Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

OvergewichtCijfers & ContextGevolgen

Cijfers & Context

49% van de Nederlanders is te zwaar

Regionaal & Internationaal

Minder overgewicht in Nederland vergeleken met EU

Kosten

Preventie & Zorg

Integrale aanpak bij preventie van overgewicht

Samenhang met ziekten

Ziekten en aandoeningen die samenhangen met (ernstig) overgewicht

Ziekten en aandoeningen die samenhangen met overgewicht of obesitas

Diabetes mellitus type 2

Hart- en vaatziekten: myocard infarct, hartfalen en beroerte

Enkele soorten kanker: slokdarm-, alvleesklier-, dikkedarm-, galblaas-, borst- (postmenopausaal), baarmoeder- en nierkanker

Aandoeningen van de galblaas

Aandoeningen van het bewegingsstelsel (waaronder artrose)

Aandoeningen van de ademhalingswegen (verminderde longfunctie, slaapapneu)

Onvruchtbaarheid

Depressie (stemmingsstoornissen)

Angststoornissen

Overgewicht hangt samen met tal van ziekten

Onder mensen met overgewicht hebben meer mensen minimaal één chronische ziekte dan onder mensen zonder de risicofactoren dagelijks roken, zwaar alcoholgebruik en overgewicht (OR = 1,72; p<0,001). Dit blijkt uit gegevens uit de Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM uit 2012. Het risico op ziekten en aandoeningen wordt groter naarmate de body mass index (BMI) of de buikomvang toeneemt (Gezondheidsraad, 2003). Meer dan twee van de vijf nieuwe gevallen (incidentie) van diabetes mellitus type 2 zijn te wijten aan overgewicht. Daarnaast is overgewicht verantwoordelijk voor ruim 10% van zowel de incidentie van acuut myocard infarct als van chronisch hartfalen. Van de incidentie van beroerte komt ongeveer 5% door overgewicht (in't Panhuis-Plasmans et al., 2012). De hoeveelheid buikvet is de belangrijkste risicofactor voor het optreden van diabetes mellitus type 2 en hart- en vaatziekten. Het gaat dan vooral om het vet aanwezig in de buikholte, rondom en in de organen (Gezondheidsraad, 2003; CBO, 2008). 

Verhoogde kans op artrose en onvruchtbaarheid

Andere aandoeningen die in verband staan met (ernstig) overgewicht zijn: aandoeningen van het bewegingsstelsel, waaronder artrose, aandoeningen van de ademhalingswegen en onvruchtbaarheid (Gezondheidsraad, 2003). Voor mensen met klachten aan het bewegingsstelsel hangt (ernstig) overgewicht bovendien samen met het erger worden van de symptomen en het optreden van lichamelijke beperkingen (Visscher et al., 2003; Tukker et al., 2009).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Gezondheidsraad. Overgewicht en obesitas. Den Haag: Gezondheidsraad; 2003. Bron
  2. in't Panhuis-Plasmans M, Luijben AHP, Hoogenveen RT. Zorgkosten van ongezond gedrag. Kosten van ziekten notities 2012-2. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2012. Bron
  3. CBO. Richtlijn Diagnostiek en behandeling van obesitas bij volwassenen en kinderen. Utrecht: Kwaliteitsintituut voor de Gezondheidszorg (CBO); 2008. Bron
  4. Visscher TLS, Heliövaara M, Picavet HSJ, Rissanen A, Seidell JC. Progress in obesity research: Obesity and musculoskeletal disorders. Vol 9. Montrouge France: John Libbey Eurotext Ltd; 2003. Bron
  5. Tukker A, Visscher TLS, Picavet HSJ. Overweight and health problems of the lower extremities: osteoarthritis, pain and disability. Public Health Nutr. 2009;12(3):359-68. Pubmed | DOI

Samenhang met psychische gezondheid

Overgewicht heeft invloed op psychische gezondheid

Mensen met overgewicht lopen meer risico op psychosociale problemen, stigmatisering en discriminatie dan mensen met een gezond gewicht (Stunkard & Wadden, 1992). Mensen met obesitas hebben bijvoorbeeld vaker angststoornissen of een depressie (Jansen et al., 2008; Scott et al., 2008). Het is niet altijd duidelijk of het hebben van overgewicht hier een oorzaak of een gevolg van is. Zo kan overgewicht bij mensen met een depressie het gevolg zijn van gewichtsverhogende effecten van antidepressiva (Ouwens et al., 2009).

