Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

ParticipatieCijfers & ContextArbeidsparticipatie

Cijfers & Context

Maatschappelijke participatie hoog in Nederland

Regionaal & Internationaal

Arbeidsparticipatie hoogst in westen van Nederland

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Niet beschikbaar

Arbeid naar leeftijd en geslacht

In 2017 had ruim 66% van de 15- tot 75-jarigen betaald werk

In 2017 had 66,7% van de beroepsbevolking (15- tot 75-jarigen) betaald werk (netto arbeidsparticipatie). De beroeps- en niet-beroepsbevolking bestond in 2017 uit ongeveer 12,9 miljoen mensen. Bij mannen is de netto arbeidsparticipatie 71,5% en bij vrouwen 61,9%. Onder jongeren (15- tot 25-jarigen) ligt de netto arbeidsparticipatie relatief laag vanwege het grote aantal onderwijsvolgenden binnen deze groep. Dit is de enige leeftijdscategorie waar meer vrouwen dan mannen participeren in arbeid. In alle overige leeftijdscategorieën zijn er meer mannen dan vrouwen met een betaalde baan. Naarmate de leeftijd toeneemt, wordt het verschil in netto arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen groter (CBS Statline). 

Meer informatie

Datum publicatie

23-02-2018

Deeltijdbanen naar leeftijd en geslacht

Twee keer zoveel vrouwen als mannen werken in deeltijd

In 2017 werkte 48,6% van de werkzame beroepsbevolking (15- tot 75-jarigen) in deeltijd. Deeltijd is het aantal uren, minder dan 35, dat een persoon in een normale of gemiddelde werkweek werkt. In totaal werken 4,2 miljoen personen in deeltijd. Hiervan is 71% vrouw (afgerond 2,9 miljoen) en 29% man (afgerond 1,2 miljoen). Het zijn niet alleen moeders met jonge kinderen die in deeltijd werken. Uit onderzoek blijkt dat jonge vrouwen kort na afronding van hun opleiding al vaker in deeltijd werken dan jonge mannen, dus ook als de meesten van hen nog geen kinderen hebben (SCP, 2017). Dit verschil tussen mannen en vrouwen wordt naarmate de leeftijd toeneemt groter, tot ongeveer 55 jaar (CBS Statline). 

Meer informatie

Datum publicatie

23-02-2018

Werkloosheid naar leeftijd en geslacht

Minder dan 5% van de beroepsbevolking werkloos

In 2017 was 4,9% van de beroepsbevolking werkloos. De beroepsbevolking bestond in 2017 uit ongeveer 9 miljoen mensen. In totaal zijn iets meer vrouwen (5,3%) dan mannen (4,5%) werkloos. In de leeftijdscategorie 15 tot 25 jaar is de werkloosheid het hoogst (8,9%). In deze leeftijdscategorie zijn iets meer mannen dan vrouwen werkloos. Dit hoge percentage komt waarschijnlijk doordat jongeren veelal net nieuw op de arbeidsmarkt komen en niet direct passend werk kunnen vinden. Tussen 25 en 75 jaar blijft het werkloosheidspercentage redelijk constant. Vrouwen zijn in deze leeftijdscategorieën vaker werkloos dan mannen (CBS Statline). 

Meer informatie

Datum publicatie

23-02-2018

Trend in netto arbeidsparticipatie

Trend in netto arbeidsparticipatie 2003-2017

Mannen (25-44)Vrouwen (25-44)Mannen (45-64)Vrouwen (45-64)
200390,973,772,349,5
200490,874,171,950,7
20059174,772,552,1
200692,176,672,953,3
200793,278,674,855,9
200894,280,376,858,2
200992,880,577,459,2
201091,480,176,960,1
201190,679,577,361,7
201289,879,278,263,3
201387,178,778,363,4
201487,377,878,463,2
201587,978,379,664,4
201688,378,880,865,9
201788,879,381,767,6

