Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

SchizofrenieCijfers & ContextTrends

Cijfers & Context

Meer mannen dan vrouwen met schizofrenie

Regionaal & Internationaal

Geen informatie beschikbaar

Kosten

Zorguitgaven schizofrenie 416 miljoen euro

Preventie & Zorg

Geen informatie beschikbaar

Trend voorkomen schizofrenie

Jaarprevalentie en aantal nieuwe gevallen schizofrenie 2011-2018

JaarNieuwe gevallen, mannenNieuwe gevallen, vrouwenPrevalentie, mannenPrevalentie, vrouwenNieuwe gevallen, mannen (absoluut)Nieuwe gevallen, vrouwen (absoluut)Prevalentie, mannen (absoluut)Prevalentie, vrouwen (absoluut)
20111001001001002.8001.50029.20017.200
201292851101072.6001.28032.30018.500
2013111971161103.0001.48033.90019.100
2014104831161092.9001.28034.20019.100
201572631151062.00097033.90018.700
201685801111022.4601.32033.90019.000
201754471171091.59076036.00020.400
201845461201091.36076037.00020.600

Aantal nieuwe gevallen schizofrenie afgenomen

Het aantal nieuwe gevallen van schizofrenie is in de periode 2011-2018 ongeveer gehalveerd, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal nieuwe gevallen van schizofrenie is ook gehalveerd. Voor mannen is het aantal afgenomen van 2.800 in 2011 naar 1.360 in 2018, en voor vrouwen van 1.500 in 2011 naar 760 in 2018.

Prevalentie schizofrenie licht gestegen

In de periode 2011-2018 is het aantal mensen met schizofrenie dat bekend was bij de huisarts (jaarprevalentie) iets toegenomen, voor mannen met 20% en voor vrouwen met ongeveer 10%. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal mensen met schizofrenie dat bekend was bij de huisarts is voor mannen toegenomen van 29.200 in 2011 naar 37.000 in 2018. Voor vrouwen is dit aantal toegenomen van 17.200 in 2011 naar 20.600 in 2018.

Trend prevalentie schizofrenie tussen 1991 en 2014 niet eenduidig

De trend in de gestandaardiseerde prevalentie van schizofrenie in de periode 1991-2014 kan niet eenduidig worden vastgesteld. Op basis van de huisartsenregistratie RNH-Limburg is in deze periode sprake van een stijging in de prevalentie. Op basis van de huisartsenregistratie FaMe-net lijkt er geen sprake van een stijging in deze periode. Er is geen verklaring bekend voor het verschil tussen beide huisartsenregistraties (zie: Trend jaarprevalentie en nieuwe gevallen schizofrenie 1991-2014 (PDF; 81 KB)).

Meer informatie

Datum publicatie

06-04-2020

Toekomstige trend schizofrenie door demografische ontwikkelingen

Kleine afname aantal mannen en kleine stijging aantal vrouwen met schizofrenie verwacht door alleen demografie

Op basis van uitsluitend demografisch ontwikkelingen zal het absoluut aantal mannen met schizofrenie (jaarprevalentie) in de periode 2015-2040 naar verwachting met 3% afnemen. Het absoluut aantal vrouwen met schizofrenie zal naar verwachting met 4% stijgen. De toe- of afname zal groter of kleiner kunnen zijn door veranderingen in factoren die de kans op het ontstaan van schizofrenie beïnvloeden (epidemiologische ontwikkelingen). De toekomstige trend op basis van epidemiologische ontwikkelingen is niet gekwantificeerd.

Meer informatie

Verantwoording

Definities
  • Schizofrenie

    In Nederland vindt de classificatie van psychische stoornissen meestal plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). Deze stelt dat er sprake is van schizofrenie wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m F) is voldaan: 