 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Stunkard AJ, Wadden TA. Psychological aspects of severe obesity. Am J Clin Nutr. 1992;55(2 Suppl):524S-532S. Pubmed
  2. Jansen A, Havermans R, Nederkoorn C, Roefs A. Jolly fat or sad fat? Subtyping non-eating disordered overweight and obesity along an affect dimension. Appetite. 2008;51(3):635-40. Pubmed | DOI
  3. Scott KM, Bruffaerts R, Simon GE, Alonso J, Angermeyer MC, de Girolamo G, et al. Obesity and mental disorders in the general population: results from the world mental health surveys. Int J Obes (Lond). 2008;32(1):192-200. Pubmed | DOI
  4. Ouwens MA, van Strien T, van Leeuwe JFJ. Possible pathways between depression, emotional and external eating. A structural equation model. Appetite. 2009;53(2):245-8. Pubmed | DOI

Samenhang met ervaren gezondheid

Minder goede ervaren gezondheid onder mensen met overgewicht

Vergeleken met mensen zonder de risicofactoren dagelijks roken, zwaar alcoholgebruik en overgewicht zijn er onder de mensen met overgewicht meer mensen die hun gezondheid als “gaat wel” of “(zeer) slecht” beoordelen (OR= 1,55; p<0,001).  Dit blijkt uit gegevens over de Nederlandse bevolking van 25 jaar en ouder uit de Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM (2012). 

Meer informatie

Gezondheidsgevolgen bij kinderen

Overgewicht bij kinderen leidt nu en later tot gezondheidsproblemen

Kinderen met (ernstig) overgewicht hebben meer kans op gezondheidsproblemen, zowel op jonge als op latere leeftijd (Sherry & Dietz, 2004). Ze hebben bijvoorbeeld een grote kans op glucose-intolerantie, verhoogde bloeddruk en hypercholesterolemie (Freedman et al., 1999). Kinderen met obesitas lopen op latere leeftijd meer risico op hart- en vaatziekten. Wanneer iemand al vanaf jonge leeftijd overgewicht heeft, zijn de gezondheidsgevolgen op latere leeftijd extra groot. Er zijn aanwijzingen dat de duur van overgewicht een extra risico betekent voor bijvoorbeeld het ontwikkelen van diabetes mellitus type 2 (Kemper et al., 1999).

Kinderen en tieners met overgewicht slechter in hun vel

Dikke kinderen hebben vaak te maken met stigmatisering, vooral meisjes (Tang-Péronard & Heitmann, 2008). Hierdoor hebben zij meer kans op een lagere zelfwaardering en daarmee samenhangende psychosociale problemen, zoals eenzaamheid, verdriet en gespannenheid (Strauss, 2000). Tieners met obesitas zitten slechter in hun vel en hebben vaker suïcidegedachten (van Wijnen et al., 2010). Ook hier zijn oorzaak en gevolg onduidelijk. Het kan zijn dat zij door hun sombere gevoelens meer zijn gaan eten, waardoor obesitas juist het gevolg is en niet de oorzaak (van Strien et al., 2009).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Sherry B, Dietz WH. Pediatric overweight: An overview. In: Handbook of obesity. 2nd edition. New York/Basel: Marcel Dekker Inc; 2004. Bron
  2. Freedman DS, Dietz WH, Berenson GS. The relation of overweight to cardiovascular risk factors among children and adolescents: the Bogalusa Heart Study. Pediatrics. 1999;103(6 Pt 1):1175-82. Pubmed
  3. Kemper HCG, Post GB, Twisk JW, van Mechelen W. Lifestyle and obesity in adolescence and young adulthood: results from the Amsterdam Growth And Health Longitudinal Study (AGAHLS). Int J Obes Relat Metab Disord. 1999;23 Suppl 3:S34-40. Pubmed
  4. Tang-Péronard JL, Heitmann BL. Stigmatization of obese children and adolescents, the importance of gender. Obes Rev. 2008;9(6):522-34. Pubmed | DOI
  5. Strauss RS. Childhood obesity and self-esteem. Pediatrics. 2000;105(1):e15. Pubmed
  6. van Wijnen LGC, Boluijt PR, Hoeven-Mulder HB, Bemelmans WJE, Wendel-Vos GCW. Weight status, psychological health, suicidal thoughts, and suicide attempts in Dutch adolescents: results from the 2003 E-MOVO project. Obesity (Silver Spring). 2010;18(5):1059-61. Pubmed | DOI
  7. van Strien T, Herman CP, Verheijden MW. Eating style, overeating, and overweight in a representative Dutch sample. Does external eating play a role? Appetite. 2009;52(2):380-7. Pubmed | DOI

