Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

HartfalenCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Ruim 7.200 sterfgevallen door hartfalen in 2019

Regionaal & Internationaal

Sterfte aan hartfalen laagst in Midden-Nederland

Kosten

Zorguitgaven 817 miljoen euro in 2017

Preventie & Zorg

Bijna 30.000 ziekenhuisopnamen voor hartfalen

Oorzaken van hartfalen

Bij hartfalen is de hartspier beschadigd

Bij hartfalen (decompensatio cordis) pompt het hart het bloed minder goed rond. De pompfunctie schiet tekort door schade aan de hartspier. De hartspier kan te slap zijn of juist te dik en stijf. Soms ontstaat hartfalen acuut, bijvoorbeeld doordat een hartinfarct de hartspier beschadigt. Soms ontstaat hartfalen geleidelijk, bijvoorbeeld door een hoge bloeddruk.

Meer informatie:

Datum publicatie

12-02-2020

Risicofactoren voor hartfalen

Hartfalen ontstaat vaak door andere hartaandoeningen

Hartfalen is veelal het gevolg van andere hart- en vaatziekten. Risicofactoren voor hart- en vaatziekten zijn daarom (vaak indirect) ook risicofactoren voor het ontstaan hartfalen. Risicofactoren kunnen elkaar versterken waardoor het risico op het ontstaan van hartfalen toeneemt (Ponikowski et al., 2016). Zie: Risicofactoren van hart- en vaatziekten.
De volgende aandoeningen zijn de meest voorkomende oorzaken van hartfalen.

  • Coronaire (of ischemische) hartziekten zijn wereldwijd de belangrijkste doodsoorzaak en een belangrijke oorzaak voor het ontstaan van hartfalen. Door het ontstane littekenweefsel na een hartinfarct verliest het hart (een deel van) zijn pompfunctie. Door preventie en een betere behandeling neemt in hoog-inkomen landen het aantal mensen dat een hartinfarct krijgt af en van diegenen die een hartinfarct krijgen, overlijden er minder dan vroeger. Door de afname van het aantal mensen dat een hartinfarct krijgt, is de toename van het aantal nieuwe patiënten (incidentie) met hartfalen in een aantal landen tot stilstand gekomen. Tegelijkertijd zijn er meer mensen die een hartinfarct overleven waardoor zij het risico lopen hartfalen te ontwikkelen (Ziaeian & Fonarow, 2016). 
  • Patiënten met een hoge bloeddruk (> 160/90 mm Hg) hebben een twee keer zo grote kans op het ontwikkelen van hartfalen dan mensen met een normale bloeddruk (< 140/90 mm Hg). Het hart is eigenlijk een zuigpomp. Door de hoge bloeddruk moet het hart met meer kracht (tegen een weerstand) pompen, hetgeen tot een verdikte en minder elastische hartspier kan leiden. Hierdoor gaat de zuigfunctie en daarmee de totale pompkracht van het hart achteruit. Hierdoor kan hartfalen ontstaan. Door behandeling van hoge bloeddruk neemt de kans om hartfalen te krijgen aanzienlijk af (> 50% lager) (Ziaeian & Fonarow, 2016).
  • Bij hartklepgebreken stroomt het bloed niet goed door. Een vernauwde hartklep belemmert de doorstroming van het bloed. Bij een lekkende hartklep stroomt een deel van het bloed weer terug het hart in. Het hart moet hierdoor harder werken. Als deze situatie lang duurt kan hierdoor hartfalen ontstaan (website: Hartwijzer).
  • Bij hartritmestoornissen is de prikkelgeleiding naar de hartspiercellen verstoord waardoor het hart minder goed pompt: het hart moet te snel knijpen (bij te snelle hartslag), of juist te langzaam (bij te lage hartslag) of te onregelmatig (bij boezemfibrilleren). Het hart moet meer inspanning leveren om het bloed rond te pompen waardoor op de lange duur hartfalen kan ontstaan (website: Hartwijzer).

