Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Sterfte rond de geboorteCijfers & ContextOorzaken

Cijfers & Context

In 2018 zijn 811 kinderen dood geboren

Regionaal & Internationaal

NL in middenmoot sterfte rond de geboorte

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Sterke daling wiegendood door adviezen rugligging

Risicofactoren voor perinatale sterfte

Risicofactoren voor het optreden van perinatale sterfte

Risicofactor Kans/risico op perinatale sterfte Referentie
Moeder    
Leeftijd van de moeder RR*= 1,7 voor vrouwen jonger dan 20 jaar of ouder dan 40 jaar Ravelli et al., 2008
Alleenstaand ouderschap    
Lage sociaaleconomische status    
Wonen in een 'prachtwijk'   de Graaf et al., 2008
Overgewicht (BMI 25,0-29,9) en obesitas (BMI ≥ 30)    
Roken tijdens de zwangerschap RR = 1,5 Achterberg & Kramers, 2001
Etniciteit RR = 1,4 voor vrouwen van niet-westerse afkomst Ravelli et al., 2008; Garssen & van der Meulen, 2004
Bepaalde (chronische) ziekten of aandoeningen bij de zwangere Voorbeelden: infectieziekten, diabetes mellitus of hoge bloeddruk  
Bijzonderheden in de verloskundige voorgeschiedenis Voorbeelden: perinatale sterfte of complicaties tijdens een eerdere zwangerschap en bevalling  
Kind    
Rangnummer RR* = 2,4 voor het vijfde kind of later, RR* = 1,37 voor eerste kind Ravelli et al., 2008
Geslacht van het kind RR* = 1,1 voor jongetjes Ravelli et al., 2008
Meerlingzwangerschap    
Vroeggeboorte < 37 weken    
Laag geboortegewicht < 2500 gram    
Ernstige aangeboren afwijkingen RR* = 22,2 Ravelli et al., 2008
  • RR = relatief risico
  • RR* = ongecorrigeerd relatieve risico bij eenlingen
  • Bij ernstige aangeboren afwijkingen gaat het om afwijkingen die niet met het leven verenigbaar zijn (zoals de afwezigheid van nieren) of die een grote kans op vroegtijdig overlijden geven.

Overgewicht en roken beïnvloedbare risicofactoren perinatale sterfte 

Overgewicht, roken en de leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen zijn beïnvloedbare risicofactoren voor perinatale sterfte (Flenady et al., 2011). Een aantal risicofactoren voor sterfte rond de geboorte is niet of moeilijk beïnvloedbaar, zoals geslacht van het kind en etniciteit. De belangrijkste risicofactoren voor perinatale sterfte staan in de tabel (Richardus et al., 1998; Waelput & Achterberg, 2007; Smith & Fretts, 2007). Ook zorgfactoren beïnvloeden de perinatale sterfte (Tromp et al., 2009). Daarbij gaat het bijvoorbeeld om betere opsporing van groeivertraging, keuzes rond prenatale screening en de opvang van extreem vroeggeboren kinderen.

Vroeggeboorte en laag geboortegewicht belangrijke risicofactoren

Ongeveer 85% van de perinatale sterfte hangt samen met vroeggeboorte, laag geboortegewicht/groeivertraging, evenals met aangeboren afwijkingen en met een slechte start bij de geboorte (Bonsel et al., 2010). Van alle kinderen komt 0,4% extreem vroeg ter wereld, voor de 26ste week. Deze kleine groep draagt voor ongeveer de helft bij aan de totale perinatale sterfte. Voor kinderen die tussen 37 en 42 weken zwangerschap geboren worden is het risico op perinatale sterfte het laagst (1,6 per 1.000 geboorten) (Perined, 2016). Iets meer dan een vijfde (21%) van alle overleden kinderen heeft een ernstige aangeboren aandoening, terwijl dit maar bij 2,3% van alle geboorten voorkomt. Dit blijkt uit gegevens uit de Landelijke Verloskunde en Neonatologie Registraties (PRN) over de periode 2000-2006 (Ravelli et al., 2008).

