Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

SchizofrenieCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Meer mannen dan vrouwen met schizofrenie

Regionaal & Internationaal

Geen informatie beschikbaar

Kosten

Zorguitgaven schizofrenie 416 miljoen euro

Preventie & Zorg

Geen informatie beschikbaar

Prevalentie van schizofrenie in bevolkingsonderzoek

Ongeveer 0,5% van mensen in de leeftijd van 18 tot 65 jaar heeft schizofrenie (gehad)

In 2010 had naar schatting 0,5% van de Nederlandse bevolking in de leeftijd van 18 tot 65 jaar ooit in zijn of haar leven schizofrenie (gehad). Dit is een schatting op basis van gegevens uit het bevolkingsonderzoek NEMESIS-2 (lifetime prevalentie). Een uitsplitsing naar leeftijd en geslacht kon in dit onderzoek niet worden gemaakt (de Graaf et al., 2010). NEMESIS-2 is het meest recente bevolkingsonderzoek dat op dit moment beschikbaar is. Prevalentiecijfers kunnen intussen veranderd zijn door verschillen in risico's en door de bevolkingssamenstelling, maar ook omdat intussen het classificatiesysteem van psychische stoornissen gewijzigd is. In internationale studies zijn vergelijkbare percentages van de lifetime prevalentie van schizofrenie gevonden, namelijk tussen 0,3-1,0% (Kahn et al., 2015; van Os & Kapur, 2009). 

Meer informatie 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  2. Kahn RS, Sommer IE, Murray RM, Meyer-Lindenberg A, Weinberger DR, Cannon TD, et al. Schizophrenia. Nature Reviews Disease Primers. 2015;1:15067. Bron | DOI
  3. van Os J, Kapur S. Schizophrenia. Lancet. 2009;374(9690):635-45. Pubmed | DOI

Prevalentie schizofrenie in huisartsenpraktijk naar leeftijd en geslacht

57.600 mensen bij de huisarts geregistreerd met diagnose schizofrenie

In 2018 stonden 57.600 mensen bij de huisarts geregistreerd met schizofrenie, 37.000 mannen en 20.600 vrouwen. Dit komt overeen met 4,3 per 1.000 mannen en 2,4 per 1.000 vrouwen. De diagnose wordt doorgaans niet gesteld door de huisarts, maar door een gespecialiseerd psycholoog of psychiater.

Meer mannen dan vrouwen met schizofrenie

Op basis van de gegevens van huisartsenregistraties komt schizofrenie meer voor  onder mannen dan onder vrouwen. Dit is in overeenstemming met bestaande literatuur, waaruit ook blijkt dat er bij mannen vaker dan bij vrouwen sprake is van een ernstige vorm van schizofrenie. Bij mannen duurt de stoornis vaak langer en zijn er meer symptomen. De prognose is doorgaans gunstiger voor vrouwen (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Roy et al., 2001; Kahn et al., 2015). 

Meer informatie 

Datum publicatie

18-09-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  2. Roy MA, Maziade M, Labbé A, Mérette C. Male gender is associated with deficit schizophrenia: a meta-analysis. Schizophrenia Research. 2001;47(2-3):141-147. Bron | DOI
  3. Kahn RS, Sommer IE, Murray RM, Meyer-Lindenberg A, Weinberger DR, Cannon TD, et al. Schizophrenia. Nature Reviews Disease Primers. 2015;1:15067. Bron | DOI

Aantal personen met een DBC-gefinancierd zorgtraject voor schizofrenie

Prevalentie personen met DBC-gefinancierde GGZ voor schizofrenie 2016

LeeftijdMannenVrouwen
0 tot 5 jaar00
5 tot 10 jaar00
10 tot 15 jaar00
15 tot 20 jaar60
20 tot 25 jaar12120
25 tot 30 jaar26558
30 tot 35 jaar441102
35 tot 40 jaar590140
40 tot 45 jaar564155
45 tot 50 jaar453168
50 tot 55 jaar403187
55 tot 60 jaar320196
60 tot 65 jaar249200
65 tot 70 jaar153147
70 tot 75 jaar86127
75 tot 80 jaar55108
80 tot 85 jaar3970
85 tot 90 jaar2048
90 jaar of ouder527
  • Het betreft voorlopige cijfers voor 2016

