Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Sport en bewegenRegionaal & InternationaalInternationaal

Cijfers & Context

57% van alle 12-jarigen sport wekelijks

Regionaal & Internationaal

Nederlanders actiever dan gemiddelde EU-burger

Kosten

Preventie & Zorg

Sport en veilig bewegen zijn beleidsprioriteit

Internationale vergelijking van beweeggedrag

Internationale verschillen in beweeggedrag 2017

Hoe vaak sport/beweeg je?
HoeveelEU28Nederland
Regelmatig76
Met enige regelmaat3351
Zelden1412
Nooit4631
  • Regelmatig: minimaal 5 keer per week
  • Met enige regelmaat: 1 tot 4 keer per week
  • Zelden: 3 keer per maand of minder

 

Nederlanders sporten vaker dan gemiddeld in de EU

Van de EU-burgers beweegt en sport 40% minimaal één keer per week. Nederland zit hier met 57% ruim boven, net als andere noordelijke landen als Finland (69%), Zweden (67%) en Denemarken (63%). Een groot deel van de Europeanen (60%) is niet of nauwelijks actief. Voor Nederland is dit 43%. De Zuid-Europeanen bewegen en sporten het minst. Van de Bulgaren, Grieken en Portugezen beweegt of sport 68% nooit, van de Roemenen is dat 63% en van de Italianen 62% tegenover 46% gemiddeld in Europa (Europese Commissie, 2017). 
Nederlanders scoren het hoogst als het gaat om bewegen naast sportactiviteiten. Voorbeelden van dergelijke activiteiten zijn: fietsen, dansen en in de tuin werken. Gemiddeld besteedt 44% van de EU-burgers daar ten minste één keer per week tijd aan. Voor Nederland is dit percentage 80%. Aan de andere kant doet 35% van de Europeanen en 7% van de Nederlanders nooit aan dit soort activiteiten (Europese Commissie, 2017). 

Nederlanders vaker lid van sportclub dan EU-buurman

Nederlanders (53%), Zweden (59%) en Denen (ook 53%) zijn relatief vaak lid van een club op het gebied van sport of recreatieve lichamelijke activiteit zoals sportclubs of fitnesscentra. Gemiddeld is 30% van de EU-burgers lid van zo'n club. Daarbij zijn Nederlanders het vaakst lid van een sportclub (27%) gevolgd door Denen en Duitsers (beide 23%). Zweden (41%) zijn het vaakst lid van een gezondheids- of fitnesscentrum. Daarna volgen de Denen met 24% en de Nederlanders met 22% (Europese Commissie, 2017).

Meer informatie

Experts en redactie

Datum publicatie

07-11-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Europese Commissie. Sport and physical activity. Special Eurobarometer 472 – Wave EB88.4 – TNS opinion & social. Brussel: Europese Commissie; 2017. Bron

Internationale vergelijking van beweeggedrag jongeren

Percentage dat minimaal één uur per dag beweegt of sport

 

Nederland

HBSC-gemiddelde

 

Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

11 jaar

24

15

30

21

13 jaar

21

17

25

15

15 jaar

22

12

21

11

Bron: HBSC 2013/14

Nederlandse jongeren qua bewegen in de Europese middenmoot

Uit de internationale Health Behaviour in School-Aged Children (HBSC)-studie blijkt dat Nederlandse kinderen wat betreft bewegen en sporten over het algemeen genomen in de middenmoot zitten (Inchley et al., 2016). Op 11-jarige leeftijd bewegen zowel Nederlandse jongens als meisjes wat minder dan gemiddeld in de landen die deelnemen aan de HBSC-studie. Op 13-jarige leeftijd bewegen meisjes iets meer dan gemiddeld en jongens iets minder. Op 15-jarige leeftijd zit Nederland zowel voor jongens als voor meisjes dicht bij het gemiddelde. 

Ierse jongeren bewegen het meest

Bulgarije en Spanje scoren gemiddeld hoog bij alle leeftijdgroepen. Voor alle onderzochte landen en in alle leeftijdsgroepen geldt dat meer jongens dan meisjes lichamelijk actief zijn. In Italië en Frankrijk haalt slechts 5-6% van de oudere meisjes de norm van een uur bewegen. Bij de 11-jarigen ligt dit rond de 10%.

