Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

StemmingsstoornissenCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Meer vrouwen dan mannen met stemmingsstoornis

Regionaal & Internationaal

Veel stemmingsstoornissen in Nederland

Kosten

Uitgaven aan zorg 1,1 miljard euro in 2017

Preventie & Zorg

Twee op de drie patiënten zoekt hulp

Risicofactoren depressieve stoornis

Zowel genen als omgeving belangrijk in ontstaan depressieve stoornis

Stemmingsstoornissen lijken zich te ontwikkelen door een complexe wisselwerking tussen genetische factoren en omgevingsinvloeden (Costello et al., 2002; Kupfer et al., 2012; Nugent et al., 2011). Over de risicofactoren die een rol spelen bij de depressieve stoornis, is het meeste bekend. Er zijn veel factoren die de kans op een depressie lijken te verhogen. Vooral negatieve levensgebeurtenissen spelen een rol in het ontstaan van de depressieve stoornis. Er is een gedeeltelijke overlap in risicofactoren tussen de depressieve stoornis en de mildere, chronische variant, dysthymie. 

Voorgaande depressies verhogen de kans op toekomstige depressies

Een belangrijke risicofactor voor het onwikkelen van de depressieve stoornis, is het eerder hebben gehad van een depressie. Een meerderheid van de mensen die een depressieve stoornis had, ontwikkelt ooit in het leven opnieuw een depressie (Bockting et al., 2015; Nuijen et al., In Press). Hoe meer depressies iemand gehad heeft, hoe hoger het risico op een volgende depressie (terugval). In Nederlandse huisartsenpraktijken ontwikkelt ongeveer de helft van de mensen die minstens twee depressies heeft gehad, binnen een jaar weer een depressie (Biesheuvel-Leliefeld et al., 2017). Binnen twee jaar heeft 60-65% weer een depressie (Bockting et al., 2005). Volwassenen die het afgelopen jaar een terugkerende depressieve stoornis hadden, hadden tot dan toe gemiddeld zeven tot acht eerdere depressies gehad (Nuijen et al., In Press; Biesheuvel-Leliefeld et al., 2015). 

Meer informatie

Risicofactoren die de kans op de depressieve stoornis verhogen

Risicofactoren

Toelichting

Bron

Genen

  • Bijdrage genetische factoren ongeveer 40%
  • Eerstegraads familieleden van iemand met een depressieve stoornis twee tot vier keer hogere kans op depressie

Sullivan et al., 2000; López-León et al., 2008; Belmaker & Agam, 2008; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Nuijen et al., In Press

Stressvolle gebeurtenissen

  • Dagelijkse irritaties; vooral wanneer deze optreden naast ingrijpende gebeurtenissen
  • Ingrijpende gebeurtenissen zoals sociaal verlies of overlijden van een dierbare

Griffiths et al., 2000; Nuijen et al., In Press; de Graaf et al., 2012; Vinkers et al., 2014; Levinson, 2006

Lichamelijke ziekten

  • Bijvoorbeeld hart- en vaatziekten, diabetes en bijnierschorsafwijkingen

Nuijen et al., In Press; Rotella & Mannucci, 2013; Patten et al., 2008; Vreeburg et al., 2009

Sociaal-economische status

  • Een lage sociaaleconomische status (bijvoorbeeld een lage opleiding of laag inkomen) verhoogt risico op langdurige depressie

Lorant, 2003; Nuijen et al., In Press; de Graaf et al., 2010

Persoonlijkheid

  • Neuroticisme
  • Lage zelfwaardering
  • Introversie
  • Prikkelbaar
  • Neiging ervaringen op negatieve wijze te interpreteren

Nuijen et al., In Press; de Graaf et al., 2002; Levinson, 2006

Negatieve ervaringen in de jeugd

  • Verlies van ouder
  • Emotionele verwaarlozing
  • Mishandeling
  • Risico vooral verhoogd bij meerdere ervaringen van uiteenlopende aard

Nuijen et al., In Press; Nanni et al., 2012; Levinson, 2006; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014

Psychiatrische (familie)geschiedenis

  • Vrijwel alle voorgaande psychische stoornissen verhogen de kans op depressiviteit
  • Ook een psychiatrische geschiedenis van de ouders verhoogt het risico op depressie

Nuijen et al., In Press; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; de Graaf et al., 2002; Griffiths et al., 2000

Ongezonde leefstijl

  • Roken
  • Drinken
  • Weinig bewegen
  • Ongezond eten

Nuijen et al., In Press; Vermeulen et al., 2015; Monshouwer et al., 2017

Ongunstige werkomstandigheden

  • Beperkte autonomie
  • Hoge psychologische taakeisen
  • Baanonzekerheid
  • Beperkte steun van collega’s

Nuijen et al., In Press; ten Have et al., 2015

Vrouwelijk geslacht

  • Vrouwen hebben bijna twee keer zoveel kans op het ooit ontwikkelen van een depressieve stoornis in vergelijking met mannen

de Graaf et al., 2010; Nuijen et al., In Press; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014

