Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

HartfalenCijfers & ContextSterfte

Cijfers & Context

In 2017 bijna 7.700 sterfgevallen door hartfalen

Regionaal & Internationaal

Sterfte aan hartfalen laagst in Midden-Nederland

Kosten

Kosten van zorg 937 miljoen euro in 2015

Preventie & Zorg

In 2012 29.000 ziekenhuis- opnamen voor hartfalen

Sterfte aan hartfalen

Sterfte aan hartfalen 2017

LeeftijdsklasseMannenVrouwenTotaalMannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)Totaal (absoluut)
00,00,00,0000
1-40,00,30,1011
5-90,20,00,1101
10-140,00,00,0000
15-190,00,00,0000
20-240,20,00,1101
25-290,20,20,2112
30-340,40,20,3213
35-390,40,00,2202
40-440,80,90,9459
45-491,40,50,99312
50-542,81,92,3181230
55-596,53,34,9392059
60-6410,76,38,5573491
65-6924,810,017,412451175
70-7461,939,950,6253172425
75-79146,487,1114,6394271665
80-84366,7267,5309,26256281.253
85-891.025,0766,3858,88911.1972.088
90-941.958,51.923,51.933,45521.3611.913
95+4.162,53.887,13.943,4207752959

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in juli 2018)

  • ICD-10-code I50
  • Cijfers zijn voorlopig
  • De absolute sterfte is zichtbaar in de tabelweergave

7.689 sterfgevallen in 2017 door hartfalen

In 2017 overleden 7.689 personen als gevolg van hartfalen, 3.180 mannen en 4.509 vrouwen (37,4 per 100.000 mannen en 52,3 per 100.000 vrouwen). De sterfte neemt sterk toe met de leeftijd en in elke leeftijdscategorie overlijden relatief meer mannen dan dan vrouwen. Echter, omdat er veel meer oudere vrouwen zijn, stierven er totaal in 2017 meer vrouwen als gevolg van hartfalen dan mannen.

Meer informatie

Verantwoording

Definities
  • Hartfalen

    Hartfalen (decompensatio cordis) is het best te omschrijven als een klinisch syndroom dat bestaat uit een combinatie van klachten en verschijnselen die direct of indirect het gevolg zijn van een tekortschietende pompfunctie van het hart: het hart kan het bloed niet meer zodanig rondpompen dat het lichaam van voldoende bloed (dus aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen, en afvoer van afbraakproducten) wordt voorzien.

  • Geen universeel geaccepteerde definitie van hartfalen

    Een universeel geaccepteerde definitie van hartfalen ontbreekt. Essentieel bij de definities in de verschillende richtlijnen is een tekortschietende pompfunctie in combinatie met typische klachten en bevindingen bij lichamelijk onderzoek, én objectief bewijs van functionele of structurele afwijkingen van het hart in rust (Dickstein et al., 2008; Rutten et al., 2005; Hoes et al., 2010a). Het gaat hierbij om afwijkingen die leiden tot ventrikeldisfunctie (ventrikel=hartkamer) en dit kan het best worden bepaald met echocardiografie. Zonder klachten of verschijnselen spreekt men niet van hartfalen. Echografisch verminderde hartkamerfunctie wordt in dat geval ‘asymptomatische ventrikeldisfunctie’ genoemd.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Dickstein K, Cohen-Solal A, Filippatos G, McMurray JJV, Ponikowski P, Poole-Wilson PA, et al. ESC Guidelines for the diagnosis and treatment of acute and chronic heart failure 2008. Eur Heart J. 2008;29(19):2388-442. Pubmed | DOI
    2. Rutten FHH, Walma EP, Kruizinga GI, Bakx HCA, van Lieshout J. NHG-standaard Hartfalen, eerste herziening. Huisarts Wet . 2005. Bron
    3. Hoes AW, Walma EP, Rutten FHH, Twickler TB, Rohling R, Jansen RWMM. Multidisciplinaire richtlijn Hartfalen 2010. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC), Nederlandsche Internisten Vereniging (NIV); 2010. Bron
  • Meerdere criteria voor diagnose hartfalen

    Door de discussie over de diagnostiek zijn er zijn meerdere criteria op basis waarvan in studies de diagnose hartfalen wordt vastgesteld. Bij het vergelijken van epidemiologische gegevens over incidentie en prevalentie is het belangrijk tevens te beoordelen hoe in de betreffende studie de diagnose hartfalen werd vastgesteld.

