Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

LetselsCijfers & ContextTrend sterfte

Cijfers & Context

Meeste letsels zijn gevolg van privé-ongeval

Regionaal & Internationaal

Minste sterfte in Groningen en Zeeland

Kosten

Meeste kosten door privé-ongevallen

Preventie & Zorg

Preventie letsels richt zich op omgeving en gedrag

Trend in sterfte door accidentele val

Sterfte door vallen 1996-2020

JaarMannenVrouwenTotaalMannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)Totaal (absoluut)
199613,718,716,15881.0171.605
199713,017,515,15729701.542
199812,717,014,85769641.540
199913,219,916,55981.1381.736
200013,817,715,56351.0401.675
200116,222,119,17691.3152.084
200214,319,016,56741.1561.830
200314,920,017,47311.2261.957
200414,617,816,07321.1071.839
200515,718,116,68061.1551.961
200615,818,316,88291.1892.018
200715,217,716,28351.1842.019
200815,118,216,48381.2552.093
200915,718,516,99181.2992.217
201016,218,417,19751.3282.303
201115,819,317,49891.4312.420
201217,022,219,51.1071.6882.795
201317,921,619,61.2081.6762.884
201418,022,220,01.2621.7683.030
201519,525,522,41.4182.0683.486
201621,427,424,41.6172.2663.883
201720,828,824,81.6232.4094.032
201823,332,327,81.8882.7424.630
201922,432,927,71.8802.8434.723
202023,336,630,02.0193.2135.232

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in augustus 2021)

  • ICD-10-codes W00-W19 en X59
  • Cijfers over 2020 zijn voorlopig
  • Gestandaardiseerd naar de Nederlandse bevolking in 2020
  • De absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) is zichtbaar in de tabelweergave
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn minder goed vergelijkbaar met eerdere jaren omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie Verantwoording).

Toename sterfte door vallen vanaf begin millenium

Voor mannen is de sterfte door vallen vanaf het begin van het millenium toegenomen. Ook voor vrouwen is de sterfte door vallen toegenomen, maar de toename zette bij vrouwen pas sinds 2010 echt door. In 2020 was de sterfte voor mannen 70% hoger dan rond het jaar 2000 en voor vrouwen is de sterfte in dezelfde periode bijna verdubbeld. De weergegeven trend is gecorrigeerd voor ontwikkelingen in de omvang en de leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie). In de periode vanaf 1980 tot eind jaren negentig van de vorige eeuw nam de sterfte door vallen af, zowel voor mannen als voor vrouwen (niet opgenomen in de grafiek).
De absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) nam voor mannen toe van 635 in het jaar 2000 tot 2.019 in 2020; voor vrouwen nam de absolute sterfte in dezelfde periode toe van 1.040 tot 3.213.
Bij vallen gaat het meestal om een privé-ongeval, maar het kan ook gaan om een sportongeval of een arbeidsongeval.

Diverse factoren dragen bij aan toename sterfte

Diverse factoren kunnen hebben bijgedragen aan de toename in de sterfte door vallen (Hartholt et al., 2018):

  • De aandacht voor vallen als doodsoorzaak is toegenomen, en daarmee ook de rapportage van vallen als doodoorzaak.
  • Oudere mensen leven langer en ook langer zelfstandig. Ze zijn over het algemeen actiever dan voorgaande generaties ouderen, waardoor ook het valrisico is toegenomen.
  • Er is sprake van een toename van multimorbiditeit en het hiermee gepaard gaande medicijngebruik. Ook dit heeft geleid tot een verhoogd valrisico.

