste maand na de geboorte zijn overleden. Van alle kinderen komt 0,5% extreem vroeg ter wereld, voor de 26ste week. Deze kleine groep draagt voor ongeveer de helft bij aan de totale perinatale sterfte (Perined, 2019). Iets meer dan een vijfde (21%) van alle overleden kinderen heeft een ernstige aangeboren aandoening, terwijl dit maar bij 2,3% van alle geboorten voorkomt. Dit blijkt uit gegevens uit de Landelijke Verloskunde en Neonatologie Registraties (PRN) over de periode 2000-2006 (Ravelli et al., 2008). Omdat overgewicht, roken, lage en hoge leeftijd van de moeder ook risicofactoren voor vroeggeboorte zijn (zie Oorzaken van vroeggeboorte), hebben ze niet alleen direct maar ook indirect via vroeggeboorte invloed op de sterfte rond de geboorte.  

Verhoogd risico bij niet-westerse afkomst 

Sterfte rond de geboorte komt relatief vaker voor bij pasgeborenen met een niet-westerse herkomst dan bij autochtone pasgeborenen (Ravelli et al., 2020; Ravelli et al., 2011; Troe et al., 2006; zie Perinatale sterfte naar migratieachtergrond). Het gaat bijvoorbeeld om vrouwen van Marokkaanse, Antilliaanse, Turkse of Surinaamse afkomst (MATS). De sterfte is het hoogst voor pasgeborenen met een overig niet-westerse herkomst (Azië, Afrika, waaronder asielzoekers en statushouders). Recent is het aandeel van geboortes bij vrouwen uit deze groep in het totaal van Nederlandse geboortes toegenomen (Achterberg et al., 2020). 

Ook sociale achterstand beïnvloedt perinatale sterfte

Behalve niet-westerse afkomst is ook een lage sociaaleconomische status (lage opleiding, laag inkomen of armoede) en het wonen in achterstandswijken een risicofactor voor perinatale sterfte (Vos et al., 2015Vos et al., 2014de Graaf et al., 2013; Timmermans et al., 2011). Over de periode 2003-2017 was er in Nederland sprake van sterke wijk-gebonden verschillen in de hoogte van de perinatale sterfte en in de prevalentie van vroeggeboorte. Hoewel de totale perinatale sterfte in Nederland in de genoemde periode daalde, namen de sociaaleconomische verschillen in perinatale sterfte tussen wijken niet af (Bertens et al., 2020). Het grotere risico van wonen in een achterstandswijk komt door een stapeling van risicofactoren in achterstandswijken, zoals laag inkomen, lage opleiding, niet-westerse migratieachtergrond en ongezonde leefstijl (Timmermans et al., 2011). Het lijkt erop dat vrouwen in achterstandswijken onvoldoende of minder adequate zorg ontvangen (Posthumus et al., 2016). De grote sociaaleconomische verschillen in perinatale gezondheid zijn niet beperkt tot de grote steden: ook in minder verstedelijkte gebieden met een lagere sociaal economische status (vaak krimpregio’s) zijn de risico’s op ongewenste zwangerschapsuitkomsten hoger (Waelput et al., 2017).

Risico van sociale achterstand groter voor vrouwen met westerse migratieachtergrond

Het effect van sociale achterstand, waaronder laag inkomen, op perinatale sterfte is verschillend voor westerse en niet-westerse vrouwen. Niet-westerse vrouwen hebben gemiddeld een verhoogd risico op perinatale sterfte, maar het risico op perinatale sterfte bij sociale achterstand is mogelijk groter voor westerse dan voor niet-westerse vrouwen (Poeran et al., 2013; de Graaf et al., 2008). 

Invloed van Nederlands verloskundig systeem niet eenduidig

Binnen het Nederlandse verloskundige systeem kunnen vrouwen met een laag risico thuis of poliklinisch bevallen onder begeleiding van een verloskundige. Er zijn diverse studies gedaan naar het verschil in risico op perinatale sterfte bij een bevalling in de eerste lijn (thuis of in het ziekenhuis onder begeleiding van een verloskundige) of in de tweede lijn. De resultaten van deze studies zijn niet eenduidig (de Jonge et al., 2015; Geerts et al., 2015; Wiegerinck et al., 2015; Ravelli et al., 2011; Evers et al., 2010; Amelink-Verburg et al., 2008). 