Verhoogd risico bij niet-westerse afkomst en meerlingzwangerschap 

Sterfte rond de geboorte komt relatief vaker voor bij pasgeborenen van Antilliaanse/Arubaanse, Surinaamse, Marokkaanse en Turkse afkomst dan bij autochtone pasgeborenen. Dit komt vooral door verschillen in doodgeboorte (Ravelli et al., 2011). Ook vrouwen met een vijfde kind of meer hebben een verhoogd risico op perinatale sterfte. Ook dit blijkt uit gegevens uit de Landelijke Verloskunde en Neonatologie Registraties (PRN) over de periode 2000-2006 (Ravelli et al., 2008). Tot slot is ook bij een meerlingzwangerschap de kans op perinatale sterfte verhoogd.

Invloed van Nederlands verloskundig systeem niet eenduidig

Voor Nederlandse vrouwen met een laag risico bij wie de bevalling startte onder begeleiding van een eerstelijnsverloskundige is het risico op perinatale sterfte (tot en met 28 dagen na de geboorte) bij een geplande thuisbevalling niet verhoogd in vergelijking met een geplande ziekenhuisbevalling. Dit blijkt uit een analyse van gegevens uit de PRN over de jaren 2000-2009 (Geerts et al., 2015; de Jonge et al., 2015). Een eerder onderzoek over de periode 2000-2006 wees uit dat de perinatale sterfte bij vrouwen met een laag risico bij wie de bevalling startte in de eerste lijn (onder begeleiding van verloskundige of verloskundig actieve huisarts) lager was dan bij vrouwen met een hoog risico bij wie de bevalling startte in de tweede lijn (Ravelli et al., 2011). Uit ander onderzoek bleek de perinatale sterfte in geval van acute verwijzing van de eerste naar de tweede lijn hoger te zijn dan wanneer er geen sprake was van verwijzing (Amelink-Verburg et al., 2008; Evers et al., 2010).

