Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Sport en bewegenCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

52% van alle 12-jarigen sport wekelijks

Regionaal & Internationaal

Nederlanders actiever dan gemiddelde EU-burger

Kosten

Preventie & Zorg

Sportdeelname wekelijks

Ruim de helft van de Nederlanders sport wekelijks

In 2016 deed 52% van de Nederlanders van 12 jaar en ouder wekelijks of vaker aan sport. Mannen (54%) sporten iets vaker dan vrouwen (51%). Het percentage Nederlanders dat minimaal wekelijks sport neemt af met de leeftijd. 

Meer informatie

Experts en redactie

Sportdeelname wekelijks naar leeftijd en geslacht

Aantal mannen en vrouwen dat wekelijks sport neemt sterk af met de leeftijd

Het percentage Nederlanders dat wekelijks of vaker sport neemt af met de leeftijd. Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. In 2016 was het percentage 12-18 jarige jongens (75%) en meisjes (70%) dat wekelijks of vaker sport bijna twee keer zo groot vergeleken met mannen (39%) en vrouwen (37%) van 65 jaar en ouder. Tussen 12 en 30 jaar sporten mannen iets vaker dan vrouwen. Vanaf 30 jaar is het aantal mannen en vrouwen dat wekelijks sport nagenoeg gelijk.

Meer informatie

Experts en redactie

Sportdeelname wekelijks naar chronische aandoening en/of lichamelijke beperking

Mensen met lichamelijke beperking sporten minder vaak wekelijks

In 2016 was het percentage mensen met een lichamelijke beperking (motorisch, auditief, visueel) en/of een chronische aandoening dat wekelijks sport lager dan het percentage mensen zonder aandoening of beperking. Nederlanders met zowel een lichamelijke beperking als een chronische aandoening sporten het minst vaak wekelijks. Dit komt overeen met de cijfers uit 2014.

Meer informatie

Experts en redactie

Sportdeelname wekelijks naar opleidingsniveau

Hoogopgeleiden sporten vaker wekelijks

In 2015 was in Nederland het percentage hoogopgeleiden dat wekelijks sport ruim twee keer zo groot als het percentage laagopgeleiden. Dit komt overeen met cijfers uit 2014.
 

Meer informatie

 

Experts en redactie

Sportdeelname wekelijks kinderen

Twee derde van de Nederlandse kinderen sport wekelijks

In 2015 deed 66% van Nederlandse kinderen (4 tot 12 jaar) wekelijks of vaker aan sport. Het percentage jongens en meisjes dat minimaal wekelijks aan sport doet is nagenoeg gelijk.

Meer informatie

Experts en redactie

Beweeggedrag

Ruim de helft van Nederlanders van 12 jaar en ouder voldoet aan NNGB

In 2016 voldeed 55% van de Nederlanders van 12 jaar en ouder aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB). Mannen (57%) voldeden in 2016 iets vaker aan de NNGB dan vrouwen (53%).

Ouderen voldoen vaker aan beweegnormen

Ouderen voldoen vaker aan de NNGB, combinorm en fitnorm dan jongere leeftijdsgroepen. In 2016 voldeed 74% van de Nederlandse 55-plussers aan de NNGB. Voor de 18 t/m 54 jarigen was dit aandeel 48% en voor de 12 t/m 17 jarigen 26%. Verschillen in gevonden percentages tussen leeftijdsgroepen kunnen (grotendeels) worden verklaard doordat de eisen voor volwassenen minder streng zijn dan voor jeugd. Voor 55-plussers gelden ook minder strenge voorwaarden dan voor volwassenen tot 55 jaar.

Meer informatie

Experts en redactie

Beweeggedrag naar chronische aandoening en/of lichamelijke beperking

Mensen met lichamelijke beperking voldoen minder vaak aan beweegnormen

In 2016 voldeden mensen met alleen een lichamelijke beperking (motorisch, auditief, visueel) en mensen met een lichamelijke beperking plus een chronische aandoening minder vaak aan de NNGB of Combinorm dan mensen zonder aandoening of beperking. Nederlanders met alleen een chronische aandoening voldoen nagenoeg even vaak aan de NNGB of Combinorm als mensen zonder aandoening of beperking. Dit komt overeen met cijfers uit 2014.

