Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Posttraumatische stressstoornisCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Meer vrouwen dan mannen met PTSS

Regionaal & Internationaal

Geen informatie beschikbaar

Kosten

Geen informatie beschikbaar

Preventie & Zorg

Geen informatie beschikbaar

Prevalentie van PTSS in de bevolking

Ongeveer 7% van de Nederlanders heeft ooit in het leven PTSS 

Tussen 2004 en 2005 heeft naar schatting 7,4% van de Nederlandse bevolking in de leeftijd van 18 tot 80 jaar ooit in zijn of haar leven een posttraumatische stressstoornis -afgekort PTSS- (gehad). Dit is de meest recente schatting op basis van gegevens uit een onderzoek onder een steekproef van de Nederlandse bevolking (de Vries & Olff, 2009). Het ging om 8,8% van de vrouwen en 4,3% van de mannen. De hogere prevalentie van PTSS onder vrouwen is gedeeltelijk te verklaren door een hogere blootstelling aan seksueel geweld. Andere factoren die een rol kunnen spelen zijn een jongere leeftijd ten tijde van blootstelling aan de traumatische gebeurtenis en een hogere mate van dissociatie gedurende deze gebeurtenis (de Vries & Olff, 2009; Olff et al., 2007). De jaarprevalentie van PTSS bij volwassenen is 2,6 tot 3,3%. Een veel hoger percentage mensen, tussen de 52-81%, maakt ooit in het leven een schokkende gebeurtenis mee. Ongeveer 14% ontwikkelt in reactie hierop een PTSS (de Vries & Olff, 2009; Darves-Bornoz et al., 2008; Bronner et al., 2009). 

Risico op PTSS het grootst in de leeftijd 18-34 jaar 

Bij kinderen en adolescenten is de prevalentie van PTSS relatief laag. In de volwassen bevolking hebben mensen tussen de 18 en 34 jaar met 9,8% het grootste risico op een PTSS. De voornaamste verklaring hiervoor is een hogere blootstelling aan geweld. De prevalentie van PTSS neemt bij benadering lineair af met het stijgen van de leeftijd en daalt naar 2,7% bij 65-plussers (de Vries & Olff, 2009; Kessler et al., 2007; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). 

Meer informatie 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. de Vries G-J, Olff M. The lifetime prevalence of traumatic events and posttraumatic stress disorder in the Netherlands. Journal of Traumatic Stress. 2009;22(4):259-267. Bron
  2. Olff M, Langeland W, Draijer N, Gersons BPR. Gender differences in posttraumatic stress disorder. Psychol Bull. 2007;133(2):183-204. Pubmed | DOI
  3. Darves-Bornoz J-M, Alonso J, de Girolamo G, de Graaf R, Haro J-M, Kovess-Masfety V, et al. Main traumatic events in Europe: PTSD in the European study of the epidemiology of mental disorders survey. J Trauma Stress. 2008;21(5):455-62. Pubmed | DOI
  4. Bronner MB, Peek N, de Vries M, Bronner AE, Last BF, Grootenhuis MA. A community-based survey of posttraumatic stress disorder in the Netherlands. Journal of Traumatic Stress. 2009;221093355184960923117711129625210161(1):74-78. Bron
  5. Kessler RC, Angermeyer MC, Anthony JC, de Graaf R, Demyttenaere K, Gasquet I, et al. Lifetime prevalence and age-of-onset distributions of mental disorders in the World Health Organization's World Mental Health Survey Initiative. World Psychiatry. 2007;6(3):168-76. Pubmed
  6. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron

Prevalentie van PTSS in de huisartsenpraktijk

Prevalentie van PTSS in de huisartsenpraktijk 2013-2015

Leeftijd Mannen Vrouwen
0-400,6
5-91,60,9
10-140,92
15-193,48,3
20-245,511,5
25-294,86,9
30-349,56,9
35-394,57,9
40-441,85,8
45-4937
50-542,85,2
55-592,22,9
60-640,82,6
65-691,50
70-7400
75-791,10
80-8400
85+00

Bron: FaMe-net

60.000 mensen bij de huisarts geregistreerd met diagnose PTSS 

Van 2013 tot 2015 stonden er gemiddeld 60.000 mensen per jaar bij de huisarts geregistreerd met een PTSS, 23.000 mannen en 37.000 vrouwen. Dit komt overeen met 2,8 per 1.000 mannen en 4,3 per 1.000 vrouwen. Deze schatting is gebaseerd op de huisartsenregistratie FaMe-net. De diagnose wordt doorgaans niet gesteld door de huisarts, maar door een gespecialiseerd psycholoog of psychiater. 