Bron: CBS Statline

Stijging netto arbeidsparticipatie oudere vrouwen 2003-2017

In de periode 2003-2017 is het percentage netto arbeidsparticipatie bij oudere vrouwen flink gestegen. In de leeftijdscategorie 45 tot 65 jaar steeg het percentage voor vrouwen van 49,5% naar 67,6%. Voor mannen in dezelfde leeftijdscategorie steeg de arbeidsparticipatie licht (van 72,3% naar 81,7%). Jongere generaties vrouwen hebben op latere leeftijd een steeds hogere arbeidsparticipatie. Zo ligt de arbeidsparticipatie van elk jonger geboortecohort bij dezelfde leeftijd op een aanmerkelijk hoger niveau dan van het voorgaande, oudere cohort. In de leeftijdscategorie 25 tot 45 jaar is de netto arbeidsparticipatie voor vrouwen licht gestegen (van 73,7% naar 79,3%). Voor mannen is deze licht gedaald (van 90,9% naar 88,8%) (CBS Statline).  

Meer informatie

Datum publicatie

23-02-2018

Trend in werkloosheidspercentage

Trend in werkloosheidspercentage 2003-2017

MannenVrouwen
20034,35,6
20045,16,4
20055,16,9
20064,16,1
20073,35,2
200834,5
20093,94,9
20104,65,5
20114,65,4
20125,56,3
20137,37,4
20147,27,8
20156,67,3
20165,66,5
20174,55,3

Bron: CBS Statline

Werkloosheidspercentage laatste jaren gedaald

In 2017 is het werkloosheidspercentage in de leeftijdscategorie 15- tot 75-jarigen voor mannen (4,5%) en vrouwen (5,3%) weer ongeveer op hetzelfde niveau als in 2003. Sinds 2008, het jaar dat de financiële crisis ook in Nederland merkbaar werd, is het werkloosheidspercentage sterk gestegen tot 2014. Daarna is het werkloosheidspercentage weer gedaald. Het verschil in werkloosheidspercentage tussen mannen en vrouwen is tot 2013 steeds kleiner geworden. Sindsdien is er weer een klein verschil zichtbaar (CBS Statline). 

Meer informatie

Datum publicatie

23-02-2018

Trend in pensioenleeftijd

Trend in pensioenleeftijd 2000-2015

MannenVrouwen
200060,860,8
200160,960,7
200260,760,8
200361,161,0
200460,960,9
200561,061,0
200661,061,0
200761,961,5
200862,161,9
200962,662,5
201062,762,8
201163,163,1
201263,663,5
201364,063,7
201464,263,9
201564,664,0

Pensioenleeftijd sterk gestegen

In de periode 2000-2016 is de pensioenleeftijd gestegen van gemiddeld 60,8 naar 64,8 jaar voor mannen en van 60,8 naar 63,8 jaar voor vrouwen (CBS Statline). Vooral na 2006 is er een sterke stijging te zien. Vanaf 2007 is de invoering van de wetswijzigingen en regelgeving gericht op inperking van regelingen voor vervroegd pensioen ingegaan. In de periode 2000-2016 is ook de levensverwachting en gezonde levensverwachting (het aantal jaren in goed ervaren gezondheid) gestegen. Al stijgen deze iets minder hard dan de pensioenleeftijd.

Meer informatie

Datum publicatie

23-02-2018

Gezondheid en arbeidsparticipatie

Gezondheid en arbeid naar leeftijd 2016

Gezondheid19-2425-6465-84Totaal
Geen problemenEG64,984,28,968,8
Geen problemenMG64,080,17,563,3
Geen problemenBep.63,781,98,366,5
Geen problemenCZ64,684,58,970,1
GezondheidsproblemenEG49,352,14,237,1
GezondheidsproblemenMG44,941,53,136,8
GezondheidsproblemenBep.39,543,73,729,1
GezondheidsproblemenCZ53,961,75,644,3
  • EG: Ervaren gezondheid*
  • MG: Mentale gezondheid (betreft het percentage 'matig of hoog risico op angststoornis of depressie')*
  • Bep: Beperkingen*
  • CZ: Chronische ziekte*

*De verschillen in percentages voor de weergegeven leeftijdscategorie zijn statistisch significant (geen overlap in de 95% betrouwbaarheidsintervallen, hier niet weergegeven). 