Biologische ontregelingen
  • Wisselingen in hormonen of neurotransmitters zijn geassocieerd met depressie
  • Depressie kan bijvoorbeeld optreden omtrent de zwangerschap, menstruatie, gedurende de winter of als gevolg van een middel
Kronfol, 2002; Golden et al., 2005; Grote et al., 2010; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Costello E.J, Pine DS, Hammen C, March JS, Plotsky PM, Weissman MM, et al. Development and natural history of mood disorders. Biological Psychiatry. 2002;52(6):529-542. Bron | DOI
  2. Kupfer DJ, Frank E, Phillips ML. Major depressive disorder: new clinical, neurobiological, and treatment perspectives. The Lancet. 2012;379(9820):1045-1055. Bron | DOI
  3. Nugent NR, Tyrka AR, Carpenter LL, Price LH. Gene–environment interactions: early life stress and risk for depressive and anxiety disorders. Psychopharmacology. 2011;214(11Suppl 33):175-196. Bron | DOI
  4. Bockting CLH, N. Smid H, Koeter MWJ, Spinhoven P, Beck AT, Schene AH. Enduring effects of Preventive Cognitive Therapy in adults remitted from recurrent depression: A 10 year follow-up of a randomized controlled trial. Journal of Affective Disorders. 2015;185:188-194. Bron | DOI
  5. Nuijen J, van Bon-Martens M, de Graaf R, ten Have M, van der Poel A, de Beurs D, et al. Depressie: epidemiologie, preventie en zorg. Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. Utrecht: Trimbos-instituut ; In Press. GoogleScholar
  6. Biesheuvel-Leliefeld KEM, Dijkstra-Kersten SMA, van Schaik DJF, van Marwijk HWJ, Smit F, van der Horst HE, et al. Effectiveness of Supported Self-Help in Recurrent Depression: A Randomized Controlled Trial in Primary Care. Psychotherapy and Psychosomatics. 2017;86(4):220-230. Bron | DOI
  7. Bockting CLH, Schene AH, Spinhoven P, Koeter MWJ, Wouters LF, Huyser J, et al. Preventing Relapse/Recurrence in Recurrent Depression With Cognitive Therapy: A Randomized Controlled Trial. Journal of Consulting and Clinical Psychology. 2005;73(4):647-657. Bron | DOI
  8. Biesheuvel-Leliefeld KEM, Kok GD, Bockting CLH, Cuijpers P, Hollon SD, van Marwijk HWJ, et al. Effectiveness of psychological interventions in preventing recurrence of depressive disorder: Meta-analysis and meta-regression. Journal of Affective Disorders. 2015;174:400-410. Bron | DOI
  9. Sullivan PF, Neale MC, Kendler KS. Genetic Epidemiology of Major Depression: Review and Meta-Analysis. American Journal of Psychiatry. 2000;157(10):1552-1562. Bron | DOI
  10. López-León S, Janssens ACJW, González-Zuloeta Ladd AM, Del-Favero J, Claes SJ, Oostra BA, et al. Meta-analyses of genetic studies on major depressive disorder. Molecular Psychiatry. 2008;13(8):772-785. Bron
  11. Belmaker R.H., Agam G. Major Depressive Disorder. New England Journal of Medicine. 2008;358(1):55-68. Bron | DOI
  12. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  13. Griffiths J, Ravindran AV, Merali Z, Anisman H. Dysthymia: a review of pharmacological and behavioral factors. Molecular Psychiatry. 2000;5(3):242-261. Bron | DOI
  14. de Graaf R, ten Have MM, Tuithof M, van Dorsselaer S. Incidentie van psychische aandoeningen. Opzet en eerste resultaten van de tweede meting van de studie NEMESIS-2. Utrecht: Trimbos-instituut; 2012. Bron
  15. Vinkers CH, Joëls M, Milaneschi Y, Kahn RS, Penninx BWJH, Boks MPM. Stress exposure across the life span cumulatively increases depression risk and is moderated by neuroticism. Depression and Anxiety. 2014;31(9):737-745. Bron
  16. Levinson DF. The Genetics of Depression: A Review. Biological Psychiatry. 2006;60(2):84-92. Bron | DOI
  17. Rotella F., Mannucci E. Diabetes mellitus as a risk factor for depression. A meta-analysis of longitudinal studies. Diabetes Research and Clinical Practice. 2013;99(2):98-104. Bron | DOI
  18. Patten SB, Williams JVA, Lavorato DH, Modgill G, Jetté N, Eliasziw M. Major depression as a risk factor for chronic disease incidence: longitudinal analyses in a general population cohort. General Hospital Psychiatry. 2008;30(5):407-413. Bron | DOI
  19. Vreeburg SA, Hoogendijk WJG, van Pelt J, de Rijk RH, Verhagen JCM, van Dyck R, et al. Major Depressive Disorder and Hypothalamic-Pituitary-Adrenal Axis Activity. Archives of General Psychiatry. 2009;66(6):617. Bron | DOI
  20. Lorant V. Socioeconomic Inequalities in Depression: A Meta-Analysis. American Journal of Epidemiology. 2003;157(2):98-112. Bron | DOI
  21. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  22. de Graaf R, Bijl RV, Ravelli ACJ, Smit F, Vollebergh WWAM. Predictors of first incidence of DSM-III-R psychiatric disorders in the general population: findings from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study. Acta Psychiatrica Scandinavica. 2002;106(4):303-313. Bron | DOI
  23. Nanni V, Uher R, Danese A. Childhood Maltreatment Predicts Unfavorable Course of Illness and Treatment Outcome in Depression: A Meta-Analysis. American Journal of Psychiatry. 2012;169(2):141-151. Bron | DOI
  24. Vermeulen R, ten Have M, van Laar MW, de Graaf R. Clustering of health risk behaviours and the relationship with mental disorders. Journal of Affective Disorders. 2015;171:111-119. Bron | DOI
  25. Monshouwer K, Blankers M, van der Meer R, van Laar MW. Factsheet roken en depressie. Utrecht: Trimbos-instituut; 2017. Bron
  26. ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. The association between type and number of adverse working conditions and mental health during a time of economic crisis (2010–2012). Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology. 2015;50(6):899-907. Bron | DOI
  27. Kronfol Z. Immune dysregulation in major depression: a critical review of existing evidence. The International Journal of Neuropsychopharmacology. 2002;5(4):333-343. Bron | DOI
  28. Golden RN, Gaynes BN, R. Ekstrom D, Hamer RM, Jacobsen FM, Suppes T, et al. The Efficacy of Light Therapy in the Treatment of Mood Disorders: A Review and Meta-Analysis of the Evidence. American Journal of Psychiatry. 2005;162(4):656-662. Bron | DOI
  29. Grote NK, Bridge JA, Gavin AR, Melville JL, Iyengar S, Katon WJ. A Meta-analysis of Depression During Pregnancy and the Risk of Preterm Birth, Low Birth Weight, and Intrauterine Growth Restriction. Archives of General Psychiatry. 2010;67(10):1012. Bron | DOI