  • Klachten bij chronisch hartfalen in beginstadium weinig uitgesproken

    Het klinisch beeld van hartfalen is zeer divers en ook bij individuele patiënten kunnen de klachten van dag tot dag variëren. Vooral in het beginstadium van chronisch hartfalen zijn de verschijnselen weinig uitgesproken, met als gevolg onderdiagnostiek van vroege stadia. Dit kan weer gevolgen hebben voor het schatten van incidentie en prevalentie. Kortademigheid bij inspanning en moeheid/verminderde inspanningstolerantie zijn de eerste, weinig specifieke klachten die kunnen wijzen op hartfalen. Over het algemeen worden de klachten in de loop van de tijd erger en wordt het klinische beeld duidelijker. In meer gevorderde stadia staat een duidelijk verminderd inspanningsvermogen op de voorgrond en zijn er veelal duidelijkere tekenen van overvulling, wat zich uit als nachtelijke kortademigheid, kortademigheid bij platliggen en dikke enkels (perifeer oedeem). 

  • Klachten bij acuut hartfalen wel kenmerkend

    De klachten bij acuut hartfalen zijn, in tegenstelling tot de klachten bij chronisch hartfalen, kenmerkend: plotseling optredende ernstige kortademigheid in rust, klamme huid en reutelende snelle ademhaling.

  • Indeling hartfalen afhankelijk van ontwikkeling klachten en verschijnselen in de tijd

    Afhankelijk van hoe de klachten en verschijnselen zich in de tijd ontwikkelen wordt er bij nieuw ontdekt hartfalen gesproken van ‘acuut nieuw hartfalen’ (snel ontstaan van met name kortademigheid die veelal hevig is en ziekenhuisopname noodzakelijk maakt) of ‘geleidelijk nieuw hartfalen’ (kortademigheid die ‘insluipt’; deze vorm wordt veelal door de huisarts of op de poli cardiologie ontdekt).

    Is eenmaal hartfalen vastgesteld, dan kan er sprake zijn van ‘voorbijgaand', dat wil zeggen terugkomend of episodisch hartfalen of van ‘chronisch’ hartfalen (stabiel, verslechterend, of acuut gedecompenseerd) (Dickstein et al., 2008; Hoes et al., 2010).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Dickstein K, Cohen-Solal A, Filippatos G, McMurray JJV, Ponikowski P, Poole-Wilson PA, et al. ESC Guidelines for the diagnosis and treatment of acute and chronic heart failure 2008. Eur Heart J. 2008;29(19):2388-442. Pubmed | DOI
    2. Hoes AW, Walma EP, Rutten FHH, Twickler TB, Rohling R, Jansen RWMM. Multidisciplinaire richtlijn Hartfalen 2010. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC), Nederlandsche Internisten Vereniging (NIV); 2010. Bron
  • Hartfalen kan chronisch of acuut zijn

    Hartfalen is meestal chronisch hartfalen. We spreken van acuut hartfalen indien de klachten en verschijnselen binnen enkele uren tot dagen ontstaan. Acuut hartfalen valt weer in categorieën onder te verdelen, waarvan de belangrijkste zijn acuut longoedeem (‘astma cardiale’) en cardiogene shock. Acuut hartfalen kan een eerste uiting zijn van hartfalen (acuut nieuw hartfalen) of een acute verergering van chronisch hartfalen (exacerbatie van chronisch hartfalen) (Rutten et al., 2005; Hoes et al., 2010).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Rutten FHH, Cramer M-JM, Grobbee DE, Sachs APE, Kirkels JH, Lammers JWJ, et al. Unrecognized heart failure in elderly patients with stable chronic obstructive pulmonary disease. Eur Heart J. 2005;26(18):1887-94. Pubmed | DOI
    2. Hoes AW, Walma EP, Rutten FHH, Twickler TB, Rohling R, Jansen RWMM. Multidisciplinaire richtlijn Hartfalen 2010. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC), Nederlandsche Internisten Vereniging (NIV); 2010. Bron
  • Classificatie van ernst van hartfalen

    Om de ernst van hartfalen te beschrijven wordt vaak de classificatie van de New York Heart Association (NYHA) gebruikt. Deze classificatie is gebaseerd op beperkingen in fysieke activiteit. 

