Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

PersoonlijkheidsstoornissenCijfers & ContextPersoonlijkheidsstoornissen algemeen

Cijfers & Context

180.000 mensen bij huisarts geregistreerd

Regionaal & Internationaal

Geen informatie beschikbaar

Kosten

Kosten van zorg 554 miljoen euro in 2011

Preventie & Zorg

Geen informatie beschikbaar

Prevalentie van persoonlijkheidsstoornissen in de algemene bevolking

Tussen de 4,4 en 13,5% van de bevolking heeft een persoonlijkheidsstoornis

Naar schatting heeft tussen de 4,4 en 13,5% van de volwassen bevolking tenminste één persoonlijkheidsstoornis (de Jong et al., 1999; Samuels, 2011; Paris, 2010). Dit is geschat op basis van een integratie van internationale studies. Persoonlijkheidsstoornissen komen vaker voor in bepaalde populaties. Ongeveer 60% van de psychiatrische patiënten heeft één of meerdere persoonlijkheidsstoornissen. Een vergelijkbaar percentage is gevonden onder gedetineerden (Verheul et al., 2007; Fazel & Danesh, 2002; de Jong et al., 1999). Sommige persoonlijkheidsstoornissen (zoals borderline- en afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis) worden vaker gediagnosticeerd bij vrouwen, terwijl andere persoonlijkheidsstoornissen (zoals de antisociale-persoonlijkheidsstoornis) vaker lijken voor te komen onder mannen. Hoewel deze sekseverschillen waarschijnlijk daadwerkelijk bestaan, kunnen sociale stereotypen over genderrollen en het bijbehorende gedrag de diagnose beïnvloeden (Verheul, 2002; Johnson et al., 2003; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014).

Persoonlijkheidsstoornissen onderverdeeld in drie clusters

De erkende persoonlijkheidsstoornissen uit de DSM-5 zijn onder te verdelen in drie clusters. Daarnaast onderscheidt de DSM-5 een restcategorie, de ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis/andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. In onderstaande tabel worden de clusters, bijbehorende persoonlijkheidsstoornissen en prevalentieschattingen weergeven. De prevalentiecijfers van de antisociale- en borderline-persoonlijkheidsstoornis zijn gebaseerd op Nederlands bevolkingsonderzoek NEMESIS-2. Over het voorkomen van de andere persoonlijkheidsstoornissen zijn geen data uit Nederlands bevolkingsonderzoek of Nederlandse zorgregistraties beschikbaar. De ruwe schattingen voor deze stoornissen zijn gebaseerd op internationaal onderzoek (Samuels, 2011; Paris, 2010; de Jong et al., 1999).

Meer informatie

Clusterindeling persoonlijkheidsstoornissen

Cluster

Persoonlijkheidsstoornis (PS)

Klinisch beeld

Prevalentieb

Cluster A (vreemd; excentriek)

Paranoïde-PS (301.0)

Wantrouwen en achterdocht

0,7-2,4%

 

Schizoïde-PS (301.20)

Sociale onverschilligheid en emotionele kilte

0,6-4,9%

 

Schizotypische-PS (301.22)

Excentriek gedrag en argwaan

0,1-3,3%

Cluster B (overdreven, emotioneel of onconventioneel)

Antisociale-PS (301.7)

Antisociaal gedrag en impulsiviteit

3,0%a

 

Borderline-PS (301.83)

Instabiliteit van affect, zelfbeeld en interpersoonlijke relaties

1,1%a

 

Narcistische-PS (301.81)

Grootheidsgevoel, behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie

0-1,0%

 

Histrionische-PS (301.50)

Overdreven emotionele expressie en vraag naar aandacht

0-2,0%

Cluster C (gespannen; angstig)

Vermijdende-PS (301.82)

Sociale geremdheid, gevoel van onbekwaamheid en angst voor negatieve beoordeling

0,8-5,2%

 

Afhankelijke-PS (301.6)

Overmatige afhankelijkheid en angst in de steek gelaten te worden

0,1-1,5%

 