Een studie in de Utrechtse regio had als onverwachte bevinding dat het risico op perinatale sterfte van een geselecteerde groep vrouwen bij wie de bevalling startte in de eerste lijn hoger was dan bij vrouwen bij wie de bevalling startte in de tweede lijn (Evers et al., 2010). Deze bevinding wordt echter niet bevestigd door een onderzoek over de periode 2005 t/m 2007 in de regio Amsterdam (Wiegerinck et al., 2015). In deze Amsterdamse studie was de perinatale sterfte bij bevallingen die begonnen  in de eerste lijn (thuis of in het ziekenhuis onder begeleiding van een verloskundige) gelijk aan die van bevallingen die begonnen in de tweede lijn (in het ziekenhuis onder begeleiding van een gynaecoloog). Het risico op complicaties (keizersnede, kunstverlossing) was lager bij bevallingen die startten in de eerste lijn (Wiegerinck et al., 2015).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Flenady V, Koopmans L, Middleton P, J Frøen F, Smith GC, Gibbons K, et al. Major risk factors for stillbirth in high-income countries: a systematic review and meta-analysis. Lancet. 2011;377(9774):1331-40. Pubmed | DOI
  2. Richardus JH, Graafmans W, Verloove-Vanhorick SP, Mackenbach JP. The perinatal mortality rate as an indicator of quality of care in international comparisons. Med Care. 1998;36(1):54-66. Pubmed
  3. Waelput AJM, Achterberg PW. Etniciteit en zorg rondom zwangerschap en geboorte: een verkenning van Nederlands onderzoek. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2007. Bron
  4. Smith GCS, Fretts RC. Stillbirth. Lancet. 2007;370(9600):1715-25. Pubmed | DOI
  5. Tromp M, Eskes M, Reitsma JB, Erwich J-JHM, Brouwers HAA, Rijninks-van Driel GC, et al. Regional perinatal mortality differences in the Netherlands; care is the question. BMC Public Health. 2009;9:102. Pubmed | DOI
  6. Bonsel GJ, Birnie E, Denktaş S, Poeran JJ, Steegers EAP. Lijnen in perinatale sterfte. Signalementstudie Zwangerschap en Geboorte 2010. Rotterdam: Erasmus MC ; 2010. Bron
  7. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2015. Utrecht: Perined; 2016. Bron
  8. Ravelli ACJ, Eskes M, Tromp M, van Huis AM, Steegers EAP, Tamminga P, et al. Perinatale sterfte in Nederland 2000-2006; risicofactoren en risicoselectie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2728-33. Pubmed
  9. Ravelli ACJ, Tromp M, Eskes M, Droog JC, van der Post JAM, Jager KJ, et al. Ethnic differences in stillbirth and early neonatal mortality in The Netherlands. J Epidemiol Community Health. 2011;65(8):696-701. Pubmed | DOI
  10. Geerts CC, de Jonge A, van der Goes BY, Mol BWJ, Buitendijk SE, Nijhuis JG. Perinatal mortality and morbidity up to 28 days after birth among home and hospital births. Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:A8482. Bron
  11. de Jonge A, Geerts CC, van der Goes BY, Mol BW, Buitendijk SE, Nijhuis JG. Perinatal mortality and morbidity up to 28 days after birth among 743 070 low-risk planned home and hospital births: a cohort study based on three merged national perinatal databases. BJOG. 2015;122(5):720-8. Pubmed | DOI
  12. Amelink-Verburg MP, Verloove-Vanhorick SP, Hakkenberg RMA, Veldhuijzen IME, Bennebroek-Gravenhorst J, Buitendijk SE. Evaluation of 280,000 cases in Dutch midwifery practices: a descriptive study. BJOG. 2008;115(5):570-8. Pubmed | DOI
  13. Evers ACC, Brouwers HAA, Hukkelhoven CWPM, Nikkels PGJ, Boon J, van Egmond-Linden A, et al. Perinatal mortality and severe morbidity in low and high risk term pregnancies in the Netherlands: prospective cohort study. BMJ. 2010;341:c5639. Pubmed | DOI
  14. Wiegerinck M.M.J., van der Goes BY, Ravelli ACJ, van der Post J.A.M., Klinkert J., Brandenbarg J., et al. Intrapartum and neonatal mortality in primary midwife-led and secondary obstetrician-led care in the Amsterdam region of the Netherlands: A retrospective cohort study. Midwifery. 2015;31(12):1168-76. Bron
  15. de Graaf JP, Ravelli ACJ, Wildschut HIJ, Denktaş S, Voorham AJJ, Bonsel GJ, et al. Perinatale uitkomsten in de vier grote steden en de prachtwijken in Nederland. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2734-40. Pubmed
  16. Achterberg PW, Kramers PGN. Een gezonde start? Sterfte rond de geboorte in Nederland: trends en oorzaken vanuit een internationaal perspectief. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2001. Bron
  17. Garssen JJ, van der Meulen A. Ontwikkelingen rond de perinatale sterfte. CBS Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2004. Voorburg / Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2004. Bron

Risicofactoren voor wiegendood

Buikligging en roken door ouders verhogen risico op wiegendood

Risicofactoren voor wiegendood zijn:

  • primaire buik- of zijligging;
  • co-bedding van een tweeling (samen in één bed slapen);
  • dekbedgebruik;
  • gebruik van stabilisatiekussens;
  • roken door de moeder;
  • roken door de vader;
  • in een box zonder toezicht;
  • gewoonlijk samen in één bed slapen met één of beide ouders;
  • alleen in een groot bed slapen;
  • laag geboortegewicht;
  • vroeggeboorte;
  • een moeder jonger dan 20 jaar;
  • mannelijk geslacht;
  • lagere sociaaleconomische status.

