Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

OvergewichtCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

De helft van de Nederlanders is te zwaar

Regionaal & Internationaal

Minder overgewicht in Nederland vergeleken met EU

Kosten

Preventie & Zorg

Integrale aanpak bij preventie van overgewicht

Overgewicht volwassenen

De helft van de Nederlanders is te zwaar

In 2016 heeft bijna de helft (49,2%) van de Nederlanders van 18 jaar en ouder overgewicht. Overgewicht komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Bij obesitas is dat andersom: meer vrouwen hebben obesitas dan mannen. In totaal heeft 14,2% van de Nederlanders obesitas. Overgewicht neemt toe met de leeftijd. Deze cijfers zijn gebaseerd op zelfrapportage van lengte en gewicht.

Meer informatie

Experts en redactie

Overgewicht volwassenen naar leeftijd en geslacht

Meer overgewicht bij het ouder worden

Overgewicht komt bij volwassen mannen en vrouwen steeds vaker voor naarmate zij ouder worden. Bij mannen neemt het overgewicht vanaf 65 niet verder toe. Bij vrouwen blijft overgewicht toenemen naarmate zij ouder worden. Deze cijfers zijn gebaseerd op zelfrapportage van lengte en gewicht.

Meer informatie

  • Methoden om overgewicht en obesitas te meten

 

Experts en redactie

Overgewicht naar opleiding

Meeste overgewicht en obesitas onder laagstopgeleiden

Overgewicht komt het vaakst voor onder de laagstopgeleiden en het minst onder de hoogstopgeleiden. Het verschil tussen deze twee groepen is meer dan 20%. Ook obesitas komt het meest voor onder de laagstopgeleiden en het minst onder de hoogstopgeleiden, een verschil van 15%. Bij deze resultaten is geen rekening gehouden met verschillen in leeftijd en geslacht tussen de opleidingsgroepen.

Experts en redactie

Overgewicht kinderen

Percentage kinderen met overgewicht, 2016

    Overgewicht (BMI ≥ 25) Obesitas (BMI ≥ 30)
4 t/m 11 jaar 11,9 2,6
  jongens 10,7 1,1
  meisjes 13,2 4,1
12 t/m 17 jaar 15,6 2,8
  jongens 15,7 3,3
  meisjes 15,5 2,3
4 t/m 17 jaar totaal 13,6 2,7

De BMI-grenswaarden van overgewicht en obesitas van kinderen en jongeren wijken af van die van volwassenen. Zie ook: Definities.

Bijna 14% van de jeugd heeft overgewicht

Van de kinderen van 4 tot en met 17 jaar oud heeft 13,6% in 2016 overgewicht, waarvan 2,7% obesitas. Meisjes van 4 tot en met 11 jaar hebben vaker overgewicht en obesitas dan jongens. Bij de groep 12 tot en met 17 zijn er geen grote verschillen tussen jongens en meisjes. 

Meer informatie

  • Methoden voor verschillen tussen zelfgerapporteerde en gemeten cijfers
  • Definities voor de BMI grenswaarden van overgewicht en obesitas bij kinderen

Overgewicht in combinatie met zwaar alcoholgebruik en roken

Overgewicht en zwaar alcoholgebruik clusteren

Van de volwassenen (25 jaar en ouder) is 3,5% te zwaar en tegelijkertijd een zware gebruiker van alcohol. De odds ratio (OR) voor overgewicht en zwaar alcoholgebruik is 1,20 (p<0,001). Het komt dus vaker voor dat één en dezelfde persoon zowel overgewicht heeft als zwaar alcoholgebruiker is dan op basis van toeval verwacht mag worden. Met andere woorden: beide risicofactoren clusteren en de één vergroot het risico op de ander. Dit blijkt uit gegevens van de Nederlandse bevolking van 25 jaar en ouder uit de Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM (2012). Een mogelijke verklaring voor deze clustering is dat excessief alcoholgebruik samenhangt met de risicofactoren voor overgewicht, namelijk ongezond eten en weinig bewegen (Wendel-Vos et al., 2007).