Risicofactoren dysthymie

Risicofactoren die de kans op dysthymie verhogen

Risicofactoren

Toelichting

Bron

Genen

  • Familieleden van iemand met depressie of dysthymie hebben meer risico op het ontwikkelen van beide stoornissen. Het risico neemt toe naarmate familieleden nauwer verwant zijn

American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Griffiths et al., 2000; Riso et al., 2002

Persoonlijkheid

Riso et al., 2002; Klein & Santiago, 2003

Negatieve ervaringen in de jeugd

  • Verlies van ouder
  • Scheiding
  • Emotionele verwaarlozing

Riso et al., 2002; Horwitz et al., 2001; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Spinhoven et al., 2010

Psychiatrische geschiedenis

  • Voorgaande angststoornissen

American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Hayden & Klein, 2001

Stressvolle gebeurtenissen

  • Dagelijkse irritaties; vooral wanneer deze optreden naast ingrijpende gebeurtenissen
  • Ingrijpende gebeurtenissen

Tennant, 2002; Griffiths et al., 2000; Riso et al., 2002

Vrouwelijk geslacht

  • Vrouwen hebben een minstens twee keer zo hoge kans op het ontwikkelen van dysthymie in vergelijking met mannen

de Graaf et al., 2010; Griffiths et al., 2000

Zowel genen als omgeving belangrijk in ontstaan dysthymie 

Stemmingsstoornissen lijken zich te ontwikkelen door een complexe wisselwerking tussen genetische factoren en omgevingsinvloeden (Costello et al., 2002Kupfer et al., 2012; Nugent et al., 2011). Er is een gedeeltelijke overlap in risicofactoren tussen de depressieve stoornis en de mildere, chronische variant, dysthymie. 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Costello E.J, Pine DS, Hammen C, March JS, Plotsky PM, Weissman MM, et al. Development and natural history of mood disorders. Biological Psychiatry. 2002;52(6):529-542. Bron | DOI
  2. Kupfer DJ, Frank E, Phillips ML. Major depressive disorder: new clinical, neurobiological, and treatment perspectives. The Lancet. 2012;379(9820):1045-1055. Bron | DOI
  3. Nugent NR, Tyrka AR, Carpenter LL, Price LH. Gene–environment interactions: early life stress and risk for depressive and anxiety disorders. Psychopharmacology. 2011;214(11Suppl 33):175-196. Bron | DOI
  4. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  5. Griffiths J, Ravindran AV, Merali Z, Anisman H. Dysthymia: a review of pharmacological and behavioral factors. Molecular Psychiatry. 2000;5(3):242-261. Bron | DOI
  6. Riso LP, Miyatake RK, Thase ME. The search for determinants of chronic depression: a review of six factors. Journal of Affective Disorders. 2002;70(2):103-115. Bron | DOI
  7. Klein DN, Santiago NJ. Dysthymia and chronic depression: Introduction, classification, risk factors, and course. Journal of Clinical Psychology. 2003;59(8):807-816. Bron
  8. Horwitz AV, Widom CS, McLaughlin J, White HR. The impact of childhood abuse and neglect on adult mental health: a prospective study. J Health Soc Behav. 2001;42(2):184-201. Bron | Pubmed
  9. Spinhoven P, Elzinga BM, Hovens JGFM, Roelofs K, Zitman FG, van Oppen P, et al. The specificity of childhood adversities and negative life events across the life span to anxiety and depressive disorders. Journal of Affective Disorders. 2010;126(1-2):103-112. Bron | DOI
  10. Hayden EP, Klein DN. Outcome of Dysthymic Disorder at 5-Year Follow-Up: The Effect of Familial Psychopathology, Early Adversity, Personality, Comorbidity, and Chronic Stress. American Journal of Psychiatry. 2001;158(11):1864-1870. Bron | DOI
  11. Tennant C. Life Events, Stress and Depression: A Review of Recent Findings. Australian & New Zealand Journal of Psychiatry. 2002;36(2):173-182. Bron | DOI
  12. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron

Risicofactoren bipolaire stoornis

Risicofactoren die de kans op een bipolaire stoornis verhogen

Risicofactoren

Toelichting

Bron

Genen

  • Volwassen familieleden van mensen met een bipolaire stoornis hebben een tien keer zo hoge kans zelf een bipolaire stoornis te ontwikkelen. Het risico neemt toe naarmate familieleden nauwer verwant zijn
  • Schizofrenie en bipolaire stemmingsstoornissen hebben mogelijk een gedeelde genetische oorsprong

American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Pearlson, 2015; Purcell et al., 2009; Grande et al., 2016

Ingrijpende levensgebeurtenissen

  • Positieve ingrijpende levenservaringen (bijvoorbeeld het bereiken van een belangrijk doel) kunnen een risico zijn voor manie
  • Negatieve ingrijpende levenservaringen (bijvoorbeeld verlies van een dierbare) kunnen een risico zijn voor depressie of manie

Koenders et al., 2014; Johnson et al., 2008; Alloy et al., 2009; Alloy et al., 2005

Persoonlijkheid

  • Overgevoeligheid voor beloning
  • Excessief sterke drijfveer om gedrag uit te voeren waarmee doelen bereikt worden
  • Cognitieve stijl van perfectionisme, zelfkritiek en autonomie
  • Neuroticisme

Alloy et al., 2009; Urošević et al., 2008; Quilty et al., 2009; Kupka & de Been, 2006; Kotov et al., 2010

