Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

SchizofrenieCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Meer mannen dan vrouwen met schizofrenie

Regionaal & Internationaal

Geen informatie beschikbaar

Kosten

Zorguitgaven schizofrenie 416 miljoen euro

Preventie & Zorg

Geen informatie beschikbaar

Risicofactoren schizofrenie

Risicofactoren voor de ontwikkeling van schizofrenie

Risicofactoren

Toelichting

Bron

Genen

  • 80% van risico op schizofrenie bepaald door genetische factoren
  • Risico neemt toe naarmate genetisch verwantschap met familielid met schizofrenie groter is

Kahn et al., 2015Sullivan et al., 2003; van Alphen et al., 2012; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014

22q11-deletiesyndroom

  • Komt bij 1 op de 4.000 mensen voor
  • Verhoogt risico op schizofrenie van minder dan 1% naar 25%

Murphy et al., 1999van Alphen et al., 2012

Urbanisatiegraad
  • Opgroeien in een stedelijke omgeving verhoogt het risico
  • Opgroeien in de Randstad verhoogt risico met factor 1,5

Marcelis et al., 2000van Alphen et al., 2012Vassos et al., 2012

Geboorte-jaargetijde 
  • Geboorte in de winter of het voorjaar verhoogt het risico

Davies et al., 2003van Alphen et al., 2012

Intelligentie
  • Lage intelligentie verhoogt het risico

Khandaker et al., 2011van Alphen et al., 2012

Cannabisgebruik
  • Associatie tussen cannabisgebruik en schizofrenie
  • Bestaan van een causale relatie omstreden

van Os et al., 2002van Alphen et al., 2012

Leeftijd van de vader
  • Hogere leeftijd van de vader verhoogt het risico
  • Leeftijd moeder geen effect 

Kahn et al., 2015Miller et al., 2011

Complicaties omtrent zwangerschap en bevalling
  • Factoren van de moeder: stress, infecties en lichamelijke aandoeningen verhogen het risico
  • Factoren  van de baby: abnormale groei en ontwikkeling, ondervoeding en zuurstofgebrek tijdens de geboorte verhogen het risico

Cannon et al., 2002van Alphen et al., 2012American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014

Traumatische ervaringen in de jeugd
  • Verwaarlozing en misbruik verhogen het risico 
  • Pesten verhoogt het risico
Read et al., 2005; Morgan & Fisher, 2007; Cunningham et al., 2016

Zowel genen als omgeving belangrijk in ontstaan schizofrenie

Schizofrenie ontwikkelt zich door een complexe wisselwerking tussen genetische factoren en omgevingsinvloeden (Sullivan et al., 2003). Of en in welke mate genetische kwetsbaarheid tot psychose leidt, wordt mede bepaald door invloeden uit de omgeving. De invloed daarvan zal per persoon verschillen, omdat mensen verschillen in genetische kwetsbaarheid en de reactie op hun omgeving (Veling et al., In Press).

Risico op schizofrenie neemt toe met genetisch verwantschap 

Genetische factoren spelen een rol in het risico op het ontstaan van schizofrenie. Desondanks komen in de familiegeschiedenis van de meeste mensen met schizofrenie geen psychosen voor. Eeneiige tweelingbroers of -zussen van iemand met schizofrenie hebben het hoogste risico op het krijgen van schizofrenie (40-48%). Voor andere eerste- en tweedegraads familieleden ligt het risico tussen de 6-17%, afhankelijk van de grootte van de genetische verwantschap met een familielid met schizofrenie. 

Hogere urbanisatiegraad leidt tot hoger risico

Mensen die opgroeien in de stad hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van schizofrenie. De reden hiervan is niet bekend. Factoren die mogelijk een rol spelen zijn bijvoorbeeld blootstelling aan infecties en verontreinigende stoffen, effecten van de buurt en de sociale omgeving. 

Jaargetijde van geboorte beïnvloedt risico op schizofrenie

Mensen die zijn geboren in de winter of lente hebben een verhoogd risico op het krijgen van schizofrenie, terwijl mensen die in de zomermaanden zijn geboren juist een verlaagd risico hebben. Dit effect geldt met name voor het noordelijk halfrond. In Nederland hebben mensen geboren in mei of juni een 14% hogere kans schizofrenie te ontwikkelen dan mensen geboren in augustus of september. Mogelijke verklaringen zijn een hogere blootstelling aan virussen tijdens de geboorte en een lage blootstelling aan vitamine D tijdens de zwangerschap. 

