Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Sterfte naar doodsoorzaakCijfers & ContextTrends

Cijfers & Context

Meeste mensen overlijden aan kanker

Regionaal & Internationaal

Sterfte aan kanker relatief hoog in Nederland

Kosten

Preventie & Zorg

Trend absolute sterfte aan nieuwvormingen en hart- en vaatziekten

Sterfte aan nieuwvormingen en hart- en vaatziekten 1950-2019

JaarNieuwvormingen mannenNieuwvormingen vrouwenHVZ mannenHVZ vrouwen
19507.7357.57613.70014.707
19517.9587.84014.25714.883
19528.2047.94214.76915.219
19538.4637.99115.74416.163
19548.8218.24916.65916.678
19558.9758.12617.71217.264
19569.2718.43618.80018.562
19579.5258.41918.20517.586
19589.9708.73618.95118.098
195910.3408.75419.07717.801
196010.8399.14319.59418.276
196111.3899.18920.58018.863
196211.6999.37422.78919.853
196312.2909.75123.00320.032
196412.82010.14822.53819.155
196513.02810.31023.87120.442
196613.47410.73223.85320.379
196713.87110.97124.26119.861
196814.75811.18525.35320.986
196914.68711.34325.74721.984
197014.88811.37927.09522.622
197115.32211.40426.75122.636
197215.69411.67928.34723.917
197316.30811.95626.83222.869
197416.50712.05426.56522.864
197517.08812.34627.63823.201
197617.27912.04928.26023.538
197716.96412.14526.77822.980
197817.79112.54827.65024.010
197917.82012.93027.82223.667
198018.44612.73227.44323.803
198118.66313.41427.80424.392
198218.86713.36527.89424.854
198318.91213.57427.77624.640
198419.32013.87927.84725.459
198519.34214.29028.43825.944
198619.87614.44427.53925.682
198720.31515.16726.24324.602
198820.51015.31926.14425.409
198920.42715.61826.17425.563
199020.18615.62925.88725.733
199120.50915.95825.75526.124
199220.87416.12825.17826.392
199320.89416.46526.60627.711
199420.72316.59525.30526.375
199520.80716.53225.51926.579
199621.24417.02725.20826.105
199720.91417.17324.31125.450
199821.07717.28424.31325.513
199921.41917.71023.99725.597
200021.17217.63323.63825.553
200121.26317.75022.80324.840
200221.47318.20422.96625.026
200321.61418.25322.63424.308
200421.76518.53521.35723.281
200521.72018.65320.77322.577
200621.75618.80719.85021.870
200722.17418.72019.33321.516
200822.39719.47718.76921.360
200923.00119.39518.31820.579
201023.68419.83218.27520.734
201123.47920.55917.88120.251
201224.15720.50418.02720.344
201323.80420.40918.03620.456
201424.08020.72817.66320.199
201524.69221.09818.56720.812
201625.35021.62618.14820.499
201725.31121.24518.09720.056
201825.27721.38018.27019.525
201925.23321.63118.20819.225

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS Statline in juli 2020)

  • Cijfers over 2019 zijn voorlopig
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn minder goed vergelijkbaar met eerdere jaren, omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie Verantwoording)

Absolute sterfte nieuwvormingen continu gestegen

De absolute sterfte aan nieuwvormingen is in de periode 1950-2016 bijna continu gestegen, maar vanaf 2016 lijkt de sterfte niet verder te stijgen. Het betreft hier de sterfte aan zowel goedaardige nieuwvormingen als kwaadaardige nieuwvormingen (kanker). Sinds 2007 is de absolute sterfte aan nieuwvormingen groter dan aan hart- en vaatziekten. Het aandeel van nieuwvormingen aan de totale sterfte was 20% in 1950 en in 2019 was dit 31%.