Zowel genen als omgeving belangrijk in ontstaan bipolaire stoornis 

Stemmingsstoornissen lijken zich te ontwikkelen door een complexe wisselwerking tussen genetische factoren en omgevingsinvloeden (Costello et al., 2002Kupfer et al., 2012; Nugent et al., 2011). De risicofactoren voor het ontwikkelen van een bipolaire stoornis zijn in vergelijking met de depressieve stoornis en dysthymie het minst onderzocht.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Costello E.J, Pine DS, Hammen C, March JS, Plotsky PM, Weissman MM, et al. Development and natural history of mood disorders. Biological Psychiatry. 2002;52(6):529-542. Bron | DOI
  2. Kupfer DJ, Frank E, Phillips ML. Major depressive disorder: new clinical, neurobiological, and treatment perspectives. The Lancet. 2012;379(9820):1045-1055. Bron | DOI
  3. Nugent NR, Tyrka AR, Carpenter LL, Price LH. Gene–environment interactions: early life stress and risk for depressive and anxiety disorders. Psychopharmacology. 2011;214(11Suppl 33):175-196. Bron | DOI
  4. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  5. Pearlson GD. Etiologic, Phenomenologic, and Endophenotypic Overlap of Schizophrenia and Bipolar Disorder. Annual Review of Clinical Psychology. 2015;11(1):251-281. Bron | DOI
  6. Purcell SM, Wray NR, Stone JL, Visscher PM, O'Donovan MC, Sullivan PF, et al. Common polygenic variation contributes to risk of schizophrenia and bipolar disorder. Nature. 2009;460. Bron | DOI
  7. Grande I, Berk M, Birmaher B, Vieta E. Bipolar disorder. The Lancet. 2016;387(10027):1561-1572. Bron | DOI
  8. Koenders MA, Giltay EJ, Spijker AT, Hoencamp E, Spinhoven P, Elzinga BM. Stressful life events in bipolar I and II disorder: Cause or consequence of mood symptoms? Journal of Affective Disorders. 2014;161:55-64. Bron | DOI
  9. Johnson SL, Cueller AK, Ruggero C, Winett-Perlman C, Goodnick P, White R, et al. Life events as predictors of mania and depression in bipolar I disorder. Journal of Abnormal Psychology. 2008;117(2):268-277. Bron
  10. Alloy LB, Abramson LY, Urosevic S, Bender RE, Wagner CA. Longitudinal Predictors of Bipolar Spectrum Disorders: A Behavioral Approach System Perspective. Clinical Psychology: Science and Practice. 2009;16(22):206-226. Bron
  11. Alloy LB, Abramson LY, Urosevic S, Walsh PN, Nusslock R, Neeren AM. The psychosocial context of bipolar disorder: Environmental, cognitive, and developmental risk factors. Clinical Psychology Review. 2005;25(8):1043-1075. Bron | DOI
  12. Urošević S, Abramson LY, Harmon-Jones E, Alloy LB. Dysregulation of the behavioral approach system (BAS) in bipolar spectrum disorders: Review of theory and evidence. Clinical Psychology Review. 2008;28(7):1188-1205. Bron | DOI
  13. Quilty LC, Sellbom M, Tackett JL, Bagby RM. Personality trait predictors of bipolar disorder symptoms. Psychiatry Research. 2009;169(2):159-163. Bron | DOI
  14. Kupka RW, de Been D. Psychologie en psychotherapie van de bipolaire stoornis. Tijdschrift voor Psychiatrie. 2006;48(12). Bron
  15. Kotov R, Gamez W, Schmidt F, Watson D. Linking “big” personality traits to anxiety, depressive, and substance use disorders: A meta-analysis. Psychological Bulletin. 2010;136(5):768-821. Bron | DOI

Gevolgen van stemmingsstoornissen voor het functioneren

Stemmingsstoornissen veroorzaken problemen in sociaal en beroepsmatig functioneren 

Mensen met stemmingsstoornissen ondervinden op diverse gebieden beperkingen als gevolg van hun stoornis. Zo kunnen stemmingsstoornissen sociale en emotionele problemen veroorzaken, waardoor bijvoorbeeld vriendschappen minder hecht zijn en instabiliteit kan ontstaan in relaties (Kupferberg et al., 2016; Alloy et al., 2009; Simon, 2003). Mensen met een stemmingsstoornis kunnen problemen ervaren in het beroepsmatig functioneren. Zo heeft 50% van de mensen met een bipolaire stoornis geen vaste baan. Op het werk kunnen moeite met het verrichten van de werkzaamheden, interpersoonlijke relaties en stigma problemen veroorzaken. Ook is er vaker sprake van werkverzuim. Van het totaal aantal verzuimdagen van alle werkenden samen kan 8% worden verklaard door de depressieve stoornis (Sanchez-Moreno et al., 2009; Morselli et al., 2004; Michalak et al., 2007; Dean et al., 2004; Nuijen et al., In Press). Het meest ernstige gevolg dat kan optreden bij stemmingsstoornissen, depressie in het bijzonder, is de verhoogde kans op suïcide(pogingen).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Kupferberg A, Bicks L, Hasler G. Social functioning in major depressive disorder. Neuroscience & Biobehavioral Reviews. 2016;69:313-332. Bron | DOI
  2. Alloy LB, Abramson LY, Urosevic S, Bender RE, Wagner CA. Longitudinal Predictors of Bipolar Spectrum Disorders: A Behavioral Approach System Perspective. Clinical Psychology: Science and Practice. 2009;16(22):206-226. Bron
  3. Simon GE. Social and economic burden of mood disorders. Biological Psychiatry. 2003;54(3):208-215. Bron | DOI
  4. Sanchez-Moreno J., Martinez-Aran A., Tabarés-Seisdedos R, Torrent C., Vieta E., Ayuso-Mateos J.L. Functioning and Disability in Bipolar Disorder: An Extensive Review. Psychotherapy and Psychosomatics. 2009;78(5):285-297. Bron | DOI
  5. Morselli PL, Elgie R, Cesana BM. GAMIAN-Europe/BEAM survey II: cross-national analysis of unemployment, family history, treatment satisfaction and impact of the bipolar disorder on life style. Bipolar Disorders. 2004;6:487-497. Bron
  6. Michalak EE, Yatham LN, Maxwell V, Hale S, Lam RW. The impact of bipolar disorder upon work functioning: a qualitative analysis. Bipolar Disorders. 2007;9:126-143. Bron
  7. Dean BB, Gerner D, Gerner RH. A systematic review evaluating health-related quality of life, work impairment, and healthcare costs and utilization in bipolar disorder. Current Medical Research and Opinion. 2004;20(2):139-154. Bron | DOI
  8. Nuijen J, van Bon-Martens M, de Graaf R, ten Have M, van der Poel A, de Beurs D, et al. Depressie: epidemiologie, preventie en zorg. Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. Utrecht: Trimbos-instituut ; In Press. GoogleScholar