Meer informatie

Aantal personen met een DBC-gefinancierd zorgtraject voor PTSS

Prevalentie personen met DBC-gefinancierde GGZ voor PTSS 2016

LeeftijdMannenVrouwen
0 tot 5 jaar00
5 tot 10 jaar00
10 tot 15 jaar00
15 tot 20 jaar62180
20 tot 25 jaar3371098
25 tot 30 jaar4111417
30 tot 35 jaar5381491
35 tot 40 jaar5761357
40 tot 45 jaar6021190
45 tot 50 jaar5181039
50 tot 55 jaar484905
55 tot 60 jaar405750
60 tot 65 jaar271458
65 tot 70 jaar109225
70 tot 75 jaar67127
75 tot 80 jaar72105
80 tot 85 jaar6372
85 tot 90 jaar3235
90 jaar of ouder7713
  • Het betreft voorlopige cijfers voor 2016

90.660 personen met DBC-gefinancierd zorgtraject voor PTSS 

In 2016 waren er 81.570 mensen die een zorgtraject voor PTSS ontvingen in de GGZ. Het betrof 24.855 mannen en 56.715 vrouwen. Dit komt overeen met 294 per 100.000 mannen en 661 per 100.000 vrouwen in de bevolking. Dit aantal is gebaseerd op het aantal Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s) met PTSS als primaire- of nevendiagnose in 2016.  

Meer informatie

 

Prevalentie van PTSS naar beroepsgroep

Prevalentie van PTSS-klachten bij risico-beroepsgroepen

Beroepsgroep

Prevalentie PTSS-klachten (%)

Soort risico

Bron

Ziekenhuisartsen

15

Absoluut risicoa

Ruitenburg et al., 2012

Ambulancepersoneel

12

Conditioneel risicob

van der Ploeg & Kleber, 2003

Verzorgers van gehandicapten

8

Absoluut risicoa

Blekemolen et al., 2016

Politieagenten

7

Conditioneel risicob

Carlier et al., 1997

Defensiepersoneel

4-9

Absoluuta en conditioneelb risico

Reijnen et al., 2015

Brandweermannen

3-5

Absoluut risicoa

Plat et al., 2012

a) Absoluut risico: het risico op PTSS in de totale beroepsgroep
b) Conditioneel risico: het risico op PTSS in een beroepsgroep die is blootgesteld aan een schokkende gebeurtenis op het werk 

PTSS komt vaker voor bij bepaalde beroepsgroepen 

Het beoefenen van bepaalde beroepen is geassocieerd met een verhoogd risico op het ontwikkelen van PTSS. Dit heeft te maken met de hogere blootstelling aan schokkende gebeurtenissen in deze beroepen. Zo is het risico op PTSS bijvoorbeeld verhoogd onder werknemers in de zorg. Vanwege een schaarste naar onderzoek over PTSS in specifieke beroepssectoren, geven de percentages van PTSS-klachten per beroepsgroep slechts een ruwe indicatie. Methodologische verschillen tussen de studies vormen ook een aanleiding om de cijfers met voorzichtigheid te interpreteren (Skogstad et al., 2013; Berger et al., 2012). 