    Criteria ter classificatie schizofrenie

    A Minstens twee van de volgende kenmerken gedurende één maand (waarvan minstens één 1, 2 of 3 moet zijn):
      1. Wanen
      2. Hallucinaties 
      3. Gedesorganiseerd spreken
      4. Ernstig gedesorganiseerd gedrag of katatonie
      5. Negatieve symptomen, bijvoorbeeld initiatiefverlies of afgevlakte emotie
    B Verminderd functioneren op één of meer belangrijke levensgebieden zoals op werk of in interpersoonlijke relaties 
    C Symptomen zijn minstens zes maanden ononderbroken aanwezig (m.u.v. de symptomen uit criterium A die minstens één maand aanwezig moeten zijn)
    D Uitsluitsel van andere stoornissen met psychotische kenmerken 
    E De stoornis wordt niet veroorzaakt door fysiologische effecten van een middel of een somatische aandoening
    F Bij een voorgeschiedenis van een autismespectrumstoornis of communicatiestoornis welke oorsprong had in de kindertijd, wordt schizofrenie alleen geclassificeerd als er sprake is van prominente wanen of hallucinaties


    Bij schizofrenie is er dus geen sprake van een “gespleten persoonlijkheid” of “meerdere persoonlijkheden”. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  • Schizofrenie versus psychotische stoornis

    Er is veel discussie over de term ‘schizofrenie’. Het idee leeft dat de term onvoldoende passend is en het wenselijker is te spreken van ‘psychotische stoornissen’. Psychotische stoornissen worden allen gekenmerkt door psychose: een veranderde beleving van de werkelijkheid die waarnemen, denken en emoties beïnvloedt. Naast schizofrenie, behoren de waanstoornis, schizofreniforme stoornis, schizoaffectieve stoornis, kortdurende psychotische stoornis en psychotische stoornis niet anderszins omschreven (NAO) tot het cluster van psychotische stoornissen. Psychotische symptomen kunnen zich ook voordoen bij andere psychische aandoeningen, waaronder bipolaire stoornis, depressieve stoornis en borderline persoonlijkheidsstoornis en bij overmatig alcohol- of drugsgebruik. Ook in de algemene bevolking komen psychotische symptomen voor. Ongeveer 8% van de volwassen algemene bevolking heeft weleens psychotische ervaringen gehad, zoals wanen of hallucinaties. 4% van deze mensen lijdt in zulke mate aan deze symptomen dat ze hulp behoeven. 2-3% voldoet ooit in het leven aan de criteria voor een psychotische stoornis (Veling et al., In Press).

    Voor Volksgezondheidenzorg.info is gekozen toch de term ‘schizofrenie’ te gebruiken, omdat deze term wordt gehanteerd in de bronnen waarop het RIVM zich baseert, zoals in de huisartsenregistraties en literatuur. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Veling W, Bak M, Boonstra N, Castelein S, Gaag M, Gijsman H, et al. Zorgstandaard Psychotische stoornissen. Utrecht; In Press. GoogleScholar
  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het nieuwe handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 en in de overgangsfase is nog veelal gebruik gemaakt van het oude handboek, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. Dit geldt ook voor schizofrenie.

    Voor schizofrenie geldt dat in de praktijk het verschil tussen gebruik van DSM-IV en DSM-5 voor de classificatie van psychotische stoornissen nihil is. Uit een Nederlands onderzoek bleek bijvoorbeeld dat van de 5.233 patiënten die voldeden aan de DSM-IV criteria voor schizofrenie, er slechts één niet voldeed aan de DSM-5 criteria (Mattila et al., 2015). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Mattila T., Koeter M., Wohlfarth T., Storosum J., van den Brink W., de Haan L., et al. Impact of DSM-5 Changes on the Diagnosis and Acute Treatment of Schizophrenia. Schizophrenia Bulletin. 2015;41(3):637-643. Bron | DOI
Bronverantwoording
  • Incidentie en prevalentie van schizofrenie moeilijk te bepalen

    De informatie over de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van schizofrenie in Nederland is onvolledig, onder meer vanwege het grote aantal mensen met schizofrenie dat op straat leeft of is opgenomen. Deze mensen zijn niet meegenomen in bevolkingsonderzoek, wat een onderschatting van het werkelijke aantal mensen met schizofrenie veroorzaakt. Naast cijfers over de omvang van schizofrenie uit bevolkingsonderzoek (onder de bevolking tussen de 18 tot 65 jaar), is er informatie beschikbaar over het aantal mensen dat met de diagnose schizofrenie geregistreerd staat bij de huisarts. Daarnaast zijn er gegevens beschikbaar over het aantal mensen dat een behandeling voor schizofrenie ontvangt in de GGZ. Ook deze cijfers geven op zichzelf geen volledig beeld van het aantal mensen met schizofrenie in Nederland.