    Klasse Symptomen
    Klasse I Geen duidelijke klinische symptomen, geen beperking van activiteiten; wel een meetbare vermindering van de linkerventrikelfunctie.
    Klasse II Licht; dyspneuklachten tijdens ongebruikelijke lichamelijke inspanning.
    Klasse III Matig ernstig; reeds klachten bij geringe (alledaagse) lichamelijke inspanning.
    Klasse IV Ernstig; klachten (vermoeidheid en/of kortademigheid) in rust.
  • Alternatieve indeling met nadruk op preventie

    Sinds enkele jaren is er ook een nieuwe indeling van de American Heart Association/American College of Cardiologists die meer de nadruk legt op preventie (Hunt, 2005). Deze indeling is in vier chronologisch opeenvolgende stadia: A, B, C en D. De laatste twee stadia worden opgevat als manifest hartfalen

    Stadium  
    A

    Een hoog risico op hartfalen. In dit stadium zijn alleen nog maar risicofactoren aanwezig, zoals hypertensie, diabetes of coronair lijden.

    B Er ontbreken ook nog klachten en verschijnselen van hartfalen, maar zijn er wel structurele afwijkingen van het hart.
    C Er manifesteren zich ook klachten en symptomen.
    D Hartfalen verrbetert niet meer door behandeling (endstage).

     

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Hunt SAnn. ACC/AHA 2005 guideline update for the diagnosis and management of chronic heart failure in the adult: a report of the American College of Cardiology/American Heart Association Task Force on Practice Guidelines. J Am Coll Cardiol. 2005;46(6):e1-82. Pubmed | DOI
  • Twee vormen van pompfunctiestoornis van de linkerhartkamer

    De pompfunctiestoornis bij hartfalen van de linkerhartkamer kan in twee vormen worden ingedeeld:

    • hartfalen met een verminderde linkerventrikelejectiefractie (LVEF), ook wel ‘systolische disfunctie’ genoemd
    • hartfalen met een normale of behouden LVEF, ook wel ‘(geïsoleerde) diastolische disfunctie’ genoemd.
Bronverantwoording
  • Exacte aantal mensen met hartfalen is niet bekend

    De verschillen tussen huisartsenregistraties en bevolkingsonderzoek in aanmerking genomen is er met de bestaande gegevens wel een goede schatting te maken van het aantal mensen met hartfalen in Nederland, maar het exacte aantal patiënten met daadwerkelijk hartfalen is nog steeds niet precies bekend. Dit geldt ook voor het buitenland. Grootschalige en goed uitgevoerde bevolkingsonderzoeken zijn hiervoor nodig, maar deze zijn helaas erg duur en er is daardoor moeilijk subsidie voor te krijgen.

  • Huisartsenregistraties hartfalen

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van hartfalen (huidige situatie) zijn gegevens gebruikt van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. Voor de beschrijving van de trend in prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van reumatoïde artritis is gebruikgemaakt van twee andere huisartsenregistraties: FaMe-net en RNH. Deze registraties registreren al vele jaren het voorkomen van ziekten in de huisartsenpraktijk. De registratie van FaMe-net gaat terug tot 1971, toen nog onder de naam CMR Nijmegen. De registratie van RNH-Limburg gaat terug tot 1987. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn heeft gegevens over een kortere periode en wordt daarom niet gebruikt voor de beschrijving van de trends.