Absolute sterfte hart- en vaatziekten na een stijging weer gedaald

De absolute sterfte aan hart- en vaatziekten is in de periode 1950 tot begin jaren negentig gestegen en is daarna gedaald. Vooral de daling in de periode 2002-2011 is groot. In de daarop volgende periode 2011-2019 is de sterfte aan hart- en vaatziekten vrijwel gelijk gebleven. Het aandeel van hart- en vaatziekten aan de totale absolute sterfte was 38% in 1950 en in 2019 was dit 25%. In de periode 1954-1990 was het aandeel van hart- en vaatziekten aan de totale sterfte het grootst: tussen de 40 en 46%.

Nieuwvormingen en hart- en vaatziekten belangrijkste doodsoorzaken

In 2019 waren nieuwvormingen en hart -en vaatziekten samen verantwoordelijk voor 56% van de totale absolute sterfte. In 1979 was dit aandeel het grootst, namelijk 73%.

Trends absolute sterfte voor belangrijk deel verklaard door demografische ontwikkelingen

De belangrijkste verklaring voor de trends in absolute sterfte in Nederland ligt in vergrijzing en toename van de bevolking in de periode 1950-2019. Voor het analyseren van de invloed van andere factoren op de trends in sterfte is het van belang om te corrigeren voor verschillen in omvang en leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardiseren).

Meer informatie

Datum publicatie

23-09-2020

Trend gestandaardiseerde sterfte aan nieuwvormingen en hart- en vaatziekten

Sterfte aan nieuwvormingen en hart- en vaatziekten 1950-2019

jaarNieuwvormingen mannenNieuwvormingen vrouwenHVZ mannenHVZ vrouwen
1950316,2314,1659,6805,1
1951314,9313,4665,6792,6
1952315,5310,5663,1788,5
1953319,0304,6689,3811,8
1954324,3308,9705,2812,6
1955323,7296,7734,1822,8
1956325,8300,4760,3865,7
1957328,2295,6719,8800,4
1958336,2296,0729,8795,8
1959340,6289,0713,5762,2
1960349,2298,0712,7756,2
1961361,2290,7726,5759,3
1962363,3290,3787,9776,8
1963377,6295,7779,5758,3
1964388,7301,5744,3702,0
1965390,0298,3773726,7
1966396,3305,6759,2700,4
1967401,7305,6754,0661,0
1968420,2303,6779,6677,7
1969412,9300,0775,6685,6
1970413,5293,2801,3683,8
1971421,9288,0782,6668,0
1972428,9290,2819,0686,9
1973440,4289,5767,9636,1
1974441,6287,7749,1617,1
1975452,6288,1769,5608,0
1976454,0274,4778,6598,7
1977439,2270,2725,2564,6
1978455,4272,6738,8572,8
1979451,0274,0731,9546,8
1980462,0265,5710,9533,0
1981462,1274,0712,6530,7
1982462,0268,2708,2527,4
1983460,8267,6698,9510,2
1984464,4268,7692,5513,5
1985458,5271,6697,5510,3
1986466,0269,5664,5494,1
1987469,1278,3626,1462,5
1988466,6275,7613,6466,3
1989457,6276,1605,5459,3
1990446,4271,8591,0454,3
1991446,5273,0580,2454,1
1992446,8271,6558,8451,3
1993440,1273,3584,2468,5
1994430,7272,0548,5441,6
1995425,6267,3543,7437,7
1996426,9271,2525,6422,0
1997412,9269,9497,1404,5
1998407,7268,1487,4399,0
1999407,3271,2473,0394,2
2000395,6267,456,8388,8
2001390,2266,0434,2373,7
2002387,2269,9428,5372,7
2003382,4268,0413,1358,4
2004375,7268,6383,0339,2
2005368,7266,4363,0324,3
2006359,9265,7338,2309,4
2007358,9260,6321,0300,1
2008352,5267,3303,3293,2
2009352,8262,1288,1278,3
2010354,2264,2279,6276,6
2011340,6269,0265,4265,7
2012339,1263,3259,1262,6
2013324,2257,4251,4260,0
2014318,4256,9238,6252,2
2015317,5257,0242,9255,3
2016317,8259,5230,6247,7
2017309,4251,1223,6238,8
2018301,2248,9218,9228,5
2019292,9247,8211,4220,2

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS Statline in juli 2020)

  • Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2019
  • Cijfers over 2019 zijn voorlopig
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn minder goed vergelijkbaar met eerdere jaren, omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie Verantwoording)

Gestandaardiseerde sterfte aan hart- en vaatziekten sterk gedaald

In de periode 1950-2019 daalde de gestandaardiseerde sterfte aan hart- en vaatziekten voor zowel mannen als voor vrouwen sterk (68% daling voor mannen en 73% voor vrouwen). Niet over de hele periode is er sprake van een daling. Aanvankelijk was er vooral bij mannen een lichte stijging te zien.