Meer informatie

Datum publicatie

07-12-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Ravelli ACJ, Eskes M, van der Post JAM, Abu-Hanna A, de Groot CJM. Decreasing trend in preterm birth and perinatal mortality, do disparities also decline? BMC Public Health. 2020;20(1):783. Pubmed | DOI
  2. Posthumus AG, Birnie E, van Veen MJ, Steegers EAP, Bonsel GJ. An antenatal prediction model for adverse birth outcomes in an urban population: The contribution of medical and non-medical risks. Midwifery. 2016;38:78-86. Pubmed | DOI
  3. Aune D, Saugstad ODidri, Henriksen T, Tonstad S. Maternal body mass index and the risk of fetal death, stillbirth, and infant death: a systematic review and meta-analysis. JAMA. 2014;311(15):1536-46. Pubmed | DOI
  4. Flenady V, Koopmans L, Middleton P, J Frøen F, Smith GC, Gibbons K, et al. Major risk factors for stillbirth in high-income countries: a systematic review and meta-analysis. Lancet. 2011;377(9774):1331-40. Pubmed | DOI
  5. Marchi J, Berg M, Dencker A, Olander EK, Begley C. Risks associated with obesity in pregnancy, for the mother and baby: a systematic review of reviews. Obes Rev. 2015;16(8):621-38. Pubmed | DOI
  6. Lawn JE, Blencowe H, Waiswa P, Amouzou A, Mathers C, Hogan D, et al. Stillbirths: rates, risk factors, and acceleration towards 2030. Lancet. 2016;387(10018):587-603. Pubmed | DOI
  7. Tromp M, Eskes M, Reitsma JB, Erwich J-JHM, Brouwers HAA, Rijninks-van Driel GC, et al. Regional perinatal mortality differences in the Netherlands; care is the question. BMC Public Health. 2009;9:102. Pubmed | DOI
  8. Bonsel GJ, Birnie E, Denktaş S, Poeran JJ, Steegers EAP. Lijnen in perinatale sterfte. Signalementstudie Zwangerschap en Geboorte 2010. Rotterdam: Erasmus MC ; 2010. Bron
  9. Perined. Perinatale zorg in Nederland anno 2018: landelijke perinatale cijfers en duiding. Utrecht: Perined; 2019. Bron
  10. Ravelli ACJ, Eskes M, Tromp M, van Huis AM, Steegers EAP, Tamminga P, et al. Perinatale sterfte in Nederland 2000-2006; risicofactoren en risicoselectie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2728-33. Pubmed
  11. Ravelli ACJ, Tromp M, Eskes M, Droog JC, van der Post JAM, Jager KJ, et al. Ethnic differences in stillbirth and early neonatal mortality in The Netherlands. J Epidemiol Community Health. 2011;65(8):696-701. Pubmed | DOI
  12. Troe E-JWM, Bos V, Deerenberg IM, Mackenbach JP, Joung IMA. Ethnic differences in total and cause-specific infant mortality in The Netherlands. Paediatr Perinat Epidemiol. 2006;20(2):140-7. Pubmed | DOI
  13. Achterberg PW, Harbers MM, Post NAM, Visscher K. Beter weten: een beter begin Samen sneller naar een betere zorg rond de zwangerschap. RIVM Briefrapport 2020-0140. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2020. Bron
  14. Vos AA, Denktaş S, Borsboom GJJM, Bonsel GJ, Steegers EAP. Differences in perinatal morbidity and mortality on the neighbourhood level in Dutch municipalities: a population based cohort study. BMC Pregnancy Childbirth. 2015;15:201. Pubmed | DOI
  15. Vos AA, Posthumus AG, Bonsel GJ, Steegers EAP, Denktaş S. Deprived neighborhoods and adverse perinatal outcome: a systematic review and meta-analysis. Acta Obstet Gynecol Scand. 2014;93(8):727-40. Pubmed | DOI