29.490 personen met DBC-gefinancierd zorgtraject  voor schizofrenie  

In 2016 waren er 29.490 mensen die een zorgtraject voor schizofrenie ontvingen in de GGZ. Het betrof 20.560 mannen en 8.925 vrouwen. Dit komt overeen met 243 per 100.000 mannen en 104 per 100.000 vrouwen. Dit aantal is gebaseerd op het aantal Diagnose Behandel Combinaties (DBC's) met schizofrenie als primaire- of nevendiagnose in 2016. In de gegevens zijn mensen met schizofrenie die langer dan één jaar zijn opgenomen in een gespecialiseerde instelling of op straat leven, niet meegenomen. Mensen met schizofrenie die enkel maatschappelijke zorg ontvangen in het kader van de Wmo, zijn ook niet in de cijfers meegenomen. Dit veroorzaakt een onderschatting van het aantal mensen dat een behandeling ontvangt voor schizofrenie. 

Meer informatie

Datum publicatie

02-12-2019

Prevalentie van schizofrenie naar etniciteit

Meer schizofrenie onder migranten

Schizofrenie lijkt vaker voor te komen onder migranten dan onder autochtone Nederlanders, in het bijzonder migranten uit Suriname en de Nederlandse Antillen en Marokkaanse mannen. Dit geldt zowel voor de eerste als tweede generatie allochtonen (Veling et al., 2006; van Alphen et al., 2012; Cantor-Graae & Selten, 2005). Dit verhoogde risico hangt waarschijnlijk samen met het hebben van een negatieve sociale etnische minderheidspositie. Bij het vaststellen van schizofrenie is het van belang rekening te houden met culturele verschillen. Ideeën die in de ene cultuur als waanidee worden beschouwd (bijvoorbeeld hekserij), kunnen in een andere cultuur algemeen aanvaard zijn (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Veling et al., In Press).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Veling W, Selten J-P, Veen N, Laan W, Blom JD, Hoek HW. Incidence of schizophrenia among ethnic minorities in the Netherlands: A four-year first-contact study. Schizophrenia Research. 2006;86(1-3):189-193. Bron | DOI
  2. van Alphen C, Ammeraal M, Blanke C, Boonstra N, Boumans H, Bruggeman R, et al. Multidisciplinaire richtlijn schizofrenie. Tweede revisie ed. Utrecht: De Tijdstroom; 2012. Bron
  3. Cantor-Graae E, Selten J-P. Schizophrenia and Migration: A Meta-Analysis and Review. American Journal of Psychiatry. 2005;162(1):12-24. Bron | DOI
  4. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  5. Veling W, Bak M, Boonstra N, Castelein S, Gaag M, Gijsman H, et al. Zorgstandaard Psychotische stoornissen. Utrecht; In Press. GoogleScholar

Nieuwe gevallen schizofrenie in huisartsenpraktijk naar leeftijd en geslacht

Nieuwe gevallen schizofrenie 2018

LeeftijdMannenVrouwen
0-40,000,00
5-90,000,00
10-140,001,77
15-197,564,87
20-242,830,00
25-2940,0111,58
30-3435,338,97
35-3927,0417,23
40-4428,7415,56
45-4924,446,13
50-5417,2814,70
55-5926,9010,14
60-6411,5614,19
65-6913,5620,27
70-7410,217,20
75-790,005,24
80-840,0011,46
85+0,000,00

Ruim 2.000 nieuwe gevallen van schizofrenie door huisarts geregistreerd

In 2018 registreerden huisartsen 2.120 nieuwe gevallen van schizofrenie. Het betrof 1.360 mannen en 760 vrouwen, wat overeenkomt met 16 per 100.000 mannen en 9 per 100.000 vrouwen. De diagnose wordt doorgaans niet gesteld door de huisarts, maar door een gespecialiseerd psycholoog of psychiater. In internationale studies zijn soortgelijke cijfers van het aantal nieuwe gevallen van schizofrenie gevonden; gemiddeld genomen ging het om 15 per 100.000 personen (McGrath et al., 2004). Het onregelmatige patroon naar leeftijd in de hiernaast weergegeven grafiek is het gevolg van de kleine aantallen. 