De combinatie overgewicht en dagelijks roken komt voor bij 7% van de 25-plussers. Maar overgewicht vormt met roken geen cluster en blijkt juist te clusteren met niet-roken (OR= 0,78; p<0,001) (Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Wendel-Vos GCW, Picavet HSJ, van Gelder BM, Tijhuis MAR, Droomers M. Een exploratie van risicogroepen en samenhang met omgeving, gezondheid en zorggebruik. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2007. Bron

Verantwoording

Definities
  • Wat is overgewicht?

    Overgewicht en obesitas (ernstig overgewicht) zijn abnormale of buitensporige opeenhopingen van vet die de gezondheid kunnen beïnvloeden (WHO, 2015). Er zijn verschillende methoden om te bepalen of iemand overgewicht heeft. De body mass index (BMI) is gebaseerd op de verhouding tussen lengte en gewicht. De BMI is de meest gebruikte maat om (ernstig) overgewicht te definiëren. Daarnaast geven de buikomtrek en de huidplooidikte ook een goede indicatie voor de hoeveelheid opgeslagen vet. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. WHO. Factsheet obesity and overweight. Vol 2015.; 2015. Bron
  • BMI geeft verhouding tussen lengte en gewicht, volwassenen

    Het gewicht van iemand (in kilogram) gedeeld door het kwadraat van zijn lengte (in meters) geeft de body mass index in kg/m2. De BMI is ingedeeld in de categorieën ondergewicht, overgewicht en obesitas. Voor het meten van overgewicht bij jongeren gelden leeftijdsspecifieke grenswaarden van de BMI. Deze grenswaarden zijn lager dan bij volwassenen en zijn per leeftijdsjaar en apart voor jongens en meisjes vastgesteld. De grenswaarden voor overgewicht zijn vastgesteld door de International Obesity Task Force (Cole et al., 2000, TNO, 2006).

    Internationale categorieën in lichaamsgewicht voor volwassenen naar BMI 

    Categorie

    Grenswaarden BMI (kg/m2)

    Ondergewicht

    <18,5

    Ernstig ondergewicht

    <16,0

    Gemiddeld ondergewicht

    16,0 - 16,99

    Matig ondergewicht

    17,0 - 18,49

    Gezond gewicht

    18,50 - 24,99

    Overgewicht

    ≥25,0

    Matig overgewicht

    25,0 - 29,99

    Ernstig overgewicht (obesitas)

    ≥30,0

    Niveau 1

    30,0 - 34,9

    Niveau 2

    35,0 - 39,9

    Niveau 3

    ≥40,0

    Bron: WHO

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Cole TJ, Bellizzi MC, Flegal KM, Dietz WH. Establishing a standard definition for child overweight and obesity worldwide: international survey. BMJ. 2000;320(7244):1240-3. Pubmed
    2. TNO. Prevalentie van overgewicht en obesitas bij jeugdigen 4-15 jaar in de periode 2002-2004. Leiden: TNO; 2006. Bron
  • Afkapwaarden BMI jongeren

    Afkapwaarden BMI jongeren: ernstig ondergewicht, ondergewicht, overgewicht en ernstig overgewicht (obesitas)

    Jongens

    Leeftijd
    in jaren

    Ernstig
    ondergewicht

    Ondergewicht

    Overgewicht

    Ernstig
    overgewicht

    2

    13,93

    14,95

    18,41

    20,09

    3

    13,60

    14,54

    17,89

    19,57

    4

    13,41

    14,30

    17,55

    19,29

    5

    13,23

    14,12

    17,42

    19,30

    6

    13,13

    14,03

    17,55

    19,78

    7

    13,12

    14,06

    17,92

    20,63

    8

    13,21

    14,20

    18,44

    21,60

    9

    13,36

    14,41

    19,10

    22,77

    10

    13,58

    14,69

    19,84

    24,00

    11

    13,87

    15,03

    20,55

    25,10

    12

    14,24

    15,47

    21,22

    26,02

    13

    14,69

    15,98

    21,91

    26,84

    14

    15,20

    16,54

    22,62

    27,63

    15

    15,74

    17,13

    23,29

    28,30

    16

    16,27

    17,70

    23,90

    28,88

    17

    16,76

    18,24

    24,46

    29,41

    ≥ 18

    17,00

    18,50

    25,00

    30,00

     