Dwangmatige-PS (301.4)

Preoccupatie met ordelijkheid, perfectionisme en inflexibiliteit

0,9-2,4%

a) Deze cijfers zijn afkomstig uit NEMESIS-2. De op Nederlands onderzoek gebaseerde prevalentieschattingen overlappen met de prevalenties gevonden in internationaal onderzoek
b) De prevalentieschattingen gebaseerd op internationaal onderzoek zijn gebaseerd op de diagnoses uit DSM-III-R of DSM-IV, terwijl in Nederlands onderzoek gebruikgemaakt is van DSM-IV

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. de Jong A, van den Brink W, Ormel J, Wiersma D. Handboek Psychiatrische Epidemiologie. Maarssen: Elsevier/De Tijdstroom; 1999. Bron
  2. Samuels J. Personality disorders: Epidemiology and public health issues. International Review of Psychiatry. 2011;23(3):223-233. Bron | DOI
  3. Paris J. Estimating the Prevalence of Personality Disorders in the Community. Journal of Personality Disorders. 2010;24(4):405-411. Bron | DOI
  4. Verheul R, Bartak A, Widiger T. Prevalence and construct validity of Personality Disorder Not Otherwise Specified (PDNOS). J Pers Disord. 2007;21(4):359-70. Pubmed | DOI
  5. Fazel S, Danesh J. Serious mental disorder in 23000 prisoners: a systematic review of 62 surveys. Lancet. 2002;359(9306):545-50. Pubmed | DOI
  6. Verheul R. Genderbias en persoonlijkheidsstoornissen. Tijdschrift voor Psychiatrie. 2002;44(6):383-388. Bron
  7. Johnson DM, M Shea T, Yen S, Battle CL, Zlotnick C, Sanislow CA, et al. Gender differences in borderline personality disorder: findings from the Collaborative Longitudinal Personality Disorders Study. Compr Psychiatry. 2003;44(4):284-92. Pubmed | DOI
  8. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron | DOI

Prevalentie van persoonlijkheidsstoornissen in de huisartsenpraktijk

Prevalentie persoonlijkheidsstoornissen in de huisartsenpraktijk 2016

LeeftijdMannen Vrouwen
0-40,00,0
5-90,20,1
10-141,10,7
15-192,74,7
20-248,314,1
25-2914,323,6
30-3415,725,7
35-3918,023,8
40-4418,020,5
45-4914,917,8
50-5414,415,0
55-5910,913,5
60-649,69,1
65-697,66,9
70-744,95,2
75-794,04,1
80-843,64,3
85+3,53,5
  • Persoonlijkheidsstoornis: ICPC-1-code P80

180.000 mensen bij huisarts geregistreerd met een persoonlijkheidsstoornis

In 2016 stonden 180.000 mensen bij de huisarts geregistreerd met één of meerdere persoonlijkheidsstoornissen. Het betrof 79.000 mannen en 101.000 vrouwen. Dit komt overeen met 9,3 per 1.000 mannen en 11,8 per 1.000 vrouwen. Deze schatting is gebaseerd op cijfers van NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. De diagnose wordt doorgaans niet gesteld door de huisarts, maar door een gespecialiseerd psycholoog of psychiater. 