Gevolgen voor de (gezonde) levensverwachting

Gezondheidsverlies vooral door obesitas en roken

Obesitas leidt, op roken na, tot het meeste verlies van gezondheid. Bij obesitas gaat het om 3,0 levensjaren en 5,1 gezonde levensjaren; bij roken om 4,1 levensjaren en 4,6 gezonde levensjaren (Hoeymans et al., 2010). Obesitas zorgt voor een relatief groot verlies van gezonde levensjaren doordat obesitas sterker is geassocieerd met ziekten dan met vroegtijdige sterfte (Visscher & Seidell, 2001). Mensen met overgewicht verliezen minder gezondheid dan mensen met obesitas (Hoeymans et al., 2010). In totaal is obesitas verantwoordelijk voor 5% van de sterfgevallen (van Baal et al., 2006).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Hoeymans N, Melse JM, Schoemaker CG. Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010. Van gezond naar beter: deelrapport Gezondheid en determinanten. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
  2. Visscher TLS, Seidell JC. The public health impact of obesity. Annu Rev Public Health. 2001;22:355-75. Pubmed | DOI
  3. van Baal PHM, de Wit GA, Feenstra TL, Boshuizen HC, Bemelmans WJE, Jacobs-van der Bruggen MAM. Bouwstenen voor keuzes rondom preventie in Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2006. Bron

Maatschappelijke gevolgen

Overgewicht kan leiden tot beperkingen en arbeidsongeschiktheid

Overgewicht en obesitas hebben ook maatschappelijke en economische gevolgen. Het aantal ongezonde levensjaren (doorgebracht met ziekte en beperkingen) als gevolg van overgewicht vergroot de maatschappelijke kosten. Hieronder vallen bijvoorbeeld de kosten door arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim en kosten in de gezondheidszorg (Narbro et al., 1996Neovius et al., 2012).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Narbro K, Jonsson E, Larsson B, Waaler H, Wedel H, Sjöström L. Economic consequences of sick-leave and early retirement in obese Swedish women. Int J Obes Relat Metab Disord. 1996;20(10):895-903. Pubmed
  2. Neovius K, Rehnberg C, Rasmussen F, Neovius M. Lifetime productivity losses associated with obesity status in early adulthood: a population-based study of Swedish men. Appl Health Econ Health Policy. 2012;10(5):309-17. Pubmed | DOI

Verantwoording

Definities
  • Wat is overgewicht?