Hartfalen vaker bij mensen met COPD, diabetes, obesitas en ouderen

  • COPD en hartfalen komen vaak gezamenlijk voor. De aandoeningen hebben overeenkomende risicofactoren: roken, gevorderde leeftijd en auto-immuunziekten. Geschat wordt dat ongeveer 10% van de patiënten met hartfalen ook COPD hebben (Brenner et al., 2013). De prognose voor patiënten met zowel hartfalen en COPD is slechter dan voor patiënten met een van deze aandoeningen afzonderlijk.
  • Patiënten met diabetes mellitus (zowel type 1 als type 2) hebben een ongeveer twee keer zo hoog risico op het krijgen van hartfalen, vooral hartfalen met behouden ejectiefractie. Ook is hun prognose slechter dan voor patiënten zonder diabetes. (Lehrke & Marx, 2017; de Winter et al., 2012).
  • Mensen met obesitas hebben een hoger risico op hartfalen, dat los staat van het hogere risico op een hartinfarct (Ponikowski et al., 2016).
  • Ouderen hebben vaker hartfalen dan jongeren. Door een verbeterde behandeling ontwikkelt hartfalen zich op een latere leeftijd dan voorheen. Door vergrijzing neemt het totaal aantal patiënten (prevalentie) met hartfalen toe. Patiënten leven langer met hartfalen, hetgeen bijdraagt aan de toename van het totaal aantal patiënten met hartfalen (Ziaeian & Fonarow, 2016). 

Datum publicatie

12-02-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Ponikowski P, Voors AA, Anker SD, Bueno H, Cleland JGF, Coats AJS, et al. 2016 ESC Guidelines for the diagnosis and treatment of acute and chronic heart failure: The Task Force for the diagnosis and treatment of acute and chronic heart failure of the European Society of Cardiology (ESC). Eur Heart J. 2016;37(27):2129-2200. Pubmed | DOI
  2. Ziaeian B, Fonarow GC. Epidemiology and aetiology of heart failure. Nat Rev Cardiol. 2016;13(6):368-78. Pubmed | DOI
  3. Brenner S, Güder G, Berliner D, Deubner N, Fröhlich K, Ertl G, et al. Airway obstruction in systolic heart failure--COPD or congestion? Int J Cardiol. 2013;168(3):1910-6. Pubmed | DOI
  4. Lehrke M, Marx N. Diabetes Mellitus and Heart Failure. Am J Cardiol. 2017;120(1S):S37-S47. Pubmed | DOI
  5. de Winter LJMBoo, Rutten FH, Cramer MJM, Landman MJ, Liem AH, Rutten GEHM, et al. High prevalence of previously unknown heart failure and left ventricular dysfunction in patients with type 2 diabetes. Diabetologia. 2012;55(8):2154-62. Pubmed | DOI

Hartfalen door aangeboren hartafwijkingen

Hartfalen kan ontstaan door aangeboren hartafwijkingen

Hartfalen kan ontstaan door aangeboren hartafwijkingen. Naar schatting 0,4 tot 5% van alle baby’s hebben aangeboren hartafwijkingen (Ziaeian & Fonarow, 2016). De meest voorkomende erfelijke hartziekte is hypertrofische cardiomyopathie (hartspierziekte) dat naar schatting voorkomt bij 1: 200 tot 1: 500 van de mensen (Wolf, 2019). Bij deze hartspierziekte zijn de hartspiercellen uitgerekt, verdikt of dusdanig veranderd dat het hart niet meer goed pompt. Veruit het merendeel van de patiënten met hypertrofische cardiomyopathie (verdikte hartspiercellen) heeft hier geen last van, maar bij een derde van hen kan later in het leven hartfalen ontstaan (Wolf, 2019).