Minder persoonlijkheidsstoornissen onder ouderen

Op basis van de gegevens van de huisartsenregistraties lijken persoonlijkheidsstoornissen meer voor te komen onder jongvolwassenen dan onder ouderen. Dit is in overeenstemming met bestaande literatuur, waaruit blijkt dat er sprake is van een zekere mate van natuurlijk herstel van persoonlijkheidsstoornissen. Behandeling kan dit proces versnellen. Vooral symptomen van de borderline- en antisociale-persoonlijkheidsstoornis lijken af te nemen met de leeftijd. Dit is deels te verklaren door de verandering van relevante persoonlijkheidstrekken met de leeftijd, zoals een verhoging van emotionele stabiliteit en een afname van impulsiviteit. Daarnaast zijn veel van de criteria voor persoonlijkheidsstoornissen vooral op maat van volwassenen geschreven. Hierdoor zijn de criteria minder vaak van toepassing op ouderen, waardoor in deze groep een lagere prevalentie wordt gevonden (Hutsebaut et al., 2017; van Alphen, 2010; ten Have et al., 2016; Roberts et al., 2006; Lilienfeld, 2005; Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2008).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Hutsebaut J, Videler AC, Schoutrop MJA, van Amelsvoort TAMJ, van Alphen SPJ. Persoonlijkheidsstoornissen: levensloopbenadering zinvol. Tijdschrift voor Psychiatrie. 2017;(59):54. Bron
  2. van Alphen SPJ. Prevalentie, diagnostiek en behandeling van persoonlijkheidsstoornissen bij ouderen. Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie. 2010;41(2):79-86. Bron | DOI
  3. ten Have M, Verheul R, Kaasenbrood A, van Dorsselaer S, Tuithof M, Kleinjan M, et al. Prevalence rates of borderline personality disorder symptoms: a study based on the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. BMC Psychiatry. 2016;16:249. Pubmed | DOI
  4. Roberts BW, Walton KE, Viechtbauer W. Patterns of mean-level change in personality traits across the life course: a meta-analysis of longitudinal studies. Psychol Bull. 2006;132(1):1-25. Pubmed | DOI
  5. Lilienfeld SO. Longitudinal studies of personality disorders: four lessons from personality psychology. J Pers Disord. 2005;19(5):547-56; discussion 594-6. Pubmed | DOI
  6. Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ. Multidisciplinaire Richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen. Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van volwassen patiënten met een persoonlijkheidsstoornis. Utrecht: Trimbos-Instituut; 2008. Bron

Aantal personen met DBC-gefinancierde GGZ voor persoonlijkheidsstoornissen

Prevalentie personen met DBC-gefinancierde GGZ voor persoonlijkheidsstoornissen 2013

Leeftijd MannenVrouwen
0-400
5-900
10-140,20,4
15-202,77,3
20-259,623
25-3014,131,2
30-3518,533,5
35-4020,831,7
40-4520,427,9
45-5019,425,7
50-551823,7
55-6015,419,7
60-6511,213,5
65-706,79,6
70-755,58,4
75-804,57,6
80-854,16,7
85-903,75,2
90+3,23
  • Het betreft voorlopige cijfers voor 2013

248.875 personen met DBC-gefinancierd zorgtraject voor persoonlijkheidsstoornissen 

In 2013 waren er 248.875 mensen die een zorgtraject voor een persoonlijkheidsstoornis ontvingen in de GGZ. Het betrof 96.965 mannen en 151.910 vrouwen. Dit komt overeen met 11,0 per 1.000 mannen en 17,0 per 1.000 vrouwen. Dit aantal is gebaseerd op het aantal Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s) voor de hoofgroep persoonlijkheidsstoornissen als primaire- of nevendiagnose in 2013 (Bron: CBS StatLine). Mensen met een persoonlijkheidsstoornis die behandeld worden in de forensische GGZ, zijn niet in de cijfers meegenomen. Dit veroorzaakt een onderschatting van het aantal mensen dat een behandeling ontvangt voor een persoonlijkheidsstoornis. 

Meer informatie

Aantal nieuwe gevallen van persoonlijkheidsstoornissen

Aantal nieuwe gevallen van persoonlijkheidsstoornissen onbekend

Het is moeilijk om het moment vast te stellen waarop een persoonlijkheidsstoornis voor het eerst optreedt. Dit komt doordat klachten zich geleidelijk en vanaf jonge leeftijd ontwikkelen. Daarnaast wordt meestal niet in eerste instantie hulp gezocht voor de persoonlijkheidsstoornis, maar voor andere problemen die uit deze stoornis voortkomen, zoals relatieproblemen en depressie. Om deze redenen is het vrijwel onmogelijk om het aantal nieuwe gevallen van persoonlijkheidsstoornissen te bepalen. Het aantal nieuwe DBC-gefinancierde zorgtrajecten voor persoonlijkheidsstoornissen is wel bekend (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2008).