Meer informatie

Experts en redactie

Beweeggedrag naar opleidingsniveau

Laagopgeleiden voldoen iets minder vaak aan beweegnorm

In 2016 was in Nederland het percentage laagopgeleiden dat voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) iets lager dan het percentage middelbaar en hoogopgeleiden. Hetzelfde geldt voor het voldoen aan de Combinorm. Verschillen zijn echter minimaal. Dit komt overeen met cijfers uit 2014 en 2015.

Meer informatie

Experts en redactie

Beweeggedrag kinderen

Kwart van de Nederlandse kinderen voldoet aan de NNGB

In 2015 voldeed 23% van de Nederlandse kinderen (4 tot 12 jaar) aan de NNGB. Dit geldt voor zowel jongens als meisjes.

Jongens voldoen vaker aan de fitnorm

In 2015 voldeed bijna een derde van de 4 tot 12 jarige jongens in Nederland aan de fitnorm. Voor meisjes van dezelfde leeftijd was dit 7%. Het percentage bij jongens ligt hoger, omdat ze vaker intensievere sporten doen zoals voetbal en judo.

Een derde van de Nederlandse kinderen voldoet aan de combinorm

In 2015 voldeed 35% van de kinderen in Nederland aan de combinorm. Jongens voldoen vaker aan de combinorm dan meisjes. Dit komt doordat jongens vaker aan de fitnorm voldoen.

Meer informatie

Experts en redactie

Zitgedrag

Nederlanders zitten bijna 9 uur per dag

In 2015 brachten Nederlanders van 4 jaar en ouder dagelijks gemiddeld 8,7 uur zittend door. Mannen zitten dagelijks gemiddeld iets langer dan vrouwen. Nederlandse jongeren (12 tot 20 jaar) zitten dagelijks gemiddeld het meest. Activiteiten die een belangrijke bijdrage leveren aan deze hoge score zijn zitten tijdens de les, huiswerk maken, computeren of tabletgebruik. Kinderen (4 tot 12 jaar) en ouderen (65 jaar en ouder) zitten gemiddeld het minst. In het weekend brengen de meeste mensen gemiddeld minder uren zittend door dan doordeweeks. Dit geldt niet voor de ouderen. Het aantal uren dat zij op een weekenddag of een doordeweekse dag zitten is vergelijkbaar.

Nog geen norm voor zitgedrag

Er bestaat nog geen norm voor zitgedrag in Nederland. Zitgedrag wordt wel meegenomen in de evaluatie van de huidige beweegnormen door de Gezondheidsraad op verzoek van Minister Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in 2016/2017.

Meer informatie

Experts en redactie

Zitgedrag naar opleidingsniveau

Laagopgeleiden zitten minder op doordeweekse dagen

In 2015 brachten laagopgeleiden in Nederland dagelijks gemiddeld 2 uur minder zittend door dan hoogopgeleiden. Dit verschil is vooral zichtbaar op doordeweekse dagen en komt doordat laagopgeleiden minder aantal uren zitten tijdens werk. Op weekenddagen is het aantal uren dat wordt gezeten tussen de opleidingsniveaus redelijk vergelijkbaar.

Meer informatie

Experts en redactie

Verantwoording

Definities
  • Definities en domeinen van sport en bewegen

    Definitie van lichamelijke activiteit

    Voor de afbakening van het onderwerp Sport en Bewegen gebruiken we de definitie van lichamelijke activiteit:
    “elke krachtsinspanning van skeletspieren resulterend in méér energieverbruik dan in rustende toestand” (Caspersen et al., 1985).

    Domeinen van sporten en bewegen

    Sport- en beweeggedrag van een persoon is in te delen in verschillende domeinen (US DHHS, 1996):

    • naar de context waarbinnen iemand sport of beweegt: werk, school, huishouden, transport en vrije tijd;
    • naar het type activiteit: wandelen, fietsen, voetbal en tuinieren;
    • naar de intensiteit waarmee men de activiteit verricht: licht intensief, matig intensief of zwaar intensief.

