Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

StemmingsstoornissenCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Meer vrouwen dan mannen met stemmingsstoornis

Regionaal & Internationaal

Veel stemmingsstoornissen in Nederland

Kosten

Uitgaven aan zorg 1,1 miljard euro in 2017

Preventie & Zorg

Twee op de drie patiënten zoekt hulp

Prevalentie van stemmingsstoornissen in bevolkingsonderzoek

Prevalentie van stemmingsstoornissen in 2011

Geschatte jaarprevalentie onder 18- tot en met 64-jarigen
 

Stemmingsstoornis

Prevalentie per 1.000

Prevalentie absoluut

 

Mannen

Vrouwen

Mannen

Vrouwen

Totaal

Enigerlei stemmingsstoornis

49,1

74,1

260.800

388.700

649.500

Depressieve stoornis

41,9

62,6

222.300

328.000

550.300

Dysthymie

4,1

13,6

21.800

71.400

93.200

Bipolaire stoornis

7,0

10,3

37.000

54.000

91.100

 

Bron: NEMESIS-2

Bijna 650.000 mensen van 18 t/m 64 jaar met een stemmingsstoornis

Van de Nederlandse bevolking in de leeftijd van 18 tot en met 64 jaar hadden naar schatting 49 per 1.000 mannen en 74 per 1.000 vrouwen in 2011 een stemmingsstoornis. Dit is geschat op basis van gegevens uit het bevolkingsonderzoek NEMESIS-2 (de Graaf et al., 2010). In totaal ging het om 649.500 mensen, waarvan 550.300 een depressieve stoornis hadden en 93.200 dysthymie. Daarnaast hadden 91.100 volwassenen te kampen met een bipolaire stoornis. NEMESIS-2 is het meest recente Nederlandse bevolkingsonderzoek dat op dit moment beschikbaar is. Prevalentiecijfers kunnen intussen veranderd zijn door verschillen in risico's en door de bevolkingssamenstelling, maar ook omdat intussen het classificatiesysteem van psychische stoornissen gewijzigd is. 

Totaal aantal mensen met een stemmingsstoornis geschat op bijna 800.000

Het totaal aantal Nederlanders (alle leeftijden) met een stemmingsstoornis in 2011 (jaarprevalentie) wordt geschat op 800.000. Voor deze schatting zijn cijfers uit de huisartsenregistratie en uit het NEMESIS-onderzoek gecombineerd.  De prevalentiecijfers uit de huisartsenpraktijk zijn  opgehoogd overeenkomstig de leeftijdsspecifeke verhouding tussen die cijfers en de prevalentie in de huisartsenregistratie.  Als de prevalentie in NEMESIS voor de 18-64-jarigen twee maal zo hoog is als de prevalentie in de huisartsenregistratie, dan wordt verondersteld dat de bevolkingsprevalentie onder 0-17-jarigen en 65-plussers ook twee keer zo hoog is als in de huisartsenregistratie.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron

Aantal nieuwe gevallen van stemmingsstoornissen in bevolkingsonderzoek

In 2011 kregen 280.000 volwassenen een stemmingsstoornis

In 2011 kregen bijna 280.000 volwassenen (18 t/m 64 jaar) een stemmingsstoornis, waarvan 96.100 mannen en 183.700 vrouwen. Dit komt overeen met 19,1 per 1.000 mannen en 37,9 per 1.000 vrouwen. Deze schattingen zijn gebaseerd op het bevolkingsonderzoek NEMESIS-2. Dit is het meest recente Nederlandse bevolkingsonderzoek dat op dit moment beschikbaar is. Prevalentiecijfers kunnen intussen veranderd zijn door verschillen in risico's en door de bevolkingssamenstelling, maar ook omdat intussen het classificatiesysteem van psychische stoornissen gewijzigd is. 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. NEMESIS-2, Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. zorggegevens.nl

Prevalentie stemmingsstoornissen in huisartsenpraktijk

Jaarprevalentie stemmingsstoornissen 2018

MannenVrouwen
0-40,040,07
5-90,140,10
10-141,072,81
15-198,7218,76
20-2419,3835,12
25-2925,0545,52
30-3424,7152,00
35-3927,2554,49
40-4432,2757,93
45-4933,0861,58
50-5436,9064,04
55-5940,9065,12
60-6440,9661,55
65-6931,5554,06
70-7426,9649,29
75-7924,9249,24
80-8425,2951,16
85+25,0249,77
  • ICPC-codes P73 en P76
     