Minder goede gezondheid leidt vaker tot uitval 

Gezondheid en arbeidsparticipatie hangen met elkaar samen. Het is mogelijk dat een goede gezondheid zorgt voor een actieve deelname aan het arbeidsproces. Een mogelijke verklaring voor de samenhang tussen gezondheid en arbeidsparticipatie is dat een minder goede gezondheid vaker leidt tot uitval uit het arbeidsproces (werkloosheid, vroegpensioen en arbeidsongeschiktheid) (Versantvoort & Van Echtelt, 2012; Oortwijn et al., 2011). Andersom kan arbeidsparticipatie ook zorgen voor een goede gezondheid (zie: arbeidsparticipatie en gezondheid). 

Personen met goede gezondheid hebben vaker betaalde baan

Als we gezonde personen vergelijken met personen met gezondheidsproblemen dan zien we dat in 2016 een groter percentage van de personen (25-64 jaar) met een goed ervaren gezondheid werkt dan personen met een minder dan goed ervaren gezondheid (84,2% versus 52,1%). Het zelfde patroon is te zien als we kijken naar mentale gezondheid, het hebben van beperkingen en chronisch ziekten. Bij de personen zonder gezondheidsproblemen is het percentage werkenden hoger dan bij de personen met gezondheidsproblemen (Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016, GGD'en, CBS en RIVM). 

Meer informatie

Datum publicatie

12-07-2018

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016, GGD'en, CBS en RIVM, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Versantvoort M., Van Echtelt P. Belemmerd aan het werk: Trendrapportage ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en arbeidsdeelname personen met gezondheidsbeperkingen. Den Haag: SCP/CBS/TNO/UWV Kenniscentrum; 2012. Bron
  2. Oortwijn W., Nelissen E., Adamini S., Van den Heuvel S., Geuskens G., Burdorf L. Social determinants state of the art reviews - Health of people of working age. Luxembourg: European Commission Directorate General for Health and Consumers; 2011. Bron | DOI

Arbeidsparticipatie en gezondheid

Arbeid en gezondheid naar leeftijd 2016

Gezondheid19-2425-6465-84Totaal
WerkendenEG88,986,080,386,1
WerkendenMG5,23,61,73,7
WerkendenBep.2,76,511,86,3
WerkendenCZ15,824,437,323,9
Niet werkendenEG80,955,664,462,3
Niet werkendenMG10,617,74,210,3
Niet werkendenBep.7,028,924,224,5
Niet werkendenCZ22,752,249,548,1
  • EG: Ervaren gezondheid*
  • MG: Mentale gezondheid (betreft het percentage 'matig of hoog risico op angststoornis of depressie')*
  • Bep: Beperkingen*
  • CZ: Chronische ziekte*

*De verschillen in percentages voor de weergegeven leeftijdscategorie zijn statistisch significant (geen overlap in de 95% betrouwbaarheidsintervallen, hier niet weergegeven). 

Werkenden gezonder dan niet-werkenden 

Gezondheid en arbeidsparticipatie hangen met elkaar samen. Naast dat gezondheid leidt tot minder uitval in het arbeidsproces, kan het feit dat men werkt andersom juist ook een bijdrage leveren aan een betere gezondheid. Als we personen met en zonder het hebben van een betaalde baan vergelijken dan zien we dat in 2016 bij werkenden van 25-64 jaar vaker sprake is van een goed ervaren gezondheid ten opzichte van niet werkenden (86% versus 55,6%). Verder hebben werkenden een lager percentage met een minder goede mentale gezondheid, minder beperkingen en zijn ze minder vaak chronisch ziek ten opzichte van personen zonder een betaalde baan (Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016, GGD'en, CBS en RIVM). 