Mannen ontwikkelen schizofrenie eerder dan vrouwen

Schizofrenie ontwikkelt zich bij mannen gemiddeld 5 jaar eerder dan bij vrouwen. Bij mannen heeft de eerste psychose meestal plaats tussen het 16e en 35e levensjaar; bij vrouwen is dit meer variabel. In de menopauze hebben vrouwen een verhoogde kans op schizofrenie. Ontwikkeling van schizofrenie op late leeftijd bij mannen is zeldzaam (van Alphen et al., 2012; Castle & Murray, 1993; Veling et al., In Press).

Meer informatie 

Datum publicatie

18-09-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. McGrath J, Saha S, Welham J, Saadi OEl, MacCauley C, Chant D. A systematic review of the incidence of schizophrenia: the distribution of rates and the influence of sex, urbanicity, migrant status and methodology. BMC Med. 2004;2:13. Pubmed | DOI
  2. van Alphen C, Ammeraal M, Blanke C, Boonstra N, Boumans H, Bruggeman R, et al. Multidisciplinaire richtlijn schizofrenie. Tweede revisie ed. Utrecht: De Tijdstroom; 2012. Bron
  3. Castle DJ, Murray RM. The epidemiology of late-onset schizophrenia. Schizophr Bull. 1993;19(4):691-700. Pubmed
  4. Veling W, Bak M, Boonstra N, Castelein S, Gaag M, Gijsman H, et al. Zorgstandaard Psychotische stoornissen. Utrecht; In Press. GoogleScholar

Aantal nieuwe DBC-gefinancierde zorgtrajecten voor schizofrenie

Nieuwe DBC-gefinancierde zorgtrajecten voor schizofrenie 2016

LeeftijdMannenVrouwen
0 tot 20 jaar20
20 tot 40 jaar7719
40 tot 60 jaar5423
60 tot 80 jaar1819
80 jaar of ouder511

Bron: DBC-zorgtrajecten op CBS StatLine

  • Het betreft voorlopige cijfers voor 2016

4.635 nieuwe DBC-gefinancierde zorgtrajecten voor schizofrenie 

In 2016 werden 4.635 nieuwe zorgtrajecten geopend voor schizofrenie in de GGZ. Het betrof 3.305 zorgtrajecten voor mannen en 1.335 zorgtrajecten voor vrouwen. Dit komt overeen met 39 per 100.000 mannen en 16 per 100.000 vrouwen. Deze cijfers zijn gebaseerd op het aantal nieuwe Diagnose Behandel Combinaties (DBC's) met schizofrenie als primaire- of nevendiagnose in 2016. Er kan sprake zijn van meer dan één zorgtraject voor eenzelfde diagnose per patiënt, wat mogelijk een overschatting veroorzaakt.

Meer informatie 

Datum publicatie

02-12-2019

Bevolkingsonderzoek versus huisartsenregistratie

Niet iedereen met schizofrenie bij de huisarts bekend

De cijfers over het aantal mensen met schizofrenie zijn in huisartsenregistraties lager dan de cijfers uit bevolkingsonderzoek. Hier zijn ten minste drie oorzaken voor aan te wijzen: 

  • Vanwege een gebrek aan ziekte-inzicht zoeken niet alle mensen met schizofrenie professionele hulp (Mintz et al., 2003). 
  • In de tweede lijn gestelde diagnoses worden niet altijd goed opgenomen in huisartsenregistraties (door incomplete terugkoppeling door GGZ-zorgverleners aan huisartsen, en/of incomplete toevoeging van diagnose-informatie aan het patiëntendossier).
  • Een deel van de mensen met schizofrenie gaat niet eerst naar de huisarts, maar direct naar een vrijgevestigd psycholoog.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Mintz AR, Dobson KS, Romney DM. Insight in schizophrenia: a meta-analysis. Schizophrenia Research. 2003;61(1):75-88. Bron | DOI

Verantwoording

Definities
  • Schizofrenie

    In Nederland vindt de classificatie van psychische stoornissen meestal plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). Deze stelt dat er sprake is van schizofrenie wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m F) is voldaan: 