Meer informatie

 

Datum publicatie

14-09-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Hartholt KA, van Beeck EF, van der Cammen TJM. Mortality From Falls in Dutch Adults 80 Years and Older, 2000-2016. JAMA. 2018;319(13):1380-1382. Pubmed | DOI

Trend in sterfte door geweld

Sterfte door geweld 1980-2020

JaarMannenVrouwenTotaalMannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)Totaal (absoluut)
19801,00,50,87140111
19811,10,50,87739116
19821,10,50,88437121
19831,20,70,98649135
19841,30,60,99641137
19851,10,50,88838126
19861,40,71,010249151
19871,10,60,98947136
19881,00,60,88249131
19891,40,51,010641147
19901,10,50,89243135
19911,50,71,111859177
19921,70,61,214053193
19931,60,71,113755192
19941,50,61,112051171
19951,40,91,211875193
19961,80,81,314566211
19971,80,81,314563208
19981,60,61,112947176
19991,70,71,214459203
20001,40,81,112060180
20011,60,81,213468202
20021,60,71,113461195
20031,60,91,212973202
20041,70,61,213853191
20051,40,71,011757174
20061,00,60,87949128
20071,20,50,99647143
20081,20,60,910347150
20091,30,60,910450154
20101,10,60,99054144
20111,10,60,89350143
20121,10,60,89550145
20130,80,70,76956125
20141,10,40,79330123
20150,70,50,66242104
20160,70,40,6633295
20171,00,50,88943132
20180,80,40,66436100
20190,80,50,66742109
20200,80,50,66646112

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in augustus 2021)

  • ICD-10-codes: X85-Y09
  • Cijfers over 2020 zijn voorlopig
  • Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2020
  • De absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) is zichtbaar in de tabelweergave
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn minder goed vergelijkbaar met eerdere jaren omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie Verantwoording).

Afname sterfte door geweld vanaf midden jaren negentig

Na een aanvankelijke toename in het begin van de jaren negentig, is de sterfte door geweld vanaf het midden van de jaren negentig  tot ongeveer 2015 afgenomen en vervolgens gestabiliseerd. De weergegeven trend is gecorrigeerd voor ontwikkelingen in de omvang en de leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie). 
De absolute (niet gestandaardiseerde) sterfte door geweld lag in 1980 voor zowel mannen als vrouwen op hetzelfde niveau als in 2020, voor mannen rond de 70 en voor vrouwen rond de 40.

Meer informatie

Datum publicatie

14-09-2021

Trend in sterfte door verkeersongevallen

Sterfte door verkeersongevallen 1980-2020

JaarMannenVrouwenTotaalMannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)Totaal (absoluut)
198024,48,416,01.5205462.066
198121,87,714,31.3745021.876
198220,27,913,61.2745211.795
198320,47,613,61.3025021.804
198419,97,213,21.2794731.752
198517,56,011,31.1204011.521
198617,36,511,61.1334481.581
198716,36,310,91.0544341.488
198814,46,210,19804241.404
198916,16,510,91.0484541.502
199014,75,89,91.0004101.410
199114,55,09,49763521.328
199214,76,110,19974261.423
199313,95,09,19443501.294
199413,95,09,29533611.314
199513,35,19,09283641.292
199613,65,09,19553651.320
199712,04,88,28493501.199
199811,14,37,57903051.095
199912,24,17,98533041.157
200011,84,07,78362921.128
200110,93,67,17842681.052
200211,13,77,27982711.069
200311,33,87,48252841.109
20049,13,36,0649251900
20058,52,85,5610216826
20068,13,05,4581235816
20078,23,05,5593234827
20087,62,65,0562201763
20097,32,74,8537208745
20106,82,64,6514207721
20116,82,54,6514199713
20126,72,54,5516200716
20136,02,03,9457158615
20145,72,13,9446168614
20156,42,04,1510162672
20166,22,34,2499189688
20176,02,04,0495171666
20186,32,54,3522212734
20195,82,44,1495208703
20205,62,03,8489175664

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in augustus 2021)

  • ICD-10-codes V01-V99, Y85
  • Cijfers over 2020 zijn voorlopig.
  • Gestandaardiseerd naar de Nederlandse bevolking in 2020
  • De absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) is zichtbaar in de tabelweergave
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn minder goed vergelijkbaar met eerdere jaren omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie Verantwoording).