    Lichamelijke activiteit verschilt in intensiteit

    Lichamelijke activiteit verschilt in intensiteit. Rennen kost bijvoorbeeld meer inspanning dan wandelen. Intensiteit is te verdelen over licht, matig en zwaar (Haskell et al., 2007):

    • Bij licht intensieve lichamelijke activiteit is er geen sprake van verhoogde hartslag of versnelde ademhaling.
    • Matig intensieve lichamelijke activiteit zorgt voor een verhoogde hartslag en een versnelde ademhaling.
    • Iemand die zwaar intensief lichamelijk actief is gaat zweten en raakt buiten adem.

    Intensiteit van lichamelijke activiteit in METs

    In rusttoestand (slapen) verbruikt een individu gemiddeld 3,5 milliliter zuurstof per kilo lichaamsgewicht per minuut: 1 MET. Als de verbruikte energie oploopt naar bijvoorbeeld 7 milliliter zuurstof per kilo lichaamsgewicht per minuut (tennis), dan is er sprake van een energieverbruik van 2 METs (US DHHS, 1996; Ainsworth et al., 2011).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Caspersen CJ, Powell KE, Christenson GM. Physical activity, exercise, and physical fitness: definitions and distinctions for health-related research. Public Health Rep. 1985;100(2):126-31. Pubmed
    2. US DHHS. Physical activity and health: a report of the Surgeon General. Atlanta: U.S. Department of Health and Human Services; 1996. Bron
    3. Haskell WL, Lee IM, Pate RR, Powell KE, Blair SN, Franklin BA, et al. Physical activity and public health: updated recommendation for adults from the American College of Sports Medicine and the American Heart Association. Med Sci Sports Exerc. 2007;39(8):1423-34. Pubmed | DOI
    4. Ainsworth BE, Haskell WL, Herrmann SD, Meckes N, Bassett DR, Tudor-Locke C, et al. 2011 Compendium of Physical Activities: a second update of codes and MET values. Med Sci Sports Exerc. 2011;43(8):1575-81. Pubmed | DOI
  • Normen en adviezen voor sport en bewegen

    Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB)

    • NNGB voor kinderen en jongeren ( 4 t/m 17 jaar): dagelijks minimaal één uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 5 MET), waarbij minimaal twee keer per week kracht-, lenigheid- en coördinatieoefeningen voor het verbeteren of handhaven van de lichamelijke fitheid.
    • NNGB voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 4 MET) op minimaal 5 dagen per week.
    • NNGB voor ouderen (55 jaar en ouder): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 3 MET) op minimaal 5 dagen per week.

    Fitnorm

    • Fitnorm voor kinderen en jongeren ( 4 t/m 17 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 8 MET).
    • Fitnorm voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 6,5 MET).
    • Fitnorm voor ouderen (55 jaar en ouder): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 5 MET).

    Combinorm

    De optelsom van de NNGB en de fitnorm. Iemand voldoet aan de combinorm wanneer hij/zij aan tenminste aan één van de beide normen voldoet (Kemper et al., 2000; Ooijendijk et al., 2007).

    Zitgedrag / sedentair gedrag

    Onder zitgedrag wordt gedrag verstaan met een erg laag energieverbruik, zoals televisie kijken, computeren, zitten op school of op het werk en liggen. In de internationale literatuur wordt een afkappunt van 1,5 MET voorgesteld in combinatie met een zittende of liggende houding (SBRN, 2012; WHO, 2010). Kinderen van 4 tot 17 jaar krijgen het advies niet langer dan twee uur per dag te computeren en/of televisie/dvd kijken. Voor volwassenen zijn nog geen adviezen voor sedentair gedrag (Hendriksen et al., 2013).

    Sedentair gedrag wordt geregeld verward met lichamelijke inactiviteit, terwijl sedentair gedrag en lichamelijke inactiviteit twee verschillende gedragingen zijn met verschillende determinanten. Wie voldoende lichamelijk actief is volgens de beweegnormen, kan toch te veel sedentair gedrag vertonen (WHO, 2010).