Kwaliteit van leven bij stemmingsstoornissen

Mensen met stemmingsstoornis hebben lagere kwaliteit van leven

Als gevolg van de verstoringen in functioneren die bij stemmingsstoornissen kunnen optreden, wordt vaak een lagere kwaliteit van leven ervaren. Zo kunnen mensen met een stemmingsstoornis minder seksuele behoeftes hebben en minder genieten van de vrijetijdsbesteding (Rapaport et al., 2005). Mensen met een stemmingsstoornis kunnen ook last hebben van cognitieve problemen en een verminderde vitaliteit (Griffiths et al., 2000). De problemen kunnen ook zwaar zijn voor familieleden van iemand met een stemmingsstoornis, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van financiële problemen, huwelijksproblemen of sociale isolatie (Blairy, 2004; Sanchez-Moreno et al., 2009). 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Rapaport M-H, Clary C, Fayyad R, Endicott J. Quality-of-Life Impairment in Depressive and Anxiety Disorders. American Journal of Psychiatry. 2005;162(6):1171-1178. Bron | DOI
  2. Griffiths J, Ravindran AV, Merali Z, Anisman H. Dysthymia: a review of pharmacological and behavioral factors. Molecular Psychiatry. 2000;5(3):242-261. Bron | DOI
  3. Blairy S. Social adjustment and self-esteem of bipolar patients: a multicentric study. Journal of Affective Disorders. 2004;79(1-3):97-103. Bron | DOI
  4. Sanchez-Moreno J., Martinez-Aran A., Tabarés-Seisdedos R, Torrent C., Vieta E., Ayuso-Mateos J.L. Functioning and Disability in Bipolar Disorder: An Extensive Review. Psychotherapy and Psychosomatics. 2009;78(5):285-297. Bron | DOI

Comorbiditeit bij stemmingsstoornissen

Stemmingsstoornissen gaan vaak gepaard met andere psychische stoornissen

Veel van de mensen met een stemmingsstoornis, hebben daarnaast één of meerdere andere psychische aandoeningen. Vooral angst- en stemmingsproblemen treden vaak samen op. Zo heeft bijna de helft (48%) van de mensen met een depressieve stoornis, in hetzelfde jaar ook een angststoornis (Hofmann & Smits, 2008; Nuijen et al., In Press). Ook binnen de stemmingsstoornissen is vaak sprake van comorbiditeit. Van de mensen met dysthymie krijgt 80% ooit in het leven te maken met de depressieve stoornis. Wanneer iemand zowel dysthymie als de depressieve stoornis heeft, heet dat een ‘dubbele depressie’. Andere stoornissen die vaak optreden naast een stemmingsstoornis zijn persoonlijkheidsstoornissen en middelengerelateerde stoornissen (Griffiths et al., 2000; Fan & Hassell, 2008; Merikangas et al., 2007; Nuijen et al., In Press).  

Mensen met stemmingsstoornis hebben vaker lichamelijke aandoeningen en klachten 

Mensen met een stemmingsstoornis, de depressieve stoornis in het bijzonder, hebben vaker chronische lichamelijke aandoeningen of klachten dan mensen zonder stemmingsstoornis. Lichamelijke problemen die vaak optreden naast een depressie zijn diabetes, hoge bloeddruk, osteoporose en pijn (Himmerich et al., 2008; Bair et al., 2003; Nuijen et al., In Press; Penninx & van Dyck, 2010). In sommige gevallen verhogen lichamelijke aandoeningen de kans op de depressieve stoornis, bijvoorbeeld wanneer iemand hart- en vaatziekten of kanker heeft. Omgekeerd hebben mensen met een depressieve stoornis ook meer kans op het krijgen van lichamelijke aandoeningen zoals hart- en vaatziekten en diabetes. Veel van deze lichamelijke aandoeningen kunnen zowel een risicofactor als gevolg van de depressieve stoornis zijn. Wanneer er naast de depressieve stoornis sprake is van een lichamelijke aandoening, is de stoornis over het algemeen ernstiger en heeft deze een minder gunstig beloop (Nuijen et al., In Press).  

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Hofmann SG, Smits JAJ. Cognitive-behavioral therapy for adult anxiety disorders: a meta-analysis of randomized placebo-controlled trials. J Clin Psychiatry. 2008;69(4):621-32. Bron | Pubmed
  2. Nuijen J, van Bon-Martens M, de Graaf R, ten Have M, van der Poel A, de Beurs D, et al. Depressie: epidemiologie, preventie en zorg. Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. Utrecht: Trimbos-instituut ; In Press. GoogleScholar
  3. Griffiths J, Ravindran AV, Merali Z, Anisman H. Dysthymia: a review of pharmacological and behavioral factors. Molecular Psychiatry. 2000;5(3):242-261. Bron | DOI
  4. Fan AH, Hassell J. Bipolar disorder and comorbid personality psychopathology: a review of the literature. J Clin Psychiatry. 2008;69(11):1794-803. Pubmed
  5. Merikangas KR, Akiskal HS, Angst J, Greenberg PE, Hirschfeld RMA, Petukhova M, et al. Lifetime and 12-Month Prevalence of Bipolar Spectrum Disorder in the National Comorbidity Survey Replication. Archives of General Psychiatry. 2007;64(5):543. Bron | DOI
  6. Himmerich H, Fulda S, Linseisen J, Seiler H, Wolfram G, Himmerich S, et al. Depression, comorbidities and the TNF-α system. European Psychiatry. 2008;23(6):421-429. Bron | DOI
  7. Bair MJ, Robinson RL, Katon W, Kroenke K. Depression and Pain Comorbidity. Archives of Internal Medicine. 2003;163(20):2433. Bron | DOI
  8. Penninx BWJH, van Dyck R. Depressie en somatische comorbiditeit . Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154. Bron