Meer informatie

 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Skogstad M, Skorstad M, Lie A, Conradi HS, Heir T, Weisæth L. Work-related post-traumatic stress disorder. Occup Med (Lond). 2013;63(3):175-82. Pubmed | DOI
  2. Berger W, Coutinho ESF, Figueira I, Marques-Portella C, Luz MP, Neylan TC, et al. Rescuers at risk: a systematic review and meta-regression analysis of the worldwide current prevalence and correlates of PTSD in rescue workers. Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol. 2012;47(6):1001-11. Pubmed | DOI
  3. Ruitenburg MM, Frings-Dresen MHW, Sluiter JK. The prevalence of common mental disorders among hospital physicians and their association with self-reported work ability: a cross-sectional study. BMC Health Serv Res. 2012;12:292-8. Pubmed | DOI
  4. van der Ploeg E, Kleber RJ. Acute and chronic job stressors among ambulance personnel: predictors of health symptoms. Occup Environ Med. 2003;60 Suppl 1:i40-6. Pubmed
  5. Blekemolen JRM, Hulshof CTJ, Sluiter JK. The Prevalence of Work-Related Stress Complaints among Healthcare Workers for the Disabled Participating in a Workers? Health Surveillance Program. Occupational Medicine & Health Affairs. 2016;04(06). Bron
  6. Carlier IV, Lamberts RD, Gersons BP. Risk factors for posttraumatic stress symptomatology in police officers: a prospective analysis. J Nerv Ment Dis. 1997;185(8):498-506. Bron | Pubmed
  7. Reijnen A, Rademaker AR, Vermetten E, Geuze E. Prevalence of mental health symptoms in Dutch military personnel returning from deployment to Afghanistan: a 2-year longitudinal analysis. Eur Psychiatry. 2015;30(2):341-6. Pubmed | DOI
  8. Plat M-CJ, Frings-Dresen MHW, Sluiter JK. Which subgroups of fire fighters are more prone to work-related diminished health requirements? International Archives of Occupational and Environmental Health. 2012;8516281410831450196060280(771114Suppl I19):775-782. Bron

Aantal nieuwe gevallen van PTSS in de huisartsenpraktijk

Nieuwe gevallen van PTSS in de huisartsenpraktijk 2013-2015

Leeftijd Mannen Vrouwen
0-400
5-91,40,9
10-140,31
15-191,24,4
20-243,35
25-291,84,1
30-345,53,5
35-391,84,4
40-4412,8
45-490,83,9
50-540,92,1
55-591,11,5
60-640,41,7
65-6910
70-7400
75-791,10
80-8400
85+00

Bron: FaMe-net

  • PTSS: ICPC-2-code P82
  • Gemiddeld aantal nieuwe gevallen per jaar over de periode 2013-2015

30.300 nieuwe gevallen van PTSS door huisarts geregistreerd

Van 2013 tot 2015 registreerden huisartsen naar schatting gemiddeld 30.300 nieuwe gevallen van PTSS per jaar. Het betrof 11.200 mannen en 19.100 vrouwen. Dit komt overeen met 1,3 per 1.000 mannen en 2,2 per 1.000 vrouwen in de bevolking. Deze schatting is gebaseerd op de huisartsenregistratie FaMe-net. De diagnose wordt doorgaans niet gesteld door de huisarts, maar door een gespecialiseerd psycholoog of psychiater. 

Meer informatie

Aantal nieuwe DBC-gefinancierde zorgtrajecten voor PTSS

32.055 nieuwe DBC-gefinancierde zorgtrajecten voor PTSS 

In 2016 werden 32.055 nieuwe zorgtrajecten geopend voor PTSS in de GGZ. Het betrof 9.850 zorgtrajecten voor mannen en 22.205 zorgtrajecten voor vrouwen. Dit komt overeen met 117 per 100.000 mannen en 259 per 100.000 vrouwen in de bevolking. Deze cijfers zijn gebaseerd op het aantal nieuwe Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s) met PTSS als primaire- of nevendiagnose in 2016. Er kan sprake zijn van meer dan één zorgtraject voor eenzelfde diagnose per patiënt, wat mogelijk een overschatting veroorzaakt.

Meer informatie

 

Aantal nieuwe gevallen van PTSS in de beroepsbevolking

5.200-8.900 nieuwe gevallen van PTSS als beroepsziekte 

Voor 2013 schatte het RIVM in de VZ-registraties het aantal nieuwe gevallen van PTSS als beroepsziekte op 8.900. Het gaat hierbij om gevallen van PTSS die als gevolg van een schokkende gebeurtenis op het werk zijn ontstaan. Dit aantal is geschat op basis van cijfers uit de NZR (Nivel Zorgregistraties eerste lijn). In 2014 gaf 0,1% van alle werknemers in de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) aan dat ze een PTSS hadden, die in het afgelopen jaar was ontstaan. Dit komt neer op 5.200 nieuwe gevallen van PTSS. In deze vragenlijst rapporteerden werknemers zelf dat ze PTSS hadden en dat deze door een specialist was vastgesteld. De ziektegevallen gebaseerd op de NZR vallen hoger uit dan de cijfers uit de NEA. Dit heeft te maken met methodologische verschillen. Waarom het verschil zo groot is, is niet duidelijk (Arbobalans, 2016). 