    Wekelijkse sporter

    Iemand die 1 keer per week of vaker aan sport doet.

    RSO-richtlijn voor sport

    Los van de bovenstaande set aan normen en richtlijnen bestaat de Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO). Het gaat hier om een gestandaardiseerde vragenlijst waarmee de frequentie van sporten, sporttak, sportvorm, organisatievorm en accommodatiebenutting van grote bevolkingsgroepen in kaart wordt gebracht. De RSO definieert iemand als een sporter als hij in de afgelopen twaalf maanden ten minste twaalf keer heeft gesport. De norm is niet gerelateerd aan beweging of een gezondheidsbevorderende waarde, maar een ondergrens om iemand te kwalificeren als sporter. De duur, intensiteit en frequentie spelen geen rol bij de RSO-richtlijn. Dit betekent dat iemand een sporter kan zijn zonder hiervoor in beweging te komen (Hoekman & van den Dool, 2010).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Kemper HCG, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M. Consensus over de Nederlandse norm voor gezond bewegen . Ede: Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB); 2000. Bron
    2. Ooijendijk WTM, Hildebrandt VH, Hopman-Rock M. Bewegen in Nederland 2000-2005. In: Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Hopman-Rock M. (Red.). Trendrapport Bewegen en gezondheid 2004/2005 ed. Hoofddorp / Leiden: TNO; 2007. Bron
    3. WHO. Global Recommendations on Physical Activity for Health. Geneva: World Health Organization; 2010. Bron
    4. Hendriksen I, Bernaards C, Hildebrandt VH, Hofstetter H. Lichamelijke inactiviteit en sedentair gedrag in Nederland 2000-2011. In: Trendrapport Bewegen en Gezondheid 2010/2011, hoofdstuk 3 ed. Leiden: TNO; 2013. Bron
    5. Hoekman R, van den Dool R. Bewegen in Nederland: het belang van sport. Den Bosch: Mulier Instituut; 2010. Bron
Bronverantwoording
  • Gezondheidsenquête (GE) / Leefstijlmonitor (LSM)

    Gegevens over de volgende kernindicatoren sport en bewegen zijn afkomstig uit de Leefstijlmonitor:

    • voldoen aan de beweegnormen
    • wekelijkse sportdeelname

    De Leefstijlmonitor levert dé kerncijfers over leefstijl in Nederland. In de Leefstijlmonitor werken partijen samen die zich bezig houden met leefstijl. De Leefstijlmonitor is opgezet in opdracht van VWS en wordt gecoördineerd door het RIVM.

    Een belangrijke leverancier voor de cijfers in de Leefstijlmonitor (LSM) is de CBS Gezondheidsenquête (GE). De GE is een vragenlijstonderzoek onder de Nederlandse bevolking dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) jaarlijks uitvoert sinds 1981. Doel van de GE is om een zo volledig mogelijk overzicht te geven van ontwikkelingen in de gezondheid, medische contacten, leefstijl en deelname aan (preventief) gezondheidsonderzoek in Nederland. Tussen 1997 en 2010 maakte de enquête deel uit van het Permanent Onderzoek LeefSituatie (POLS) als de module Gezondheid. Sinds 2010 wordt de GE als op zichzelf staand onderzoek uitgevoerd. Vanaf 2014 geldt dat de GE jaarlijks circa 9.500 respondenten heeft, bij een responspercentage van ruim 60%

    De Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor wordt elk jaar uitgevoerd. Nieuwe gegevens worden medio 2018 verwacht. De GE vragenlijsten (vraagteksten en schema’s) zijn beschikbaar op www.cbs.nl.

     

    Meer informatie

    Contact

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Naar verwachting wordt het loket in november 2017 geopend voor aanvragen uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

Methoden
  • Verschillende manieren om lichamelijke activiteit te meten

    Stappentellers, beweegmeters, vragenlijsten en dagboekjes

    Onderzoeken gebruiken zowel objectieve als subjectieve manieren om lichamelijke activiteit te meten. Onder de objectieve meetmethoden vallen bijvoorbeeld stappentellers, beweegmeters en hartslagmeters. Subjectieve meetmethoden voor lichamelijke activiteit zijn bijvoorbeeld dagboekjes en vragenlijsten. Grootschalige onderzoeken maken meestal gebruik van vragenlijsten om lichamelijke activiteit te meten.