Deze cijfers zijn ook onderdeel van

590.000 mensen met stemmingsstoornissen bij huisarts

In 2018 waren er naar schatting 590.100 mensen bekend bij de huisarts met een stemmingsstoornis: 207.400 mannen en 382.700 vrouwen (jaarprevalentie). Dit komt overeen met 24,2 per 1.000 mannen en 44,1 per 1.000 vrouwen. Op alle leeftijden komen stemmingsstoornissen vaker voor bij vrouwen dan bij mannen (Nivel Zorgregistraties eerste lijn). 

Stemmingsstoornissen vooral bij 40- tot 65-jarigen

In de huisartsenregistraties is te zien dat stemmingsstoornissen vooral veel voorkomen onder mensen tussen de 40 en 65 jaar. Deze stoornissen lijken minder voor te komen onder kinderen, jongvolwassenen en ouderen. Het is bij kinderen en ouderen echter ook lastiger om een diagnose te stellen, omdat de criteria van stemmingsstoornissen vooral op maat van volwassenen zijn geschreven. De gevonden leeftijdsverschillen in depressie komen overeen met de literatuur (Kessler et al., 2007).

Meer informatie

Datum publicatie

04-09-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Kessler RC, Amminger GP, Aguilar-Gaxiola S, Alonso J, Lee S, Üstün TB. Age of onset of mental disorders: a review of recent literature. Current Opinion in Psychiatry. 2007;20(4):359-364. Bron | DOI

Prevalentie en nieuwe gevallen depressieve- en bipolaire stemmingsstoornissen in huisartsenpraktijk

Stemmingsstoornissen naar type in 2018

 

Nieuwe gevallen 

Jaarprevalentie

 

Mannen

Vrouwen

Mannen

Vrouwen

Per 1.000 personen

       

Affectieve psychose (P73)

0,7

0,9

2,0

2,6

Depressie (P76)

8,9

15,3

22,5

41,8

Absolute aantallen 

       

Affectieve psychose (P73)

6.200

7.900

16.700

22.900

Depressie (P76)

76.000

133.000

192.300

362.300

 

Deze cijfers zijn ook onderdeel van

Meer depressieve dan bipolaire stemmingsstoornissen

Er zijn twee verschillende categorieën stemmingsstoornissen: depressieve en bipolaire stemmingsstoornissen. In 2018 waren er naar schatting 39.600 mensen bekend bij de huisarts met een bipolaire stemmingsstoornis. Daarvan was bij 14.100 mensen de diagnose in 2018 vastgesteld. Een depressieve stemmingsstoornis was bij 554.600 mensen bekend bij de huisarts in 2018. Bij 209.000 van deze mensen werd de diagnose in 2018 gesteld. De overigen hadden de aandoening ook al in 2017. 

Meer informatie

Prevalentie van stemmingsstoornissen naar sociaaleconomische status

Stemmingsstoornissen naar inkomen 2007-2009

  Afgelopen jaar (%) Ooit in het leven (%)
  Mannen Vrouwen Mannen Vrouwen
Laag inkomen 9,3 13,4 19,3 29,6
Midden inkomen 3,7 7,2 14,3 26,9
Hoog inkomen 1,7 4,3 10,2 21,9

 

Bron: NEMESIS-2

  • Stemmingsstoornissen: depressieve stoornis, dysthymie en bipolaire stoornis

Omvang van stemmingsstoornissen verschilt naar inkomen 

Mensen met een laag inkomen hebben vaker een stemmingsstoornis dan mensen met een hoger inkomen. In bevolkingsonderzoek NEMESIS-2 bleek dat 15,7% van de mensen met een hoog inkomen ooit in het leven een stemmingsstoornis ontwikkelt. Bij de mensen met een laag inkomen was dat 24,6%. Wanneer alleen naar het afgelopen jaar werd gekeken had 3,0% van de mensen met een hoog inkomen een stemmingsstoornis, tegenover 11,4% van de mensen met een laag inkomen (de Graaf et al., 2010). NEMESIS-2 is het meest recente Nederlandse bevolkingsonderzoek dat op dit moment beschikbaar is. Prevalentiecijfers kunnen intussen veranderd zijn door verschillen in risico's en door de bevolkingssamenstelling, maar ook omdat intussen het classificatiesysteem van psychische stoornissen gewijzigd is. 