Gestandaardiseerde sterfte aan nieuwvormingen licht gedaald

De gestandaardiseerde sterfte aan nieuwvormingen voor mannen is in de periode 1950-2019 met 7% gedaald en voor vrouwen met 21%. Bij mannen nam de gestandaardiseerde sterfte aanvankelijk toe, om vanaf 1988 weer te dalen. De absolute sterfte aan nieuwvormingen is in de periode 1950-2019 juist gestegen.

Meer informatie

Datum publicatie

23-09-2020

Gestandaardiseerde trend afzonderlijke doodsoorzaken

Trends in de gestandaardiseerde sterfte naar doodsoorzaak over de periode 1980-2019

Ziekte/aandoening

Mannen

Vrouwen

Dementie (1996-2019)

Ruime verdubbeling. Stijging het grootst in de periode 1998-2002 en de periode 2014-2016.

Verdubbeling. Stijging het grootst in de periode 1998-2002 en  de periode 2014-2018.

Longkanker

Daling met 60%.

In de periode 1980-2011 bijna een verviervoudiging. Vanaf  2011 niet verder toegenomen.

Beroerte

Daling met ongeveer 70%.

Daling met ongeveer 65%.

Coronaire hartziekten

Daling met ongeveer 85%.

Daling met ongeveer 85%.

Hartfalen

Grillig verloop tot 1996, daarna licht gedaald.

Grillig verloop tot 1996, daarna licht gedaald.

COPD

Stijging tot en met 1989 met ruim 40%; vanaf 1998 ruim gehalveerd.

In de jaren tachtig en negentig ruime verdubbeling, daarna vrijwel constant.

Dikkedarmkanker

Daling met ongeveer 25%.

Daling met bijna 40%.

Accidentele val (1996-2019)

Vanaf 2000 met ongeveer 60% gestegen. Stijging het grootst vanaf 2011.

In de periode 1996-2010 vrijwel constant. In de periode 2010-2019 met ongeveer 75% gestegen.

Infecties van de
onderste luchtwegen

Stijging met ruim 60% in de jaren negentig. Vanaf 2000 daling tot het niveau van 1980. Vanaf 2013 licht dalend

Stijging met ongeveer 50% in de jaren negentig. Na 2000 daling tot onder het niveau van 1980. Vanaf 2013 vrijwel constant.

Borstkanker

 

Aanvankelijk vrijwel constant, vanaf 1999 daling met bijna 40%.


Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS-StatLine in juli 2020), gegevens bewerkt door het RIVM

  • De tabel presenteert de gestandaardiseerde trend voor de tien ziekten met in 2019 het grootste aantal sterfgevallen. De ordening in de tabel is op basis van de totale sterfte in 2019.
  • Vooral voor dementie en infecties van de onderste luchtwegen zijn de sterftecijfers na 2012 niet goed vergelijkbaar met eerdere jaren, omdat het CBS in 2013 is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie tekst en Verantwoording).

Sterfte aan coronaire hartziekten en beroerte sterk gedaald

Coronaire hartziekten en beroerte laten over de periode 1980-2019 een sterke daling zien in de gestandaardiseerde sterfte, zowel voor mannen als vrouwen. Voor longkanker is de gestandaardiseerde sterfte voor mannen met 60% afgenomen, terwijl bij vrouwen de sterfte juist sterk is gestegen (bijna verviervoudigd), met name in de periode 1980-2011. De trend in de sterfte aan longkanker staat in verband met het rookgedrag in het verleden: in de periode 1960-1990 zijn minder mannen gaan roken en meer vrouwen. De toename in de sterfte aan dementie in de periode 1998-2002 is waarschijnlijk deels toe te schrijven aan veranderde codeerregels bij het CBS. Aangenomen wordt dat de afname in sterfte aan borstkanker voor een aanzienlijk deel is toe te schrijven aan de invoering van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker.