    De gebruikte ICPC-code is K77.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, NIVEL Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. FaMe-net, Family Medicine Network. zorggegevens.nl
    3. RNH, Registratienet Huisartspraktijken Limburg / Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht. zorggegevens.nl
    4. CMR Nijmegen, Continue Morbiditeits Registratie Nijmegen. zorggegevens.nl
  • Diagnose hartfalen in de huisartsenpraktijk

    De diagnose hartfalen in de huisartspraktijk (ICPC-code K77) en dus in huisartsenregistratiesystemen, zal veelal (in de helft van de gevallen) alleen gebaseerd zijn op anamnese, lichamelijk onderzoek met al dan niet een gunstige reactie op een proefbehandeling met diuretica en soms een thoraxfoto of electrocardiogram. In de helft van de gevallen is het hartfalen dus geobjectiveerd door echografisch vastgestelde linkerventrikeldisfunctie door de cardioloog (zo'n 50% van de huisartspatiënten met een hartfalencode (K77) wordt verwezen naar de cardioloog) (Rutten et al., 2005). Het is daarmee onduidelijk hoeveel patiënten met ICPC-code K77 ook werkelijk hartfalen hebben, dat wil zeggen: klachten plus echografisch linkerventrikeldisfunctie. Dit kritiekpunt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de diagnose hartfalen geldt ook voor de meeste studies die de incidentie en prevalentie van hartfalen bepalen.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Rutten FHH, Cramer M-JM, Grobbee DE, Sachs APE, Kirkels JH, Lammers JWJ, et al. Unrecognized heart failure in elderly patients with stable chronic obstructive pulmonary disease. Eur Heart J. 2005;26(18):1887-94. Pubmed | DOI
  • Hartfalen: ERGO-onderzoek (epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    In het ERGO-onderzoek (Erasmus Rotterdam GezondheidsOnderzoek) is in de periode 1990-1993 bij 5.540 personen van 55 jaar en ouder het vóórkomen (prevalentie) van hartfalen onderzocht (Bleumink et al., 2004). In dit bevolkingsonderzoek werd een anamnese afgenomen met behulp van gestandaardiseerde vragenlijsten, een lichamelijk onderzoek verricht (kortademigheid, enkeloedeem, ECG, echocardiografie) en het medicijngebruik nagevraagd. Bij 1.677 personen is ook nog nagegaan of er crepitaties (knetterend reutelgeruis) waren bij het beluisteren van de longen. Het al of niet beluisteren van de longen maakte weinig verschil in de hoogte van de prevalentie (Mosterd et al., 1999). Vanaf 1-2-1996 zijn 5.253 ouderen zonder hartfalen gevolgd. De onderzoekers gingen na of zich bij hen hartfalen ontwikkelde.

    Patiënten met minimaal twee van de volgende drie klachten (kortademigheid in rust of bij inspanning, enkeloedeem of pulmonale crepitaties) EN een cardiale ziekte of interventie voor zo'n cardiale ziekte (angina pectoris, hartinfarct, coronaire bypass operatie, percutane coronaire interventie, atriumfibrilleren of electrocardiografische linkerventrikelhypertrofie) werden als hartfalenpatiënt geclassificeerd. Ook patiënten (hier konden ook mensen bij zitten zonder klachten!) met cardiale medicatie die gegeven werd op verdenking van hartfalen en die één van de bovengenoemde cardiale ziekten/interventies hadden ondergaan werden als hartfalenpatiënt geclassificeerd. De follow-up periode liep tot 31-12-1997. Op basis daarvan werd de incidentie berekend (Cost et al., 2000).

    In het ERGO-onderzoek heeft niet iedere patiënt een ECG gehad, waardoor meer mensen als hartfalenpatiënt worden geclassificeerd dan wanneer wel bij iedereen een ECG had plaatsgevonden. Cardiale disfunctie is een ruimer begrip dan (linker) ventrikeldisfunctie. Sommigen beschouwen ook atriumfibrilleren en hartklepproblemen pur sang (dus zonder ventriculaire disfunctie) als cardiale disfunctie. Hierdoor kunnen patiënten met alleen atriumfibrilleren en daarbij dyspnoe als hartfalenpatiënten worden geclassificeerd. Daarnaast zijn in het ERGO-onderzoek alle patiënten met COPD uitgesloten.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. ERGO, Erasmus Rotterdam Gezondheidsonderzoek (of Rotterdam Study). zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Bleumink GS, Knetsch AM, Sturkenboom MCJM, Straus SMJM, Hofman A, Deckers JW, et al. Quantifying the heart failure epidemic: prevalence, incidence rate, lifetime risk and prognosis of heart failure The Rotterdam Study. Eur Heart J. 2004;25(18):1614-9. Pubmed | DOI
    2. Mosterd A, Hoes AW, de Bruyne MC, Deckers JW, Linker DT, Hofman A, et al. Prevalence of heart failure and left ventricular dysfunction in the general population; The Rotterdam Study. Eur Heart J. 1999;20(6):447-55. Pubmed
    3. Cost B, Grobbee DE, van der Schoot-van Venrooy J, Balk AHMM, Man in't Veld AJ, Prins A. Incidence and risk factors of heart failure. Rotterdam: Erasmus University; 2000. Bron
  • Landelijke Medische Registratie (LMR); hartfalen