  16. de Graaf JP, Steegers EAP, Bonsel GJ. Inequalities in perinatal and maternal health. Curr Opin Obstet Gynecol. 2013;25(2):98-108. Pubmed | DOI
  17. Timmermans S, Bonsel GJ, Steegers-Theunissen RPM, Mackenbach JP, Steyerberg EW, Raat H, et al. Individual accumulation of heterogeneous risks explains perinatal inequalities within deprived neighbourhoods. Eur J Epidemiol. 2011;26(2):165-80. Pubmed | DOI
  18. Bertens LCM, Ochoa LBurgo, Van Ourti T, Steegers EAP, Been JV. Persisting inequalities in birth outcomes related to neighbourhood deprivation. J Epidemiol Community Health. 2020;74(3):232-239. Pubmed | DOI
  19. Posthumus AG, Borsboom GJ, Poeran J, Steegers EAP, Bonsel GJ. Geographical, Ethnic and Socio-Economic Differences in Utilization of Obstetric Care in the Netherlands. PLoS One. 2016;11(6):e0156621. Pubmed | DOI
  20. Waelput AJM, Sijpkens MK, Lagendijk J, van Minde MRC, Raat H, Ernst-Smelt HE, et al. Geographical differences in perinatal health and child welfare in the Netherlands: rationale for the healthy pregnancy 4 all-2 program. BMC Pregnancy Childbirth. 2017;17(1):254. Pubmed | DOI
  21. Poeran JJ, Maas AFG, Birnie E, Denktaş S, Steegers EAP, Bonsel GJ. Social deprivation and adverse perinatal outcomes among Western and non-Western pregnant women in a Dutch urban population. Soc Sci Med. 2013;83:42-9. Pubmed | DOI
  22. de Graaf JP, Ravelli ACJ, Wildschut HIJ, Denktaş S, Voorham AJJ, Bonsel GJ, et al. Perinatale uitkomsten in de vier grote steden en de prachtwijken in Nederland. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2734-40. Pubmed
  23. de Jonge A, Geerts CC, van der Goes BY, Mol BW, Buitendijk SE, Nijhuis JG. Perinatal mortality and morbidity up to 28 days after birth among 743 070 low-risk planned home and hospital births: a cohort study based on three merged national perinatal databases. BJOG. 2015;122(5):720-8. Pubmed | DOI
  24. Geerts CC, de Jonge A, van der Goes BY, Mol BWJ, Buitendijk SE, Nijhuis JG. Perinatal mortality and morbidity up to 28 days after birth among home and hospital births. Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:A8482. Bron
  25. Wiegerinck M.M.J., van der Goes BY, Ravelli ACJ, van der Post J.A.M., Klinkert J., Brandenbarg J., et al. Intrapartum and neonatal mortality in primary midwife-led and secondary obstetrician-led care in the Amsterdam region of the Netherlands: A retrospective cohort study. Midwifery. 2015;31(12):1168-76. Bron
  26. Evers ACC, Brouwers HAA, Hukkelhoven CWPM, Nikkels PGJ, Boon J, van Egmond-Linden A, et al. Perinatal mortality and severe morbidity in low and high risk term pregnancies in the Netherlands: prospective cohort study. BMJ. 2010;341:c5639. Pubmed | DOI
  27. Amelink-Verburg MP, Verloove-Vanhorick SP, Hakkenberg RMA, Veldhuijzen IME, Bennebroek-Gravenhorst J, Buitendijk SE. Evaluation of 280,000 cases in Dutch midwifery practices: a descriptive study. BJOG. 2008;115(5):570-8. Pubmed | DOI
  28. Garssen JJ, van der Meulen A. Ontwikkelingen rond de perinatale sterfte. CBS Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2004. Voorburg / Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2004. Bron