    Meisjes

    Leeftijd
    in jaren

    Ernstig
    ondergewicht

    Ondergewicht

    Overgewicht

    Ernstig
    overgewicht

    2

    13,87

    14,74

    18,02

    19,81

    3

    13,55

    14,38

    17,56

    19,36

    4

    13,34

    14,15

    17,28

    19,15

    5

    13,16

    13,97

    17,15

    19,17

    6

    13,06

    13,92

    17,34

    19,65

    7

    13,08

    14,00

    17,75

    20,51

    8

    13,17

    14,16

    18,35

    21,57

    9

    13,35

    14,42

    19,07

    22,81

    10

    13,63

    14,78

    19,86

    24,11

    11

    14,04

    15,25

    20,74

    25,42

    12

    14,54

    15,83

    21,68

    26,67

    13

    15,08

    16,43

    22,58

    27,76

    14

    15,60

    17,01

    23,34

    28,57

    15

    16,07

    17,52

    23,94

    29,11

    16

    16,48

    17,95

    24,37

    29,43

    17

    16,84

    18,33

    24,70

    29,69

    ≥ 18

    17,00

    18,50

    25,00

    30,00

     Bron: CBO, 2008

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. CBO. Richtlijn Diagnostiek en behandeling van obesitas bij volwassenen en kinderen. Utrecht: Kwaliteitsintituut voor de Gezondheidszorg (CBO); 2008. Bron
  • Buikomvang goede maat voor vaststellen lichaamsvet

    De buikomvang geeft een goede indicatie van de hoeveelheid abdominaal vet (buikvet) en totaal lichaamsvet. De buikomvang (of middelomtrek) wordt gemeten tussen de onderkant van de onderste rib en de bovenkant van het bekken. Een buikomvang van minder dan 80 cm (vrouwen) of 94 cm (mannen) wordt beschouwd als normaal. Bij een omtrek van 88 cm of meer (voor vrouwen) of 102 cm of meer (voor mannen) is sprake van abdominale obesitas, gekenmerkt door vetophoping in de buik.

  • Bij ouderen overgewicht bepalen met buikomvang

    Bij senioren is de BMI niet eenvoudig te interpreteren, vanwege verandering van lichaamslengte, lichaamssamenstelling en vetverdeling over het lichaam. De hoeveelheid onderhuids vet op de ledematen neemt vaak af, terwijl de hoeveelheid vet bij de buik toeneemt (Carmelli et al., 1991; Svendsen et al., 1995). Er zijn aanwijzingen dat de buikomvang bij senioren een betere voorspeller is voor het optreden van ziekten of vroegtijdige sterfte dan de BMI (Molarius et al., 2000; Visscher et al., 2001; Hughes et al., 2004), hoewel de beperkte literatuur niet eenduidig is.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Carmelli D, McElroy MR, Rosenman RH. Longitudinal changes in fat distribution in the Western Collaborative Group Study: a 23-year follow-up. Int J Obes. 1991;15(1):67-74. Pubmed
    2. Svendsen OL, Hassager C, Christiansen C. Age- and menopause-associated variations in body composition and fat distribution in healthy women as measured by dual-energy X-ray absorptiometry. Metabolism. 1995;44(3):369-73. Pubmed
    3. Molarius A, Seidell JC, Visscher TLS, Hofman A. Misclassification of high-risk older subjects using waist action levels established for young and middle-aged adults-results from the Rotterdam Study. J Am Geriatr Soc. 2000;48(12):1638-45. Pubmed
    4. Visscher TLS, Seidell JC, Molarius A, van der Kuip D, Hofman A, Witteman J CM. A comparison of body mass index, waist-hip ratio and waist circumference as predictors of all-cause mortality among the elderly: the Rotterdam study. Int J Obes Relat Metab Disord. 2001;25(11):1730-5. Pubmed | DOI
    5. Hughes VA, Roubenoff R, Wood M, Frontera WR, Evans WJ, Singh M. Anthropometric assessment of 10-y changes in body composition in the elderly. Am J Clin Nutr. 2004;80(2):475-82. Pubmed
Bronverantwoording
  • Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM

    In 2012 is voor de eerste keer de Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM afgenomen bij volwassenen van 19 jaar en ouder. Het betreft gegevens over 387.195 mensen waarvan 97,2% zijn geënquêteerd door de in totaal 28 GGD’en en 2,8% door het CBS. Het beheer van de ‘Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM 2012’ ligt bij het RIVM.