    Het grootste deel van de personen die hartfalen ontwikkelen, wordt opgenomen in een ziekenhuis. Informatie over ziekenhuisontslagen uit de Landelijke Medische Registratie kan dus gebruikt worden als indicatie van de incidentie van (ernstige gevallen van) hartfalen.

    Voor de ziekenhuisregistraties wordt de ICD-9-code 428 (hartdecompensatie) gebruikt.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Landelijke Medische Registratie, LMR. zorggegevens.nl
  • Belangrijke verschillen tussen gegevens huisartsenregistraties en bevolkingsonderzoek

    Als men de getallen uit bevolkingsonderzoek (zoals het ERGO-onderzoek) wil vergelijken met getallen uit huisartsenregistraties dan moet men rekening houden met de volgende zaken:

    • De wijze waarop hartfalen is gedefinieerd/gediagnosticeerd in het bevolkingsonderzoek en in de huisartsenpraktijk. Bij hartfalen is het van belang te weten welke criteria zijn gebruikt om hartfalen vast te stellen, omdat hartfalen geen specifieke klachten of verschijnselen kent. In feite moet echocardiografisch onderzoek plaatsvinden om de diagnose hartfalen te stellen en dit gebeurt vaak niet in bevolkingsonderzoek.
    • In bevolkingsonderzoek worden patiënten met hartfalen gevonden die nog niet bekend zijn bij de huisarts. Ongeveer 30% van de hartfalenpatiënten wordt zo gevonden. De prevalentie- en incidentie-cijfers van huisartsenregistraties zijn daardoor vaak iets lager dan die van populatie-onderzoek (zo’n 10%). Maar er zitten ook misclassificaties tussen en de overlap met ‘echte hartfalers’ is maar 50%. Dit heeft te maken met het feit dat nog steeds (wel steeds minder) de diagnose hartfalen in de huisartsenprakijk vaak een klinische diagnose is. De diagnose wordt wel steeds vaker met een (NTpro)BNP en een ECG gesteld, en in zo’n 50-70% ook met echocardiografie (dit was begin 2000 maar zo’n 10%). Zeker bij oudere, fragiele patiënten wordt vaak geen echo gemaakt; reizen en het ondergaan van een echo wordt veelal als te belastend gezien.
  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over hartfalen

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Nivel Zorgregistraties eerste lijn

    Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen

    Nederlandse bevolking NZR
    FaMe-net

    Jaarprevalenti, aantal nieuwe gevallen

    Nederlandse bevolking FaMe-net 
    RNH-Limburg  Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen  Nederlandse bevolking RNH-Limburg
    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Aantal sterfgevallen

    Nederlandse bevolking CBS Doodsoorzakenstatistiek
    Landelijke Medische Registratie (LMR)

    Klinische opnamedagen, klinische opnamen, gemiddelde opnameduur, dagopnamen met hartfalen als hoofdontslagdiagnose

     

    Nederlandse bevolking LMR
    Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor hartfalen Nederlandse bevolking Kosten van Ziekten database
    Eurostat Aantal sterfgevallen Europese bevolking Eurostat
Methoden
  • Hartfalen: incidentie en prevalentie op basis van huisartsencijfers

    Met de cijfers uit de huisartsenregistraties wordt geschat hoeveel mensen bij de huisarts bekend zijn op 1 januari 2011 met hartfalen(puntprevalentie) en hoeveel nieuwe patiënten er in het jaar 2011 bij zijn gekomen (incidentie).

  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.