Meer informatie

Datum publicatie

12-07-2018

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016, GGD'en, CBS en RIVM, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016. zorggegevens.nl

Verantwoording

Definities
  • Maatschappelijke participatie

    Meedoen in de samenleving
    Een groot deel van de Nederlanders is actief in de maatschappij. Wat onder maatschappelijke participatie wordt verstaan kan verschillen. Vaak wordt maatschappelijke participatie aangeduid als ‘meedoen in de samenleving’. Welke invulling aan het woord ‘meedoen’ wordt gegeven kan variëren; van enige vorm van betrokkenheid bij de maatschappij, bijvoorbeeld in de vorm van lezen van kranten, tot actief deelnemen aan activiteiten buitenshuis, zoals betaalde arbeid. Daarbij worden meerdere indelingen gehanteerd, waaronder participatie naar setting (zoals sport, arbeid en onderwijs), participatie naar mate van inzet deelnemer (actief of passief) en participatie naar mate van betrokkenheid (Harbers & Hoeymans, 2013). In dit onderwerp worden de domeinen arbeid, onderwijs, vrijwilligerswerk en het geven van mantelzorg verder toegelicht.

    Relatie tussen maatschappelijke participatie en gezondheid
    Bij de beschrijving van de relatie tussen maatschappelijke participatie en gezondheid wordt vaak het ICF-raamwerk gebruikt (ICF, 2002). Volgens de ICF leiden gezondheidsproblemen niet per definitie tot participatieproblemen. Naast medische factoren (de ziekte, de aandoening of het letsel dat iemand heeft) en de mate van beperkingen bij activiteiten die deze factoren met zich meebrengen, zijn namelijk ook persoonlijke factoren en externe factoren van invloed op participatie. Bij externe factoren gaat het bijvoorbeeld om omstandigheden op het werk, op school of in de zorg die de participatie kunnen beïnvloeden. Bij persoonlijke factoren gaat het bijvoorbeeld om persoonlijke eigenschappen, gedrag of demografische eigenschappen (Harbers & Hoeymans, 2013).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harbers MM, Hoeymans N. Gezondheid en maatschappelijke participatie: Themarapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezond en Milieu (RIVM); 2013. Bron
  • Arbeidsparticipatie

    Beroeps- en niet-beroepsbevolking omvat alle 15- tot 75-jarigen
    Alle 15- tot 75-jarigen behoren tot de beroeps- en niet-beroepsbevolking. De beroepsbevolking bestaat uit personen die betaald werk hebben (werkzame beroepsbevolking) of die geen betaald werk hebben, maar daarvoor direct beschikbaar zijn (werkloze beroepsbevolking). De niet-beroepsbevolking betreft personen zonder betaald werk en die daarvoor niet direct beschikbaar zijn. Het gaat om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur. In de internationale literatuur wordt in veel gevallen een drempelwaarde van 1 uur aangehouden (CBS Statline).

    Bruto- en netto arbeidsparticipatie
    De bruto arbeidsparticipatie is het aandeel van de (werkzame en werkloze) beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking). De netto arbeidsparticipatie betreft het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking) (CBS Statline).

    Arbeidsduur: voltijd en deeltijd
    Iemand met voltijdwerk werkt 35 uur of meer per week. Het gaat daarbij om het aantal uren dat iemand in een normale of gemiddelde werkweek werkt. Iemand die minder dan 35 uur werkt, werkt in deeltijd. Deze groep kan worden onderverdeeld in mensen met een grote deeltijdbaan (20 tot 35 uur per week) en mensen met een kleine deeltijdbaan (minder dan 20 uur per week) (CBS Statline).