  • Schizofrenie in bevolkingsonderzoek NEMESIS-2

    Voor het bepalen van de prevalentie van schizofrenie is gebruikgemaakt van het bevolkingsonderzoek NEMESIS-2. Dit onderzoek is gebaseerd op een steekproef van 6.646 mensen uit de algemene Nederlandse bevolking. Het betrof enkel mensen uit zelfstandige huishoudens, met als gevolg dat mensen die in instellingen verbleven niet werden meegenomen. Bij de steekproef werd tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview afgenomen met behulp van de CIDI. Wanneer er sprake was van psychotische symptomen, werd een aanvullend interview afgenomen met behulp van de SCID. Op basis van de SCID werd de diagnose gesteld met behulp van de criteria van de DSM-IV.

    De prevalentie van schizofrenie omvat ook de verwante stoornissen schizofreniforme stoornis en schizoaffectieve stoornis, omdat een verdere uitsplitsing niet kon worden gemaakt. Dezelfde respondenten zijn tussen 2010 en 2012 nogmaals benaderd voor follow-up deelname (de Graaf et al., 2010). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  • Huisartsenregistratie van schizofrenie

    Ter bepaling van de prevalentie en het jaarlijkse aantal nieuwe gevallen van schizofrenie (huidige situatie en trends) zijn gegevens gebruikt van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn. De gebruikte ICPC-1-code voor schizofrenie is P72. 

    Meer informatie over het schatten van morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
  • CBS Doodsoorzakenstatistiek

    De sterftecijfers zijn afkomstig van de CBS Doodsoorzakenstatistiek. Het betreft hier sterfgevallen met schizofrenie als onderliggende doodsoorzaak (ICD-10-code F20).  

  • DBC Informatie Systeem (DIS) van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

    Voor het schatten van het aantal mensen dat in de GGZ een behandeling voor schizofrenie ontving in 2016, is gebruik gemaakt van Diagnose Behandel Combinaties (DBC's). DBC’s leveren informatie over de diagnose en behandeling die een patiënt krijgt binnen een vastgestelde periode. Hiermee vormen ze de basis voor de declaratie van geleverde zorg bij zorgverzekeraars. Om deze reden dragen ze bij aan een schatting van het aantal mensen met schizofrenie in Nederland.

    Hierbij geldt dat patiënten die in 2016 meerdere zorgtrajecten hadden voor dezelfde diagnose, slechts één keer zijn meegeteld. Dan kan het bijvoorbeeld gaan om patiënten die worden doorverwezen of verhuizen. 

    Ook voor het schatten van het aantal nieuwe zorgtrajecten voor persoonlijkheidsstoornissen in 2016, is gebruik gemaakt van DBC's. Bij de schatting hiervan zijn alleen zorgtrajecten vanwege een nieuwe zorgvraag meegeteld. Dat betreft zorgtrajecten van patiënten die noch in 2016, noch één jaar voor de start van het zorgtraject in behandeling zijn geweest bij de instelling of praktijk. Mogelijk waren zij wel al voor die tijd in behandeling. Hier kunnen dubbeltellingen inzitten omdat patiënten die voor dezelfde diagnose binnen verschillende GGZ-instellingen of praktijken zijn behandeld, meerdere zorgtrajecten vanwege een nieuwe zorgvraag kunnen hebben gehad.

    Patiënten met schizofrenie die langer dan één jaar zijn opgenomen in een gespecialiseerde instelling of op straat leven, zijn niet in de DBC-gegevens meegenomen. Mensen met schizofrenie die enkel maatschappelijke zorg ontvangen in het kader van de Wmo, zijn ook niet in de cijfers meegenomen. Dit leidt weer tot een onderschatting van het aantal mensen met schizofrenie. 

  • Kosten van schizofrenie

    De kosten van schizofrenie zijn afkomstig van de Kosten van Ziektenstudie. De voor schizofrenie gebruikte ICD-9 code is 295. 

Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.