Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

LetselsCijfers & ContextTrend sterfte

Cijfers & Context

Meeste letsels zijn gevolg van privé-ongeval

Regionaal & Internationaal

Minste sterfte in Groningen en Zeeland

Kosten

Meeste kosten door privé-ongevallen

Preventie & Zorg

Preventie letsels richt zich op omgeving en gedrag

Trend in sterfte door accidentele val

Trend in sterfte door vallen 1996-2018

JaarMannenVrouwenMannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)
19961001005881.017
19979593572970
19989391576964
1999961065981.138
2000100946351.040
20011191187691.315
20021041026741.156
20031081077311.226
2004106957321.107
2005115968061.155
2006115988291.189
2007111948351.184
2008110978381.255
2009115999181.299
2010118989751.328
20111151039891.431
20121241191.1071.688
20131311151.2081.676
20141311191.2621.768
20151421361.4182.068
20161561471.6172.266
20171511541.6232.409
20181691721.8872.741

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in augustus 2019)

  • ICD-10-codes W00-W19 en X59
  • Cijfers over 2018 zijn voorlopig
  • Gestandaardiseerd naar de Nederlandse bevolking in 2018
  • Geïndexeerd (1996 = 100)
  • De absolute sterfte is zichtbaar in de tabelweergave
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn minder goed vergelijkbaar met eerdere jaren omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie Verantwoording)

Toename sterfte door vallen vanaf begin millenium

Voor mannen is de sterfte door vallen vanaf het begin van het millenium toegenomen. Ook voor vrouwen is de sterfte door vallen toegenomen, maar de toename zette bij vrouwen pas sinds 2010 echt door. In 2018 was de sterfte voor zowel mannen als vrouwen mannen rond 70% hoger dan het niveau rond het jaar 2000. De weergegeven trend is gecorrigeerd voor ontwikkelingen in de omvang en de leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie). In de periode vanaf 1980 tot eind jaren negentig van de vorige eeuw nam de sterfte door vallen af, zowel voor mannen als voor vrouwen (niet opgenomen in de grafiek).
De absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) nam voor mannen toe van 635 in het jaar 2000 tot 1.887 in 2018; voor vrouwen nam de absolute sterfte in dezelfde periode toe van 1.040 tot 2.741.
Bij vallen gaat het meestal om een privé-ongeval, maar het kan ook gaan om een sportongeval of een arbeidsongeval.

Diverse factoren dragen bij aan toename sterfte

Diverse factoren kunnen hebben bijgedragen aan de toename in de sterfte door vallen (Hartholt et al., 2018):

  • De aandacht voor vallen als doodsoorzaak is toegenomen, en daarmee ook de rapportage van vallen als doodoorzaak.
  • Oudere mensen leven langer en ook langer zelfstandig. Ze zijn over het algemeen actiever dan voorgaande generaties ouderen, waardoor ook het valrisico is toegenomen.
  • Er is sprake van een toename van multimorbiditeit en het hiermee gepaard gaande medicijngebruik. Ook dit heeft geleid tot een verhoogd valrisico.

Meer informatie

 

Datum publicatie

25-02-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Hartholt KA, van Beeck EF, van der Cammen TJM. Mortality From Falls in Dutch Adults 80 Years and Older, 2000-2016. JAMA. 2018;319(13):1380-1382. Pubmed | DOI

Trend in sterfte door geweld

Trend sterfte door geweld 1980-2018

JaarMannenVrouwenMannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)
19801001007140
19811051027739
19821101018437
19831131298649
19841251069641
1985112988838
198613312610249
19871091188947
19881001178249
19891419510641
1990109979243
199114913811859
199216312114053
199315912613755
199414712212051
199514017711875
199618014814566
199717314914563
199815310912947
199916513814459
200013414412060
200116014413468
200215213613461
200315716512973
200416612213853
200513912611757
2006941097949
20071171049647
200812210710347
200912311210450
20101081209054
20111091149350
20121101129550
2013821266956
2014109709330
201572936242
201673716332
2017103958943
201872826337

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in augustus 2019)

  • ICD-10-codes: X85-Y09
  • Cijfers over 2018 zijn voorlopig
  • Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2018
  • Geïndexeerd (1980 = 100)
  • De absolute sterfte is zichtbaar in de tabelweergave
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn minder goed vergelijkbaar met eerdere jaren omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie Verantwoording).