    Overgewicht en obesitas (ernstig overgewicht) zijn abnormale of buitensporige opeenhopingen van vet die de gezondheid kunnen beïnvloeden (WHO, 2015). Er zijn verschillende methoden om te bepalen of iemand overgewicht heeft. De body mass index (BMI) is gebaseerd op de verhouding tussen lengte en gewicht. De BMI is de meest gebruikte maat om (ernstig) overgewicht te definiëren. Daarnaast geven de buikomtrek en de huidplooidikte ook een goede indicatie voor de hoeveelheid opgeslagen vet. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. WHO. Factsheet obesity and overweight. Vol 2015.; 2015. Bron
  • BMI geeft verhouding tussen lengte en gewicht, volwassenen

    Het gewicht van iemand (in kilogram) gedeeld door het kwadraat van zijn lengte (in meters) geeft de body mass index in kg/m2. De BMI is ingedeeld in de categorieën ondergewicht, overgewicht en obesitas. Voor het meten van overgewicht bij jongeren gelden leeftijdsspecifieke grenswaarden van de BMI. Deze grenswaarden zijn lager dan bij volwassenen en zijn per leeftijdsjaar en apart voor jongens en meisjes vastgesteld. De grenswaarden voor overgewicht zijn vastgesteld door de International Obesity Task Force (Cole et al., 2000, TNO, 2006).

    Internationale categorieën in lichaamsgewicht voor volwassenen naar BMI 

    Categorie

    Grenswaarden BMI (kg/m2)

    Ondergewicht

    <18,5

    Ernstig ondergewicht

    <16,0

    Gemiddeld ondergewicht

    16,0 - 16,99

    Matig ondergewicht

    17,0 - 18,49

    Gezond gewicht

    18,50 - 24,99

    Overgewicht

    ≥25,0

    Matig overgewicht

    25,0 - 29,99

    Ernstig overgewicht (obesitas)

    ≥30,0

    Niveau 1

    30,0 - 34,9

    Niveau 2

    35,0 - 39,9

    Niveau 3

    ≥40,0

    Bron: WHO

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Cole TJ, Bellizzi MC, Flegal KM, Dietz WH. Establishing a standard definition for child overweight and obesity worldwide: international survey. BMJ. 2000;320(7244):1240-3. Pubmed
    2. TNO. Prevalentie van overgewicht en obesitas bij jeugdigen 4-15 jaar in de periode 2002-2004. Leiden: TNO; 2006. Bron
  • Afkapwaarden BMI jongeren

    Afkapwaarden BMI jongeren: ernstig ondergewicht, ondergewicht, overgewicht en ernstig overgewicht (obesitas)

    Jongens

    Leeftijd
    in jaren

    Ernstig
    ondergewicht

    Ondergewicht

    Overgewicht

    Ernstig
    overgewicht

    2

    13,93

    14,95

    18,41

    20,09

    3

    13,60

    14,54

    17,89

    19,57

    4

    13,41

    14,30

    17,55

    19,29

    5

    13,23

    14,12

    17,42

    19,30

    6

    13,13

    14,03

    17,55

    19,78

    7

    13,12

    14,06

    17,92

    20,63

    8

    13,21

    14,20

    18,44

    21,60

    9

    13,36

    14,41

    19,10

    22,77

    10

    13,58

    14,69

    19,84

    24,00

    11

    13,87

    15,03

    20,55

    25,10

    12

    14,24

    15,47

    21,22

    26,02

    13

    14,69

    15,98

    21,91

    26,84

    14

    15,20

    16,54

    22,62

    27,63

    15

    15,74

    17,13

    23,29

    28,30

    16

    16,27

    17,70

    23,90

    28,88

    17

    16,76

    18,24

    24,46

    29,41

    ≥ 18

    17,00

    18,50

    25,00

    30,00

     