    De gegevens van het CBS die in de Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM zijn opgenomen, zijn gedurende het hele jaar verzameld. De gegevens van de GGD’en zijn verzameld in het najaar van 2012.

    De cijfers afkomstig uit de ‘Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM 2012’ verschijnen ook op  Statline van het CBS. Voor meer informatie, zie Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM, Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012. zorggegevens.nl
  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Naar verwachting wordt het loket in november 2017 geopend voor aanvragen uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

  • Overgewicht: Nederland de Maat Genomen (NL de Maat)

    In de periode 2009-2010 is in de monitoringstudie Nederland de Maat Genomen onderzoek gedaan naar de prevalentie van (abdominaal) overgewicht en obesitas, (onderdelen) van het metabool syndroom en ongediagnosticeerde diabetes in de algemene bevolking van 18-70 jaar. Van ongeveer 4.500 personen uit zeven gemeenten zijn lichaamsgewicht, -lengte en middelomtrek gemeten. Voor meer informatie, zie:  Nederland de Maat Genomen.

  • CBS Statline en POLS

    Het CBS verzamelt jaarlijks zelfgerapporteerde gegevens bij een steekproef uit de Nederlandse bevolking in het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS), module Gezondheid en Welzijn. Zo volgt het CBS de ontwikkeling in het percentage mensen met overgewicht (POLS, gezondheid en welzijn). Circa tienduizend Nederlanders van 12 jaar en ouder rapporteren onder meer hun gewicht en lengte. Om een representatief beeld te krijgen van deze bevolkingsgroep zijn de resultaten van dit onderzoek gewogen naar de volgende vijf factoren: geslacht, leeftijd, burgerlijke staat en een combinatie van regio en urbanisatiegraad. Voor meer informatie, zie POLS

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. POLS, Permanent Onderzoek Leefsituatie; module Gezondheid en Welzijn. zorggegevens.nl
  • TNO Landelijke Groeistudie

    TNO volgt sinds 1955 de groei en ontwikkeling van Nederlandse kinderen, onder andere via de Landelijke Groeistudies. De laatste prevalentiegegevens van overgewicht en ernstig overgewicht heeft TNO in 2010 gepubliceerd in de Vijfde Landelijke Groeistudie. De Groeistudie verzamelt gemeten gegevens over onder meer lengte, gewicht en buikomvang. Eerdere publicaties van de Groeistudie waren in 1965, 1980 en 1997. Voor meer informatie, zie: TNO Landelijke Groeistudie.

Methoden
  • Zelfgerapporteerde versus gemeten gegevens

    Soms worden de gegevens over lichaamsgewicht en -lengte gemeten. Maar meestal zijn gegevens verzameld met behulp van vragenlijsten, waarin mensen zelf hun gewicht en lengte aangeven (zogenoemde zelfgerapporteerde gegevens). Gemeten gegevens zijn vaak betrouwbaarder dan gerapporteerde gegevens. Als mensen zelf hun gewicht en lengte rapporteren, zijn zij geneigd om hun gewicht te onderschatten en hun lengte te overschatten. De cijfers kunnen daardoor een te gunstig beeld geven als het gaat over het aantal mensen met overgewicht (Viet et al., 2003; Connor Gorber S et al., 2007).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Viet AL, van den Hof S, Elvers LH, Ocké MC, Vossenaar M. Risicofactoren En GezondheidsEvaluatie Nederlandse Bevolking, een onderzoek op GGD'en (Regenboogproject). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2003. Bron
    2. Connor Gorber S, Tremblay M, Moher D, Gorber B. A comparison of direct vs. self-report measures for assessing height, weight and body mass index: a systematic review. Obes Rev. 2007;8(4):307-26. Pubmed | DOI
  • Trendgegevens in VZinfo