Borstvoeding, fopspeen en rooming-in verlagen kans op wiegendood

Factoren die de kans op wiegendood verlagen zijn borstvoeding, gebruik van een fopspeen en  “rooming-in” waarbij een zuigeling in een eigen bed bij de ouders op de kamer slaapt (Flinsenberg et al., 2008; Munsters et al., 2013). Ook voorlichting over de beschermende werking van rugligging ter preventie van wiegendood (de Jonge & Hoogenboezem, 2005) en stoppen-met-roken interventies voor zwangere vrouwen, jonge ouders en hun omgeving kunnen mogelijk bijdragen aan een verlaging van de sterfte door wiegendood.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Flinsenberg TWH, Ruys JH, Engelberts AC, van Velzen-Mol HW. Herziene richtlijn 'Preventie wiegendood'. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(24):1370-5. Bron
  2. Munsters JM, Wierenga H, Boere-Boonekamp MM, Semmekrot BA, Engelberts AC. Aanvullende adviezen voor veilig slapen ter preventie van wiegendood. Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;158(8):A5568. Bron
  3. de Jonge GA, Hoogenboezem J. Epidemiologie van 25 jaar wiegendood in Nederland; incidentie van wiegendood en prevalentie van risicofactoren in 1980-2004. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149(23):1273-8. Pubmed

Risicofactoren voor moedersterfte

Hogere leeftijd en niet-westerse herkomst moeder verhogen het risico op moedersterfte

Hogere leeftijd van de moeder, allochtone herkomst van de moeder, keizersneden en een hoog kindertal (drie kinderen of meer) zijn de belangrijkste risicofactoren voor moedersterfte. Ook vrouwen met obesitas en een chronische aandoening zoals cardiovasculaire aandoeningen of diabetes hebben een grotere kans op moedersterfte (Schutte, 2010).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Schutte JM. Safe Motherhood. Confidential enquiries into maternal deaths in the Netherlands 1993-2005. Amsterdam: Vrije Universiteit; 2010. Bron

Verantwoording

Definities
  • Verschillende maten voor sterfte rond de geboorte

    De tabel geeft een overzicht van de sterftematen die gerekend worden tot sterfte rond de geboorte. Sterfte rond de geboorte bij zowel moeder als kind vormt een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de zorg tijdens de zwangerschap en rond de geboorte.

    Tabel: Maten voor sterfte rond de geboorte

     
    Sterftemaat Verklaring
    Doodgeboortecijfer (foetale sterfte) Aantal doodgeborenen per 1.000 levend- en doodgeborenen. Een doodgeborene is een vrucht die na de geboorte geen enkel teken van levensverrichting (ademhaling, hartactie, spiercontractie) heeft vertoond. Er wordt onderscheid gemaakt in een doodgeborene na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (Perined), 24 weken of meer (CBS, wettelijke ondergrens voor aangifte van geboorte) en 28 weken of meer.
    Neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 28 dagen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer. Als afzonderlijke maat, wordt deze sterftemaat uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. Wanneer neonatale sterfte als onderdeel van perinatale sterfte wordt weergegeven, wordt deze uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. 
    Vroeg-neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste 7 dagen. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Post-neonatale sterfte Aantal overledenen tussen vier levensweken en 1 jaar na geboorte. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Perinatale sterfte Het aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22, 24 of 28 weken of meer en sterfte in de eerste 7 of 28 dagen (de perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en (vroeg) neonatale sterfte). Welke definitie gebruikt wordt, is afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens. Bij een onbekende zwangerschapsduur worden het geboortegewicht of de lengte van het kind gebruikt als benadering van die zwangerschapsduur. Een geboortegewicht van 500 gram en/of een kruin-hiellengte van 25 cm komen ongeveer overeen met een zwangerschapsduur van ten minste 22 weken. De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen.
    Zuigelingensterfte Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van de neonatale en de post-neonatale sterfte). Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
    Wiegendood Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart (per 1.000 levendgeborenen). Wiegendood wordt ook Sudden Infant Death Syndrome (SIDS) genoemd.
    Moedersterfte (maternale sterfte) Moedersterfte is het totaal van directe en indirecte moedersterfte (binnen 42 dagen na beëindiging van een zwangerschap). Directe sterfte is het gevolg van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed, van interventies, omissies of onjuiste behandeling, of van een reeks gebeurtenissen die voortvloeien uit deze complicaties. Indirecte sterfte is het gevolg van een pre-existente ziekte of van een ziekte die tijdens de zwangerschap ontstond maar werd verergerd door de fysiologische effecten van de zwangerschap. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen.
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over sterfte rond de gebooorte