Meer informatie 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ. Multidisciplinaire Richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen. Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van volwassen patiënten met een persoonlijkheidsstoornis. Utrecht: Trimbos-Instituut; 2008. Bron

Aantal nieuwe DBC-gefinancierde zorgtrajecten voor persoonlijkheidsstoornissen

110.705 nieuwe DBC-gefinancierde zorgtrajecten voor persoonlijkheidsstoornissen 

In 2013 werden 110.705 nieuwe zorgtrajecten geopend voor persoonlijkheidsstoornissen in de GGZ. Het betrof 43.270 zorgtrajecten voor mannen en 67.435 zorgtrajecten voor vrouwen. Dit komt overeen met 5,2 per 1.000 mannen en 8,0 per 1.000 vrouwen. Deze cijfers zijn gebaseerd op het aantal Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s) voor de hoofdgroep persoonlijkheidsstoornissen als primaire- of nevendiagnose in 2013 (Bron: CBS StatLine). Er kan sprake zijn van meer dan één zorgtraject voor eenzelfde diagnose per patiënt, wat mogelijk overschatting veroorzaakt. Mensen met een persoonlijkheidsstoornis die behandeld worden in de forensische GGZ, zijn niet in de cijfers meegenomen. Dit veroorzaakt juist onderschatting van het aantal mensen dat een behandeling ontvangt voor een persoonlijkheidsstoornis. 

Meer informatie

Bevolkingsonderzoek versus huisartsenregistratie

Niet iedereen met persoonlijkheidsstoornis bij de huisarts bekend

De cijfers over het aantal mensen met een persoonlijkheidsstoornis zijn in huisartsenregistraties lager dan de cijfers uit bevolkingsonderzoek. Hier zijn ten minste vijf oorzaken voor aan te wijzen:

  • Veel mensen met een persoonlijkheidsstoornis ervaren hun symptomen als egosyntoon, waardoor de persoonlijkheid niet als afwijkend of problematisch wordt ervaren en vaak geen professionele hulp wordt gezocht (Tyrer, 2007; Krueger, 2005).
  • Persoonlijkheidsstoornissen worden vaak niet of te laat herkend. Hulpverleners ervaren ook moeite om persoonlijkheidsstoornissen bespreekbaar te maken en patiënten met deze problematiek te motiveren voor een doorverwijzing (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2008).
  • Er heerst onterecht pessimisme over de onveranderbaarheid dan wel ongunstige prognose van persoonlijkheidsstoornissen. Dit leidt tot terughoudendheid in het stellen van de diagnose persoonlijkheidsstoornis (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2008).
  • In de specialistische GGZ gestelde diagnoses worden niet altijd opgenomen in de huisartsenregistraties (door incomplete terugkoppeling door GGZ-zorgverleners aan huisartsen, en/of incomplete toevoeging van diagnose-informatie aan het patiëntendossier).
  • Een deel van de mensen met een persoonlijkheidsstoornis gaat niet eerst naar de huisarts, maar gaat direct naar een vrijgevestigd psycholoog.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Tyrer P. Personality diatheses: a superior explanation than disorder. Psychological Medicine. 2007;371622017156515321114614211148150324814464143511554311(11). Bron | DOI
  2. Krueger RF. Continuity of Axes I and II: Toward a Unified Model of Personality, Personality Disorders, and Clinical Disorders. Journal of Personality Disorders. 2005;19(3):233-261. Bron | DOI
  3. Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ. Multidisciplinaire Richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen. Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van volwassen patiënten met een persoonlijkheidsstoornis. Utrecht: Trimbos-Instituut; 2008. Bron