Meer informatie

Datum publicatie

14-11-2018

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. HBSC, Health Behaviour in School-Aged Children. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Inchley J, Currie D, Young T, Samdal O, Torsheim T, Augustson L, et al. Growing up unequal: gender and socioeconomic differences in young people’s health and well-being. Denemarken: World Health Organization; 2016. Bron

Internationale vergelijking van zitgedrag

Internationale verschillen in zitgedrag 2017

Hoeveel tijd zit je op een gewone dag?
EU28Nederland
2u30min of minder163
2u31min tot 5u30min4030
5u31min tot 8u30min2935
8u31min of meer1232
Weet ik niet30

Inclusief zitten achter een bureau, op bezoek gaan, studeren en tv-kijken.

Nederlanders zijn ook kampioen langdurig zitten

Gemiddeld zit 12% van de EU-burgers langer dan acht en een half uur op een gemiddelde dag. Nederlanders zitten daar ver boven met 32%, op ruime afstand gevolgd door de Denen met 23%. Het is opvallend dat in de landen waar men lang zit, men ook vaker op regelmatige basis beweegt of sport. Dit is te zien in Nederland, Denemarken en Zweden (Europese Commissie, 2017).

Meer informatie

Experts en redactie

Datum publicatie

07-11-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Europese Commissie. Sport and physical activity. Special Eurobarometer 472 – Wave EB88.4 – TNS opinion & social. Brussel: Europese Commissie; 2017. Bron

Internationale vergelijking van zitgedrag jongeren

Nederlandse kinderen zitten relatief vaak voor tv of computer

Nederlandse kinderen kijken relatief veel tv: 61% van de 11-jarigen, 71% van de 13-jarigen en 74% van de 15-jarigen kijkt minstens twee uur per dag televisie. Gemiddeld liggen deze percentages lager in Health Behaviour in School-Aged Children-landen: 50%, 62% en 63% (Inchley et al., 2016). Jongeren zijn het afgelopen decennium minder tv gaan kijken, maar deze afname is meer dan gecompenseerd met de tijd die met andere schermen (zoals smartphone, tablet of computers) wordt doorgebracht. Ook op de vraag hoe vaak jongeren computeren en/of computerspelletjes spelen scoren Nederlandse jongeren hoog. Over het algemeen geldt dat voor het spelen van computerspellen de percentages hoger liggen onder jongens dan onder meisjes. Meisjes gebruiken de computer vaker voor email, internet of huiswerk (Inchley et al., 2016).

Meer informatie

Datum publicatie

07-11-2018

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. Health Behaviour in School-Aged Children, HBSC. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Inchley J, Currie D, Young T, Samdal O, Torsheim T, Augustson L, et al. Growing up unequal: gender and socioeconomic differences in young people’s health and well-being. Denemarken: World Health Organization; 2016. Bron

Verantwoording

Definities
  • Definities en domeinen van sport en bewegen

    Definitie van lichamelijke activiteit

    Voor de afbakening van het onderwerp Sport en Bewegen gebruiken we de definitie van lichamelijke activiteit:
    “elke krachtsinspanning van skeletspieren resulterend in méér energieverbruik dan in rustende toestand” (Caspersen et al., 1985).

    Domeinen van sporten en bewegen

    Sport- en beweeggedrag van een persoon is in te delen in verschillende domeinen (US DHHS, 1996):

    • naar de context waarbinnen iemand sport of beweegt: werk, school, huishouden, transport en vrije tijd;
    • naar het type activiteit: wandelen, fietsen, voetbal en tuinieren;
    • naar de intensiteit waarmee men de activiteit verricht: licht intensief, matig intensief of zwaar intensief.

    Lichamelijke activiteit verschilt in intensiteit

    Lichamelijke activiteit verschilt in intensiteit. Rennen kost bijvoorbeeld meer inspanning dan wandelen. Intensiteit is te verdelen over licht, matig en zwaar (Haskell et al., 2007):

    • Bij licht intensieve lichamelijke activiteit is er geen sprake van verhoogde hartslag of versnelde ademhaling.
    • Matig intensieve lichamelijke activiteit zorgt voor een verhoogde hartslag en een versnelde ademhaling.
    • Iemand die zwaar intensief lichamelijk actief is gaat zweten en raakt buiten adem.