Dalende trend in sterfte door verkeersongevallen

Over de periode 1980-2020 is de sterfte als gevolg van verkeersongevallen met ruim 75% afgenomen voor zowel mannen als vrouwen. De weergegeven trend is gecorrigeerd voor ontwikkelingen in omvang en leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie).
Ook de absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) is afgenomen in de periode 1980-2020, voor mannen van 1.520 in 1980 naar 489 in 2020 en voor vrouwen van 546 in 1980 naar 175 in 2020. De afname van de absolute sterfte is hiermee 68% voor zowel mannen als vrouwen.

Meer informatie

Datum publicatie

14-09-2021

Trend in sterfte door zelftoegebracht letsel

Sterfte door zelftoegebracht letsel 1980-2020

JaarMannenVrouwenTotaalMannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)Totaal (absoluut)
198016,38,912,49015291.430
198115,59,512,38655661.431
198216,610,113,19236121.535
198318,311,414,61.0396811.720
198418,511,314,71.0836991.782
198517,39,313,01.0485901.638
198616,89,212,79986061.604
198716,29,412,59956211.616
198815,68,511,89655581.523
198914,78,511,49535671.520
199013,78,010,79095411.450
199115,88,311,71.0335781.611
199215,67,811,41.0415461.587
199314,97,411,01.0205351.555
199415,76,811,01.0845001.584
199514,07,010,31.0005111.511
199614,67,310,81.0435341.577
199714,57,110,61.0425281.570
199813,97,010,21.0025171.519
199913,96,610,11.0155021.517
200013,66,69,99995011.500
200113,45,99,51.0104631.473
200213,96,610,11.0625051.567
200313,26,49,71.0164841.500
200413,16,29,51.0224921.514
200513,76,39,91.0734991.572
200613,66,09,61.0464781.524
200712,05,18,59434101.353
200812,55,58,99884471.435
200913,35,79,41.0644611.525
201013,95,79,71.1244761.600
201113,96,210,01.1365111.647
201214,46,810,51.1865671.753
201315,96,611,21.3085491.857
201415,17,011,01.2505891.839
201515,47,011,21.2805911.871
201615,37,211,21.2796141.893
201715,47,111,21.3046131.917
201813,87,610,71.1766531.829
201914,36,610,51.2325791.811
202014,26,810,51.2285951.823

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in augustus 2021)

  • ICD-10-codes X60-X84
  • Cijfers over 2020 zijn voorlopig
  • Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2020
  • De absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) is zichtbaar in de tabelweergave
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn minder goed vergelijkbaar met eerdere jaren omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie Verantwoording).

Sterfte door suïcide na 2007 toegenomen

In de periode 1984-2007 nam de sterfte door zelftoegebracht letsel (suïcide) af, vooral onder vrouwen. Na 2007 is de sterfte gedurende een periode van ongeveer tien jaar weer toegenomen, om daarna weer enigszins af te nemen. De sterfte door suïcide lag in 2020 voor zowel mannen als vrouwen onder het niveau van 1980. De weergegeven trend is gecorrigeerd voor ontwikkelingen in de omvang en de leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie).
Voor zowel mannen als vrouwen is ook de absolute (niet gestandaardiseerde) sterfte door zelftoegebracht letsel toegenomen in de periode van ongeveer tien jaar na 2007 (zie tabelweergave grafiek).

Meer informatie

Datum publicatie

14-09-2021

Verantwoording

Definities
  • Letsels

    Onder letsels verstaan we in VZinfo.nl letsels die ontstaan door ongevallen, geweld en zelfbeschadiging. Zij vormen samen een zeer heterogeen gezondheidsprobleem, waarbij diverse vormen van gezondheidsschade (zoals hersenletsel, fracturen en vergiftigingen) veroorzaakt worden door sterk uiteenlopende oorzaken (bijvoorbeeld verkeersongevallen, privé-ongevallen en arbeidsongevallen).