Risicofactoren voor moedersterfte

Hogere leeftijd en niet-westerse herkomst moeder verhogen het risico op moedersterfte

Hogere leeftijd van de moeder, niet-westerse migratieachtergrond van de moeder, keizersneden en een hoog kindertal (drie kinderen of meer) zijn de belangrijkste risicofactoren voor moedersterfte. Ook vrouwen met obesitas en een chronische aandoening zoals cardiovasculaire aandoeningen of diabetes hebben een grotere kans op moedersterfte (Schutte, 2010).

 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Schutte JM. Safe Motherhood. Confidential enquiries into maternal deaths in the Netherlands 1993-2005. Amsterdam: Vrije Universiteit; 2010. Bron

Verantwoording

Definities
  • Verschillende maten voor sterfte rond de geboorte

    De tabel geeft een overzicht van de sterftematen die gerekend worden tot sterfte rond de geboorte. Sterfte rond de geboorte bij zowel moeder als kind vormt een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de zorg tijdens de zwangerschap en rond de geboorte.

    Tabel: Maten voor sterfte rond de geboorte

     
    Sterftemaat Verklaring
    Doodgeboortecijfer (foetale sterfte) Aantal doodgeborenen per 1.000 levend- en doodgeborenen. Een doodgeborene is een vrucht die na de geboorte geen enkel teken van levensverrichting (ademhaling, hartactie, spiercontractie) heeft vertoond. Er wordt onderscheid gemaakt in een doodgeborene na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (Perined), 24 weken of meer (CBS, wettelijke ondergrens voor aangifte van geboorte) en 28 weken of meer.
    Neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 28 dagen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer. Als afzonderlijke maat, wordt deze sterftemaat uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. Wanneer neonatale sterfte als onderdeel van perinatale sterfte wordt weergegeven, wordt deze uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. 
    Vroeg-neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 7 dagen. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Post-neonatale sterfte Aantal overledenen tussen vier levensweken en 1 jaar na geboorte. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Perinatale sterfte Het aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22, 24 of 28 weken of meer en sterfte in de eerste 7 of 28 dagen (de perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en (vroeg) neonatale sterfte). Welke definitie gebruikt wordt, is afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens. Bij een onbekende zwangerschapsduur worden het geboortegewicht of de lengte van het kind gebruikt als benadering van die zwangerschapsduur. Een geboortegewicht van 500 gram en/of een kruin-hiellengte van 25 cm komen ongeveer overeen met een zwangerschapsduur van ten minste 22 weken. De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen.
    Zuigelingensterfte Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van de neonatale en de post-neonatale sterfte). Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Wiegendood Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart (per 1.000 levendgeborenen). Wiegendood wordt ook Sudden Infant Death Syndrome (SIDS) genoemd.
    Moedersterfte (maternale sterfte) Moedersterfte is het totaal van directe en indirecte moedersterfte (binnen 42 dagen na beëindiging van een zwangerschap). Directe sterfte is het gevolg van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed, van interventies, omissies of onjuiste behandeling, of van een reeks gebeurtenissen die voortvloeien uit deze complicaties. Indirecte sterfte is het gevolg van een pre-existente ziekte of van een ziekte die tijdens de zwangerschap ontstond maar werd verergerd door de fysiologische effecten van de zwangerschap. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen.
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over sterfte rond de gebooorte

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Perined
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte (28 dagen)
    3. perinatale sterfte (7 dagen en 28 dagen)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    2. levendgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    3. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap

    PerinedPerined, 2018

    CBS/Perined
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte (28 dagen)
    3. perinatale sterfte (7 dagen en 28 dagen)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    2. levendgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    3. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    CBS/Perined

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    1. zuigelingensterfte
    2. wiegendood
    3. moedersterfte
    1. kinderen jonger dan 1 jaar
    2. kinderen jonger dan 1 jaar
    3. bevallen vrouwen

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Euro-Peristat
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte
    3. perinatale sterfte (som neonatale en foetale sterfte)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 28 weken zwangerschapsduur
    2. levendgeboren kinderen vanaf 24 weken zwangerschap tot 28 dagen na de geboorte
    Euro-Peristat; Euro-Peristat, 2018
    Eurostat zuigelingensterfte kinderen jonger dan 1 jaar Eurostat  

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2016. Utrecht: Perined; 2018. Bron
    2. Euro-Peristat. European Perinatal Health Report. Core indicators of the health and care of pregnant women and babies in Europe in 2015. .; 2018. Bron
  • Perined, CBS doodsoorzakenstatistiek en gekoppelde CBS/Perined-gegevens

    Gegevens over geboorte en perinatale sterfte in Nederland komen uit twee landelijke registraties:

    1. de CBS Doodsoorzakenstatistiek op basis van de Basisregistratie Personen (BRP) en het doodgeborenenbestand van het CBS.
    2. de landelijke perinatale registraties van de zorgverleners in de perinatale zorg van Perined (Perined).

    Sinds 2004 bestaat door koppeling van deze twee gegevensbronnen een gezamenlijke CBS/Perined dataset (Elferink-Stinkens et al., 2010).

    Doodsoorzakenstatistiek CBS

    Van een doodgeboren kind moet aangifte worden gedaan bij de gemeente als het kind na een zwangerschapsduur van minimaal 24 weken is geboren. Voor levendgeboren kinderen geldt dat deze altijd moeten worden aangegeven bij de gemeente als de vader of moeder staat ingeschreven in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. Deze kinderen worden dan opgenomen in de Basisregistratie Personen. Daarbij wordt de zwangerschapsduur niet genoteerd. Kinderen die levend geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 en kort na de geboorte overlijden worden dus meegeteld.