Oorzaken persoonlijkheidsstoornissen

Zowel genen als omgeving belangrijk in ontstaan persoonlijkheidsstoornissen

Persoonlijkheidsstoornissen ontstaan als gevolg van een complexe wisselwerking tussen genetische factoren en omgevingsinvloeden. Interactie van vroege negatieve of traumatische levenservaringen met genetische factoren, kan leiden tot de ontwikkeling van een persoonlijkheidsstoornis. De wijze waarop dit precies gebeurt, verschilt per persoonlijkheidsstoornis en is niet geheel bekend (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2008). 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ. Multidisciplinaire Richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen. Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van volwassen patiënten met een persoonlijkheidsstoornis. Utrecht: Trimbos-Instituut; 2008. Bron

Gevolgen van persoonlijkheidsstoornissen voor het functioneren

Persoonlijkheidsstoornissen veroorzaken problemen op diverse gebieden

Mensen met een persoonlijkheidsstoornis ondervinden op diverse gebieden beperkingen als gevolg van hun stoornis. Dit is deels te verklaren door het feit dat veel mensen met een persoonlijkheidsstoornis, ook één of meerdere andere stoornissen hebben. Echter, ook de persoonlijkheidsstoornis op zich leidt tot functionele beperkingen. Mensen met persoonlijkheidsstoornissen functioneren beroepsmatig slechter en zijn vaker afwezig van werk dan mensen zonder persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast kan de kwaliteit van sociale relaties lager zijn en kunnen problemen worden ervaren in de vrijetijdsbesteding (Skodol et al., 2007; Lim et al., 2000; Oltmanns et al., 2002; Skodol et al., 2005). 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Skodol AWE, Johnson JG, Cohen P, Sneed JR, Crawford TN. Personality disorder and impaired functioning from adolescence to adulthood. Br J Psychiatry. 2007;190:415-20. Pubmed | DOI
  2. Lim D, Sanderson K, Andrews G. Lost productivity among full-time workers with mental disorders. J Ment Health Policy Econ. 2000;3(3):139-146. Pubmed
  3. Oltmanns TF, Melley AH, Turkheimer E. Impaired social functioning and symptoms of personality disorders assessed by peer and self-report in a nonclinical population. J Pers Disord. 2002;16(5):437-52. Pubmed
  4. Skodol AE, Pagano ME, Bender DS, M Shea T, Gunderson JG, Yen S, et al. Stability of functional impairment in patients with schizotypal, borderline, avoidant, or obsessive-compulsive personality disorder over two years. Psychol Med. 2005;35(3):443-51. Pubmed

Kwaliteit van leven bij persoonlijkheidsstoornissen

Mensen met een persoonlijkheidsstoornis hebben lagere kwaliteit van leven

Mensen met persoonlijkheidsstoornissen hebben een aanzienlijk lagere kwaliteit van leven in vergelijking met mensen zonder persoonlijkheidsstoornis. Zo is er sprake van verminderde kwaliteit van contact met vrienden en een mindere mate van zelfverwerkelijking. De kwaliteit van leven hangt voornamelijk samen met het aantal persoonlijkheidsstoornissen dat iemand heeft, en minder met de specifieke aard van de persoonlijkheidsstoornis (Soeteman et al., 2008; Cramer et al., 2006). 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Soeteman DI, Verheul R, Busschbach JJV. The burden of disease in personality disorders: diagnosis-specific quality of life. J Pers Disord. 2008;22(3):259-68. Pubmed | DOI
  2. Cramer V, Torgersen S, Kringlen E. Personality disorders and quality of life. A population study. Compr Psychiatry. 2006;47(3):178-84. Pubmed | DOI

Comorbiditeit bij persoonlijkheidsstoornissen

Persoonlijkheidsstoornis gaat vaak gepaard met andere stoornissen 

Een meerderheid van de mensen met een persoonlijkheidsstoornis heeft daarnaast tenminste één andere psychische stoornis. Stoornissen die vaak optreden naast een persoonlijkheidsstoornis zijn:

  • depressieve stoornis
  • bipolaire stoornis
  • angststoornis
  • verslavingsstoornis
  • eetstoornis
  • ADHD
  • somatoforme stoornissen
  • andere persoonlijkheidsstoornissen