  • Onderwijsdeelname

    Basisonderwijs
    Het basisonderwijs omvat naast de gewone basisscholen ook de scholen voor kinderen van mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats, de zogenaamde rijdende scholen en de ligplaatsscholen voor varende kleuters. Naast het reguliere basisonderwijs is er ook nog het speciaal basisonderwijs. Dit omvat het basisonderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, moeilijk lerende kinderen en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (CBS, Statline).

    Voortgezet onderwijs
    Onder voortgezet onderwijs (vo) wordt verstaan: het onderwijs zoals opgenomen in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). Het voortgezet onderwijs omvat de onderwijssoorten voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) met en zonder indicatie voor leerwegondersteuning en praktijkonderwijs (CBS, Statline).

    Het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) kan worden gezien als tweedekansonderwijs, waarbij volwassenen alsnog een diploma of deelcertificaat kunnen behalen op het niveau van de theoretische leerweg van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo-t, voorheen mavo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) of het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) (CBS, Statline).

    Middelbaar, hoger en wetenschappelijk onderwijs
    Na het afronden van het voortgezet onderwijs kan de schoolloopbaan worden voortgezet op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) (dit omvat de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo). De cijfers in de grafieken betreffen voltijd-, deeltijd- en duaalonderwijs (CBS, Statline).

  • Vrijwilligerswerk

    Schatting aantal vrijwilligers hangt af van definitie
    De definitie en afbakening van vrijwilligers varieert tussen databronnen en daarmee varieert ook het aantal vrijwilligers. Eisen ten aanzien van het  soort werk en in welk verband het  vrijwilligerswerk wordt uitgevoerd zijn van invloed op het percentage vrijwilligers.
    Er worden in dit onderwerp verschillende definities van vrijwilligerswerk gehanteerd:
    - Definitie CBS
    - Definitie Gezondheidsmonitor 

    Definitie Monitor Sociale samenhang en welzijn (CBS)
    De volgende definitie van vrijwilligerswerk wordt gehanteerd in dit onderwerp: Vrijwilligerswerk voor organisaties of verenigingen, uitgevoerd in de afgelopen 12 maanden (CBS, Statline). Het kan daarbij gaan om bestuurlijk werk of andere activiteiten. Volgens de Rijksoverheid gelden in het algemeen de volgende voorwaarden voor vrijwilligerswerk:

    • Het werk is in het algemeen belang of in een bepaald maatschappelijk belang.
    • Het werk heeft geen winstoogmerk.
    • Het werk kost de arbeidsmarkt geen banen en komt niet in de plaats van een betaalde baan (Rijksoverheid).

    Definitie Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 (GGD)
    Om inzicht te krijgen in regionale verschillen naar vrijwilligerswerk zijn de gegevens van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 gebruikt. Deze indicator is gebaseerd op de volgende vraag: "Doet u vrijwilligerswerk? Hieronder wordt verstaan: werk dat in georganiseerd verband (bijvoorbeeld sportvereniging, kerkbestuur, school) onbetaald wordt uitgevoerd" met 'ja' beantwoordt.

     

  • Mantelzorg

    Uiteenlopende termen voor hulp aan familie en bekenden
    Hulp aan familie en bekenden wordt in de literatuur aangeduid met verschillende termen, zoals informele hulp, informele zorg en mantelzorg (Zantinge et al., 2011; de Boer & de Klerk, 2013). Hoewel deze termen door elkaar gebruikt worden, zijn het geen synoniemen. Mantelzorg richt zich op familie en bekenden met een hulpbehoefte als gevolg van een ziekte of aandoening. De doelgroep van informele hulp is vaak breder en omvat ook individuen met een hulpbehoefte los van ziekte of aandoening en los van de aanwezigheid van een persoonlijke relatie. Onder informele zorg wordt soms ook vrijwilligerswerk in de zorg geschaard.