    Criteria ter classificatie schizofrenie

    A Minstens twee van de volgende kenmerken gedurende één maand (waarvan minstens één 1, 2 of 3 moet zijn):
      1. Wanen
      2. Hallucinaties 
      3. Gedesorganiseerd spreken
      4. Ernstig gedesorganiseerd gedrag of katatonie
      5. Negatieve symptomen, bijvoorbeeld initiatiefverlies of afgevlakte emotie
    B Verminderd functioneren op één of meer belangrijke levensgebieden zoals op werk of in interpersoonlijke relaties 
    C Symptomen zijn minstens zes maanden ononderbroken aanwezig (m.u.v. de symptomen uit criterium A die minstens één maand aanwezig moeten zijn)
    D Uitsluitsel van andere stoornissen met psychotische kenmerken 
    E De stoornis wordt niet veroorzaakt door fysiologische effecten van een middel of een somatische aandoening
    F Bij een voorgeschiedenis van een autismespectrumstoornis of communicatiestoornis welke oorsprong had in de kindertijd, wordt schizofrenie alleen geclassificeerd als er sprake is van prominente wanen of hallucinaties


    Bij schizofrenie is er dus geen sprake van een “gespleten persoonlijkheid” of “meerdere persoonlijkheden”. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  • Schizofrenie versus psychotische stoornis

    Er is veel discussie over de term ‘schizofrenie’. Het idee leeft dat de term onvoldoende passend is en het wenselijker is te spreken van ‘psychotische stoornissen’. Psychotische stoornissen worden allen gekenmerkt door psychose: een veranderde beleving van de werkelijkheid die waarnemen, denken en emoties beïnvloedt. Naast schizofrenie, behoren de waanstoornis, schizofreniforme stoornis, schizoaffectieve stoornis, kortdurende psychotische stoornis en psychotische stoornis niet anderszins omschreven (NAO) tot het cluster van psychotische stoornissen. Psychotische symptomen kunnen zich ook voordoen bij andere psychische aandoeningen, waaronder bipolaire stoornis, depressieve stoornis en borderline persoonlijkheidsstoornis en bij overmatig alcohol- of drugsgebruik. Ook in de algemene bevolking komen psychotische symptomen voor. Ongeveer 8% van de volwassen algemene bevolking heeft weleens psychotische ervaringen gehad, zoals wanen of hallucinaties. 4% van deze mensen lijdt in zulke mate aan deze symptomen dat ze hulp behoeven. 2-3% voldoet ooit in het leven aan de criteria voor een psychotische stoornis (Veling et al., In Press).

    Voor Volksgezondheidenzorg.info is gekozen toch de term ‘schizofrenie’ te gebruiken, omdat deze term wordt gehanteerd in de bronnen waarop het RIVM zich baseert, zoals in de huisartsenregistraties en literatuur. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Veling W, Bak M, Boonstra N, Castelein S, Gaag M, Gijsman H, et al. Zorgstandaard Psychotische stoornissen. Utrecht; In Press. GoogleScholar
  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het nieuwe handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 en in de overgangsfase is nog veelal gebruik gemaakt van het oude handboek, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. Dit geldt ook voor schizofrenie.

    Voor schizofrenie geldt dat in de praktijk het verschil tussen gebruik van DSM-IV en DSM-5 voor de classificatie van psychotische stoornissen nihil is. Uit een Nederlands onderzoek bleek bijvoorbeeld dat van de 5.233 patiënten die voldeden aan de DSM-IV criteria voor schizofrenie, er slechts één niet voldeed aan de DSM-5 criteria (Mattila et al., 2015). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Mattila T., Koeter M., Wohlfarth T., Storosum J., van den Brink W., de Haan L., et al. Impact of DSM-5 Changes on the Diagnosis and Acute Treatment of Schizophrenia. Schizophrenia Bulletin. 2015;41(3):637-643. Bron | DOI
Bronverantwoording
  • Incidentie en prevalentie van schizofrenie moeilijk te bepalen

    De informatie over de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van schizofrenie in Nederland is onvolledig, onder meer vanwege het grote aantal mensen met schizofrenie dat op straat leeft of is opgenomen. Deze mensen zijn niet meegenomen in bevolkingsonderzoek, wat een onderschatting van het werkelijke aantal mensen met schizofrenie veroorzaakt. Naast cijfers over de omvang van schizofrenie uit bevolkingsonderzoek (onder de bevolking tussen de 18 tot 65 jaar), is er informatie beschikbaar over het aantal mensen dat met de diagnose schizofrenie geregistreerd staat bij de huisarts. Daarnaast zijn er gegevens beschikbaar over het aantal mensen dat een behandeling voor schizofrenie ontvangt in de GGZ. Ook deze cijfers geven op zichzelf geen volledig beeld van het aantal mensen met schizofrenie in Nederland.