Datum publicatie

12-02-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Ziaeian B, Fonarow GC. Epidemiology and aetiology of heart failure. Nat Rev Cardiol. 2016;13(6):368-78. Pubmed | DOI
  2. Wolf CMaria. Hypertrophic cardiomyopathy: genetics and clinical perspectives. Cardiovasc Diagn Ther. 2019;9(Suppl 2):S388-S415. Pubmed | DOI

Hartfalen bij vrouwen versus mannen

Hartfalen uit zich bij vrouwen vaak anders dan bij mannen

Op het moment van de diagnose zijn vrouwen vaker ouder dan mannen. Ook hebben ze relatief vaker een andere vorm van hartfalen, namelijk hartfalen met behouden ejectiefractie (zie definitie hartfalen), terwijl mannen vaker hartfalen met verminderde ejectiefractie hebben. Hartfalen ontstaat bij vrouwen minder vaak door een hartinfarct en juist vaker door hoge bloeddruk, diabetes of hartritmestoornissen (boezemfibrilleren) dan bij mannen. Vrouwen met behandelde borstkanker hebben een groter risico om hartfalen te ontwikkelen. Door bestraling en chemotherapie kunnen hartcellen beschadigd raken (Hartkliniek, 2020).

Bij vrouwen met hartfalen kwaliteit van leven vaak slechter dan bij mannen

Bij vrouwen met hartfalen is de kwaliteit van leven vaak slechter dan bij mannen met hartfalen en ze hebben meer functionele beperkingen. Vrouwen worden ook vaak later verwezen voor een harttransplantatie dan mannen. Vrouwen met hartfalen hebben vaker last van depressieve klachten in vergelijking met mannen. De prognose van de depressieve klachten en het hartfalen is bij vrouwen wel beter dan bij mannen (Aimo et al., 2018; Taqueti, 2018).

Datum publicatie

12-02-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Aimo A, Vergaro G, Barison A, Maffei S. Sex-related differences in chronic heart failure. International Journal of Cardiology. 2018;255. Bron | DOI
  2. Taqueti VR. Sex Differences in the Coronary System. Adv Exp Med Biol. 2018;1065:257-278. Pubmed | DOI

Overleving na diagnose hartfalen

Prognose van hartfalen  is verbeterd maar blijft somber

Door betere behandelingsmogelijkheden is de prognose van hartfalen met verminderde ejectiefractie de laatste 30 jaar wel verbeterd, maar de prognose is nog steeds somber. Een Europees onderzoek meldt dat 12 maanden na de diagnose 83-93% van de patiënten nog leeft (Maggioni et al., 2013). Onderzoekers in het Verenigd Koninkrijk melden een 1-jaarsoverleving van 81% en een 5-jaarsoverleving van 48%, terwijl 10 jaar later 26% van de patiënten nog leeft (Taylor et al., 2019).

Datum publicatie

12-02-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Maggioni AP, Dahlström U, Filippatos G, Chioncel O, Leiro MCresp, Drozdz J, et al. EURObservational Research Programme: regional differences and 1-year follow-up results of the Heart Failure Pilot Survey (ESC-HF Pilot). Eur J Heart Fail. 2013;15(7):808-17. Pubmed | DOI
  2. Taylor CJ, Ordóñez-Mena JM, Roalfe AK, Lay-Flurrie S, Jones NR, Marshall T, et al. Trends in survival after a diagnosis of heart failure in the United Kingdom 2000-2017: population based cohort study. BMJ. 2019;364:l223. Pubmed | DOI

Kwaliteit van leven bij hartfalen

Vooral beperkingen in lichamelijke en dagelijkse activiteiten

Door de symptomen van hartfalen (vermoeidheid, verminderd inspanningsvermogen, (nachtelijke) kortademigheid, vocht vasthouden), zijn patiënten beperkt in hun lichamelijke en dagelijkse activiteiten. Door de nachtelijke kortademigheid hebben veel patiënten slaapproblemen waardoor zij zich minder vitaal voelen. De verslechterde pompfunctie van het hart beïnvloedt de zuurstofvoorziening van de hersenen, hetgeen kan leiden tot verminderde cognitieve functies en nachtelijke onrust.