  • Ernstig letsel (MAIS2+)

    Voor het vaststellen van slachtoffers met ernstig letsel wordt gebruikgemaakt van een afgeleide van de zogenaamde MAIS. AIS staat voor Abbreviated Injury Scale (Mannaerts et al., 1994). De waarde van een letsel op deze schaal representeert de ernst van het letsel. De waarde van de Maximum AIS (MAIS) representeert het ernstigste letsel bij een slachtoffer. De MAIS loopt van 1 (licht letsel) tot 6 (maximaal). De AIS is opgesteld door de Association for the advancement of automotive medicine (AAAM; www.aaam.org). Ernstig letsel in het Letsel Informatie Systeem (LIS) is gedefinieerd als letsel met een letselernst uitgedrukt in een MAIS (Maximum Abbreviated Injury Score) van ten minste 2.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Mannaerts G.H.H., Sawor J.H., Menovsky T., Springer L., Patka P., Haarman J.T.M. De betrouwbaarheid van de registratie van polytrauma-patiënten. Ned Tijdschr Geneeskd. 1994;138(46). Bron
  • Indeling letsel

    Letsels en vergiftigingen (hoofdgroep 17 in de ICD-9, code 800-999) worden in VZinfo.nl gepresenteerd vanuit de invalshoek van de afzonderlijke oorzaken of ontstaanswijzen. Deze indeling sluit beter aan op preventiebeleid dan een indeling naar letseltype. Er wordt onderscheid gemaakt in letsels ten gevolge van ongevallen en opzettelijk toegebrachte letsels. Complicaties als gevolg van genees- en heelkundige behandeling worden in VZinfo.nl buiten beschouwing gelaten (tenzij anders aangegeven). Gepresenteerd worden:

    • Arbeidsongevallen
    • Geweld
    • Privé-ongevallen
    • Sportblessures
    • Zelftoegebracht letsel
    • Verkeersongevallen
  • Arbeidsongevallen

    Arbeidsongeval: ongeval door of tijdens betaald werk

    Een arbeidsongeval is een ongeval door of tijdens betaald werk. Ook ongevallen in het verkeer tijdens het werk tellen mee. Ongevallen tijdens woon-werkverkeer tellen niet mee als arbeidsongeval. Iedereen die in Nederland werkt (ook mensen die hier niet wonen) telt mee in de cijfers (Venema, 2003). Letsel dat met opzet is toegebracht en letsel dat tijdens een medische behandeling ontstaat, telt niet mee als arbeidsongeval. In de Europese statistieken gaat het bij arbeidsongevallen om ongevallen die leiden tot meer dan 3 dagen absentie.

    Dodelijk ongeval: slachtoffer overlijdt binnen 30 dagen na het arbeidsongeval

    In Nederland spreken we van een dodelijk arbeidsongeval als het slachtoffer binnen 30 dagen na het arbeidsongeval overlijdt (CBS-NND). In de Europese statistieken geldt een andere definitie (Eurostat). Daar spreekt men van een dodelijk ongeval als het slachtoffer binnen een jaar na het ongeval overlijdt.

  • Privé-ongevallen

    Onder privé-ongevallen vallen alle ongevallen voor zover het géén arbeids-, verkeers- of sportongevallen betreft. Het gaat vaak om letsel dat is opgelopen in of om het huis, in openbare gebouwen, op straat of tijdens vrijetijdsbesteding (uitgezonderd sport). Opzettelijk toegebracht letsel en letsel ontstaan tijdens medische behandeling vallen er buiten.

    Letsels na privé-ongevallen vormen een heterogeen gezondheidsprobleem met diverse vormen van gezondheidsschade, zoals hersenletsel, fracturen, vergiftigingen, hypothermie. Op de afdelingen voor Spoedeisende Hulp (SEH) van ziekenhuizen zijn de meest voorkomende letsels bij privé-ongevallen fracturen, oppervlakkig letsel en open wonden.