289 meldingen van PTSS aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) 

In 2015 zijn 289 nieuwe gevallen van PTSS als beroepsziekte gemeld aan het NCvB. Dit aantal vormt 11% van de ruim 2.600 meldingen voor psychische aandoeningen (NCvB, 2016). Dit is een onderschatting van het werkelijke aantal. De meeste meldingen van PTSS betroffen politiefunctionarissen, gevolgd door medewerkers gezondheidszorg, voornamelijk in de psychiatrie en zwakzinnigenzorg, defensiepersoneel en treinmachinisten en –conducteurs. De incidenten die aanleiding gaven tot PTSS betroffen vooral ernstige agressie gericht op de werknemer of het getuige zijn van agressieve daden naar zichzelf (suïcidepoging) of anderen. Het Peilstation Intensief Melden (PIM), een verdiepende registratie door een groep bedrijfsartsen, schatte dat 8 op de 100.000 werknemers binnen een jaar PTSS ontwikkelt. 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl

Bevolkingsonderzoek versus huisartsenregistratie

Niet iedereen met PTSS bij de huisarts bekend

De prevalentiecijfers van PTSS zijn in huisartsenregistraties lager dan de cijfers uit bevolkingsonderzoek. Hier zijn ten minste drie oorzaken voor aan te wijzen:

  • Veel mensen met PTSS zoeken geen professionele hulp voor hun klachten. Factoren die hieraan bijdragen zijn verwachtingen dat de symptomen vanzelf zullen overgaan of juist niet verholpen kunnen worden, en gevoelens van schaamte. Daarnaast vermijden mensen met PTSS vaak herinneringen aan de traumatische gebeurtenis en kunnen ze hierdoor bang zijn de traumatische gebeurtenis te bespreken met een hulpverlener (Foa et al., 2010).  
  • In de specialistische GGZ gestelde diagnoses worden niet altijd goed opgenomen in huisartsenregistraties. Dit komt door incomplete terugkoppeling door GGZ-zorgverleners aan huisartsen, en/of incomplete toevoeging van diagnose-informatie aan het patiëntendossier.
  • Een deel van de mensen met PTSS gaat niet als eerste naar de huisarts, maar direct naar een vrijgevestigd psycholoog. 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Foa EB, Keane TM, Friedman MJ, Cohen JA. Effective Treatments for PTSD: Practice Guidelines from the International Society for Traumatic Stress Studies (2nd ed.). New York: The Guilford Press; 2010. Bron

Verantwoording

Definities
  • Definitie van PTSS, trauma en acute stressstoornis

    In Nederland vindt de classificatie van psychische stoornissen plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (DSM-5; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). Deze stelt dat er sprake is van PTSS wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m H) is voldaan: 

    Criteria ter classificatie van PTSS

    A

    Ervaring van trauma: blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld

    B

    Ongewenste herinneringen die samenhangen met de traumatische gebeurtenis en zijn begonnen nadat deze heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld flashbacks en pijnlijke dromen)

    C

    Vermijding van prikkels (bijvoorbeeld mensen, gedachten of gevoelens) die geassocieerd worden met de traumatische gebeurtenis

    D

    Negatieve veranderingen in gedachten en stemming gerelateerd aan de traumatische gebeurtenis

    E

    Veranderingen in activiteitsniveau en reactiviteit gerelateerd aan de traumatische gebeurtenis zoals concentratieproblemen of overdreven schrikreacties

    F

    De duur van symptomen is langer dan één maand

    G

    Er is sprake van klinische lijdensdruk of verstoringen in belangrijke levensdomeinen