Werk- en woonsituatie en opleidingsniveau beïnvloeden stemmingsstoornissen

Mensen met een lager inkomen zijn vaker laag opgeleid, hebben vaker geen betaalde baan en wonen vaker zonder partner. Al deze factoren dragen bij aan een hogere kans op het ontwikkelen van een stemmingsstoornis (de Graaf et al., 2010; Peyrot et al., 2013). Zo ontwikkelen werkloze of arbeidsongeschikte mensen vaker ooit in het leven een depressieve stoornis, 28,1% van de mannen en 40,0% van de vrouwen. Vrouwen die zonder partner wonen ontwikkelen vaker dysthymie. Het hebben van een lager opleidingsniveau hangt bij vrouwen samen met een hogere kans op een bipolaire stoornis (de Graaf et al., 2010). 

Meer informatie

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. NEMESIS-2, Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  2. Peyrot WJ, Middeldorp CM, Jansen R, Smit JH, de Geus EJC, Hottenga J-J, et al. Strong effects of environmental factors on prevalence and course of major depressive disorder are not moderated by 5-HTTLPR polymorphisms in a large Dutch sample. J Affect Disord. 2013;146(1):91-9. Pubmed | DOI

Bevolkingsonderzoek versus huisartsenregistratie

Niet iedereen met een stemmingsstoornis is bij de huisarts bekend

De cijfers over het vóórkomen van stemmingsstoornissen in huisartsenregistraties zijn lager dan de cijfers uit epidemiologische bevolkingsonderzoek. Hier zijn diverse oorzaken voor aan te wijzen:

  • Niet alle mensen met een stemmingsstoornis zoeken professionele hulp en/of hebben deze hulp nodig.
  • Mensen met een stemmingsstoornis gaan soms direct naar een zelfstandig psycholoog of psychiater.
  • Huisartsen herkennen de (veelal lichamelijke) klachten niet altijd als uiting van een stemmingsstoornis.

In het algemeen geldt dat er in de huisartsenpraktijk vaak onvoldoende psychiatrisch diagnostische kennis en tijd is om de diagnose depressie te stellen. Bovendien registreert een huisarts eerder een symptoomdiagnose (bijvoorbeeld depressief gevoel, suïcidegedachten, slaapstoornis, problemen met het werk, en dergelijke) dan een ziektediagnose (Ormel, 1989; Havenaar, 1990; Bensing & Verhaak, 1994; Lamberts & Hofmans-Okkes, 1994; Peeters, 1997).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Ormel JJ. Psychiatrische ziekten: depressie. In Grobbee DE en Hofman A (red). Epidemiologie van ziekten in Nederland. Utrecht: Wetenschappelijke uitgeverij Bunge; 1989. Bron
  2. Havenaar JM. Depressie in de eerste lijn, diagnose in een context. Utrecht: Rijksuniversiteit Utrecht; 1990. Bron
  3. Bensing JM, Verhaak PFM. Psychische problemen in de huisartspraktijk veelvormiger en diffuser dan in de psychiatrie. Ned Tijdschr Geneeskd. 1994;138. Bron
  4. Lamberts H, Hofmans-Okkes IM. Psychische en sociale problemen in de huisartspraktijk: een kwestie van competentie en autonomie bij artsen en patiënten. Ned Tijdschr Geneeskd. 1994;138. Bron
  5. Peeters FPML. Huisarts en depressieve patiënt: een problematisch duo. Tijdschrift Psychiatrie. 1997;39. Bron

Verantwoording

Definities
  • Definitie van stemmingsstoornissen

    Depressie en dysthymie meest voorkomende stemmingsstoornissen

    'Stemmingsstoornissen' is een verzamelnaam voor psychische aandoeningen waarbij de gemoedstoestand of emotie van de patiënt ziekelijk is verstoord of niet past bij de situatie waarin de patiënt verkeert. Depressie en dysthymie zijn de meest voorkomende stemmingsstoornissen. Deze stemmingsstoornissen zijn nauw verwant en soms moeilijk te onderscheiden. Hun belangrijkste symptomen zijn een aanhoudende neerslachtige stemming en een verlies van interesse in bijna alle dagelijkse activiteiten. Daarnaast bestaan er andere stemmingsstoornissen zoals de bipolaire stoornis, de disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis en de premenstruele stemmingsstoornis. Stemmingsstoornissen zijn in te delen in twee categorieën: depressieve-stemmingsstoornissen en bipolaire-stemmingsstoornissen. 