Afname sterfte door geweld sinds midden jaren negentig

Vanaf het midden van de jaren negentig is de sterfte door geweld  afgenomen.  De weergegeven trend is gecorrigeerd voor ontwikkelingen in de omvang en de leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie). 
De absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) is in de periode 1980-2018 voor mannen afgenomen van 71 naar 63 en  voor vrouwen van 40 naar 37.

Meer informatie

Datum publicatie

28-10-2019

Trend in sterfte door verkeersongevallen

Trend sterfte door verkeersongevallen 1980-2018

JaarMannenVrouwenMannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)
19801001001.520546
198189921.374502
198283941.274521
198384901.302502
198482861.279473
198572711.120401
198671781.133448
198767751.054434
19885974980424
198966781.048454
199060691.000410
19915959976352
19926073997426
19935760944350
19945760953361
19955461928364
19965660956367
19974958850351
19984652790312
19995050853306
20004848838296
20014544785269
20024644799274
20034746827287
20043740652255
20053534610218
20063336582237
20073436595234
20083131565201
20093032538208
20102831520208
20112831515208
20122730518201
20132424457159
20142325448169
20152624511162
20162527499190
20172524495171
20182530523213

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in augustus 2019)

  • ICD-10-codes: V01-V99 (Code Y85 'Late gevolgen van verkeersongevallen' is niet geïncludeerd)
  • Cijfers over 2018 zijn voorlopig.
  • Gestandaardiseerd naar de Nederlandse bevolking in 2018
  • Geïndexeerd (1980 = 100)
  • De absolute sterfte is zichtbaar in de tabelweergave
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn minder goed vergelijkbaar met eerdere jaren omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie Verantwoording).

Dalende trend in sterfte door verkeersongevallen

Over de periode 1980-2018 is de sterfte als gevolg van verkeersongevallen afgenomen met respectievelijk 75% voor mannen en 70% voor vrouwen. De weergegeven trend is gecorrigeerd voor ontwikkelingen in omvang en leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie).
Ook de absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) is voor mannen flink gedaald, van 1.520 in 1980 naar 523 in 2018 (afname 66%). Voor vrouwen is de absolute sterfte gedaald van 546 in 1980 naar 213 in 2018 (afname 61%).

Meer informatie

Datum publicatie

28-10-2019

Trend in sterfte door zelftoegebracht letsel

Trend in sterfte door zelftoegebracht letsel 1980-2018

JaarMannenVrouwenMannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)
1980100100901529
198195106865566
1982102113923612
19831121271.039681
19841131271.083699
19851061041.048590
1986103103998606
198799106995621
19889595965558
19899096953567
19908489909541
199196921.033578
199296871.041546
199391831.020535
199496761.084500
199586781.000511
199690821.043534
199789791.042528
199885781.002517
199986751.015502
20008475999501
200183661.010463
200285741.062505
200381711.016484
200481701.022492
200585701.073499
200684671.046478
20077458943410
20087762988447
200982641.064461
201086651.124476
201186691.136511
201289761.186567
201398741.308549
201493791.250589
201595791.280591
201694811.279614
201795801.304613
201885851.176653

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in augustus 2019)

  • ICD-10-codes: X60-X84
  • Cijfers over 2018 zijn voorlopig
  • Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2018
  • Geïndexeerd (1980 = 100)
  • De absolute sterfte is zichtbaar in de tabelweergave
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn minder goed vergelijkbaar met eerdere jaren omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie Verantwoording).

Sterfte door suïcide toegenomen in periode 2007-2018

In de periode 1984-2007 nam de sterfte door zelftoegebracht letsel (suïcide) af, vooral onder vrouwen. In de periode 2007-2018 nam de sterfte echter toe. De sterfte door suïcide lag in 2018 voor zowel mannen als vrouwen onder het niveau van 1980. De weergegeven trend is gecorrigeerd voor ontwikkelingen in de omvang en de leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie).
Voor zowel mannen als vrouwen is ook de absolute sterfte door zelftoegebracht letsel toegenomen in de periode 2007-2018. Voor mannen nam de absolute sterfte in deze periode toe van 943 naar 1.176 en voor vrouwen van 410 naar 653.