    Intensiteit van lichamelijke activiteit in METs

    In rusttoestand (slapen) verbruikt een individu gemiddeld 3,5 milliliter zuurstof per kilo lichaamsgewicht per minuut: 1 MET. Als de verbruikte energie oploopt naar bijvoorbeeld 7 milliliter zuurstof per kilo lichaamsgewicht per minuut (tennis), dan is er sprake van een energieverbruik van 2 METs (US DHHS, 1996; Ainsworth et al., 2011).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Caspersen CJ, Powell KE, Christenson GM. Physical activity, exercise, and physical fitness: definitions and distinctions for health-related research. Public Health Rep. 1985;100(2):126-31. Pubmed
    2. US DHHS. Physical activity and health: a report of the Surgeon General. Atlanta: U.S. Department of Health and Human Services; 1996. Bron
    3. Haskell WL, Lee IM, Pate RR, Powell KE, Blair SN, Franklin BA, et al. Physical activity and public health: updated recommendation for adults from the American College of Sports Medicine and the American Heart Association. Med Sci Sports Exerc. 2007;39(8):1423-34. Pubmed | DOI
    4. Ainsworth BE, Haskell WL, Herrmann SD, Meckes N, Bassett DR, Tudor-Locke C, et al. 2011 Compendium of Physical Activities: a second update of codes and MET values. Med Sci Sports Exerc. 2011;43(8):1575-81. Pubmed | DOI
  • Normen en adviezen voor sport en bewegen

    Definitie Beweegrichtlijnen

    De Gezondheidsraad publiceerde in augustus 2017 het adviesrapport ‘Beweegrichtlijnen 2017’. In november 2017 zijn de beweegrichtlijnen die in dit rapport zijn onderbouwd aangenomen door de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Zorg.

    De beweegrichtlijnen zijn als volgt gedefinieerd:

    Volwassenen en ouderen

    • Bewegen is goed, meer bewegen is beter
    • Doe minstens 150 minuten per week aan matig intensieve inspanning, zoals wandelen en fietsen, verspreid over diverse dagen. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel
    • Doe minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten, voor ouderen gecombineerd met balansoefeningen.
    • En: voorkom veel stilzitten

    Kinderen van 4 tot 18 jaar

    • Bewegen is goed, meer bewegen is beter
    • Doe minstens elke dag een uur matig intensieve inspanning. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel
    • Doe minstens driemaal per week spier- en botversterkende activiteiten​

    De Gezondheidsraad hanteert de volgende onderliggende definities in haar adviesrapport.

    Beweging kent verschillende vormen.

    • Bewegen (ook wel lichamelijke activiteit) is gedefinieerd als elke lichaamsbeweging door skeletspieren die resulteert in energieverbruik. In de context van de beweegrichtlijnen gaat het hierbij om activiteiten waarbij een of meer grote spiergroepen betrokken zijn. De meeste vormen van lichamelijke activiteit bestaan zowel uit een duur- als een krachtcomponent.
    • Balansoefeningen zijn statische en dynamische oefeningen gericht op het verbeteren van balans terwijl iemand staat of beweegt, zoals op een been staan of een voorwerp van de grond oprapen.
    • Botversterkende activiteiten bestaan uit krachttraining en activiteiten waarbij het lichaam met het eigen gewicht wordt belast, zoals springen, traplopen, wandelen, hardlopen en dansen.
    • Duurtraining omvat activiteiten gericht op het uithoudingsvermogen. Hierbij zijn gewoonlijk grote spiergroepen betrokken en wordt op een snelheid bewogen die langer dan een paar minuten vol te houden is. Voorbelleden zijn wandelen, zwemmen, fietsen en dansen.
    • Krachttraining: zie spierversterkende activiteiten. Voorbeelden zijn oefeningen waarbij lichaamsgewicht, losse gewichten (halters) of machines als weerstand worden gebruikt.
    • Spierversterkende activiteiten (krachttraining of de combinatie van kracht- en duuractiviteiten) omvatten activiteiten om kracht, vermogen, uithoudingsvermogen en omvang van de skeletspieren te verbeteren. Voorbeelden zijn krachttrainingsoefeningen met eigen lichaamsgewicht en duuractiviteiten als fietsen.