  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het vernieuwde handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 in gebruik genomen en is deze versie het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 werd gebruik gemaakt van de oudere versie, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. Dit geldt ook voor stemmingsstoornissen. In VZinfo zijn de diagnoses van stemmingsstoornissen in de meeste gevallen nog gesteld op basis van de criteria van de DSM-IV. 

    Er zijn een aantal verschillen tussen de criteria van stemmingsstoornissen in de DSM-5 en die in de DSM-IV. Het belangrijkste verschil is dat met de DSM-IV, er geen depressieve stoornis kon worden vastgesteld bij iemand die depressieve symptomen ontwikkelde in reactie op het overlijden van een dierbare. In de DSM-5 is dit uitsluitingscriterium weggelaten, en is het aan de clinicus om te bepalen of de symptomen beter passen bij een te verwachten rouwpatroon, of een depressieve stoornis. 

    Andere veranderingen zijn de toevoeging van nieuwe classificaties (bijvoorbeeld de premenstruele stemmingsstoornis) en specificaties (bijvoorbeeld aanwezigheid van angst). Ook hebben de depressieve-stemmingsstoornissen en bipolaire-stemmingsstoornissen nu hun eigen hoofdstuk. 

    Het stellen van diagnoses volgens de DSM-5 heeft mogelijk gevolgen voor nieuwe cijfers over het vóórkomen van stemmingsstoornissen in Nederland. 

  • Definitie van de depressieve stoornis

    Het huidige handboek voor psychische stoornissen (DSM-5; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014) stelt dat er sprake is van een depressieve stoornis wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m E) is voldaan:
               
    Criteria ter classificatie van de depressieve stoornis

    A Minstens vijf van de volgende symptomen zijn minstens twee weken aaneengesloten aanwezig geweest en wijken af van het eerdere functioneren; ze zijn gedurende het grootste deel van de dag en bijna elke dag aanwezig; minstens één van de symptomen is ofwel (1) een sombere stemming, ofwel (2) verlies van interesse of plezier:
      1. Sombere stemming
      2. Verlies van interesse of plezier in (bijna) alle activiteiten
      3. Significant gewichtsverlies zonder dieet, gewichtstoename, of duidelijk afgenomen of toegenomen eetlust
      4. Slaapproblemen
      5. Psychomotorische traagheid of juist opwinding
      6. Vermoeidheid of verlies van energie
      7. Gevoelens van waardeloosheid of extreme/onterechte schuld
      8. Verminderd denkvermogen, concentratie, of besluiteloosheid
      9. Preoccupatie met de dood, bijvoorbeeld suïcidegedachten
    B De symptomen veroorzaken sterk lijden of beperkingen in belangrijke gebieden van functioneren
    C De symptomen kunnen niet worden toegeschreven aan een middel of somatische aandoening
    D De symptomen kunnen niet verklaard worden door een psychotische stoornis
    E Er heeft zich nooit een manie of hypomanie voorgedaan

     

    Naast de genoemde criteria, dient te worden aangegeven of er sprake is van specificaties zoals de aanwezigheid van angst of psychotische kenmerken, de ernst en het beloop van de stoornis. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  • Definitie van dysthymie

    Het huidige handboek voor psychische stoornissen (DSM-5; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014) stelt dat er sprake is van dysthymie wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m H) is voldaan:

    Criteria ter classificatie van dysthymie

    A Sombere stemming; gedurende twee jaar; dit is het grootste deel van de dag en meer dagen wel dan niet aanwezig
    B 1. Slechte eetlust of teveel eten 
      2. Slaapproblemen
      3. Weinig energie of vermoeidheid 
      4. Gering gevoel van eigenwaarde 
      5. Slechte concentratie of besluiteloosheid 
      6. Gevoelens van hopeloosheid
    C Gedurende de periode van twee jaar is er nooit een klachtenvrije periode van langer dan twee maanden
    D Depressieve stoornis kan aanwezig zijn
    E Er heeft zich nooit een manie of hypomanie voorgedaan 
    F De symptomen kunnen niet verklaard worden door een psychotische stoornis
    G De symptomen kunnen niet verklaard worden door een middel of somatische aandoening
    H De symptomen veroorzaken sterk lijden of beperkingen in belangrijke gebieden van functioneren