    Bij de trend in het percentage volwassenen met overgewicht presenteert VZinfo zelfgerapporteerde gegevens van de POLS Gezondheidsenquête van het CBS (POLS, gezondheid en welzijn). Deze zelfgerapporteerde gegevens beslaan een langere periode dan de gemeten gegevens uit andere studies. De prevalentiecijfers in 2012 wijken iets af van de cijfers van de Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM. De Gezondheidsmonitor combineert gegevens van de GGD'en met de CBS-Gezondheidsenquête. Voor de trendcijfers is alleen de gezondheidsenquête gebruikt omdat de cijfers dan goed vergelijkbaar zijn over de tijd.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. POLS, Permanent Onderzoek Leefsituatie; module Gezondheid en Welzijn. zorggegevens.nl
    2. Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM, Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012. zorggegevens.nl
    3. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
  • Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de 387.195 respondenten van de Gezondheidsmonitor volwassenen 2012 van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren met deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt. Dit is gedaan voor 26 verschillende uitkomstmaten.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de kleine-domeinschattingen zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van zowel de respondenten als van de gebieden waarin ze wonen. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2012 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Grote aantallen nodig
    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn!

    Toekomst
    In het najaar van 2016 zijn de gegevens van de Gezondheidsmonitor 2016 verzameld. We hopen op basis van opnieuw een groot databestand (456.179 respondenten) ook voor 2016 wijk- en buurtcijfers te kunnen berekenen. 

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Er is een wetenschappelijk artikel geschreven met een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode. Zodra dat artikel gepubliceerd is, wordt de referentie hier gemeld. Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

  • Overgewicht naar opleidingsniveau (RII)

    De RII (Relative Index of Inequality) is een odds ratio voor het verschil in overgewicht tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden die rekening houdt met de verdeling van mensen over de verschillende opleidingsniveaus. Een RII > 1 betekent dat overgewicht meer voorkomt onder de laagst- dan onder de hoogstopgeleiden.

    Verschil in overgewicht tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden, 2012

    Wie

    Gecorrigeerd voor

    RII (95% betrouwbaarheidsinterval)

    Gehele bevolking

    Leeftijd en geslacht

    2,79 (2,72 –2,87)

    Vrouwen

    Leeftijd

    3,27 (3,15 – 3,40)

    Mannen

    Leeftijd

    2,36 (2,27 – 2,45)

    Zie methode voor een beschrijving van de analyse.

  • Obesitas naar opleidingsniveau (RII)

    De RII (Relative Index of Inequality) is een odds ratio voor het verschil in obesitas tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden die rekening houdt met de verdeling van mensen over de verschillende opleidingsniveaus. Een RII > 1 betekent dat obesitas meer voorkomt onder de laagst- dan onder de hoogstopgeleiden.

    Verschil in obesitas tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden, 2012

    Wie

    Gecorrigeerd voor

    RII (95% betrouwbaarheidsinterval)

    Gehele bevolking

    Leeftijd en geslacht

    3,50 (3,37 –3,64)

    Vrouwen

    Leeftijd

    3,87 (3,67 – 4,09)

    Mannen

    Leeftijd

    3,18 (3,00 – 3,37)

    Zie methode voor een beschrijving van de analyse.

  • Overgewicht naar opleidingsniveau: leeftijdscategorieën (RII)

    De RII (Relative Index of Inequality) is een odds ratio voor het verschil in overgewicht tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden die rekening houdt met de verdeling van mensen over de verschillende opleidingsniveaus. Een RII > 1 betekent dat overgewicht meer voorkomt onder de laagst- dan onder de hoogstopgeleiden.

    Verschil in overgewicht tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden, 2012

    Wie

    Gecorrigeerd voor

    RII (95% betrouwbaarheidsinterval)

    25-34 jarigen

    Geslacht

    3,65 (3,31 – 4,04)

    35-49 jarigen

    Geslacht

    3,46 (3,25 – 3,68)

    50-64 jarigen

    Geslacht

    2,78 (2,64 – 2,93)

    65-plussers

    Geslacht

    2,36 (2,27 – 2,45)

    Zie methode voor een beschrijving van de analyse.

  • Trend in overgewicht naar opleidingsniveau (RII trend)

    De RII trend (Trend in Relative Index of Inequality) vergelijkt de odds ratios voor het verschil in overgewicht tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden tussen twee momenten in de tijd (bijvoorbeeld 1990 en 2012). Deze maat houdt daarbij tevens rekening met de verdeling van mensen over de verschillende opleidingsniveaus. Een RII trend < 1 betekent een afname in opleidingsverschillen in de betreffende periode.


    De OR trend (Trend in Odds Ratio) is een maat voor het verschil in overgewicht tussen twee momenten in de tijd (bijvoorbeeld 1990 en 2012).  Een OR trend > 1 betekent een toename van het percentage mensen met overgewicht.

