Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

OsteoporosePreventie & ZorgZorg

Cijfers & Context

Meer dan half miljoen mensen met osteoporose

Regionaal & Internationaal

Kosten

Zorguitgaven ruim 116 miljoen in 2017

Preventie & Zorg

Vrouwen vaker opgenomen in ziekenhuis dan mannen

Ziekenhuisopnamen osteoporose

Ziekenhuisopnamen voor osteoporose 2019

 

Mannen

Vrouwen

Totaal

Aantal klinische opnamen

150

525

675

  • Aantal verpleegdagen

1.445

4.485

5.925

  • Gemiddelde opnameduur (dagen)

9,6

8,5

8,8

Aantal dagopnamen

250

1.150

1.400

Aantal observaties

0

10

10

Totaal opnamen

400

1.680

2.085

Bron: Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (gedownload van CBS Statline in mei 2021)

  • ICD-10-codes: M80-M82
  • Aantal opnamen en verpleegdagen zijn afgerond op vijftallen
  • Cijfers zijn voorlopig

Bijna 700 ziekenhuisopnamen voor osteoporose

In 2019 waren er 675 klinische ziekenhuisopnamen voor osteoporose. Vrouwen worden vaker opgenomen dan mannen. Het totaal aantal klinische ziekenhuisopnamen had betrekking op 5.925 opnamedagen, waarmee de gemiddelde opnameduur 8,8 dagen bedroeg.
Het aantal opnamen kan groter zijn dan het aantal opgenomen personen, omdat een persoon meerdere keren per jaar opgenomen kan zijn.

Meer informatie

Datum publicatie

18-11-2021

Verantwoording

Definities
  • Osteoporose

    Osteoporose is een aandoening van het skelet
    Osteoporose is een skeletaandoening die zich kenmerkt door een lage botmineraaldichtheid (botmassa) en een verstoorde samenhang van het botweefsel. Hierdoor is het bot brozer en is de kans op een botbreuk (fractuur) groter. Bij inzakking van de ruggenwervels spreekt men van een wervelfractuur, een compressiefractuur in de wervels, of werveldeformatie. De meest voorkomende osteoporotische fracturen zijn fracturen van wervel, pols en heup.

    Diagnose osteoporose gebaseerd op botmineraaldichtheid
    De daadwerkelijke diagnose osteoporose is gebaseerd op de botmineraaldichtheid (BMD), waarbij de botdichtheidsmeting met behulp van de Dual energy X-ray Absorptiometry (DXA) techniek de gouden standaard vormt. Bij een DXA-meting wordt de BMD van de lumbale wervelkolom en een heup gemeten; dit wordt uitgedrukt in een T-score. De T-score wordt vergeleken met de piekbotmassa (de gemiddelde dichtheid van de botten bij jongvolwassenen) (Lems et al., 2011).

    De indeling van osteoporose op basis van de T-score:

    • Normaal (T-score ≥ -1); de BMD is niet meer dan 1 standaarddeviatie (SD) lager dan de piekbotmassa.
    • Osteopenie (T-score tussen -1 en -2.5); de BMD is verminderd, maar er is nog geen sprake van osteoporose. De botmineraaldichtheid ligt tussen 1 en 2,5 SD onder de gemiddelde piekbotmassa.
    • Osteoporose (T-score ≤ -2.5); de BMD ligt meer dan 2,5 SD onder de gemiddelde piekbotmassa.
    • Ernstige osteoporose; osteoporose gebaseerd op de BMD gaat gepaard met osteoporotische fracturen (Lems et al., 2011).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Lems W.F., Post P.N., van den Bergh J.P.W., Cornelder H.W., Elders P.J.M., Geusens P.P.M., et al. Richtlijn Osteoporose en Fractuurpreventie. Utrecht: CBO; 2011. Bron
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over osteoporose

    Bron

    Indicator in VZinfo

    Gepresenteerde populatie VZinfo

    Meer informatie

    NIVEL Zorgregistraties eerste lijn

    Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen

    Nederlandse bevolking

    NZR

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Aantal sterfgevallen

    Nederlandse bevolking

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ)

    Klinische opnamedagen, klinische opnamen, gemiddelde opnameduur met osteoporose als hoofdontslagdiagnose

    Nederlandse bevolking

    LBZ

    Kosten van Ziektenstudie

    Kosten van zorg voor osteoporose

    Nederlandse bevolking

    Kosten van Ziekten

Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

    Toetsing trends

    Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.
    De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.