     

    Naast de genoemde criteria, dient te worden aangegeven of er sprake is van specificaties zoals de aanwezigheid van angst of psychotische kenmerken, de ernst en het beloop van de stoornis.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  • Definitie van bipolaire stoornissen

    Er zijn verschillende soorten bipolaire stoornissen: de bipolaire-I-stoornis, bipolaire-II-stoornis en de cyclothyme stoornis. Deze stoornissen  worden gekenmerkt door manie, hypomanie, depressie of een combinatie van deze. Bij de bipolaire-I-stoornis is sprake van manie (en eventueel depressie), bij de bipolaire-II-stoornis van hypomanie (en eventueel depressie) en bij de cyclothyme stoornis van milde vormen van depressie en hypomanie. 

    De criteria voor depressieve episodes in bipolaire stoornissen komen overeen met de genoemde criteria A t/m C van de depressieve stoornis. Het huidige handboek voor psychische stoornissen (DSM-5; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014) stelt dat er sprake is van een manische of hypomanische episode wanneer aan de volgende criteria is voldaan:

    Criteria ter classificatie van een manische episode

    A Duidelijk herkenbare periode met extreem verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming, en extreem verhoogde doelgerichte activiteit of energie; dit is gedurende minstens één week, bijna elke dag en het grootste deel van de dag aanwezig
    B Tijdens de periode van deze toegenomen energie of activiteit zijn minstens drie van de volgende kenmerken aanwezig:
      1. Opgeblazen gevoel van eigenwaarde, of grandiositeit
      2. Verminderde behoefte aan slaap
      3. Spraakzamer dan gebruikelijk of spreekdrang
      4. Gedachtevlucht of het ervaren van gejaagde gedachten
      5. Betrokkene is sneller afgeleid dan normaal
      6. Toename van doelgerichte activiteit (bijvoorbeeld op sociaal- beroepsmatig- of seksueel vlak)
      7. Excessief bezig zijn met activiteiten waarbij een grote kans bestaat op pijnlijke gevolgen (bijvoorbeeld onbezonnen koopzucht of zakelijke investeringen)
    C De symptomen veroorzaken verstoringen in belangrijke levensgebieden, vereisen opname in een ziekenhuis, of er zijn psychotische kenmerken
    D De episode kan niet worden verklaard door een middel of somatische aandoening

     

    Naast de genoemde criteria, dient te worden aangegeven of er sprake is van specificaties zoals de aanwezigheid van angst of psychotische kenmerken, de ernst en het beloop van de stoornis.

     

    Criteria ter classificatie van een hypomanische episode

    A Duidelijk herkenbare periode met extreem verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming, extreem verhoogde doelgerichte activiteit of energie; dit is gedurende minstens vier dagen, bijna elke dag en het grootste deel van de dag aanwezig
    B Tijdens de periode van deze toegenomen energie of activiteit zijn minstens drie van de volgende kenmerken aanwezig:
      1. Opgeblazen gevoel van eigenwaarde, of grandiositeit
      2. Verminderde slaapbehoefte
      3. Spraakzamer dan gebruikelijk of spreekdrang
      4. Gedachtevlucht of het ervaren van gejaagde gedachten
      5. Betrokkene is sneller afgeleid dan normaal
      6. Toename van doelgerichte activiteit (bijvoorbeeld op sociaal-, beroepsmatig- of seksueel vlak)
      7. Excessief bezig zijn met activiteiten waarbij een grote kans bestaat op pijnlijke gevolgen (bijvoorbeeld onbezonnen koopzucht of zakelijke investeringen)
    C De episode gaat gepaard met een duidelijke verandering in het functioneren die niet kenmerkend is voor de betrokkene
    D De verhoogde stemming en veranderingen in het functioneren kunnen door anderen worden waargenomen
    E De episode is niet ernstig genoeg om duidelijke beperkingen in functioneren te veroorzaken of opname in een ziekenhuis noodzakelijk te maken; als er psychotische kenmerken aanwezig zijn is er sprake van manie
    F De episode kan niet worden verklaard door een middel