    H

    De stoornis wordt niet veroorzaakt door een middel of somatische aandoening


     Naast de genoemde criteria dient te worden aangegeven of er sprake is van de volgende specificaties: 
    •    Met dissociatieve symptomen: depersonalisatie en/of derealisatie
    •    Met uitgestelde expressie: indien minstens zes maanden na de schokkende gebeurtenis pas volledig wordt voldaan aan de classificatiecriteria

    Definitie van trauma

    Bij schokkende gebeurtenissen die als traumatisch kunnen worden ervaren is er sprake van blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld. De gebeurtenis wordt ondergaan door de betrokkene zelf, of de betrokkene is direct of indirect getuige van wat een ander overkomen is. Voorbeelden van gebeurtenissen die als traumatisch kunnen worden ervaren zijn plotselinge, onverwachte dood van een naaste en het meemaken of getuige zijn van een ongeluk. Een minderheid van de mensen ontwikkelt in reactie op een schokkende gebeurtenis PTSS (de Vries & Olff, 2009).

    Acute stressstoornis

    Een stoornis die veel symptomen met PTSS deelt is de acute stressstoornis. Het voornaamste verschil tussen deze stoornissen is de duur van de symptomen. De diagnose acute stressstoornis wordt gesteld wanneer de symptomen drie dagen tot één maand na blootstelling aan de schokkende gebeurtenis aanwezig zijn. Wanneer de symptomen langer dan één maand aanhouden, wordt de diagnose PTSS gesteld. In veel gevallen gaat de acute stressstoornis vooraf aan PTSS (Bryant, 2011; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
    2. de Vries G-J, Olff M. The lifetime prevalence of traumatic events and posttraumatic stress disorder in the Netherlands. Journal of Traumatic Stress. 2009;22(4):259-267. Bron
    3. Bryant RA. Acute stress disorder as a predictor of posttraumatic stress disorder: a systematic review. J Clin Psychiatry. 2011;72(2):233-9. Pubmed | DOI
  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het vernieuwe handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 in gebruik genomen en is deze versie het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 werd gebruik gemaakt van de oudere versie, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. Dit geldt ook voor PTSS. In VZinfo is de diagnose PTSS in de meeste gevallen gesteld op basis van de criteria van de DSM-IV. 

    Er is een aanzienlijk verschil tussen de PTSS-criteria in de DSM-5 en die in de DSM-IV. Criterium A is explicieter over gebeurtenissen die in aanmerking komen voor mogelijk traumatische gebeurtenissen. Daarnaast is criterium A2 van de DSM-IV (subjectieve reactie) verwijderd. De symptomen zijn ingedeeld in vier clusters (criteria B t/m E) in plaats van drie. Ook is er een aantal symptomen toegevoegd, veranderd of herschreven. 

    Daarnaast maakt PTSS niet langer onderdeel uit van het hoofdstuk angststoornissen, maar behoort nu tot een nieuw hoofdstuk van de DSM-5: ‘Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen’. 

    In Amerikaans onderzoek waren prevalentieschattingen van PTSS op basis van de DSM-5 lager dan op basis van de DSM-IV (Kilpatrick et al., 2013; Miller et al., 2013). Het stellen van diagnoses volgens de DSM-5 heeft mogelijk gevolgen voor nieuwe cijfers over het vóórkomen van PTSS in Nederland. De precieze aard en omvang van deze gevolgen dient nader te worden onderzocht.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Kilpatrick DG, Resnick HS, Milanak ME, Miller MW, Keyes KM, Friedman MJ. National Estimates of Exposure to Traumatic Events and PTSD Prevalence Using DSM-IV and DSM-5 Criteria. Journal of Traumatic Stress. 2013;26(5):537-547. Bron | DOI
    2. Miller MW, Wolf EJ, Kilpatrick D, Resnick HS, Marx BP, Holowka DW, et al. The prevalence and latent structure of proposed DSM-5 posttraumatic stress disorder symptoms in U.S. national and veteran samples. Psychological Trauma: Theory, Research, Practice, and Policy. 2013;5(6):501-512. Bron | DOI
Bronverantwoording
  • Huisartsenregistratie van PTSS

    Ter bepaling van het jaarlijkse aantal nieuwe gevallen, de prevalentie en de trend van PTSS zijn gegevens gebruikt van de eerstelijns zorgregistratie FaMe-net. Om tot een zo betrouwbaar mogelijke schatting van het aantal nieuwe gevallen en de prevalentie van PTSS te komen zijn gemiddelden over de periode 2013-2015 gepresenteerd. Voor de trend zijn 3-jaars voortschrijdende gemiddelden over de periode 2009-2014 gepresenteerd.  