Meer informatie 

 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Sullivan PF, Kendler KS, Neale MC. Schizophrenia as a Complex Trait. Archives of General Psychiatry. 2003;60(12):1187. Bron | DOI
  2. Veling W, Bak M, Boonstra N, Castelein S, Gaag M, Gijsman H, et al. Zorgstandaard Psychotische stoornissen. Utrecht; In Press. GoogleScholar
  3. Kahn RS, Sommer IE, Murray RM, Meyer-Lindenberg A, Weinberger DR, Cannon TD, et al. Schizophrenia. Nature Reviews Disease Primers. 2015;1:15067. Bron | DOI
  4. van Alphen C, Ammeraal M, Blanke C, Boonstra N, Boumans H, Bruggeman R, et al. Multidisciplinaire richtlijn schizofrenie. Tweede revisie ed. Utrecht: De Tijdstroom; 2012. Bron
  5. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  6. Murphy KC, Jones LA, Owen MJ. High Rates of Schizophrenia in Adults With Velo-Cardio-Facial Syndrome. Archives of General Psychiatry. 1999;56(10):940. Bron | DOI
  7. Marcelis M., Takei N., van Os J. Urbanization and risk for schizophrenia: Does the effect operate before or around the time of illness onset? Schizophrenia Research. 2000;41(1):64-65. Bron | DOI
  8. Vassos E, Pedersen CB, Murray RM, Collier DA, Lewis CM. Meta-Analysis of the Association of Urbanicity With Schizophrenia. Schizophrenia Bulletin. 2012;38(6):1118-1123. Bron | DOI
  9. Davies G, Welham J, Chant D, Torrey EF, McGrath J. A Systematic Review and Meta-analysis of Northern Hemisphere Season of Birth Studies in Schizophrenia. Schizophrenia Bulletin. 2003;29(3):587-593. Bron | DOI
  10. Khandaker GM, Barnett JH, White IR, Jones PB. A quantitative meta-analysis of population-based studies of premorbid intelligence and schizophrenia. Schizophrenia Research. 2011;132(2-3):220-227. Bron | DOI
  11. van Os J, Bak M, Hanssen M, Bijl RV, de Graaf R, Verdoux H. Cannabis use and psychosis: a longitudinal population-based study. Am J Epidemiol. 2002;156(4):319-27. Pubmed | DOI
  12. Miller B, Messias E, Miettunen J, Alaraisanen A, Jarvelin M-R, Koponen H, et al. Meta-analysis of Paternal Age and Schizophrenia Risk in Male Versus Female Offspring. Schizophrenia Bulletin. 2011;37(5):1039-1047. Bron | DOI
  13. Cannon M, Jones PB, Murray RM. Obstetric Complications and Schizophrenia: Historical and Meta-Analytic Review. American Journal of Psychiatry. 2002;159(7):1080-1092. Bron | DOI
  14. Read J, van Os J, Morrison AP, Ross CA. Childhood trauma, psychosis and schizophrenia: a literature review with theoretical and clinical implications. Acta Psychiatr Scand. 2005;112(5):330-50. Pubmed | DOI
  15. Morgan C, Fisher H. Environment and schizophrenia: environmental factors in schizophrenia: childhood trauma--a critical review. Schizophr Bull. 2007;33(1):3-10. Pubmed | DOI
  16. Cunningham T, Hoy K, Shannon C. Does childhood bullying lead to the development of psychotic symptoms? A meta-analysis and review of prospective studies. Psychosis. 2016;8401071338(1661):48-59. Bron | DOI