    Schatting aantal mantelzorgers hangt af van definitie en vraagstelling
    De definitie en afbakening van mantelzorg varieert tussen databronnen en daarmee varieert ook het aantal mantelzorgers. Een belangrijk onderscheid is het verschil tussen het verlenen van mantelzorg in het afgelopen jaar versus mantelzorgverlening in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Ook eisen ten aanzien van de duur en intensiteit van de inzet zijn van invloed op het percentage mantelzorgers. Bovendien maakt het uit of de term mantelzorg expliciet in de vraagstelling is gebruikt. Het is namelijk bekend dat niet alle mantelzorgers zich zelf zien als mantelzorger. Soms is in een onderzoek naar meerdere onderwerpen gevraagd, maar gaat een specifieke publicatie over een selectie van de vragen uit de dataset. Zo kan het voorkomen dat publicaties die op dezelfde bron gebaseerd zijn andere cijfers presenteren.

    Definitie CBS
    De definitie van mantelzorg die het CBS gebruikt in de leefstijlmonitor en in de gezondheidsmonitor is als volgt: 'Zorg die iemand geeft aan een bekende uit zijn of haar omgeving, zoals een partner, kind of vriend, als deze persoon voor langere tijd ziek, hulpbehoevend of gehandicapt is. De mantelzorg kan bestaan uit het doen van het huishouden, wassen en aankleden, gezelschap houden, vervoer, geldzaken regelen enzovoort. Mantelzorg wordt niet betaald. Een vrijwilliger die werkt vanuit een vrijwilligerscentrale is geen mantelzorger. Iemand is mantelzorger als de zorg al minimaal 3 maanden duurt, of zorg biedt voor minimaal 8 uur per week' (CBS, 2017). 

    Vraagstellingen behorende bij deze definitie (CBS, 2017): 
    1. Heeft u in de afgelopen 12 maanden mantelzorg gegeven? 
    2. Geeft u deze mantelzorg nu nog? 
    3. Hoeveel uur mantelzorg geeft u momenteel gemiddeld per week, de reistijd meegerekend? 
    4. Hoe lang geeft u al mantelzorg? 
    5. Sommige mensen voelen zich erg belast door de verzorging van een ander. Zij vinden de zorg zwaar en moeilijk vol te houden. Voor de andere mensen geldt dat minder. Alles bij elkaar genomen, hoe belast voelt u zich momenteel? 
    6. Is deze persoon waaraan u mantelzorg geeft een familielid?  

    Definitie SCP
    Het SCP omschrijft mantelzorg als ‘de zorg die wordt gegeven aan een hulpbehoevende door iemand uit diens directe sociale omgeving waarbij het kan gaan om zowel heel langdurige of intensieve zorg als kortdurende en minder intensieve zorg’ (De Klerk et al., 2014). In de enquête Informele zorg uit 2014, waarop het SCP haar cijfers baseert, staat de volgende vraag met betrekking tot mantelzorg: ‘De volgende vragen gaan over het geven van hulp aan bekenden met gezondheidsproblemen. Denk aan uw partner, familie, vriend of buur die hulp nodig heeft vanwege lichamelijke, psychische, verstandelijke beperkingen of ouderdom. Voorbeelden zijn huishouden doen, wassen en aankleden, gezelschap houden, vervoer of klusjes. Hulp in het kader van uw beroep of vrijwilligerswerk telt niet mee. Hebt u in de afgelopen 12 maanden dit soort hulp gegeven?’ (De Klerk et al., 2015).