Meer informatie

Datum publicatie

28-10-2019

Verantwoording

Definities
  • Letsels

    Onder letsels verstaan we in VZinfo.nl letsels die ontstaan door ongevallen, geweld en zelfbeschadiging. Zij vormen samen een zeer heterogeen gezondheidsprobleem, waarbij diverse vormen van gezondheidsschade (zoals hersenletsel, fracturen en vergiftigingen) veroorzaakt worden door sterk uiteenlopende oorzaken (bijvoorbeeld verkeersongevallen, privé-ongevallen en arbeidsongevallen).

  • Ernstig letsel (MAIS2+)

    Voor het vaststellen van slachtoffers met ernstig letsel wordt gebruikgemaakt van een afgeleide van de zogenaamde MAIS. AIS staat voor Abbreviated Injury Scale (Mannaerts et al., 1994). De waarde van een letsel op deze schaal representeert de ernst van het letsel. De waarde van de Maximum AIS (MAIS) representeert het ernstigste letsel bij een slachtoffer. De MAIS loopt van 1 (licht letsel) tot 6 (maximaal). De AIS is opgesteld door de Association for the advancement of automotive medicine (AAAM; www.aaam.org). Ernstig letsel in het Letsel Informatie Systeem (LIS) is gedefinieerd als letsel met een letselernst uitgedrukt in een MAIS (Maximum Abbreviated Injury Score) van ten minste 2.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Mannaerts G.H.H., Sawor J.H., Menovsky T., Springer L., Patka P., Haarman J.T.M. De betrouwbaarheid van de registratie van polytrauma-patiënten. Ned Tijdschr Geneeskd. 1994;138(46). Bron
  • Indeling letsel

    Letsels en vergiftigingen (hoofdgroep 17 in de ICD-9, code 800-999) worden in VZinfo.nl gepresenteerd vanuit de invalshoek van de afzonderlijke oorzaken of ontstaanswijzen. Deze indeling sluit beter aan op preventiebeleid dan een indeling naar letseltype. Er wordt onderscheid gemaakt in letsels ten gevolge van ongevallen en opzettelijk toegebrachte letsels. Complicaties als gevolg van genees- en heelkundige behandeling worden in VZinfo.nl buiten beschouwing gelaten (tenzij anders aangegeven). Gepresenteerd worden:

    • Arbeidsongevallen
    • Geweld
    • Privé-ongevallen
    • Sportblessures
    • Zelftoegebracht letsel
    • Verkeersongevallen
  • Arbeidsongevallen

    Arbeidsongeval: ongeval door of tijdens betaald werk

    Een arbeidsongeval is een ongeval door of tijdens betaald werk. Ook ongevallen in het verkeer tijdens het werk tellen mee. Ongevallen tijdens woon-werkverkeer tellen niet mee als arbeidsongeval. Iedereen die in Nederland werkt (ook mensen die hier niet wonen) telt mee in de cijfers (Venema, 2003). Letsel dat met opzet is toegebracht en letsel dat tijdens een medische behandeling ontstaat, telt niet mee als arbeidsongeval. In de Europese statistieken gaat het bij arbeidsongevallen om ongevallen die leiden tot meer dan 3 dagen absentie.

    Dodelijk ongeval: slachtoffer overlijdt binnen 30 dagen na het arbeidsongeval

    In Nederland spreken we van een dodelijk arbeidsongeval als het slachtoffer binnen 30 dagen na het arbeidsongeval overlijdt (CBS-NND). In de Europese statistieken geldt een andere definitie (Eurostat). Daar spreekt men van een dodelijk ongeval als het slachtoffer binnen een jaar na het ongeval overlijdt.

  • Privé-ongevallen

    Onder privé-ongevallen vallen alle ongevallen voor zover het géén arbeids-, verkeers- of sportongevallen betreft. Het gaat vaak om letsel dat is opgelopen in of om het huis, in openbare gebouwen, op straat of tijdens vrijetijdsbesteding (uitgezonderd sport). Opzettelijk toegebracht letsel en letsel ontstaan tijdens medische behandeling vallen er buiten.