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Perined
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte (28 dagen)
    3. perinatale sterfte (7 dagen en 28 dagen)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    2. levendgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    3. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap

    PerinedPerined, 2018

    CBS/Perined
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte (28 dagen)
    3. perinatale sterfte (7 dagen en 28 dagen)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    2. levendgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    3. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 22 weken zwangerschap
    CBS/Perined

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    1. zuigelingensterfte
    2. wiegendood
    3. moedersterfte
    1. kinderen jonger dan 1 jaar
    2. kinderen jonger dan 1 jaar
    3. bevallen vrouwen

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Euro-Peristat
    1. foetale sterfte
    2. neonatale sterfte
    3. perinatale sterfte (som neonatale en foetale sterfte)
    1. levend- en doodgeboren kinderen vanaf 28 weken zwangerschapsduur
    2. levendgeboren kinderen vanaf 24 weken zwangerschap tot 28 dagen na de geboorte
    Euro-Peristat; Euro-Peristat, 2018
    Eurostat zuigelingensterfte kinderen jonger dan 1 jaar Eurostat  

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2016. Utrecht: Perined; 2018. Bron
    2. Euro-Peristat. European Perinatal Health Report. Core indicators of the health and care of pregnant women and babies in Europe in 2015. .; 2018. Bron
  • Perined, CBS doodsoorzakenstatistiek en gekoppelde CBS/Perined-gegevens

    Gegevens over geboorte en perinatale sterfte in Nederland komen uit twee landelijke registraties:

    1. de CBS Doodsoorzakenstatistiek op basis van de Basisregistratie Personen (BRP) en het doodgeborenenbestand van het CBS.
    2. de landelijke perinatale registraties van de zorgverleners in de perinatale zorg van Perined (Perined).

    Sinds 2004 bestaat door koppeling van deze twee gegevensbronnen een gezamenlijke CBS/Perined dataset (Elferink-Stinkens et al., 2010).

    Doodsoorzakenstatistiek CBS

    Van een doodgeboren kind moet aangifte worden gedaan bij de gemeente als het kind na een zwangerschapsduur van minimaal 24 weken is geboren. Voor levendgeboren kinderen geldt dat deze altijd moeten worden aangegeven bij de gemeente als de vader of moeder staat ingeschreven in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. Deze kinderen worden dan opgenomen in de Basisregistratie Personen. Daarbij wordt de zwangerschapsduur niet genoteerd. Kinderen die levend geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 en kort na de geboorte overlijden worden dus meegeteld.

    Landelijke perinatale registraties van zorgverleners (Perined)

    De Perined-gegevens zijn afkomstig uit de gekoppelde registraties van verloskundigen, gynaecologen en kinderartsen. Deelname aan de registraties is niet wettelijk verplicht. De dekkingsgraad van de registraties is in de loop van de jaren toegenomen. In 2014 nam 100% van de verloskundige praktijken en 99% van de ziekenhuizen met het specialisme obstetrie en gynaecologie deel aan de Landelijke Verloskunde Registratie (LVR). In hetzelfde jaar namen 21 verloskundig actieve huisartsen deel aan de LVR. Het totaal aantal verloskundig actieve huisartsen is echter niet bekend. Daarnaast nam naar schatting 88% van alle kinderartspraktijken in 2014 deel aan de Landelijke Neonatale Registratie (LNR). Daarbij zitten alle 10 ziekenhuizen met een Neonatale Intensive Care Unit (NICU), die verplicht registreren (Perined, 2015). In de perinatale registraties worden ook geboorten opgenomen van vrouwen die niet in de bevolkingsadministratie zijn ingeschreven en geboorten vóór de 24e zwangerschapsweek. Hierdoor zijn cijfers beschikbaar over perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschap.