    De cijfers gepresenteerd op deze website VZinfo.nl zijn voornamelijk afkomstig van het CBS. Hiervoor is gekozen omdat met CBS cijfers meer uitsplitsingen te maken zijn, zoals mantelzorgers naar leeftijd, opleidingsniveau en herkomst. Deze uitsplitsingen kunnen daarna vergeleken worden met de andere domeinen binnen het onderwerp participatie. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Zantinge EM, van der Wilk EA, van Wieren S, Schoemaker CG. Gezond ouder worden in Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron
    2. de Boer A, de Klerk M. Informele zorg in Nederland. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau (SCP); 2013. Bron
    3. De Klerk M, de Boer A, Kooiker S, Plaisier I, Schyns P. Hulp geboden. Een verkenning van de mogelijkheden en grenzen van (meer) informele hulp. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP); 2014. Bron
    4. De Klerk M, de Boer A, Plaisier I, Schyns P, Kooiker S. Informele hulp: wie doet er wat? - Kerncijfers. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau (SCP); 2015. Bron
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over participatie

    Bron

    Indicator in VZinfo

    Gepresenteerde populatie VZinfo

    Meer informatie

    Enquête Beroepsbevolking (EBB)

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Nederlandse bevolking vanaf 15 jaar

    EBB

    Register informatie Primair onderwijs, CBS/DUO

    Prevalentie (registratie)

    Nederlandse leerlingen basisonderwijs

    Register informatie Primair onderwijs 

    Onderzoek Sociale samenhang en welzijn, CBS

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Nederlandse bevolking vanaf 15 jaar van particuliere huishoudens

    Onderzoek Sociale samenhang en welzijn

    Gezondheidsmonitor Volwassenen GGD-en, CBS en RIVM

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Nederlandse bevolking vanaf 25 jaar

    Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM

    Gezondheidsenquête, voorheen POLS, gezondheid en welzijn

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Nederlandse bevolking vanaf 25 jaar

    Gezondheidsenquête

    EU-Labour Force Survey

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Europese bevolking vanaf 15 jaar

    Eurostat

    European Quality of Life Survey (EQLS)

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Europese bevolking

    Eurofound

  • Participatie: Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM 2016

    Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM 2016
    De Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor. Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier

    Gezondheidsmaten
    Voor de presentatie van participatie en gezondheid (en andersom) zijn een aantal gezondheidsmaten uit de gezondheidsmonitor gebruikt:

    • Ervaren gezondheid: betreft het percentage dat zijn/haar algemene gezondheid als (zeer) goed ervaart.
    • Mentale gezondheid: betreft het percentage dat een hoog risico heeft op een angststoornis of depressie.
    • Beperkingen: betreft het percentage dat minimaal één beperking met horen, zien of mobiliteit heeft (ofwel minimaal grote moeite met 1 vd 7 OECD items).
    • Chronische ziekte: Betreft het percentage dat een langdurige ziekte(n) of aandoening(en) heeft. 
Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Regie eigen leven: Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM 2016

    Deze indicator is gebaseerd op een vraag met 7 stellingen. De antwoorden worden samengevat in een score tussen de 7-35.
    7 t/m 19: onvoldoende eigen regie
    20 t/m 35: matig of veel regie over eigen leven.   

    Iedere vraag heeft 5 antwoordcategorieën: 1 'Helemaal mee eens'; 2 'Meestal'; 3 'Niet mee eens, niet mee oneens'; 4 'Niet mee eens'; 5 'Helemaal mee oneens'.
    Bij antwoord 1 'Helemaal mee eens' krijg je in dit geval de laagste score 1, bij antwoord 5 'Helemaal mee oneens' krijgt de hoogste score 5.

    Het betreft de volgende stellingen:

    • Ik heb weinig controle over de dingen die me overkomen
    • Sommige van mijn problemen kan ik met geen mogelijkheid oplossen
    • Er is weinig dat ik kan doen om belangrijke dingen in mijn leven te veranderen
    • Ik voel me vaak hopeloos bij het omgaan met de problemen van het leven.
    • Soms voel ik dat ik een speelbal van het leven ben.
    • Wat er in de toekomst met me gebeurt hangt voor het grootste deel van mezelf af
    • Ik kan ongeveer alles als ik mijn zinnen er op heb gezet.

Andere websites over Participatie

Data en gegevensbronnen