Naast psychische problemen hebben mensen met een persoonlijkheidsstoornis ook vaker last van lichamelijke aandoeningen zoals hartproblemen, maag-darmaandoeningen en obesitas. Dit heeft te maken met de hoge mate van stress die wordt ervaren door mensen met een persoonlijkheidsstoornis (Hasin et al., 2005; Bowden & Maier, 2003; Coid et al., 2006; Verheul, 2001; Cassin & von Ranson, 2005; Anckarsäter et al., 2006; Garcia-Campayo et al., 2007; Soeteman et al., 2008; Kaasenbrood et al., 2013).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Hasin DS, Goodwin RD, Stinson FS, Grant BF. Epidemiology of major depressive disorder: results from the National Epidemiologic Survey on Alcoholism and Related Conditions. Arch Gen Psychiatry. 2005;62(10):1097-106. Pubmed | DOI
  2. Bowden C, Maier W. Bipolar disorder and personality disorder. European Psychiatry. 2003;18:9s-12s. Bron | DOI
  3. Coid J, Yang M, Tyrer P, Roberts A, Ullrich S. Prevalence and correlates of personality disorder in Great Britain. Br J Psychiatry. 2006;188:423-31. Pubmed | DOI
  4. Verheul R. Co-morbidity of personality disorders in individuals with substance use disorders. Eur Psychiatry. 2001;16(5):274-82. Pubmed
  5. Cassin SE, von Ranson KM. Personality and eating disorders: a decade in review. Clin Psychol Rev. 2005;25(7):895-916. Pubmed | DOI
  6. Anckarsäter H, Stahlberg O, Larson T, Hakansson C, Jutblad S-B, Niklasson L, et al. The impact of ADHD and autism spectrum disorders on temperament, character, and personality development. Am J Psychiatry. 2006;163(7):1239-44. Pubmed | DOI
  7. Garcia-Campayo J, Alda M, Sobradiel N, Olivan B, Pascual A. Personality disorders in somatization disorder patients: a controlled study in Spain. J Psychosom Res. 2007;62(6):675-80. Pubmed | DOI
  8. Soeteman DI, Verheul R, Busschbach JJV. The burden of disease in personality disorders: diagnosis-specific quality of life. J Pers Disord. 2008;22(3):259-68. Pubmed | DOI
  9. Kaasenbrood A, Hutsebaut J, van Bunningen N. Factsheet Kenniscentrum PS. Persoonlijkheidsstoornissen: diagnostiek en behandeling . Utrecht: Kenniscentrum Persoonlijkheidsstoornissen; 2013. Bron

Toekomstige trend persoonlijkheidsstoornissen door demografische ontwikkelingen

Geen demografisch effect verwacht op aantal mensen met persoonlijkheidsstoornissen

Op basis van uitsluitend demografisch ontwikkelingen zal het absoluut aantal mensen met persoonlijkheidsstoornissen (jaarprevalentie) in de periode 2015-2040 naar verwachting gelijk blijven. Of het aantal mensen met persoonlijkheidsstoornissen toe- of afneemt wordt mede bepaald door veranderingen in factoren die de kans op het ontstaan van persoonlijkheidsstoornissen beïnvloeden (epidemiologische ontwikkelingen). De toekomstige trend op basis van epidemiologische ontwikkelingen is niet gekwantificeerd.

Meer informatie

Verantwoording

Definities
  • Definitie van persoonlijkheidsstoornis

    In Nederland vindt de classificatie van psychische stoornissen meestal plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). Deze stelt de volgende algemene criteria (A t/m F) waaraan moet worden voldaan voor het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis: 

    A

    Een duurzaam patroon van ervaringen en gedragingen, dat afwijkt van culturele normen. Dit patroon komt op twee (of meer) van de volgende terreinen tot uiting:

     

    1. Cognities

     

    2. Affectiviteit 

     

    3. Interpersoonlijk functioneren

     

    4. Impulsbeheersing 

    B

    Het patroon is inflexibel en komt tot uiting in veel persoonlijke en sociale situaties 