Verantwoording

Definities
  • Definitie van stemmingsstoornissen

    Depressie en dysthymie meest voorkomende stemmingsstoornissen

    'Stemmingsstoornissen' is een verzamelnaam voor psychische aandoeningen waarbij de gemoedstoestand of emotie van de patiënt ziekelijk is verstoord of niet past bij de situatie waarin de patiënt verkeert. Depressie en dysthymie (tegenwoordig onderdeel van de categorie persisterende depressieve stoornis) zijn de meest voorkomende stemmingsstoornissen. Deze stemmingsstoornissen zijn nauw verwant en soms moeilijk te onderscheiden. Hun belangrijkste symptomen zijn een aanhoudende neerslachtige stemming en een verlies van interesse in bijna alle dagelijkse activiteiten. Daarnaast bestaan er andere stemmingsstoornissen zoals de bipolaire stoornis, de disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis, de premenstruele stemmingsstoornis, de depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie en de depressieve-stemmingsstoornis door een somatische aandoening.  Stemmingsstoornissen zijn in te delen in twee categorieën: depressieve-stemmingsstoornissen en bipolaire-stemmingsstoornissen. 

  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het vernieuwde handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 in gebruik genomen en is deze versie het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 werd gebruik gemaakt van de oudere versie, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. Dit geldt ook voor stemmingsstoornissen in Volksgezondheidenzorg.info (VZinfo). In VZinfo zijn de diagnoses van stemmingsstoornissen in de meeste gevallen nog gesteld op basis van de criteria van de DSM-IV. 
    Er zijn een aantal verschillen tussen de criteria van stemmingsstoornissen in de DSM-5 en die in de DSM-IV. Het belangrijkste verschil is dat met de DSM-IV, er geen depressieve stoornis kon worden vastgesteld bij iemand die depressieve symptomen ontwikkelde in reactie op het overlijden van een dierbare. In de DSM-5 is dit uitsluitingscriterium weggelaten, en is het aan de clinicus om te bepalen of de symptomen beter passen bij een te verwachten rouwpatroon, of een depressieve stoornis. 
    Andere veranderingen zijn de toevoeging van nieuwe classificaties (bijvoorbeeld de premenstruele stemmingsstoornis) en specificaties (bijvoorbeeld aanwezigheid van angst). Ook hebben de depressieve-stemmingsstoornissen en bipolaire-stemmingsstoornissen nu hun eigen hoofdstuk. Dystymie valt tegenwoordig in de categorie persisterende depressieve stoornis.
    Het stellen van diagnoses volgens de DSM-5 heeft mogelijk gevolgen voor nieuwe cijfers over het vóórkomen van stemmingsstoornissen in Nederland. 

  • Definitie van de depressieve stoornis

    Het huidige handboek voor psychische stoornissen (DSM-5; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014) stelt dat er sprake is van een depressieve stoornis wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m E) is voldaan:
               
    Criteria ter classificatie van de depressieve stoornis

    A Minstens vijf van de volgende symptomen zijn minstens twee weken aaneengesloten aanwezig geweest en wijken af van het eerdere functioneren; ze zijn gedurende het grootste deel van de dag en bijna elke dag aanwezig; minstens één van de symptomen is ofwel (1) een sombere stemming, ofwel (2) verlies van interesse of plezier:
      1. Sombere stemming
      2. Verlies van interesse of plezier in (bijna) alle activiteiten
      3. Significant gewichtsverlies zonder dieet, gewichtstoename, of duidelijk afgenomen of toegenomen eetlust
      4. Slaapproblemen
      5. Psychomotorische traagheid of juist opwinding
      6. Vermoeidheid of verlies van energie
      7. Gevoelens van waardeloosheid of extreme/onterechte schuld
      8. Verminderd denkvermogen, concentratie, of besluiteloosheid
      9. Preoccupatie met de dood, bijvoorbeeld suïcidegedachten
    B De symptomen veroorzaken sterk lijden of beperkingen in belangrijke gebieden van functioneren
    C De symptomen kunnen niet worden toegeschreven aan een middel of somatische aandoening
    D De symptomen kunnen niet verklaard worden door een psychotische stoornis
    E Er heeft zich nooit een manie of hypomanie voorgedaan

     

    Naast de genoemde criteria, dient te worden aangegeven of er sprake is van specificaties zoals de aanwezigheid van angst of psychotische kenmerken, de ernst en het beloop van de stoornis. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  • Definitie van dysthymie (persisterende depressieve stoornis)

    Het huidige handboek voor psychische stoornissen (DSM-5; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014) stelt dat er sprake is van persisterende depressieve stoornis (dysthymie) wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m H) is voldaan:

    Criteria ter classificatie van persisterende depressieve stoornis (dysthymie) 

    A Sombere stemming; gedurende twee jaar; dit is het grootste deel van de dag en meer dagen wel dan niet aanwezig
    B 1. Slechte eetlust of teveel eten 
      2. Slaapproblemen
      3. Weinig energie of vermoeidheid 
      4. Gering gevoel van eigenwaarde 
      5. Slechte concentratie of besluiteloosheid 
      6. Gevoelens van hopeloosheid
    C Gedurende de periode van twee jaar is er nooit een klachtenvrije periode van langer dan twee maanden
    D Depressieve stoornis kan aanwezig zijn
    E Er heeft zich nooit een manie of hypomanie voorgedaan 
    F De symptomen kunnen niet verklaard worden door een psychotische stoornis
    G De symptomen kunnen niet verklaard worden door een middel of somatische aandoening
    H De symptomen veroorzaken sterk lijden of beperkingen in belangrijke gebieden van functioneren

     

    Naast de genoemde criteria, dient te worden aangegeven of er sprake is van specificaties zoals de aanwezigheid van angst of psychotische kenmerken, de ernst en het beloop van de stoornis.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  • Definitie van bipolaire stoornissen

    Er zijn verschillende soorten bipolaire stoornissen: de bipolaire-I-stoornis, bipolaire-II-stoornis en de cyclothyme stoornis. Deze stoornissen  worden gekenmerkt door manie, hypomanie, depressie of een combinatie van deze. Bij de bipolaire-I-stoornis is sprake van manie (en eventueel depressie), bij de bipolaire-II-stoornis van hypomanie (en eventueel depressie) en bij de cyclothyme stoornis van milde vormen van depressie en hypomanie. 