    Verschil in overgewicht tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden, 1990-2012

    Wie

    Gecorrigeerd voor

    RII Trend 1990-2012
    (95% betrouwbaarheidsinterval)

    Gehele bevolking

    Leeftijd en geslacht

    0,98 (0,97 – 0,99)

     

    Overgewicht naar opleidingsniveau,1990-2012 

    Wie

    Gecorrigeerd voor

    OR Trend 1990-2012

    lager onderwijs

    Leeftijd en geslacht

    1,02 (p<.001)

    lbo, mavo, vmbo

    Leeftijd en geslacht

    1,03 (p<.001)

    mbo, havo, vwo

    Leeftijd en geslacht

    1,04 (p<.001)

    hbo, universiteit

    Leeftijd en geslacht

    1,04 (p<.001)

    Zie methode voor een beschrijving van de analyse.

  • Obesitas naar opleidingsniveau: leeftijdscategorieën (RII)

    De RII (Relative Index of Inequality) is een odds ratio voor het verschil in obesitas tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden die rekening houdt met de verdeling van mensen over de verschillende opleidingsniveaus. Een RII > 1 betekent dat obesitas meer voorkomt onder de laagst- dan onder de hoogstopgeleiden.

    Verschil in obesitas tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden, 2012

    Wie

    Gecorrigeerd voor

    RII (95% betrouwbaarheidsinterval)

    25-34 jarigen

    Geslacht

    5,20 (4,43 – 6,10)

    35-49 jarigen

    Geslacht

    4,31 (3,95 – 4,70)

    50-64 jarigen

    Geslacht

    3,59 (3,34 – 3,86)

    65-plussers

    Geslacht

    2,75 (2,60 – 2,91)

    Zie methode voor een beschrijving van de analyse.

  • Trend in obesitas naar opleidingsniveau (RII trend)

    De RII Trend (Trend in Relative Index of Inequality) vergelijkt de odds ratios voor het verschil in obesitas tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden tussen twee momenten in de tijd (bjjvoorbeeld 1990 en 2012). Deze maat houdt daarbij tevens rekening met de verdeling van mensen over de verschillende opleidingsniveaus. Een RII trend > 1 betekent een toename in opleidingsverschillen in de betreffende periode; een RII trend < 1 betekent een afname in opleidingsverschillen in de betreffende periode.

    Verschil in obesitas tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden, 1990-2012

    Wie

    Gecorrigeerd voor

    RII Trend 1990-2012
    (95% betrouwbaarheidsinterval)

    Gehele bevolking

    Leeftijd en geslacht

    Niet significant

    Zie methode voor een beschrijving van de analyse.

  • RII: odds ratio

    Een odds ratio is de verhouding van twee ‘odds’. Een odds is de kans dat een gebeurtenis (hier gezondheidsprobleem of leefstijl) zich voordoet in groep a (p) gedeeld door de kans dat een gebeurtenis zich niet voordoet in die groep (1-p), waarbij groep a de laagstopgeleiden zijn. De odds ratio is deze verhouding binnen groep a [p/(1-p)] gedeeld door dezelfde verhouding in groep b, de hoogstopgeleiden, [q/(1-q)]. De formule voor odds ratio is OR= [p/(1-p)] / [q/(1-q)]. De odds ratio is een moeilijk te interpreteren waarde. Een odds ratio zegt niets over kansverschillen maar over odds verschillen. Een odds ratio van bijvoorbeeld 2 staat dus niet voor een twee maal zo vaak vóórkomen van een gezondheidsprobleem of leefstijl onder de laagst- dan onder de hoogstopgeleiden en kun je niet interpreteren als "twee maal zo hoog". Dat laatste kan alleen als het gezondheidsprobleem of de leefstijl weinig voorkomt (prevalentie < ongeveer 10%).

  • Regionale trendgegevens

    Voor de regionale verschillen 1981-2013 zijn driejaarsgemiddelden gebruikt. Daarnaast zijn in de periode1981 tot 2004 de provincies Flevoland en Overijssel samengevoegd en als één provincie gepresenteerd. Vanaf 2004 zijn voor beide provincies apart gegevens beschikbaar.