    De hoeveelheid bewegen wordt bepaald door de intensiteit, frequentie en duur/volume.

    • Metabole equivalent (MET) is een meeteenheid om de intensiteit van lichamelijke activiteit te definiëren, in veelvouden van de benodigde energie in rust. Eén MET is het energieverbruik in rust.
    • Absolute intensiteit is ingedeeld in licht, matig en zwaar.
      1. Lichte lichamelijke activiteit bestaat uit activiteiten waarbij iemand rechtop staat of licht beweegt. Voorbeleden zijn koken, boodschappen doen, darten. Het energieverbruik varieert van 1,6 tot en met 2,9 MET.
      2. Matige lichamelijke activiteit betreft activiteiten op een intensiteit die wat moeite kost, maar waarbij praten mogelijk blijft. Voorbeelden zijn wandelen, fietsen en rustig zwemmen. Het energieverbruik varieert van 3,0 MET t/m 5,9 MET.
      3. Zwaar intensieve activiteit leidt ertoe dat iemand zwaarder gaat ademen of gaat puffen en hijgen, afhankelijk van hoe fit iemand is. Voorbeelden zijn aerobics, hardlopen, wielrennen en bepaalde competitieve sporten. Het energieverbruik is 6 MET of meer.

    Duur betreft de tijd dat een lichamelijke activiteit per sessie wordt volgehouden (aantal minuten zitten of wandelen) of de totale tijd waarin de lichamelijke activiteit wordt uitgevoerd (bijvoorbeeld aantal minuten zitten of wandelen per week).

    Frequentie betreft het aantal keer per tijdseenheid dat een bepaalde lichamelijke activiteit wordt uitgevoerd, veelal uitgedrukt in keren per dag of per week.

    Volume (per training) betreft het aantal oefeningen, sets en herhalingen binnen een set per training.

    Zitten (ook wel sedentair gedrag) omvat zittende en (half)liggende activiteiten, waarbij weinig energie wordt verbruikt (≤1,5 metabole equivalenten (MET), met uitzondering van slapen. Voorbeelden zijn tv-kijken, lezen, naaien, op de computer werken, zittend gamen of zitten tijdens transport.

    ----------------------------------------------------------------

    Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB)

    • NNGB voor kinderen en jongeren (4 t/m 17 jaar): dagelijks minimaal één uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 5 MET), waarbij minimaal twee keer per week kracht-, lenigheid- en coördinatieoefeningen voor het verbeteren of handhaven van de lichamelijke fitheid.
    • NNGB voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 4 MET) op minimaal 5 dagen per week.
    • NNGB voor ouderen (55 jaar en ouder): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 3 MET) op minimaal 5 dagen per week.

    Fitnorm

    • Fitnorm voor kinderen en jongeren (4 t/m 17 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 8 MET).
    • Fitnorm voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 6,5 MET).
    • Fitnorm voor ouderen (55 jaar en ouder): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 5 MET).

    Combinorm

    De optelsom van de NNGB en de fitnorm. Iemand voldoet aan de combinorm wanneer hij/zij aan tenminste aan één van de beide normen voldoet (Kemper et al., 2000; Ooijendijk et al., 2007).

    Wekelijkse sporter

    Iemand die 1 keer per week of vaker aan sport doet.