    De criteria voor depressieve episodes in bipolaire stoornissen komen overeen met de genoemde criteria A t/m C van de depressieve stoornis. Het huidige handboek voor psychische stoornissen (DSM-5; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014) stelt dat er sprake is van een manische of hypomanische episode wanneer aan de volgende criteria is voldaan:

    Criteria ter classificatie van een manische episode

    A Duidelijk herkenbare periode met extreem verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming, en extreem verhoogde doelgerichte activiteit of energie; dit is gedurende minstens één week, bijna elke dag en het grootste deel van de dag aanwezig
    B Tijdens de periode van deze toegenomen energie of activiteit zijn minstens drie van de volgende kenmerken aanwezig:
      1. Opgeblazen gevoel van eigenwaarde, of grandiositeit
      2. Verminderde behoefte aan slaap
      3. Spraakzamer dan gebruikelijk of spreekdrang
      4. Gedachtevlucht of het ervaren van gejaagde gedachten
      5. Betrokkene is sneller afgeleid dan normaal
      6. Toename van doelgerichte activiteit (bijvoorbeeld op sociaal- beroepsmatig- of seksueel vlak)
      7. Excessief bezig zijn met activiteiten waarbij een grote kans bestaat op pijnlijke gevolgen (bijvoorbeeld onbezonnen koopzucht of zakelijke investeringen)
    C De symptomen veroorzaken verstoringen in belangrijke levensgebieden, vereisen opname in een ziekenhuis, of er zijn psychotische kenmerken
    D De episode kan niet worden verklaard door een middel of somatische aandoening

     

    Naast de genoemde criteria, dient te worden aangegeven of er sprake is van specificaties zoals de aanwezigheid van angst of psychotische kenmerken, de ernst en het beloop van de stoornis.

     

    Criteria ter classificatie van een hypomanische episode

    A Duidelijk herkenbare periode met extreem verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming, extreem verhoogde doelgerichte activiteit of energie; dit is gedurende minstens vier dagen, bijna elke dag en het grootste deel van de dag aanwezig
    B Tijdens de periode van deze toegenomen energie of activiteit zijn minstens drie van de volgende kenmerken aanwezig:
      1. Opgeblazen gevoel van eigenwaarde, of grandiositeit
      2. Verminderde slaapbehoefte
      3. Spraakzamer dan gebruikelijk of spreekdrang
      4. Gedachtevlucht of het ervaren van gejaagde gedachten
      5. Betrokkene is sneller afgeleid dan normaal
      6. Toename van doelgerichte activiteit (bijvoorbeeld op sociaal-, beroepsmatig- of seksueel vlak)
      7. Excessief bezig zijn met activiteiten waarbij een grote kans bestaat op pijnlijke gevolgen (bijvoorbeeld onbezonnen koopzucht of zakelijke investeringen)
    C De episode gaat gepaard met een duidelijke verandering in het functioneren die niet kenmerkend is voor de betrokkene
    D De verhoogde stemming en veranderingen in het functioneren kunnen door anderen worden waargenomen
    E De episode is niet ernstig genoeg om duidelijke beperkingen in functioneren te veroorzaken of opname in een ziekenhuis noodzakelijk te maken; als er psychotische kenmerken aanwezig zijn is er sprake van manie
    F De episode kan niet worden verklaard door een middel


    Naast de genoemde criteria, dient te worden aangegeven of er sprake is van specificaties zoals de aanwezigheid van angst, de ernst en het beloop van de stoornis.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
Bronverantwoording
  • Huisartsenregistratie van stemmingsstoornissen

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van stemmingsstoornissen (huidige situatie) zijn gegevens gebruikt van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. Voor de beschrijving van de trend in prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van stemmingsstoornissen is gebruikgemaakt van twee andere huisartsenregistraties: FaMe-net en RNH. Deze registraties registreren al vele jaren het voorkomen van ziekten in de huisartsenpraktijk. De registratie van FaMe-net gaat terug tot 1971, toen nog onder de naam CMR Nijmegen. De registratie van RNH-Limburg gaat terug tot 1987. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn heeft gegevens over een kortere periode en wordt daarom niet gebruikt voor de beschrijving van de trends.

    De in de huisartsenregistraties gebruikte ICPC-codes zijn P73 en P76. P73 staat voor 'affectieve psychose' en omvat de bipolaire-stemmingsstoornissen: manische episode, bipolaire affectieve stoornis en cyclothymie. P76 staat voor 'depressie' en omvat de volgende depressieve-stemmingsstoornissen: depressieve episode, recidiverende depressieve stoornis, dysthymie, overige gespecificeerde persisterende stemmingsstoornissen, persisterende stemmingsstoornis, andere stemmingsstoornissen, niet gespecificeerde stemmingsstoornis, gemengde angststoornis en depressieve stoornis en lichte psychische stoornissen en gedragsstoornissen in samenhang met puerperium, niet elders geclassificeerd. 

  • Bevolkingsonderzoek stemmingsstoornissen

    Gegevens over het vóórkomen van stemmingsstoornissen op bevolkingsniveau komen uit het NEMESIS-onderzoek onder 18- tot 65-jarigen (Bijl et al., 1997; Bijl et al., 1997; de Graaf et al., 2010). NEMESIS-1 was gebaseerd op een landelijke steekproef onder 7.076 personen bij wie in 1996 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI (Composite International Diagnostic Interview). Dezelfde respondenten zijn daarna nog tweemaal benaderd voor een follow-upmeting tussen 1997 en 1999.