    Meisjes

    Leeftijd
    in jaren

    Ernstig
    ondergewicht

    Ondergewicht

    Overgewicht

    Ernstig
    overgewicht

    2

    13,87

    14,74

    18,02

    19,81

    3

    13,55

    14,38

    17,56

    19,36

    4

    13,34

    14,15

    17,28

    19,15

    5

    13,16

    13,97

    17,15

    19,17

    6

    13,06

    13,92

    17,34

    19,65

    7

    13,08

    14,00

    17,75

    20,51

    8

    13,17

    14,16

    18,35

    21,57

    9

    13,35

    14,42

    19,07

    22,81

    10

    13,63

    14,78

    19,86

    24,11

    11

    14,04

    15,25

    20,74

    25,42

    12

    14,54

    15,83

    21,68

    26,67

    13

    15,08

    16,43

    22,58

    27,76

    14

    15,60

    17,01

    23,34

    28,57

    15

    16,07

    17,52

    23,94

    29,11

    16

    16,48

    17,95

    24,37

    29,43

    17

    16,84

    18,33

    24,70

    29,69

    ≥ 18

    17,00

    18,50

    25,00

    30,00

     Bron: CBO, 2008

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. CBO. Richtlijn Diagnostiek en behandeling van obesitas bij volwassenen en kinderen. Utrecht: Kwaliteitsintituut voor de Gezondheidszorg (CBO); 2008. Bron
  • Buikomvang goede maat voor vaststellen lichaamsvet

    De buikomvang geeft een goede indicatie van de hoeveelheid abdominaal vet (buikvet) en totaal lichaamsvet. De buikomvang (of middelomtrek) wordt gemeten tussen de onderkant van de onderste rib en de bovenkant van het bekken. Een buikomvang van minder dan 80 cm (vrouwen) of 94 cm (mannen) wordt beschouwd als normaal. Bij een omtrek van 88 cm of meer (voor vrouwen) of 102 cm of meer (voor mannen) is sprake van abdominale obesitas, gekenmerkt door vetophoping in de buik.

  • Bij ouderen overgewicht bepalen met buikomvang

    Bij senioren is de BMI niet eenvoudig te interpreteren, vanwege verandering van lichaamslengte, lichaamssamenstelling en vetverdeling over het lichaam. De hoeveelheid onderhuids vet op de ledematen neemt vaak af, terwijl de hoeveelheid vet bij de buik toeneemt (Carmelli et al., 1991; Svendsen et al., 1995). Er zijn aanwijzingen dat de buikomvang bij senioren een betere voorspeller is voor het optreden van ziekten of vroegtijdige sterfte dan de BMI (Molarius et al., 2000; Visscher et al., 2001; Hughes et al., 2004), hoewel de beperkte literatuur niet eenduidig is.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Carmelli D, McElroy MR, Rosenman RH. Longitudinal changes in fat distribution in the Western Collaborative Group Study: a 23-year follow-up. Int J Obes. 1991;15(1):67-74. Pubmed
    2. Svendsen OL, Hassager C, Christiansen C. Age- and menopause-associated variations in body composition and fat distribution in healthy women as measured by dual-energy X-ray absorptiometry. Metabolism. 1995;44(3):369-73. Pubmed
    3. Molarius A, Seidell JC, Visscher TLS, Hofman A. Misclassification of high-risk older subjects using waist action levels established for young and middle-aged adults-results from the Rotterdam Study. J Am Geriatr Soc. 2000;48(12):1638-45. Pubmed
    4. Visscher TLS, Seidell JC, Molarius A, van der Kuip D, Hofman A, Witteman JCM. A comparison of body mass index, waist-hip ratio and waist circumference as predictors of all-cause mortality among the elderly: the Rotterdam study. Int J Obes Relat Metab Disord. 2001;25(11):1730-5. Pubmed | DOI
    5. Hughes VA, Roubenoff R, Wood M, Frontera WR, Evans WJ, Singh M. Anthropometric assessment of 10-y changes in body composition in the elderly. Am J Clin Nutr. 2004;80(2):475-82. Pubmed
Bronverantwoording
  • Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM 2016

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor. Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier

  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier. Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

  • Overgewicht: Nederland de Maat Genomen (NL de Maat)

    In de periode 2009-2010 is in de monitoringstudie Nederland de Maat Genomen onderzoek gedaan naar de prevalentie van (abdominaal) overgewicht en obesitas, (onderdelen) van het metabool syndroom en ongediagnosticeerde diabetes in de algemene bevolking van 18-70 jaar. Van ongeveer 4.500 personen uit zeven gemeenten zijn lichaamsgewicht, -lengte en middelomtrek gemeten. Voor meer informatie, zie:  Nederland de Maat Genomen.