    RSO-richtlijn voor sport

    Los van de bovenstaande set aan normen en richtlijnen bestaat de Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO). Het gaat hier om een gestandaardiseerde vragenlijst waarmee de frequentie van sporten, sporttak, sportvorm, organisatievorm en accommodatiebenutting van grote bevolkingsgroepen in kaart wordt gebracht. De RSO definieert iemand als een sporter als hij in de afgelopen twaalf maanden ten minste twaalf keer heeft gesport. De norm is niet gerelateerd aan beweging of een gezondheidsbevorderende waarde, maar een ondergrens om iemand te kwalificeren als sporter. De duur, intensiteit en frequentie spelen geen rol bij de RSO-richtlijn. Dit betekent dat iemand een sporter kan zijn zonder hiervoor in beweging te komen (Hoekman & van den Dool, 2010).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Kemper HCG, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M. Consensus over de Nederlandse norm voor gezond bewegen . Ede: Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB); 2000. Bron
    2. Ooijendijk WTM, Hildebrandt VH, Hopman-Rock M. Bewegen in Nederland 2000-2005. In: Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Hopman-Rock M. (Red.). Trendrapport Bewegen en gezondheid 2004/2005 ed. Hoofddorp / Leiden: TNO; 2007. Bron
    3. Hoekman R, van den Dool R. Bewegen in Nederland: het belang van sport. Den Bosch: Mulier Instituut; 2010. Bron
Bronverantwoording
  • Gezondheidsenquête (GE) / Leefstijlmonitor (LSM)

    Gegevens over de volgende kernindicatoren sport en bewegen zijn afkomstig uit de Leefstijlmonitor:

    • Beweegrichtlijnen
    • wekelijkse sportdeelname
    • zitten
    • gebruik sportprestatieverhogende middelen

    De Leefstijlmonitor levert dé kerncijfers over leefstijl in Nederland. In de Leefstijlmonitor werken partijen samen die zich bezig houden met leefstijl. De Leefstijlmonitor is opgezet in opdracht van VWS en wordt gecoördineerd door het RIVM.

    Een belangrijke leverancier voor de cijfers in de Leefstijlmonitor (LSM) is de CBS Gezondheidsenquête (GE). De GE is een vragenlijstonderzoek onder de Nederlandse bevolking dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) jaarlijks uitvoert sinds 1981. Doel van de GE is om een zo volledig mogelijk overzicht te geven van ontwikkelingen in de gezondheid, medische contacten, leefstijl en deelname aan (preventief) gezondheidsonderzoek in Nederland. Tussen 1997 en 2010 maakte de enquête deel uit van het Permanent Onderzoek LeefSituatie (POLS) als de module Gezondheid. Sinds 2010 wordt de GE als op zichzelf staand onderzoek uitgevoerd. Vanaf 2014 geldt dat de GE jaarlijks circa 9.500 respondenten heeft, bij een responspercentage van ruim 60%

    Gegevens over de kernindicator voldoen aan de Beweegrichtlijnen en wekelijkse sportdeelname zijn afkomstig uit de kernmodule van de Leefstijlmonitor CBS, i.s.m. RIVM. Deze kernmodule wordt elk jaar uitgevoerd. 

    Gegevens over de kernindicator zitgedrag zijn afkomstig uit de aanvullende module bewegen en ongevallen van de Leefstijlmonitor RIVM, i.sm. VeiligheidNL en CBS. Deze aanvullende module werd voor het eerst afgenomen in 2015 en wordt elke twee jaar herhaald. 

    Gegevens over de kernindicator sportprestatieverhogende middelen zijn afkomstig uit de aanvullende module middelengebruik van de Leefstijlmonitor RIVM, i.s.m. Trimbos Instituut en CBS. In deze module wordt gebruik van de volgende middelen bevraagd: tabak, alcohol, drugs en sport-prestatieverhogende. Deze aanvullende module werd voor het eerst in 2016 afgenomen en wordt elke twee jaar herhaald. 

    De vragenlijsten van de kernmodule  (vraagteksten en schema’s) zijn beschikbaar op www.cbs.nl en van de aanvullende modules op www.rivm.nl/leefstijlmonitor.

    Meer informatie

    Contact

  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier. Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Verschillende manieren om lichamelijke activiteit te meten

    Stappentellers, beweegmeters, vragenlijsten en dagboekjes

    Onderzoeken gebruiken zowel objectieve als subjectieve manieren om lichamelijke activiteit te meten. Onder de objectieve meetmethoden vallen bijvoorbeeld stappentellers, beweegmeters en hartslagmeters. Subjectieve meetmethoden voor lichamelijke activiteit zijn bijvoorbeeld dagboekjes en vragenlijsten. Grootschalige onderzoeken maken meestal gebruik van vragenlijsten om lichamelijke activiteit te meten.