    Letsels na privé-ongevallen vormen een heterogeen gezondheidsprobleem met diverse vormen van gezondheidsschade, zoals hersenletsel, fracturen, vergiftigingen, hypothermie. Op de afdelingen voor Spoedeisende Hulp (SEH) van ziekenhuizen zijn de meest voorkomende letsels bij privé-ongevallen fracturen, oppervlakkig letsel en open wonden.

  • Sportblessures

    Hoewel sporten over het algemeen gezond is, kan sport ook leiden tot diverse vormen van letsel, zoals botbreuken en verstuikingen, verzwikkingen (distorsies) of hersenletsel. Sportblessures zijn het gevolg van sport, waarbij sport gedefinieerd is als een lichamelijke activiteit die spelend wordt uitgevoerd, en waarbij aan de prestatie bijzondere waarde wordt gehecht. Sport wordt beoefend in georganiseerd verband, zoals wedstrijdsport en recreatiesport bij een vereniging, en in ongeorganiseerd verband, zoals sportieve recreatie. Ook letsel opgelopen tijdens bewegingsonderwijs op scholen wordt tot de sportblessures gerekend.

  • Verkeersongevallen

    Onder verkeersongevallen verstaan we alle ongevallen waarbij een voertuig is betrokken en waarbij het slachtoffer letsel heeft opgelopen als gevolg van een verkeerssituatie, al dan niet op de openbare weg (inclusief fiets-, boot-, trein- en vliegverkeer, maar exclusief geparkeerde voertuigen). Eenzijdige fiets- en bromfietsongevallen (dat wil zeggen dat geen tegenpartij bij het ongeval betrokken was) vallen in het VZinfo.nl ook onder de verkeersongevallen.

  • Zelftoegebracht letsel

    In de regel wordt het begrip 'zelftoegebracht letsel' als paraplubegrip gebruikt voor letsels als gevolg van suïcidaal gedrag. Hieronder wordt verstaan:

    • suïcide: zelfdoding uit vrije wil;
    • suïcidepoging: een poging tot suïcide waarbij iemand ook daadwerkelijk de intentie heeft zichzelf om het leven te brengen;
    • parasuïcide: de omstandigheden geven aanleiding te denken aan een suïcidepoging, maar in het midden wordt gelaten of iemand zichzelf ook daadwerkelijk om het leven wilde brengen;
    • automutilatie: zelfbeschadigend gedrag dat regelmatig voorkomt en waarbij de wens tot overlijden niet aan de orde is.

    Intentie slachtoffer vaak niet duidelijk of niet geregistreerd

    Theorieën en onderzoeken maken vaak een scherpe scheiding tussen deze begrippen. In de praktijk is er echter sprake van een grote samenhang. De afbakening is niet scherp; er zijn glijdende overgangen en veelal is de intentie van het slachtoffer niet duidelijk of wordt het in ieder geval niet geregistreerd. Het gedrag, de achtergronden en motieven van de begrippen lopen door elkaar en rechtvaardigen geen scherp onderscheid. Dat is de reden waarom een definitie is opgesteld waarin suïcidaal gedrag, ongeacht de intentie van een persoon, alle gedragingen omvat die zelfverwondend en zelf geïnitieerd zijn. Alleen telkens terugkerend zelfverwondend gedrag dat tot een gewoonte is geworden (habitueel gedrag), zoals dat bijvoorbeeld door mensen met een verstandelijke handicap wordt vertoond, valt buiten de hier gehanteerde definitie (de Leo et al., 2006). De informatie over zelftoegebracht letsel heeft betrekking op letsels die medisch behandeld zijn op de afdelingen voor Spoedeisende Hulp van ziekenhuizen (SEH) of tijdens ziekenhuisopnamen.

    Zelftoegebracht letsel vaak het gevolg van psychische stoornis

    Gedrag dat tot zelftoegebracht letsel leidt staat meestal niet op zichzelf, in veel gevallen is het onderdeel van een psychische stoornis (zoals depressie of een borderline persoonlijkheidsstoornis).

    Codering van zelftoegebracht letsel in classificatiesysteem

    In deze website is zelftoegebracht letsel ingedeeld naar oorzaak of ontstaanswijze. Er wordt minder nadruk gelegd op de indeling naar letseltype. Een indeling naar oorzaak sluit namelijk beter aan op preventiebeleid.