Trend beïnvloed door gewijzigde codering doodsoorzaak 

In 2013 is het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen. De invoer van automatisch coderen ging gepaard met de invoer van een ICD-10-update. De update heeft geleid tot een afname van de sterfte aan infecties van de onderste luchtwegen en een toename van de sterfte aan dementie als onderliggende doodsoorzaak. Daarom moet bij deze ziekten enige voorzichtigheid betracht worden bij de trend in de sterfte na 2012. Voor de overige ziekten in de tabel is de invloed klein.

Meer informatie

 

Datum publicatie

23-09-2020

Verantwoording

Bronverantwoording
  • Sterftecijfers: CBS Doodsoorzakenstatistiek

    De sterftecijfers zijn afkomstig van de CBS Doodsoorzakenstatistiek.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
Methoden
  • Berekening totale sterfte en sterfte naar doodsoorzaak per regio

    Voor de berekening van de sterftecijfers op gemeente en GGD-regio niveau is gebruik gemaakt van de CBS Doodsoorzakenstatistiek. In deze statistiek zijn alle overleden inwoners van Nederland opgenomen, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en doodsoorzaak. De bevolking is vervolgens ingedeeld in tien leeftijdsklassen (0-jarigen, 1-24, 25-44, 45-54, 55-64, 65-69, 70-74, 75-79, 80-85-jarigen en 85-plussers). De analyse is gebaseerd op de gegevens van vier achtereenvolgende jaren (2013 t/m 2016).

    Standaardisering

    Door verschillen in bevolkingsopbouw tussen regio's zijn de ruwe gegevens moeilijk te vergelijken. Daarom is een directe standaardisatie uitgevoerd door de sterfte per regio, leeftijd en geslacht te wegen met het aandeel van deze leeftijds- en geslachtscategorie in de totale Nederlandse bevolking op 1-1-2000. Door gebruik te maken van deze vaste standaardpopulatie wordt het bovendien mogelijk om in de toekomst betrouwbare uitspraken te doen over de ontwikkeling van (doodsoorzaakspecifieke) sterfte, onafhankelijk van veranderingen in de bevolkingssamenstelling. Bij geslachtsspecifieke sterfte (borstkanker en prostaatkanker) is alleen gerekend met de totale bevolking van het betreffende geslacht.

    De sterftecijfers worden op twee verschillende manieren in kaart gebracht:

    1. CMF (Comparative Mortality Figure, directe standaardisatie); De kaart toont de verhouding tussen de sterfte in een bepaalde subpopulatie (gemeente of GGD-regio) en de sterfte in de totale populatie (Nederland) gecorrigeerd voor leeftijds- en geslachtsverschillen, gemiddeld over de vier onderzoeksjaren. Als de CMF 100 is, is de sterfte in de subpopulatie gelijk aan die van de standaardpopulatie. Een CMF van bijvoorbeeld 104 wijst erop dat de sterfte in een regio 4% hoger is dan in de standaardpopulatie.
    2. Significantie; Het verschil tussen de gemiddelde kans op een sterfgeval in heel Nederland en de regionale (gestandaardiseerde) kans op een sterfgeval is gedeeld door de verwachte standaardafwijking van het gestandaardiseerde aantal sterfgevallen. Als de regio meer dan 1,96 standaarddeviaties afwijkt van het Nederlands gemiddelde dan betekent dat de regio met 95% zekerheid afwijkt van het Nederlands gemiddelde. Een afwijking van meer dan 2,576 standaarddeviaties geeft een zekerheid van 99% dat de gevonden waarde voor de betreffende regio afwijkt van het Nederlands gemiddelde.
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

Andere websites over Sterfte naar doodsoorzaak