    Landelijke perinatale registraties van zorgverleners (Perined)

    De Perined-gegevens zijn afkomstig uit de gekoppelde registraties van verloskundigen, gynaecologen en kinderartsen. Deelname aan de registraties is niet wettelijk verplicht. De dekkingsgraad van de registraties is in de loop van de jaren toegenomen. In 2014 nam 100% van de verloskundige praktijken en 99% van de ziekenhuizen met het specialisme obstetrie en gynaecologie deel aan de Landelijke Verloskunde Registratie (LVR). In hetzelfde jaar namen 21 verloskundig actieve huisartsen deel aan de LVR. Het totaal aantal verloskundig actieve huisartsen is echter niet bekend. Daarnaast nam naar schatting 88% van alle kinderartspraktijken in 2014 deel aan de Landelijke Neonatale Registratie (LNR). Daarbij zitten alle 10 ziekenhuizen met een Neonatale Intensive Care Unit (NICU), die verplicht registreren (Perined, 2015). In de perinatale registraties worden ook geboorten opgenomen van vrouwen die niet in de bevolkingsadministratie zijn ingeschreven en geboorten vóór de 24e zwangerschapsweek. Hierdoor zijn cijfers beschikbaar over perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschap.

    Gekoppelde CBS/Perined-bestand

    Het voordeel van het gekoppelde CBS/Perined-bestand is dat van alle dood-  en levendgeboren kinderen, geboren na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer, informatie over de zwangerschapsduur beschikbaar is. Hierdoor is een betere internationale vergelijking mogelijk, omdat bij internationale vergelijkingen van perinatale sterftecijfers een grens van 22 weken zwangerschapsduur wordt gehanteerd. Een ander voordeel is dat het gekoppelde bestand opsplitsing naar provincie, etniciteit en inkomen mogelijk maakt. Nadeel is dat geen informatie beschikbaar is van kinderen van wie de moeder niet in de BRP is opgenomen. Hierdoor zijn de cijfers voor perinatale sterfte uit het gekoppelde CBS/Perined-bestand lager dan de cijfers uit enkel Perined (Elferink-Stinkens et al., 2010) (zie figuur Perined versus CBS/Perined).

    Vergelijking perinatale sterfte in Perined en CBS doodsoorzakenstatistiek

    De compleetheid van Perined kan – vanaf 24 weken zwangerschapsduur – vergeleken worden ten opzichte van de CBS registratie. Vanaf 22.0 weken is er geen vergelijking te maken omdat het CBS officieel vanaf 24.0 weken registreert. In 2014 zijn er vanaf 24.0 weken 174.739 kinderen beschreven in de Perined en 175.181 kinderen bekend in de CBS registratie. Dit is een overeenkomst van 99,7% (Perined, 2015). De Perined-registratie van doodgeboorte en sterfte in de eerste levensweek is vollediger dan die van het CBS. Voor de sterfte in de eerste vier weken na de geboorte (neonatale sterfte) is de CBS registratie vollediger. Perined heeft te maken met onderrapportage van laatneonatale sterfte door de niet-registrerende kinderartspraktijken. Bovendien wordt een kraambed in principe afgesloten binnen 1 week na de baring, waarna de gegevens aan Perined worden aangeleverd. Omdat de deelname van kinderartspraktijken aan de LNR is gestegen en inmiddels bijna 90% bedraagt is de onderraportage de laatste jaren afgenomen (Berger-van Sijl et al., 2007; Ravelli et al., 2008; CBS, 2009; Stichting PRN, 2014).

     

    Meer informatie

     

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
    2. Perined, Perinatale registratie. zorggegevens.nl
    3. CBS/Perined, Gekoppelde CBS/Perined dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Elferink-Stinkens PM, Roskam A.J.R., Witvliet H. Methodebeschrijving van de gemeenschappelijke PRN-CBScijfers over perinatale en zuigelingensterfte. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek; 2010. Bron
    2. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2014. Jaarboek 2014. Bijlage 1. Utrecht: Perined; 2015. Bron
    3. Berger-van Sijl M, Tromp M, de Bruin A, Ravelli ACJ, Gast J, Kardaun JWPF. Pilot koppeling PRN- en CBS-registraties, methoden en resultaten. Amsterdam, Voorburg, Utrecht: AMC / CBS / PRN; 2007. Bron
    4. Ravelli ACJ, Eskes M, Tromp M, van Huis AM, Steegers EAP, Tamminga P, et al. Perinatale sterfte in Nederland 2000-2006; risicofactoren en risicoselectie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2728-33. Pubmed
    5. CBS. Gezondheid en zorg in cijfers. Perinatale sterfte onder de loep genomen. Den Haag / Heerlen: CBS; 2009. Bron
    6. Stichting PRN. PRN Jaarboek 2013. Bijlage 1. Utrecht: Stichting Perinatale Registratie Nederland; 2014. Bron