    • In de ICD-9-classificatie zijn de letseltypes opgenomen in hoofdgroep 17 ('ongevalletsels en vergiftigingen').
    • De oorzaken van letsels zijn opgenomen in de zogenoemde E-lijst ('external causes injuries') en voor zelftoegebracht letsel betreft dat de code E950-959 ('suicide and self-inflicted injury').
    • Binnen de ICD-10 valt zelftoegebracht letsel onder de categorie 'intentional self-harm' (X60-X84).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. de Leo DD, Burgis S, Bertolote JM, Kerkhof AFJM, Bille-Brahe U. Definitions of suicidal behavior: lessons learned from the WHO/EURO multicentre Study. Crisis. 2006;27(1):4-15. Pubmed
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over letsels

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Letsel Informatie Systeem (LIS)

    Aantal bezoeken aan de spoedeisende-hulpafdeling (SEH-bezoeken)

    Nederlandse bevolking LIS
    Letsel Informatie Systeem (LIS) Directe medische kosten en verzuimkosten van ongevallen en opzettelijk toegebracht letsel Nederlandse bevoking LIS
    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Aantal sterfgevallen door uitwendige oorzaken, vallen, geweld, verkeersongevallen, zelftoegebracht letsel

    Nederlandse bevolking CBS Doodsoorzakenstatistiek
    Eurostat, European Statistics on Accidents at Work (ESAW)

    Aantal arbeidsongevallen:

    • ernstig: arbeidsongevallen die leiden tot een verzuim van vier dagen of langer
    • dodelijk: ongevallen die leiden tot het overlijden van het slachtoffer binnen een jaar na het ongeval
    Europese bevolking Eurostat
    Eurostat Aantal sterfgevallen door uitwendige oorzaken, vallen, verkeersongevallen, zelftoegebracht letsel Europese bevolking Eurostat
    Eurosafe Aantal sterfgevallen door privé-ongevallen Europese bevolking Eurosafe
    UNECE Statistical Database Aantal sterfgevallen door verkeersongevallen Europese bevolking UNECE Statistical Database
  • Letsel Informatie Systeem (LIS; VeiligheidNL)

    Het Letsel Informatie Systeem (LIS) is een registratiesysteem voor spoedeisende hulp dat gebruikt wordt op een aantal Spoedeisende Hulp afdelingen in Nederlandse ziekenhuizen. Het wordt beheerd door VeiligheidNL. Deelnemende ziekenhuizen registreren hierin slachtoffers die na een ongeval, geweld of zelf toegebracht letsel zijn behandeld op een Spoedeisende Hulp (SEH) afdeling. VeiligheidNL gebruikt het LIS onder meer om een schatting te maken van het totale aantal op SEH- afdelingen behandelde letselslachtoffers in Nederland. Het LIS vormt hiermee een belangrijke gegevensbron voor het letselpreventiebeleid van het ministerie van VWS en andere ministeries.

    VeiligheidNL heeft in 2015 zelf de representativiteit van de LIS-steekproef onderzocht. Daartoe heeft zij verschillende bronnen gebruikt, waaronder gepubliceerde gegevens, gegevens van andere registraties en een eigen dataverzameling. Op een aantal relevante kenmerken bleek de LIS-steekproef af te wijken van het landelijk beeld, waaronder de mate van specialisatie, het percentage UMC’s en verdeling van SEH-level en IC-level (Panneman & Blatter, 2016). Dit hoeft echter geen bezwaar te zijn als elke categorie voldoende eenheden bevat en er adequate weging plaatsvindt bij het berekenen van landelijke cijfers.

    Om meer helderheid te krijgen over de representativiteit van het LIS, heeft het RIVM eind 2015 onderzocht hoe valide de schatting van het landelijk aantal SEH-bezoeken is die VeiligheidNL maakt door middel van extrapolatie van de LIS-data. Hiertoe heeft het RIVM in het DIS geregistreerde zorgactiviteiten op de SEH-afdelingen van alle Nederlandse ziekenhuizen vergeleken met het geschatte aantal SEH-bezoeken berekend op basis van het LIS. Het RIVM concludeert dat de schattingen van het landelijk aantal SEH-bezoeken op basis van het LIS het werkelijke aantal SEH-bezoeken goed weer lijken te geven (Gommer & Gijsen, 2016).