    Gekoppelde CBS/Perined-bestand

    Het voordeel van het gekoppelde CBS/Perined-bestand is dat van alle dood-  en levendgeboren kinderen, geboren na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer, informatie over de zwangerschapsduur beschikbaar is. Hierdoor is een betere internationale vergelijking mogelijk, omdat bij internationale vergelijkingen van perinatale sterftecijfers een grens van 22 weken zwangerschapsduur wordt gehanteerd. Een ander voordeel is dat het gekoppelde bestand opsplitsing naar provincie, etniciteit en inkomen mogelijk maakt. Nadeel is dat geen informatie beschikbaar is van kinderen van wie de moeder niet in de BRP is opgenomen. Hierdoor zijn de cijfers voor perinatale sterfte uit het gekoppelde CBS/Perined-bestand lager dan de cijfers uit enkel Perined (Elferink-Stinkens et al., 2010) (zie figuur Perined versus CBS/Perined).

    Vergelijking perinatale sterfte in Perined en CBS doodsoorzakenstatistiek

    De compleetheid van Perined kan – vanaf 24 weken zwangerschapsduur – vergeleken worden ten opzichte van de CBS registratie. Vanaf 22.0 weken is er geen vergelijking te maken omdat het CBS officieel vanaf 24.0 weken registreert. In 2014 zijn er vanaf 24.0 weken 174.739 kinderen beschreven in de Perined en 175.181 kinderen bekend in de CBS registratie. Dit is een overeenkomst van 99,7% (Perined, 2015). De Perined-registratie van doodgeboorte en sterfte in de eerste levensweek is vollediger dan die van het CBS. Voor de sterfte in de eerste vier weken na de geboorte (neonatale sterfte) is de CBS registratie vollediger. Perined heeft te maken met onderrapportage van laatneonatale sterfte door de niet-registrerende kinderartspraktijken. Bovendien wordt een kraambed in principe afgesloten binnen 1 week na de baring, waarna de gegevens aan Perined worden aangeleverd. Omdat de deelname van kinderartspraktijken aan de LNR is gestegen en inmiddels bijna 90% bedraagt is de onderraportage de laatste jaren afgenomen (Berger-van Sijl et al., 2007; Ravelli et al., 2008; CBS, 2009; Stichting PRN, 2014).

     

    Meer informatie

     

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
    2. Perined, Perinatale registratie. zorggegevens.nl
    3. CBS/Perined, Gekoppelde CBS/Perined dataset over perinatale en zuigelingensterfte. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Elferink-Stinkens PM, Roskam A.J.R., Witvliet H. Methodebeschrijving van de gemeenschappelijke PRN-CBScijfers over perinatale en zuigelingensterfte. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek; 2010. Bron
    2. Perined. Perinatale Zorg in Nederland 2014. Jaarboek 2014. Bijlage 1. Utrecht: Perined; 2015. Bron
    3. Berger-van Sijl M, Tromp M, de Bruin A, Ravelli ACJ, Gast J, Kardaun JWPF. Pilot koppeling PRN- en CBS-registraties, methoden en resultaten. Amsterdam, Voorburg, Utrecht: AMC / CBS / PRN; 2007. Bron
    4. Ravelli ACJ, Eskes M, Tromp M, van Huis AM, Steegers EAP, Tamminga P, et al. Perinatale sterfte in Nederland 2000-2006; risicofactoren en risicoselectie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(50):2728-33. Pubmed
    5. CBS. Gezondheid en zorg in cijfers. Perinatale sterfte onder de loep genomen. Den Haag / Heerlen: CBS; 2009. Bron
    6. Stichting PRN. PRN Jaarboek 2013. Bijlage 1. Utrecht: Stichting Perinatale Registratie Nederland; 2014. Bron