  • CBS Statline en POLS

    Het CBS verzamelt jaarlijks zelfgerapporteerde gegevens bij een steekproef uit de Nederlandse bevolking in het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS), module Gezondheid en Welzijn. Zo volgt het CBS de ontwikkeling in het percentage mensen met overgewicht (POLS, gezondheid en welzijn). Circa tienduizend Nederlanders van 12 jaar en ouder rapporteren onder meer hun gewicht en lengte. Om een representatief beeld te krijgen van deze bevolkingsgroep zijn de resultaten van dit onderzoek gewogen naar de volgende vijf factoren: geslacht, leeftijd, burgerlijke staat en een combinatie van regio en urbanisatiegraad. Voor meer informatie, zie POLS

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. POLS, Permanent Onderzoek Leefsituatie; module Gezondheid en Welzijn. zorggegevens.nl
  • TNO Landelijke Groeistudie

    TNO volgt sinds 1955 de groei en ontwikkeling van Nederlandse kinderen, onder andere via de Landelijke Groeistudies. De laatste prevalentiegegevens van overgewicht en ernstig overgewicht heeft TNO in 2010 gepubliceerd in de Vijfde Landelijke Groeistudie. De Groeistudie verzamelt gemeten gegevens over onder meer lengte, gewicht en buikomvang. Eerdere publicaties van de Groeistudie waren in 1965, 1980 en 1997. Voor meer informatie, zie: TNO Landelijke Groeistudie.

Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Zelfgerapporteerde versus gemeten gegevens

    Soms worden de gegevens over lichaamsgewicht en -lengte gemeten. Maar meestal zijn gegevens verzameld met behulp van vragenlijsten, waarin mensen zelf hun gewicht en lengte aangeven (zogenoemde zelfgerapporteerde gegevens). Gemeten gegevens zijn vaak betrouwbaarder dan gerapporteerde gegevens. Als mensen zelf hun gewicht en lengte rapporteren, zijn zij geneigd om hun gewicht te onderschatten en hun lengte te overschatten. De cijfers kunnen daardoor een te gunstig beeld geven als het gaat over het aantal mensen met overgewicht (Viet et al., 2003; Connor Gorber S et al., 2007).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Viet AL, van den Hof S, Elvers LH, Ocké MC, Vossenaar M. Risicofactoren En GezondheidsEvaluatie Nederlandse Bevolking, een onderzoek op GGD'en (Regenboogproject). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2003. Bron
    2. Connor Gorber S, Tremblay M, Moher D, Gorber B. A comparison of direct vs. self-report measures for assessing height, weight and body mass index: a systematic review. Obes Rev. 2007;8(4):307-26. Pubmed | DOI
  • Trendgegevens in VZinfo

    Bij de trend in het percentage volwassenen met overgewicht presenteert VZinfo zelfgerapporteerde gegevens van de POLS Gezondheidsenquête van het CBS (POLS, gezondheid en welzijn). Deze zelfgerapporteerde gegevens beslaan een langere periode dan de gemeten gegevens uit andere studies. De prevalentiecijfers in 2012 wijken iets af van de cijfers van de Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM. De Gezondheidsmonitor combineert gegevens van de GGD'en met de CBS-Gezondheidsenquête. Voor de trendcijfers is alleen de gezondheidsenquête gebruikt omdat de cijfers dan goed vergelijkbaar zijn over de tijd.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. POLS, Permanent Onderzoek Leefsituatie; module Gezondheid en Welzijn. zorggegevens.nl
    2. Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM, Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012. zorggegevens.nl
    3. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
  • Regionale trendgegevens

    Voor de regionale verschillen 1981-2013 zijn driejaarsgemiddelden gebruikt. Daarnaast zijn in de periode1981 tot 2004 de provincies Flevoland en Overijssel samengevoegd en als één provincie gepresenteerd. Vanaf 2004 zijn voor beide provincies apart gegevens beschikbaar.

  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.