    NEMESIS-2 is gebaseerd op een landelijke steekproef onder 6.646 personen bij wie tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI 3.0. Dezelfde respondenten zijn tussen 2010 en 2012 nogmaals benaderd voor follow-updeelname. De cijfers over het vóórkomen van stemmingsstoornissen zijn afkomstig uit de eerste meting; de cijfers over incidentie uit de tweede meting. Alle cijfers zijn vervolgens door het RIVM omgerekend naar het jaar 2011.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NEMESIS-2, Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Bijl RV, van Zessen G, Ravelli ACJ, de Rijk C, Langendoen Y. Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. I. Doelstellingen, opzet en methoden. Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:2448-52. Bron
    2. Bijl RV, van Zessen G, Ravelli ACJ. Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. II. Prevalentie van psychiatrische stoornissen. Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:2453-60. Bron
    3. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  • Sterfte door stemmingsstoornissen

    Sterfte met een stemmingsstoornis als primaire doodsoorzaak is vastgesteld op basis van gegevens uit de CBS Doodsoorzakenstatistiek.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
  • European Health Interview Survey (EHIS)

    Het European Health Interview Survey (EHIS) heeft als doel om op een geharmoniseerde manier en met een hoge mate van vergelijkbaarheid tussen EU-lidstaten de gezondheidsstatus en gezondheidsdeterminanten (inclusief milieu) te meten. Ook wordt het gebruik en toegang tot gezondheidszorg van de EU-burgers gemeten. De dekking van de enquête is de bevolking van 15 jaar of ouder die deel uitmaakt van particuliere huishoudens en woont op het grondgebied van het betreffende land.

    EHIS is ontwikkeld tussen 2003 en 2006. Het bestaat uit vier modules over gezondheidsstatus, gezondheidsdeterminanten, gezondheidszorg en achtergrondvariabelen. De eerste wave van EHIS (EHIS-ronde 2008) werd tussen 2006 en 2009 in 17 EU-lidstaten, en in Zwitserland en Turkije uitgevoerd. De tweede wave (EHIS ronde 2014) is tussen 2013 en 2015 uitgevoerd in alle EU-lidstaten, IJsland en Noorwegen.

    EHIS omvat de volgende onderwerpen:

    • Gezondheidsstatus
      Dit onderwerp bevat verschillende dimensies van gezondheidsstatus en beperkingen voor gezondheidsgerelateerde activiteiten 
    • Gezondheidszorg
      Dit onderwerp behandelt het gebruik van verschillende soorten geneesmiddelen en formele en informele gezondheids- en sociale zorgdiensten, die worden aangevuld met gegevens over gezondheidsgerelateerde uitgaven en beperkingen in toegang tot en voldoening aan gezondheidszorgdiensten
    • Gezondheidsdeterminanten
      Dit onderwerp bevat diverse individuele en milieu-gezondheidsdeterminanten. 
    • Achtergrondvariabelen op demografie en sociaal-economische status
      Alle indicatoren worden uitgedrukt in percentages van de bevolking en de statistieken worden verdeeld over leeftijd en geslacht en een andere dimensie, zoals het opleidingsniveau, de inkomstenkwintielgroep of de arbeidsstatus.

    Bron: EHIS metadata (Eurostat, 2016)

  • Kosten van depressie

    De kosten van depressie zijn afkomstig van de Kosten van Ziektenstudie. De ICD-9-codes voor depressie zijn 296, 300.4 en 311. De belangrijkste databronnen die gebruikt worden bij het toewijzen van kosten naar ziekte, leeftijd geslacht en zorgfunctie zijn te vinden in onderstaande tabel.

    Organisatie

    Bron

      Openbare gezondheidszorg en preventie

    CBS

    Bevolkingsstatistiek

    CBS

    Gezondheidsstatistisch bestand (GSB)

    CBS

    POLS / Gezondheidsenquête

    Erasmus MC, RIVM

    Kosten van Preventiestudie 2007

    NIVEL

    LINH

    NVI

    Jaarverslag

    RIVM

    Bevolkingsonderzoek borstkanker

    RIVM

    Bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker

     

    Geestelijke gezondheidszorg en maatschappelijke opvang

    DIS

    DBC-ggz

    VEKTIS

    DGZ, BASIC

     

    Ambulancezorg en vervoer

    RIVM

    Steekproef in 2003 van Regionale Ambulance Voorzieningen

     

    Ziekenhuiszorg en medisch specialistische zorg

    CBS

    Gezondheidsstatistisch bestand (GSB)

    DIS

    DBC- medisch specialistische zorg

    NZa

    NZa-datawarehouse

    VEKTIS

    BASIC, Infomatiesysteem Ziekenhuiszorg

     

    Overige zorgaanbieders

    CBS

    POLS / Gezondheidsenquête

    CBS

    Gezondheidsstatistisch bestand (GSB)

    CBS

    Reïntegratie: aantal beëindigde uitkeringen

    Erasmus MC, RIVM

    Kosten van Preventiestudie 2007

    IGZ

    Jaarrapport afbreking zwangerschap

     

    Ouderenzorg

    ARCARIS

    LZV 2003 (diagnose)

    CAK

    Datawarehouse CAK intramurale/extramurale zorg

    NIVEL

    LINH

     

    Genees- en hulpmiddelen, lichaamsmaterialen

    CBS

    POLS / Gezondheidsenquête

    CVZ

    GIP databank geneesmiddelen

    CVZ

    Farmacotherapeutisch Kompas

    CVZ

    Databank hulpmiddelen

    VEKTIS

    BASIC

     

    Eerstelijnszorg

    CBS

    POLS / Gezondheidsenquête

    NIVEL

    LINH

    NIVEL

    LiPZ

    NMT

    Peilstations

    NPI & NVFK

    Kinderfysiotherapie in de eerste lijn

    VEKTIS

    BASIC, ELIS

     

    Gehandicaptenzorg

    CAK

    Datawarehouse CAK intramurale/extramurale zorg

    VGN

    Databestand Vraaggestuurde Bekostiging

    SCP

    Tabellen vraag en gebruik gehandicaptenzorg 1998-2011

     

    Welzijnszorg

    CBS

    Enquête welzijnswerk en kindercentra

    CBS

    POLS

    CBS

    Bevolkingsopbouw doelgroep (gebruikt bij internaten, asielopvang en overige welzijnszorg)

     

    Beheer

    RIVM

    Naar rato kosten binnen financieringstype verdeeld

     

    Algemeen

    NZa

    Tariefbeschikkingen (diverse sectoren)

Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.