    Naast de genoemde criteria, dient te worden aangegeven of er sprake is van specificaties zoals de aanwezigheid van angst, de ernst en het beloop van de stoornis.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
Bronverantwoording
  • Huisartsenregistratie van stemmingsstoornissen

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van stemmingsstoornissen (huidige situatie) zijn gegevens gebruikt van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. Voor de beschrijving van de trend in prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van stemmingsstoornissen is gebruikgemaakt van twee andere huisartsenregistraties: FaMe-net en RNH. Deze registraties registreren al vele jaren het voorkomen van ziekten in de huisartsenpraktijk. De registratie van FaMe-net gaat terug tot 1971, toen nog onder de naam CMR Nijmegen. De registratie van RNH-Limburg gaat terug tot 1987. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn heeft gegevens over een kortere periode en wordt daarom niet gebruikt voor de beschrijving van de trends.

    De in de huisartsenregistraties gebruikte ICPC-codes zijn P73 en P76. P73 staat voor 'affectieve psychose' en omvat de bipolaire-stemmingsstoornissen: manische episode, bipolaire affectieve stoornis en cyclothymie. P76 staat voor 'depressie' en omvat de volgende depressieve-stemmingsstoornissen: depressieve episode, recidiverende depressieve stoornis, dysthymie, overige gespecificeerde persisterende stemmingsstoornissen, persisterende stemmingsstoornis, andere stemmingsstoornissen, niet gespecificeerde stemmingsstoornis, gemengde angststoornis en depressieve stoornis en lichte psychische stoornissen en gedragsstoornissen in samenhang met puerperium, niet elders geclassificeerd. 

  • Bevolkingsonderzoek stemmingsstoornissen

    Gegevens over het vóórkomen van stemmingsstoornissen op bevolkingsniveau komen uit het NEMESIS-onderzoek onder 18- tot 65-jarigen (Bijl et al., 1997; Bijl et al., 1997; de Graaf et al., 2010). NEMESIS-1 was gebaseerd op een landelijke steekproef onder 7.076 personen bij wie in 1996 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI (Composite International Diagnostic Interview). Dezelfde respondenten zijn daarna nog tweemaal benaderd voor een follow-upmeting tussen 1997 en 1999.

    NEMESIS-2 is gebaseerd op een landelijke steekproef onder 6.646 personen bij wie tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI 3.0. Dezelfde respondenten zijn tussen 2010 en 2012 nogmaals benaderd voor follow-updeelname. De cijfers over het vóórkomen van stemmingsstoornissen zijn afkomstig uit de eerste meting; de cijfers over incidentie uit de tweede meting. Alle cijfers zijn vervolgens door het RIVM omgerekend naar het jaar 2011.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NEMESIS-2, Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Bijl RV, van Zessen G, Ravelli ACJ, de Rijk C, Langendoen Y. Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. I. Doelstellingen, opzet en methoden. Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:2448-52. Bron
    2. Bijl RV, van Zessen G, Ravelli ACJ. Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. II. Prevalentie van psychiatrische stoornissen. Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:2453-60. Bron
    3. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  • Sterfte door stemmingsstoornissen

    Sterfte met een stemmingsstoornis als primaire doodsoorzaak is vastgesteld op basis van gegevens uit de CBS Doodsoorzakenstatistiek.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
  • European Health Interview Survey (EHIS)

    Het European Health Interview Survey (EHIS) heeft als doel om op een geharmoniseerde manier en met een hoge mate van vergelijkbaarheid tussen EU-lidstaten de gezondheidsstatus en gezondheidsdeterminanten (inclusief milieu) te meten. Ook wordt het gebruik en toegang tot gezondheidszorg van de EU-burgers gemeten. De dekking van de enquête is de bevolking van 15 jaar of ouder die deel uitmaakt van particuliere huishoudens en woont op het grondgebied van het betreffende land.

    EHIS is ontwikkeld tussen 2003 en 2006. Het bestaat uit vier modules over gezondheidsstatus, gezondheidsdeterminanten, gezondheidszorg en achtergrondvariabelen. De eerste wave van EHIS (EHIS-ronde 2008) werd tussen 2006 en 2009 in 17 EU-lidstaten, en in Zwitserland en Turkije uitgevoerd. De tweede wave (EHIS ronde 2014) is tussen 2013 en 2015 uitgevoerd in alle EU-lidstaten, IJsland en Noorwegen.