    De in de huisartsenregistraties gebruikte ICPC-2-code voor PTSS is P82. 

    Meer informatie over het schatten van morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. FaMe-net, Family Medicine Network. zorggegevens.nl
  • DBC Informatie Systeem (DIS) van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

    Voor het schatten van het aantal mensen dat in de GGZ een behandeling voor PTSS ontving in 2016, is gebruik gemaakt van Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s). DBC’s leveren informatie over de diagnose en behandeling die een patiënt krijgt binnen een vastgestelde periode. Hiermee vormen ze de basis voor de declaratie van geleverde zorg bij zorgverzekeraars. Om deze reden dragen ze bij aan een schatting van het aantal mensen met PTSS in Nederland. 

    Hierbij geldt dat patiënten die in 2016 meerdere zorgtrajecten hadden voor dezelfde diagnose, slechts één keer zijn meegeteld. Dan kan het bijvoorbeeld gaan om patiënten die worden doorverwezen of verhuizen.

    Ook voor het schatten van het aantal nieuwe zorgtrajecten voor PTSS in 2016, is gebruik gemaakt van DBC's. Bij de schatting hiervan zijn alleen zorgtrajecten vanwege een nieuwe zorgvraag meegeteld. Dat betreft zorgtrajecten van patiënten die noch in 2016, noch één jaar voor de start van het zorgtraject in behandeling zijn geweest bij de instelling of praktijk. Mogelijk waren zij wel al voor die tijd in behandeling. Hier kunnen dubbeltellingen inzitten omdat patiënten die voor dezelfde diagnose binnen verschillende GGZ-instellingen of praktijken zijn behandeld, meerdere zorgtrajecten vanwege een nieuwe zorgvraag kunnen hebben gehad.

  • Aantal nieuwe gevallen van PTSS als beroepsziekte: NEA, VZ-registraties en NCvB


    Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA): PTSS

    De NEA is een periodiek onderzoek naar arbeidsomstandigheden van werknemers tussen de 15 en 75 jaar in Nederland. Het betreft zelfgerapporteerde gegevens over arbeidsomstandigheden, ziekte en ziekteverzuim. TNO voert de NEA uit in opdracht van het ministerie van SZW en in samenwerking met TNS NIPO en het CBS. De NEA wordt sinds 2005 jaarlijks uitgevoerd en TNO publiceert de cijfers op StatLine (Hooftman et al., 2017). 

    In de NEA 2014 is aan 36.335 werknemers gevraagd of zij één of meer beroepsziekten hadden, waaronder PTSS. Respondenten werden gevraagd om wat voor soort aandoening het ging en of de beroepsziekte is vastgesteld door een arts. De beroepsziekte is hier dus gedefinieerd als een ziekte die, volgens de werknemer, is ontstaan door het werk en is vastgesteld door een arts. Daarnaast werd de respondent gevraagd wanneer de ziekte is ontstaan: in het jaar voorafgaand aan bevraging, of al eerder. Om deze reden draagt de NEA bij aan een schatting van het jaarlijkse aantal nieuwe gevallen van PTSS in Nederland.

    VZ-registraties: PTSS als beroepsziekte geschat door het RIVM

    De schatting van het aantal nieuwe gevallen van PTSS als gevolg van werk is gebaseerd op het aantal nieuwe gevallen van angststoornissen uit de Nivel Zorgregistraties eerste lijn. We gaan ervan uit dat het aantal nieuwe gevallen van PTSS 11% uitmaakt van het aantal nieuwe gevallen van angststoornissen in de algemene bevolking van 15-64 jaar. Dit is gebaseerd op de meldingen van psychische ziekte aan het NCvB: hiervan betreft 11% een melding van PTSS (NCvB, 2016). 

    Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB): PTSS meldingen

    Voor de bepaling van het jaarlijkse aantal meldingen van PTSS en de trend hierin, zijn twee gegevensbronnen gebruikt van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB, 2016): Nationale Registratie Beroepsziekten en Peilstation Intensief Melden. Het NCvB registreert en signaleert beroepsziekten via het nationale melding- en registratiesysteem. Hierin worden meldingen van beroepsziekten door bedrijfsartsen geregistreerd. Volgens de Arbeidsomstandighedenwet is de bedrijfsarts of arbodienst verplicht om (vermoede) beroepsziekten te melden aan het NCvB. In aanvulling op deze Nationale Registratie Beroepsziekten worden in verschillende peilstations eveneens beroepsziekten geregistreerd met als doel betere cijfers te krijgen over het vóórkomen van beroepsziekten, zoals het Peilstation Intensief Melden (PIM).

    Nationale Registratie Beroepsziekten

    Het totaal aantal meldingen van beroepsziekten is de laatste jaren iets toegenomen, naar ruim 8.000 meldingen per jaar. Naar schatting is dit een onderrapportage van het werkelijke aantal (NCvB, 2016). Een van de meest voorkomende beroepsziekten zijn de psychische aandoeningen. In 2015 betrof ongeveer 33% van alle meldingen aan het NCvB een psychische beroepsziekte. De meeste meldingen waren voor de diagnose overspanning/burn-out (76%).

    Peilstation Intensief Melden (PIM)

    In het Peilstation Intensief Melden (PIM) nemen meer dan 150 gemotiveerde bedrijfsartsen deel die extra begeleiding ontvangen bij de diagnose en melding van beroepsziekten. Dankzij deze begeleiding melden PIM-bedrijfsartsen ongeveer twee keer zoveel beroepsziekten als andere bedrijfsartsen. Daarnaast geven ze regelmatig door aan hoeveel mensen zij zorg verlenen en uit welke sectoren die afkomstig zijn. Tegen deze ‘risicopopulatie’ kunnen de meldingen dan worden afgezet en kan het NCvB de incidentie berekenen (het aantal nieuwe gevallen per 100.000 werknemers per jaar). Op die manier wordt ook kennis verkregen over beroepsziekten bij specifieke groepen werknemers (NCvB, 2016). 

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Hooftman WE, Mars GMJ, Janssen B, de Vroome EMM, Pleijers AJSF, Michiels JJM, et al. Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2016: Methodologie en globale resultaten. Leiden / Heerlen: TNO / CBS; 2017. Bron
    2. NCvB. Beroepsziekten in Cijfers 2016. Amsterdam: Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB); 2016. Bron
Methoden
  • Berekening VZ-registraties: PTSS als beroepsziekte geschat door het RIVM

    Voor de bepaling van het aantal nieuwe gevallen van beroepsziekten waaronder PTSS worden gegevens gebruikt uit PIM (NCvB), Nationale melding- en registratiesysteem (NCvB), NEA (TNO) en VZ-registraties (RIVM). De cijfers van PIM, Beroepsziektenregistratie en NEA worden gebruikt zoals aangeleverd door NCvB en TNO. Voor de bepaling van het aantal nieuwe gevallen van de VTV-ziekten door arbeid is het arbeidsgerelateerde deel geschat. Het door arbeid veroorzaakte deel van PTSS is berekend met behulp van Populatie Attributieve Fracties (PAF; Eysink et al., 2012; Eysink et al., 2007). De PAF geeft aan hoeveel procent van het gezondheidsverlies door de betreffende aandoening is toe te schrijven aan ongunstige arbeidsomstandigheden. De PAF is gebaseerd op de prevalentie van de risicofactor in de populatie en een maat voor de sterkte van het verband tussen de risicofactor en de ziekte, het relatieve risico (RR). Voor informatie over blootstelling aan de diverse schokkende arbeidsomstandigheden is gebruikt gemaakt van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA). RR's zijn afkomstig uit de literatuur. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Eysink PED, Dekkers SAJ, Janssen P, Poos MJJC, Meijer SA. Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland, 2012. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2012. Bron
    2. Eysink PED, Blatter BM, van Gool CH, Gommer AM, van den Bossche SNJ, Hoeymans N. Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2007. Bron
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

Andere websites over Posttraumatische stressstoornis

Data en gegevensbronnen