    Verschil in meetmethode zorgt voor verschil in lichamelijke activiteit

    Resultaten van verschillende onderzoeken op het gebied van lichamelijke activiteit zijn vaak moeilijk te vergelijken. Dit komt omdat de verschillende vragenlijsten vaak sterk verschillen. Sommige onderzoeken laten het domein transport buiten beschouwing. Andere volstaan met een kleine set van vragen die ongeacht het domein worden gesteld, andere vragenlijsten bevatten meerdere vragen per domein van activiteit. Daarnaast verschillen vragenlijsten in de terugvraagperiode (gisteren, afgelopen week, normale week, afgelopen jaar) en in de methode waarmee de vragenlijst wordt afgenomen (schriftelijk, digitaal, interview, etc). Al deze factoren beïnvloeden de uiteindelijke schatting van de mate van lichamelijke activiteit die de vragenlijst oplevert.

    Verschillen in prevalentie en trends door verschil in vragenlijsten

    Verschillen in vragenlijsten veroorzaken verschillen in de Nederlandse prevalentie en trends in lichamelijke activiteit. Verschillende bronnen baseren hun schattingen op verschillende vragenlijsten en komen daarmee op verschillende prevalenties voor lichamelijke activiteit. Hierdoor kan het voorkomen dat cijfers uit verschillende bronnen elkaar tegenspreken.

  • Trend en regionale verschillen op basis van Gezondheidsenquête van het CBS

    De cijfers in de trendfiguren zijn gebaseerd op de CBS-Gezondheidsenquête van het CBS. De cijfers in 2012 wijken iets af van het cijfer van de Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM van GGD'en, CBS en RIVM. De Gezondheidsmonitor combineert gegevens van de GGD'en met de Gezondheidsenquête. Voor de trendcijfers is alleen de gezondheidsenquête gebruikt omdat de cijfers dan goed vergelijkbaar zijn over de tijd.

    Achtergronden en details bij cijfers uit de CBS Gezondheidsênquete

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
    2. Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM, Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012. zorggegevens.nl
  • Kernindicator Beweegnorm en Wekelijkse sporter

    Of aan de Beweegrichtlijnen wordt voldaan is vastgesteld met behulp van de SQUASH-vragenlijst waarin het gebruikelijke sport- en beweeggedrag van personen wordt nagevraagd..Ook wekelijkse sportdeelname is hiermee vastgesteld. Deze vragenlijst is onderdeel van de Leefstijlmonitor (zie ‘bronverantwoording’)  

    In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden aan te geven hoeveel dagen per week een bepaalde activiteit is verricht en hoeveel tijd (uren en minuten) men daar gemiddeld op zo’n dag mee bezig is geweest. De volgende activiteiten worden bevraagd:

    1. Lopen naar werk en/of school (4 jaar en ouder)
    2. Fietsen naar werk en/of school (4 jaar en ouder)
    3. Lichamelijke activiteit op werk (alleen 12 jaar en ouder)
    4. Lichamelijke activeit op school: buitenspelen, schoolgym en schoolzwemmen (alleen 4-12 jaar)
    5. Huishoudelijke activiteiten (alleen 12 jaar en ouder)
    6. Sporten* in de vrije tijd 4 jaar en ouder)
    7. Wandelen in de vrije tijd (4 jaar en ouder)
    8. Fietsen in de vrije tijd (4 jaar en ouder)
    9. Klussen in de vrije tijd (alleen 12 jaar en ouder)
    10. Tuinieren in de vrije tijd (alleen 12 jaar en ouder)
    11. Buitenspelen in de vrije tijd (alleen 4-12 jaar)
    12. Zwemles (alleen 4-12 jaar)

    *Bij sport kan een respondent maximaal vier sporttakken opgeven. Per sporttak wordt vervolgens gevraagd naar de tijd (dagen per week, uren en minuten per dag) die men daaraan doorgaans besteedt.