    Verschil in meetmethode zorgt voor verschil in lichamelijke activiteit

    Resultaten van verschillende onderzoeken op het gebied van lichamelijke activiteit zijn vaak moeilijk te vergelijken. Dit komt omdat de verschillende vragenlijsten vaak sterk verschillen. Sommige onderzoeken laten het domein transport buiten beschouwing. Andere volstaan met een kleine set van vragen die ongeacht het domein worden gesteld, andere vragenlijsten bevatten meerdere vragen per domein van activiteit. Daarnaast verschillen vragenlijsten in de terugvraagperiode (gisteren, afgelopen week, normale week, afgelopen jaar) en in de methode waarmee de vragenlijst wordt afgenomen (schriftelijk, digitaal, interview, etc). Al deze factoren beïnvloeden de uiteindelijke schatting van de mate van lichamelijke activiteit die de vragenlijst oplevert.

    Verschillen in prevalentie en trends door verschil in vragenlijsten

    Verschillen in vragenlijsten veroorzaken verschillen in de Nederlandse prevalentie en trends in lichamelijke activiteit. Verschillende bronnen baseren hun schattingen op verschillende vragenlijsten en komen daarmee op verschillende prevalenties voor lichamelijke activiteit. Hierdoor kan het voorkomen dat cijfers uit verschillende bronnen elkaar tegenspreken.

  • Trend en regionale verschillen op basis van Gezondheidsenquête van het CBS

    De cijfers in de trendfiguren zijn gebaseerd op de CBS-Gezondheidsenquête van het CBS. De cijfers in 2012 wijken iets af van het cijfer van de Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM van GGD'en, CBS en RIVM. De Gezondheidsmonitor combineert gegevens van de GGD'en met de Gezondheidsenquête. Voor de trendcijfers is alleen de gezondheidsenquête gebruikt omdat de cijfers dan goed vergelijkbaar zijn over de tijd.

    Achtergronden en details bij cijfers uit de CBS Gezondheidsênquete

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
    2. Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM, Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012. zorggegevens.nl
  • Kernindicator Beweegnorm en Wekelijkse sporter

    Of aan de beweegnorm (NNGB), fitnorm en combinorm wordt voldaan is vastgesteld met behulp van de SQUASH-vragenlijst. Ook wekelijkse sportdeelname is hiermee vastgesteld. In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden aan te geven hoeveel dagen per week een bepaalde activiteit is verricht en hoeveel tijd (uren en minuten) men daar gemiddeld op zo’n dag mee bezig is geweest. De volgende activiteiten worden bevraagd:

    1. Lopen naar werk en/of school
    2. Fietsen naar werk en/of school
    3. Lichamelijke activiteit op werk en school
    4. Huishoudelijke activiteiten
    5. Vrije tijd: Wandelen, Fietsen, Tuinieren, Klussen/Doe-het-zelven, Sporten

    Bij sport kan een respondent maximaal vier sporttakken opgeven. Per sporttak wordt vervolgens gevraagd naar de tijd (dagen per week, uren en minuten per dag) die men daaraan doorgaans besteedt. 

  • Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de 387.195 respondenten van de Gezondheidsmonitor volwassenen 2012 van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren met deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt. Dit is gedaan voor 26 verschillende uitkomstmaten.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de kleine-domeinschattingen zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van zowel de respondenten als van de gebieden waarin ze wonen. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2012 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Grote aantallen nodig
    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn!

    Toekomst
    In het najaar van 2016 zijn de gegevens van de Gezondheidsmonitor 2016 verzameld. We hopen op basis van opnieuw een groot databestand (456.179 respondenten) ook voor 2016 wijk- en buurtcijfers te kunnen berekenen. 

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Er is een wetenschappelijk artikel geschreven met een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode. Zodra dat artikel gepubliceerd is, wordt de referentie hier gemeld. Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.