Gevolgen van schizofrenie voor het functioneren

Schizofrenie veroorzaakt problemen in sociaal en beroepsmatig functioneren

Mensen met schizofrenie ondervinden op diverse gebieden beperkingen als gevolg van hun ziekte. Aandachts- en concentratieproblemen als gevolg van schizofrenie kunnen leiden tot uitval uit studie of werk. Dit kan achterstanden veroorzaken op het gebied van werk en inkomen, sociaal netwerk en fysieke gezondheid. Dit geldt vooral voor mensen die meerdere malen een psychose hebben doorgemaakt en/of blijvende beperkingen in hun functioneren ervaren. Ook kunnen er als gevolg van verlies van contact met de werkelijkheid problemen zijn met zelfzorg en het zelfstandig voeren van een huishouding. Een onbekend aantal mensen met schizofrenie woont in een psychiatrisch ziekenhuis of beschermde woonvorm, of leeft op straat (Veling et al., In Press; van Alphen et al., 2012; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Veling W, Bak M, Boonstra N, Castelein S, Gaag M, Gijsman H, et al. Zorgstandaard Psychotische stoornissen. Utrecht; In Press. GoogleScholar
  2. van Alphen C, Ammeraal M, Blanke C, Boonstra N, Boumans H, Bruggeman R, et al. Multidisciplinaire richtlijn schizofrenie. Tweede revisie ed. Utrecht: De Tijdstroom; 2012. Bron
  3. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron

Kwaliteit van leven bij schizofrenie

Mensen met schizofrenie hebben lagere kwaliteit van leven 

Voor het meten van kwaliteit van leven worden verschillende indicatoren gebruikt, zoals fysiek functioneren, rolbeperking en vitaliteit. Mensen met schizofrenie hebben volgens de SF-36-vragenlijst een aanzienlijk lagere algemene gezondheidsperceptie en ervaren meer rolbeperkingen dan de algemene bevolking. Daarnaast geven ze aan op sociaal vlak slechter te functioneren en zich minder vitaal te voelen (Bijl & Ravelli, 2000).  

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Bijl RV, Ravelli ACJ. Current and residual functional disability associated with psychopathology: findings from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS). Psychol Med. 2000;30(3):657-68. Pubmed

Comorbiditeit bij schizofrenie

Schizofrenie gaat vaak gepaard met andere stoornissen 

Mensen met schizofrenie hebben daarnaast vaak één of meerdere middelen-gerelateerde stoornissen. Zo hebben de meeste mensen met schizofrenie een rookverslaving (odds-ratio van 5.9). Andere stoornissen die vaak optreden naast schizofrenie zijn angststoornissen, obsessieve-compulsieve stoornis en de paniekstoornis. Ook kan er sprake zijn van agressie, agitatie en suïcidaliteit (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; van Alphen et al., 2012; de Leon & Diaz, 2005). Een hogere mate van comorbiditeit is geassocieerd met grotere verstoringen in het functioneren (Bijl & Ravelli, 2000). 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  2. van Alphen C, Ammeraal M, Blanke C, Boonstra N, Boumans H, Bruggeman R, et al. Multidisciplinaire richtlijn schizofrenie. Tweede revisie ed. Utrecht: De Tijdstroom; 2012. Bron
  3. de Leon J, Diaz FJ. A meta-analysis of worldwide studies demonstrates an association between schizophrenia and tobacco smoking behaviors. Schizophrenia Research. 2005;76(2-3):135-157. Bron | DOI
  4. Bijl RV, Ravelli ACJ. Current and residual functional disability associated with psychopathology: findings from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS). Psychol Med. 2000;30(3):657-68. Pubmed

Verantwoording

Definities
  • Schizofrenie

    In Nederland vindt de classificatie van psychische stoornissen meestal plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). Deze stelt dat er sprake is van schizofrenie wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m F) is voldaan: 

    Criteria ter classificatie schizofrenie

    A Minstens twee van de volgende kenmerken gedurende één maand (waarvan minstens één 1, 2 of 3 moet zijn):
      1. Wanen
      2. Hallucinaties 
      3. Gedesorganiseerd spreken
      4. Ernstig gedesorganiseerd gedrag of katatonie
      5. Negatieve symptomen, bijvoorbeeld initiatiefverlies of afgevlakte emotie
    B Verminderd functioneren op één of meer belangrijke levensgebieden zoals op werk of in interpersoonlijke relaties 
    C Symptomen zijn minstens zes maanden ononderbroken aanwezig (m.u.v. de symptomen uit criterium A die minstens één maand aanwezig moeten zijn)
    D Uitsluitsel van andere stoornissen met psychotische kenmerken 
    E De stoornis wordt niet veroorzaakt door fysiologische effecten van een middel of een somatische aandoening
    F Bij een voorgeschiedenis van een autismespectrumstoornis of communicatiestoornis welke oorsprong had in de kindertijd, wordt schizofrenie alleen geclassificeerd als er sprake is van prominente wanen of hallucinaties