  • Sportblessures

    Hoewel sporten over het algemeen gezond is, kan sport ook leiden tot diverse vormen van letsel, zoals botbreuken en verstuikingen, verzwikkingen (distorsies) of hersenletsel. Sportblessures zijn het gevolg van sport, waarbij sport gedefinieerd is als een lichamelijke activiteit die spelend wordt uitgevoerd, en waarbij aan de prestatie bijzondere waarde wordt gehecht. Sport wordt beoefend in georganiseerd verband, zoals wedstrijdsport en recreatiesport bij een vereniging, en in ongeorganiseerd verband, zoals sportieve recreatie. Ook letsel opgelopen tijdens bewegingsonderwijs op scholen wordt tot de sportblessures gerekend.

  • Verkeersongevallen

    Onder verkeersongevallen verstaan we alle ongevallen waarbij een voertuig is betrokken en waarbij het slachtoffer letsel heeft opgelopen als gevolg van een verkeerssituatie, al dan niet op de openbare weg (inclusief fiets-, boot-, trein- en vliegverkeer, maar exclusief geparkeerde voertuigen). Eenzijdige fiets- en bromfietsongevallen (dat wil zeggen dat geen tegenpartij bij het ongeval betrokken was) vallen in het VZinfo.nl ook onder de verkeersongevallen.

  • Zelftoegebracht letsel

    In de regel wordt het begrip 'zelftoegebracht letsel' als paraplubegrip gebruikt voor letsels als gevolg van suïcidaal gedrag. Hieronder wordt verstaan:

    • suïcide: zelfdoding uit vrije wil;
    • suïcidepoging: een poging tot suïcide waarbij iemand ook daadwerkelijk de intentie heeft zichzelf om het leven te brengen;
    • parasuïcide: de omstandigheden geven aanleiding te denken aan een suïcidepoging, maar in het midden wordt gelaten of iemand zichzelf ook daadwerkelijk om het leven wilde brengen;
    • automutilatie: zelfbeschadigend gedrag dat regelmatig voorkomt en waarbij de wens tot overlijden niet aan de orde is.

    Intentie slachtoffer vaak niet duidelijk of niet geregistreerd

    Theorieën en onderzoeken maken vaak een scherpe scheiding tussen deze begrippen. In de praktijk is er echter sprake van een grote samenhang. De afbakening is niet scherp; er zijn glijdende overgangen en veelal is de intentie van het slachtoffer niet duidelijk of wordt het in ieder geval niet geregistreerd. Het gedrag, de achtergronden en motieven van de begrippen lopen door elkaar en rechtvaardigen geen scherp onderscheid. Dat is de reden waarom een definitie is opgesteld waarin suïcidaal gedrag, ongeacht de intentie van een persoon, alle gedragingen omvat die zelfverwondend en zelf geïnitieerd zijn. Alleen telkens terugkerend zelfverwondend gedrag dat tot een gewoonte is geworden (habitueel gedrag), zoals dat bijvoorbeeld door mensen met een verstandelijke handicap wordt vertoond, valt buiten de hier gehanteerde definitie (de Leo et al., 2006). De informatie over zelftoegebracht letsel heeft betrekking op letsels die medisch behandeld zijn op de afdelingen voor Spoedeisende Hulp van ziekenhuizen (SEH) of tijdens ziekenhuisopnamen.

    Zelftoegebracht letsel vaak het gevolg van psychische stoornis

    Gedrag dat tot zelftoegebracht letsel leidt staat meestal niet op zichzelf, in veel gevallen is het onderdeel van een psychische stoornis (zoals depressie of een borderline persoonlijkheidsstoornis).

    Codering van zelftoegebracht letsel in classificatiesysteem

    In deze website is zelftoegebracht letsel ingedeeld naar oorzaak of ontstaanswijze. Er wordt minder nadruk gelegd op de indeling naar letseltype. Een indeling naar oorzaak sluit namelijk beter aan op preventiebeleid.