    C

    Het patroon veroorzaakt klinische lijdensdruk of beperkingen in het functioneren op belangrijke levensdomeinen

    D

    Het patroon is stabiel en van lange duur, en is begonnen in de adolescentie of jonge volwassenheid

    E

    Het patroon wordt niet beter verklaard door een andere psychische stoornis

    F

    Het patroon is geen gevolg van de fysiologische effecten van een middel of somatische aandoening


    Op basis van deze criteria is niet vast te stellen van welke persoonlijkheidsstoornis er sprake is. Hier dienen de specifieke criteria voor afzonderlijke persoonlijkheidsstoornissen voor te worden geraadpleegd.  

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron | DOI
  • Definitie van borderline-persoonlijkheidsstoornis

    In Nederland heeft classificatie van psychische stoornissen meestal plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). In eerste instantie moet worden voldaan aan de algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen. Om vast te stellen dat er sprake is van borderline-persoonlijkheidsstoornis (PS) moet daarnaast aan vijf of meer van de volgende specifieke criteria worden voldaan:

    Criteria ter classificatie borderline-PS

    Een doordringend patroon van instabiliteit van interpersoonlijke relaties, zelfbeeld en stemming, en duidelijke impulsiviteit, beginnend op jongvolwassen leeftijd en aanwezig in uiteenlopende contexten, als blijkend uit vijf (of meer) van de volgende kenmerken:

    1.  

    Verwoede pogingen om feitelijke of vermeende verlating te voorkomen

    1.  

    Instabiele en intense interpersoonlijke relaties

    1.  

    Identiteitsstoornis: aanhoudend instabiel zelfbeeld of zelfgevoel

    1.  

    Impulsiviteit op tenminste twee gebieden (bijvoorbeeld geld verkwisten, seks of middelenmisbruik)

    1.  

    Terugkerende suïcidale gedragingen, dreigingen of automutilatie

    1.  

    Instabiliteit van emoties als gevolg van reactiviteit van de stemming

    1.  

    Chronisch gevoel van leegte

    1.  

    Inadequate, intense woede of moeite met het beheersen van boosheid

    1.  

    Stress-gerelateerde paranoïde ideeën of ernstige dissociatie

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron | DOI
  • Definitie van antisociale-persoonlijkheidsstoornis

    In Nederland heeft classificatie van psychische stoornissen meestal plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). In eerste instantie moet worden voldaan aan de algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen. Om vast te stellen dat er sprake is van een antisociale-persoonlijkheidsstoornis (PS) moet daarnaast aan de volgende specifieke criteria (A t/m D) worden voldaan:

                Criteria ter classificatie antisociale-PS

    A

    Een doordringend patroon van een gebrek aan respect voor en schending van de rechten van anderen, aanwezig vanaf de leeftijd van 15 jaar, als blijkend uit drie (of meer) van de volgende kenmerken:

     

    1. Niet in staat zijn zich te kunnen houden aan maatschappelijke normen over wat volgens de wet is toegestaan

     

    1. Onbetrouwbaarheid: liegen, gebruik van schuilnamen of manipulatie

     

    1. Impulsiviteit of niet vooruit kunnen plannen

     

    1. Prikkelbaarheid of agressiviteit welke leidt tot geweldpleging

     

    1. Onverschilligheid over de eigen veiligheid of die van anderen

     

    1. Onverantwoordelijk gedrag

     

    1. Ontbreken van berouw

    B

    Leeftijd van 18 jaar of ouder

    C

    Aanwijzingen voor normoverschrijdend gedrag voor de leeftijd van 15 jaar

    D

    Uitsluitsel van schizofrenie en bipolaire-stemmingsstoornis 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron | DOI
  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het nieuwe handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 en in de overgangsfase is nog veelal gebruik gemaakt van het oude handboek, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. Dit geldt ook voor persoonlijkheidsstoornissen

    Voor persoonlijkheidsstoornissen geldt dat de criteria ten opzichte van de stoornissen in de DSM-IV niet zijn gewijzigd. Wel zijn enkele stoornisnamen gewijzigd: de theatrale, de ontwijkende en de obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis zijn respectievelijk veranderd in de histrionische-, de vermijdende- en de dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis. 