    Bij schizofrenie is er dus geen sprake van een “gespleten persoonlijkheid” of “meerdere persoonlijkheden”. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  • Schizofrenie versus psychotische stoornis

    Er is veel discussie over de term ‘schizofrenie’. Het idee leeft dat de term onvoldoende passend is en het wenselijker is te spreken van ‘psychotische stoornissen’. Psychotische stoornissen worden allen gekenmerkt door psychose: een veranderde beleving van de werkelijkheid die waarnemen, denken en emoties beïnvloedt. Naast schizofrenie, behoren de waanstoornis, schizofreniforme stoornis, schizoaffectieve stoornis, kortdurende psychotische stoornis en psychotische stoornis niet anderszins omschreven (NAO) tot het cluster van psychotische stoornissen. Psychotische symptomen kunnen zich ook voordoen bij andere psychische aandoeningen, waaronder bipolaire stoornis, depressieve stoornis en borderline persoonlijkheidsstoornis en bij overmatig alcohol- of drugsgebruik. Ook in de algemene bevolking komen psychotische symptomen voor. Ongeveer 8% van de volwassen algemene bevolking heeft weleens psychotische ervaringen gehad, zoals wanen of hallucinaties. 4% van deze mensen lijdt in zulke mate aan deze symptomen dat ze hulp behoeven. 2-3% voldoet ooit in het leven aan de criteria voor een psychotische stoornis (Veling et al., In Press).

    Voor Volksgezondheidenzorg.info is gekozen toch de term ‘schizofrenie’ te gebruiken, omdat deze term wordt gehanteerd in de bronnen waarop het RIVM zich baseert, zoals in de huisartsenregistraties en literatuur. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Veling W, Bak M, Boonstra N, Castelein S, Gaag M, Gijsman H, et al. Zorgstandaard Psychotische stoornissen. Utrecht; In Press. GoogleScholar
  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het nieuwe handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 en in de overgangsfase is nog veelal gebruik gemaakt van het oude handboek, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. Dit geldt ook voor schizofrenie.

    Voor schizofrenie geldt dat in de praktijk het verschil tussen gebruik van DSM-IV en DSM-5 voor de classificatie van psychotische stoornissen nihil is. Uit een Nederlands onderzoek bleek bijvoorbeeld dat van de 5.233 patiënten die voldeden aan de DSM-IV criteria voor schizofrenie, er slechts één niet voldeed aan de DSM-5 criteria (Mattila et al., 2015). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Mattila T., Koeter M., Wohlfarth T., Storosum J., van den Brink W., de Haan L., et al. Impact of DSM-5 Changes on the Diagnosis and Acute Treatment of Schizophrenia. Schizophrenia Bulletin. 2015;41(3):637-643. Bron | DOI
Bronverantwoording
  • Incidentie en prevalentie van schizofrenie moeilijk te bepalen

    De informatie over de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van schizofrenie in Nederland is onvolledig, onder meer vanwege het grote aantal mensen met schizofrenie dat op straat leeft of is opgenomen. Deze mensen zijn niet meegenomen in bevolkingsonderzoek, wat een onderschatting van het werkelijke aantal mensen met schizofrenie veroorzaakt. Naast cijfers over de omvang van schizofrenie uit bevolkingsonderzoek (onder de bevolking tussen de 18 tot 65 jaar), is er informatie beschikbaar over het aantal mensen dat met de diagnose schizofrenie geregistreerd staat bij de huisarts. Daarnaast zijn er gegevens beschikbaar over het aantal mensen dat een behandeling voor schizofrenie ontvangt in de GGZ. Ook deze cijfers geven op zichzelf geen volledig beeld van het aantal mensen met schizofrenie in Nederland.