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Letsel Informatie Systeem, LIS. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Panneman M, Blatter B. Letsel Informatie Systeem; Representatief voor alle SEH’s in Nederland?. Amsterdam: VeiligheidNL; 2016. Bron
    2. Gommer AM, Gijsen R. Onderzoek naar schatting van landelijk aantal SEH-bezoeken op basis van Letsel Informatie Systeem (LIS). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  • Krantenknipselregistratie VeiligheidNL

    In de Krantenknipselregistratie van VeiligheidNL worden alle berichten over privé-, sport- en arbeidsongevallen geregistreerd die in landelijke en regionale dagbladen zijn verschenen (vanaf januari 2010 alleen dodelijke ongevallen). De ongevallen waarover berichten in kranten verschijnen, zijn meestal ernstige ongevallen. De Krantenknipselregistratie vormt daarom in principe geen basis om kwantitatieve uitspraken te doen over ongevallen, maar geeft wel veel achtergrondinformatie over de ongevallen die geregistreerd worden.

    De Krantenknipselregistratie wordt gebruikt om het aantal dodelijke ongevallen tijdens sport te bepalen, aangezien de gangbare databestanden over dodelijk ongevallen hiervoor niet geschikt zijn.

  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

  • Berekening totale sterfte en sterfte naar doodsoorzaak per regio

    Voor de berekening van de sterftecijfers op gemeente en GGD-regio niveau is gebruik gemaakt van de CBS Doodsoorzakenstatistiek. In deze statistiek zijn alle overleden inwoners van Nederland opgenomen, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en doodsoorzaak. De bevolking is vervolgens ingedeeld in tien leeftijdsklassen (0-jarigen, 1-24, 25-44, 45-54, 55-64, 65-69, 70-74, 75-79, 80-85-jarigen en 85-plussers). De analyse is gebaseerd op de gegevens van vier achtereenvolgende jaren (2013 t/m 2016).

    Standaardisering

    Door verschillen in bevolkingsopbouw tussen regio's zijn de ruwe gegevens moeilijk te vergelijken. Daarom is een directe standaardisatie uitgevoerd door de sterfte per regio, leeftijd en geslacht te wegen met het aandeel van deze leeftijds- en geslachtscategorie in de totale Nederlandse bevolking op 1-1-2000. Door gebruik te maken van deze vaste standaardpopulatie wordt het bovendien mogelijk om in de toekomst betrouwbare uitspraken te doen over de ontwikkeling van (doodsoorzaakspecifieke) sterfte, onafhankelijk van veranderingen in de bevolkingssamenstelling. Bij geslachtsspecifieke sterfte (borstkanker en prostaatkanker) is alleen gerekend met de totale bevolking van het betreffende geslacht.

    De sterftecijfers worden op twee verschillende manieren in kaart gebracht:

    1. CMF (Comparative Mortality Figure, directe standaardisatie); De kaart toont de verhouding tussen de sterfte in een bepaalde subpopulatie (gemeente of GGD-regio) en de sterfte in de totale populatie (Nederland) gecorrigeerd voor leeftijds- en geslachtsverschillen, gemiddeld over de vier onderzoeksjaren. Als de CMF 100 is, is de sterfte in de subpopulatie gelijk aan die van de standaardpopulatie. Een CMF van bijvoorbeeld 104 wijst erop dat de sterfte in een regio 4% hoger is dan in de standaardpopulatie.
    2. Significantie; Het verschil tussen de gemiddelde kans op een sterfgeval in heel Nederland en de regionale (gestandaardiseerde) kans op een sterfgeval is gedeeld door de verwachte standaardafwijking van het gestandaardiseerde aantal sterfgevallen. Als de regio meer dan 1,96 standaarddeviaties afwijkt van het Nederlands gemiddelde dan betekent dat de regio met 95% zekerheid afwijkt van het Nederlands gemiddelde. Een afwijking van meer dan 2,576 standaarddeviaties geeft een zekerheid van 99% dat de gevonden waarde voor de betreffende regio afwijkt van het Nederlands gemiddelde.