    • In de ICD-9-classificatie zijn de letseltypes opgenomen in hoofdgroep 17 ('ongevalletsels en vergiftigingen').
    • De oorzaken van letsels zijn opgenomen in de zogenoemde E-lijst ('external causes injuries') en voor zelftoegebracht letsel betreft dat de code E950-959 ('suicide and self-inflicted injury').
    • Binnen de ICD-10 valt zelftoegebracht letsel onder de categorie 'intentional self-harm' (X60-X84).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. de Leo DD, Burgis S, Bertolote JM, Kerkhof AFJM, Bille-Brahe U. Definitions of suicidal behavior: lessons learned from the WHO/EURO multicentre Study. Crisis. 2006;27(1):4-15. Pubmed
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over letsels

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Letsel Informatie Systeem (LIS)

    Aantal bezoeken aan de spoedeisende-hulpafdeling (SEH-bezoeken)

    Nederlandse bevolking LIS
    Letsel Informatie Systeem (LIS) Directe medische kosten en verzuimkosten van ongevallen en opzettelijk toegebracht letsel Nederlandse bevoking LIS
    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Aantal sterfgevallen door uitwendige oorzaken, vallen, geweld, verkeersongevallen, zelftoegebracht letsel

    Nederlandse bevolking CBS Doodsoorzakenstatistiek
    Eurostat, European Statistics on Accidents at Work (ESAW)

    Aantal arbeidsongevallen:

    • ernstig: arbeidsongevallen die leiden tot een verzuim van vier dagen of langer
    • dodelijk: ongevallen die leiden tot het overlijden van het slachtoffer binnen een jaar na het ongeval
    Europese bevolking Eurostat
    Eurostat Aantal sterfgevallen door uitwendige oorzaken, vallen, verkeersongevallen, zelftoegebracht letsel Europese bevolking Eurostat
    Eurosafe Aantal sterfgevallen door privé-ongevallen Europese bevolking Eurosafe
    UNECE Statistical Database Aantal sterfgevallen door verkeersongevallen Europese bevolking UNECE Statistical Database
  • Letsel Informatie Systeem (LIS; VeiligheidNL)

    Het Letsel Informatie Systeem (LIS) is een registratiesysteem voor spoedeisende hulp dat gebruikt wordt op een aantal Spoedeisende Hulp afdelingen in Nederlandse ziekenhuizen. Het wordt beheerd door VeiligheidNL. Deelnemende ziekenhuizen registreren hierin slachtoffers die na een ongeval, geweld of zelf toegebracht letsel zijn behandeld op een Spoedeisende Hulp (SEH) afdeling. VeiligheidNL gebruikt het LIS onder meer om een schatting te maken van het totale aantal op SEH- afdelingen behandelde letselslachtoffers in Nederland. Het LIS vormt hiermee een belangrijke gegevensbron voor het letselpreventiebeleid van het ministerie van VWS en andere ministeries.

    VeiligheidNL heeft in 2015 zelf de representativiteit van de LIS-steekproef onderzocht. Daartoe heeft zij verschillende bronnen gebruikt, waaronder gepubliceerde gegevens, gegevens van andere registraties en een eigen dataverzameling. Op een aantal relevante kenmerken bleek de LIS-steekproef af te wijken van het landelijk beeld, waaronder de mate van specialisatie, het percentage UMC’s en verdeling van SEH-level en IC-level (Panneman & Blatter, 2016). Dit hoeft echter geen bezwaar te zijn als elke categorie voldoende eenheden bevat en er adequate weging plaatsvindt bij het berekenen van landelijke cijfers.

    Om meer helderheid te krijgen over de representativiteit van het LIS, heeft het RIVM eind 2015 onderzocht hoe valide de schatting van het landelijk aantal SEH-bezoeken is die VeiligheidNL maakt door middel van extrapolatie van de LIS-data. Hiertoe heeft het RIVM in het DIS geregistreerde zorgactiviteiten op de SEH-afdelingen van alle Nederlandse ziekenhuizen vergeleken met het geschatte aantal SEH-bezoeken berekend op basis van het LIS. Het RIVM concludeert dat de schattingen van het landelijk aantal SEH-bezoeken op basis van het LIS het werkelijke aantal SEH-bezoeken goed weer lijken te geven (Gommer & Gijsen, 2016).