  • Schizofrenie in bevolkingsonderzoek NEMESIS-2

    Voor het bepalen van de prevalentie van schizofrenie is gebruikgemaakt van het bevolkingsonderzoek NEMESIS-2. Dit onderzoek is gebaseerd op een steekproef van 6.646 mensen uit de algemene Nederlandse bevolking. Het betrof enkel mensen uit zelfstandige huishoudens, met als gevolg dat mensen die in instellingen verbleven niet werden meegenomen. Bij de steekproef werd tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview afgenomen met behulp van de CIDI. Wanneer er sprake was van psychotische symptomen, werd een aanvullend interview afgenomen met behulp van de SCID. Op basis van de SCID werd de diagnose gesteld met behulp van de criteria van de DSM-IV.

    De prevalentie van schizofrenie omvat ook de verwante stoornissen schizofreniforme stoornis en schizoaffectieve stoornis, omdat een verdere uitsplitsing niet kon worden gemaakt. Dezelfde respondenten zijn tussen 2010 en 2012 nogmaals benaderd voor follow-up deelname (de Graaf et al., 2010). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  • Huisartsenregistratie van schizofrenie

    Ter bepaling van de prevalentie en het jaarlijkse aantal nieuwe gevallen van schizofrenie zijn gegevens gebruikt van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn. Voor de beschrijving van de trend in prevalentie is gebruikgemaakt van twee andere huisartsenregistraties: RNFM, voorheen RNH-Limburg en FaMe-net. Er is gekozen om de trend te baseren op RNH en FaMe-net omdat deze gegevens over een langere periode beschikbaar hebben dan NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. 

    De in de huisartsenregistraties gebruikte ICPC-1-code voor schizofrenie is P72. 

    Meer informatie over het schatten van morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. RNFM, voorheen RNH-Limburg, Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht voorheen: Registratienet Huisartspraktijken Limburg. zorggegevens.nl
    3. FaMe-net, Family Medicine Network. zorggegevens.nl
  • CBS Doodsoorzakenstatistiek

    De sterftecijfers zijn afkomstig van de CBS Doodsoorzakenstatistiek. Het betreft hier sterfgevallen met schizofrenie als onderliggende doodsoorzaak (ICD-10-code F20).  

  • DBC Informatie Systeem (DIS) van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

    Voor het schatten van het aantal mensen dat in de GGZ een behandeling voor schizofrenie ontving in 2016, is gebruik gemaakt van Diagnose Behandel Combinaties (DBC's). DBC’s leveren informatie over de diagnose en behandeling die een patiënt krijgt binnen een vastgestelde periode. Hiermee vormen ze de basis voor de declaratie van geleverde zorg bij zorgverzekeraars. Om deze reden dragen ze bij aan een schatting van het aantal mensen met schizofrenie in Nederland.

    Hierbij geldt dat patiënten die in 2016 meerdere zorgtrajecten hadden voor dezelfde diagnose, slechts één keer zijn meegeteld. Dan kan het bijvoorbeeld gaan om patiënten die worden doorverwezen of verhuizen. 

    Ook voor het schatten van het aantal nieuwe zorgtrajecten voor persoonlijkheidsstoornissen in 2016, is gebruik gemaakt van DBC's. Bij de schatting hiervan zijn alleen zorgtrajecten vanwege een nieuwe zorgvraag meegeteld. Dat betreft zorgtrajecten van patiënten die noch in 2016, noch één jaar voor de start van het zorgtraject in behandeling zijn geweest bij de instelling of praktijk. Mogelijk waren zij wel al voor die tijd in behandeling. Hier kunnen dubbeltellingen inzitten omdat patiënten die voor dezelfde diagnose binnen verschillende GGZ-instellingen of praktijken zijn behandeld, meerdere zorgtrajecten vanwege een nieuwe zorgvraag kunnen hebben gehad.

    Patiënten met schizofrenie die langer dan één jaar zijn opgenomen in een gespecialiseerde instelling of op straat leven, zijn niet in de DBC-gegevens meegenomen. Mensen met schizofrenie die enkel maatschappelijke zorg ontvangen in het kader van de Wmo, zijn ook niet in de cijfers meegenomen. Dit leidt weer tot een onderschatting van het aantal mensen met schizofrenie. 

  • Kosten van schizofrenie

    De kosten van schizofrenie zijn afkomstig van de Kosten van Ziektenstudie. De voor schizofrenie gebruikte ICD-9 code is 295. 

Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.