    EHIS omvat de volgende onderwerpen:

    • Gezondheidsstatus
      Dit onderwerp bevat verschillende dimensies van gezondheidsstatus en beperkingen voor gezondheidsgerelateerde activiteiten 
    • Gezondheidszorg
      Dit onderwerp behandelt het gebruik van verschillende soorten geneesmiddelen en formele en informele gezondheids- en sociale zorgdiensten, die worden aangevuld met gegevens over gezondheidsgerelateerde uitgaven en beperkingen in toegang tot en voldoening aan gezondheidszorgdiensten
    • Gezondheidsdeterminanten
      Dit onderwerp bevat diverse individuele en milieu-gezondheidsdeterminanten. 
    • Achtergrondvariabelen op demografie en sociaal-economische status
      Alle indicatoren worden uitgedrukt in percentages van de bevolking en de statistieken worden verdeeld over leeftijd en geslacht en een andere dimensie, zoals het opleidingsniveau, de inkomstenkwintielgroep of de arbeidsstatus.

    Bron: EHIS metadata (Eurostat, 2016)

  • Kosten van depressie

    De kosten van depressie zijn afkomstig van de Kosten van Ziektenstudie. De ICD-9-codes voor depressie zijn 296, 300.4 en 311. De belangrijkste databronnen die gebruikt worden bij het toewijzen van kosten naar ziekte, leeftijd geslacht en zorgfunctie zijn te vinden in onderstaande tabel.

    Organisatie

    Bron

      Openbare gezondheidszorg en preventie

    CBS

    Bevolkingsstatistiek

    CBS

    Gezondheidsstatistisch bestand (GSB)

    CBS

    POLS / Gezondheidsenquête

    Erasmus MC, RIVM

    Kosten van Preventiestudie 2007

    NIVEL

    LINH

    NVI

    Jaarverslag

    RIVM

    Bevolkingsonderzoek borstkanker

    RIVM

    Bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker

     

    Geestelijke gezondheidszorg en maatschappelijke opvang

    DIS

    DBC-ggz

    VEKTIS

    DGZ, BASIC

     

    Ambulancezorg en vervoer

    RIVM

    Steekproef in 2003 van Regionale Ambulance Voorzieningen

     

    Ziekenhuiszorg en medisch specialistische zorg

    CBS

    Gezondheidsstatistisch bestand (GSB)

    DIS

    DBC- medisch specialistische zorg

    NZa

    NZa-datawarehouse

    VEKTIS

    BASIC, Infomatiesysteem Ziekenhuiszorg

     

    Overige zorgaanbieders

    CBS

    POLS / Gezondheidsenquête

    CBS

    Gezondheidsstatistisch bestand (GSB)

    CBS

    Reïntegratie: aantal beëindigde uitkeringen

    Erasmus MC, RIVM

    Kosten van Preventiestudie 2007

    IGZ

    Jaarrapport afbreking zwangerschap

     

    Ouderenzorg

    ARCARIS

    LZV 2003 (diagnose)

    CAK

    Datawarehouse CAK intramurale/extramurale zorg

    NIVEL

    LINH

     

    Genees- en hulpmiddelen, lichaamsmaterialen

    CBS

    POLS / Gezondheidsenquête

    CVZ

    GIP databank geneesmiddelen

    CVZ

    Farmacotherapeutisch Kompas

    CVZ

    Databank hulpmiddelen

    VEKTIS

    BASIC

     

    Eerstelijnszorg

    CBS

    POLS / Gezondheidsenquête

    NIVEL

    LINH

    NIVEL

    LiPZ

    NMT

    Peilstations

    NPI & NVFK

    Kinderfysiotherapie in de eerste lijn

    VEKTIS

    BASIC, ELIS

     

    Gehandicaptenzorg

    CAK

    Datawarehouse CAK intramurale/extramurale zorg

    VGN

    Databestand Vraaggestuurde Bekostiging

    SCP

    Tabellen vraag en gebruik gehandicaptenzorg 1998-2011

     

    Welzijnszorg

    CBS

    Enquête welzijnswerk en kindercentra

    CBS

    POLS

    CBS

    Bevolkingsopbouw doelgroep (gebruikt bij internaten, asielopvang en overige welzijnszorg)

     

    Beheer

    RIVM

    Naar rato kosten binnen financieringstype verdeeld

     

    Algemeen

    NZa

    Tariefbeschikkingen (diverse sectoren)

Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.