  • Schizofrenie in bevolkingsonderzoek NEMESIS-2

    Voor het bepalen van de prevalentie van schizofrenie is gebruikgemaakt van het bevolkingsonderzoek NEMESIS-2. Dit onderzoek is gebaseerd op een steekproef van 6.646 mensen uit de algemene Nederlandse bevolking. Het betrof enkel mensen uit zelfstandige huishoudens, met als gevolg dat mensen die in instellingen verbleven niet werden meegenomen. Bij de steekproef werd tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview afgenomen met behulp van de CIDI. Wanneer er sprake was van psychotische symptomen, werd een aanvullend interview afgenomen met behulp van de SCID. Op basis van de SCID werd de diagnose gesteld met behulp van de criteria van de DSM-IV.

    De prevalentie van schizofrenie omvat ook de verwante stoornissen schizofreniforme stoornis en schizoaffectieve stoornis, omdat een verdere uitsplitsing niet kon worden gemaakt. Dezelfde respondenten zijn tussen 2010 en 2012 nogmaals benaderd voor follow-up deelname (de Graaf et al., 2010). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  • Huisartsenregistratie van schizofrenie

    Ter bepaling van de prevalentie en het jaarlijkse aantal nieuwe gevallen van schizofrenie (huidige situatie en trends) zijn gegevens gebruikt van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn. De gebruikte ICPC-1-code voor schizofrenie is P72. 

    Meer informatie over het schatten van morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
  • CBS Doodsoorzakenstatistiek

    De sterftecijfers zijn afkomstig van de CBS Doodsoorzakenstatistiek. Het betreft hier sterfgevallen met schizofrenie als onderliggende doodsoorzaak (ICD-10-code F20).  

  • DBC Informatie Systeem (DIS) van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

    Voor het schatten van het aantal mensen dat in de GGZ een behandeling voor schizofrenie ontving in 2016, is gebruik gemaakt van Diagnose Behandel Combinaties (DBC's). DBC’s leveren informatie over de diagnose en behandeling die een patiënt krijgt binnen een vastgestelde periode. Hiermee vormen ze de basis voor de declaratie van geleverde zorg bij zorgverzekeraars. Om deze reden dragen ze bij aan een schatting van het aantal mensen met schizofrenie in Nederland.

    Hierbij geldt dat patiënten die in 2016 meerdere zorgtrajecten hadden voor dezelfde diagnose, slechts één keer zijn meegeteld. Dan kan het bijvoorbeeld gaan om patiënten die worden doorverwezen of verhuizen. 

    Ook voor het schatten van het aantal nieuwe zorgtrajecten voor persoonlijkheidsstoornissen in 2016, is gebruik gemaakt van DBC's. Bij de schatting hiervan zijn alleen zorgtrajecten vanwege een nieuwe zorgvraag meegeteld. Dat betreft zorgtrajecten van patiënten die noch in 2016, noch één jaar voor de start van het zorgtraject in behandeling zijn geweest bij de instelling of praktijk. Mogelijk waren zij wel al voor die tijd in behandeling. Hier kunnen dubbeltellingen inzitten omdat patiënten die voor dezelfde diagnose binnen verschillende GGZ-instellingen of praktijken zijn behandeld, meerdere zorgtrajecten vanwege een nieuwe zorgvraag kunnen hebben gehad.

    Patiënten met schizofrenie die langer dan één jaar zijn opgenomen in een gespecialiseerde instelling of op straat leven, zijn niet in de DBC-gegevens meegenomen. Mensen met schizofrenie die enkel maatschappelijke zorg ontvangen in het kader van de Wmo, zijn ook niet in de cijfers meegenomen. Dit leidt weer tot een onderschatting van het aantal mensen met schizofrenie. 

  • Kosten van schizofrenie

    De kosten van schizofrenie zijn afkomstig van de Kosten van Ziektenstudie. De voor schizofrenie gebruikte ICD-9 code is 295. 

Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.