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Letsel Informatie Systeem, LIS. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Panneman M, Blatter B. Letsel Informatie Systeem; Representatief voor alle SEH’s in Nederland?. Amsterdam: VeiligheidNL; 2016. Bron
    2. Gommer AM, Gijsen R. Onderzoek naar schatting van landelijk aantal SEH-bezoeken op basis van Letsel Informatie Systeem (LIS). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  • Krantenknipselregistratie VeiligheidNL

    In de Krantenknipselregistratie van VeiligheidNL worden alle berichten over privé-, sport- en arbeidsongevallen geregistreerd die in landelijke en regionale dagbladen zijn verschenen (vanaf januari 2010 alleen dodelijke ongevallen). De ongevallen waarover berichten in kranten verschijnen, zijn meestal ernstige ongevallen. De Krantenknipselregistratie vormt daarom in principe geen basis om kwantitatieve uitspraken te doen over ongevallen, maar geeft wel veel achtergrondinformatie over de ongevallen die geregistreerd worden.

    De Krantenknipselregistratie wordt gebruikt om het aantal dodelijke ongevallen tijdens sport te bepalen, aangezien de gangbare databestanden over dodelijk ongevallen hiervoor niet geschikt zijn.

  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

    Toetsing trends

    Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.
    De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.

  • Berekening totale sterfte en sterfte naar doodsoorzaak per regio

    Voor de berekening van de sterftecijfers op gemeente en GGD-regio niveau is gebruik gemaakt van de CBS Doodsoorzakenstatistiek. In deze statistiek zijn alle overleden inwoners van Nederland opgenomen, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en doodsoorzaak. De bevolking is vervolgens ingedeeld in tien leeftijdsklassen (0-jarigen, 1-24, 25-44, 45-54, 55-64, 65-69, 70-74, 75-79, 80-85-jarigen en 85-plussers). De analyse is gebaseerd op de gegevens van vier achtereenvolgende jaren (2013 t/m 2016).

    Standaardisering

    Door verschillen in bevolkingsopbouw tussen regio's zijn de ruwe gegevens moeilijk te vergelijken. Daarom is een directe standaardisatie uitgevoerd door de sterfte per regio, leeftijd en geslacht te wegen met het aandeel van deze leeftijds- en geslachtscategorie in de totale Nederlandse bevolking op 1-1-2000. Door gebruik te maken van deze vaste standaardpopulatie wordt het bovendien mogelijk om in de toekomst betrouwbare uitspraken te doen over de ontwikkeling van (doodsoorzaakspecifieke) sterfte, onafhankelijk van veranderingen in de bevolkingssamenstelling. Bij geslachtsspecifieke sterfte (borstkanker en prostaatkanker) is alleen gerekend met de totale bevolking van het betreffende geslacht.

    De sterftecijfers worden op twee verschillende manieren in kaart gebracht:

    1. CMF (Comparative Mortality Figure, directe standaardisatie); De kaart toont de verhouding tussen de sterfte in een bepaalde subpopulatie (gemeente of GGD-regio) en de sterfte in de totale populatie (Nederland) gecorrigeerd voor leeftijds- en geslachtsverschillen, gemiddeld over de vier onderzoeksjaren. Als de CMF 100 is, is de sterfte in de subpopulatie gelijk aan die van de standaardpopulatie. Een CMF van bijvoorbeeld 104 wijst erop dat de sterfte in een regio 4% hoger is dan in de standaardpopulatie.
    2. Significantie; Het verschil tussen de gemiddelde kans op een sterfgeval in heel Nederland en de regionale (gestandaardiseerde) kans op een sterfgeval is gedeeld door de verwachte standaardafwijking van het gestandaardiseerde aantal sterfgevallen. Als de regio meer dan 1,96 standaarddeviaties afwijkt van het Nederlands gemiddelde dan betekent dat de regio met 95% zekerheid afwijkt van het Nederlands gemiddelde. Een afwijking van meer dan 2,576 standaarddeviaties geeft een zekerheid van 99% dat de gevonden waarde voor de betreffende regio afwijkt van het Nederlands gemiddelde.