Bronverantwoording
  • Borderline-PS in bevolkingsonderzoek NEMESIS-2

    De prevalentie van borderline-persoonlijkheidsstoornis (PS) is gebaseerd op het bevolkingsonderzoek NEMESIS-2. Dit onderzoek is gebaseerd op een steekproef van 5.303 mensen uit de algemene Nederlandse bevolking. Het betrof enkel mensen uit zelfstandige huishoudens, met als gevolg dat mensen die in instellingen verbleven niet werden meegenomen. Bij de steekproef werd tussen 2010 en 2012 een psychiatrisch interview afgenomen met behulp van de CIDI. Op basis hiervan werd de diagnose gesteld met behulp van de criteria van de DSM-IV.

  • Antisociale-PS in bevolkingsonderzoek NEMESIS-2

    De prevalentie van antisociale-persoonlijkheidsstoornis (PS) is gebaseerd op het bevolkingsonderzoek NEMESIS-2. Dit onderzoek is gebaseerd op een steekproef van 6.646 mensen uit de algemene Nederlandse bevolking. Het betrof enkel mensen uit zelfstandige huishoudens, met als gevolg dat mensen die in instellingen verbleven niet werden meegenomen. Bij de steekproef werd tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview afgenomen. De aanwezigheid van antisociale-PS ooit in het leven werd gemeten aan de hand van vragen uit de International Personality Disorder Examination (IPDE) als onderdeel van de CIDI. Op basis hiervan werd de diagnose gesteld met behulp van de criteria van de DSM-IV.

  • Huisartsenregistratie van persoonlijkheidsstoornissen

    Ter bepaling van de prevalentie van persoonlijkheidsstoornissen zijn gegevens gebruikt van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn

    De in de huisartsenregistraties gebruikte ICPC-1-code is P80 (persoonlijkheids-/karakterstoornis). Een verdere uitsplitsing naar stoornis kon niet worden gemaakt.

    Meer informatie over het schatten van morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit

  • DBC Informatie Systeem (DIS) van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

    Voor het schatten van het aantal mensen dat in de GGZ een behandeling voor een persoonlijkheidsstoornis ontving in 2013, is gebruik gemaakt van Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s). DBC’s leveren informatie over de diagnose en behandeling die een patiënt krijgt binnen een vastgestelde periode (CBS, 2013). Hiermee vormen ze de basis voor de declaratie van geleverde zorg bij zorgverzekeraars. Om deze reden dragen ze bij aan een schatting van het aantal mensen met persoonlijkheidsstoornissen in Nederland.

    Hierbij geldt dat patiënten die in 2013 meerdere zorgtrajecten hadden voor dezelfde diagnose, slechts één keer zijn meegeteld. Dan kan het bijvoorbeeld gaan om patiënten die worden doorverwezen of verhuizen. 

    Ook voor het schatten van het aantal nieuwe zorgtrajecten voor persoonlijkheidsstoornissen in 2013, is gebruik gemaakt van DBC's. Bij de schatting hiervan zijn alleen zorgtrajecten vanwege een nieuwe zorgvraag meegeteld. Dat betreft zorgtrajecten van patiënten die noch in 2013, noch één jaar voor de start van het zorgtraject in behandeling zijn geweest bij de instelling of praktijk. Mogelijk waren zij wel al voor die tijd in behandeling. Hier kunnen dubbeltellingen inzitten omdat patiënten die voor dezelfde diagnose binnen verschillende GGZ-instellingen of praktijken zijn behandeld, meerdere zorgtrajecten vanwege een nieuwe zorgvraag kunnen hebben gehad.

  • Kosten van persoonlijkheidsstoornissen

    De kosten van persoonlijkheidsstoornissen zijn afkomstig van de Kosten van Ziektenstudie. De voor persoonlijkheidsstoornissen gebruikte ICD-9 code is 301.