Andere gezondheidsproblemen compliceren diagnostiek en behandeling

Hartfalen komt vaker voor bij ouderen en ouderen hebben vaak meerdere aandoeningen. Comorbide aandoeningen zoals COPD bemoeilijken zowel de diagnostiek als de behandeling van hartfalen. Comorbide aandoeningen kunnen de klachten van hartfalen versterken. Ook geneesmiddelen voor de behandeling van comorbide aandoeningen kunnen negatief uitwerken op (de symptomen van) hartfalen. Geneesmiddelen kunnen ook interacteren waardoor de effectiviteit vermindert of zich bijwerkingen voordoen.

Sterk verminderde kwaliteit van leven met hartfalen

Patiënten met hartfalen hebben een lagere kwaliteit van leven en meer depressieve klachten dan leeftijdsgenoten zonder deze aandoening. Dit geldt vooral voor vrouwen en voor patiënten die naast hartfalen ook andere aandoeningen hebben (Lesman-Leegte et al., 2009; Aimo et al., 2018).

Datum publicatie

12-02-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Lesman-Leegte I, Jaarsma T, Coyne JC, Hillege HL, van Veldhuisen DJ, Sanderman R. Quality of life and depressive symptoms in the elderly: a comparison between patients with heart failure and age- and gender-matched community controls. J Card Fail. 2009;15(1):17-23. Pubmed | DOI
  2. Aimo A, Vergaro G, Barison A, Maffei S. Sex-related differences in chronic heart failure. International Journal of Cardiology. 2018;255. Bron | DOI

Verantwoording

Definities
  • Hartfalen

    Hartfalen (decompensatio cordis) is het best te omschrijven als een klinisch syndroom dat bestaat uit een combinatie van klachten en verschijnselen die direct of indirect het gevolg zijn van een tekortschietende pompfunctie van het hart: het hart kan het bloed niet meer zodanig rondpompen dat het lichaam van voldoende bloed (dus aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen, en afvoer van afbraakproducten) wordt voorzien.

    Mensen met hartfalen  hebben vaak de volgende klachten: vermoeidheid, benauwdheid, snel buiten adem zijn bij inspanning, vocht vasthouden (waaronder dikke enkels en voeten, snelle gewichtstoename in een paar dagen, vol gevoel in de buik), nachtelijke benauwdheid (Hartstichting, Februari 2020; Hartwijzer, Februari 2020).

    Verschillende vormen van hartfalen

    Er bestaan verschillende vormen van hartfalen. De criteria zijn gebaseerd op de relatieve hoeveelheid bloed die het hart per hartslag uitpompt (linker ventrikel ejectiefractie, LVEF) ofwel de hoeveelheid bloed die door het linker ventrikel uitgepompt wordt gedeeld door de hoeveelheid bloed die zich in het linker ventrikel bevindt bij het begin van de slag. Pas op: dit is niet hetzelfde als verminderd slagvolume (pompfunctie).

    • Heart failure with reduced ejection fraction (HFrEF) ofwel hartfalen met verminderde ejectiefractie (LVEF<40-50%). Het hart knijpt minder goed doordat de hartspier is beschadigd en het hart is gaan ‘uitlubberen’ (verwijd met een dunnere en slappere wand dan normaal). Hierdoor wordt er minder bloed uit het hart gepompt en blijft er dus bloed achter in de hartkamer.
    • Heart failure with preserved fraction (HFpEF) ofwel hartfalen met behouden ejectiefractie (LVEF >50%): de hartspier is vaak dikker en stijver en kan zich niet goed ontspannen. De linker kamer is vaak klein van stuk. Het hart vult zich minder goed met bloed (gestoorde relaxatie) en pompt daardoor per hartslag minder bloed rond (wat er niet in zit kan er ook niet uitgepompt worden). Er is dus sprake van verminderd slagvolume, echter bij een normale ejectiefractie.

    Deskundigen verschillen van mening over de te hanteren afkapwaardes voor ejectiefractie en of er nog een tussencategorie moet worden onderscheiden: heart failure with mid-range ejection fraction (HFmrEF): hartfalen met behouden ejectiefractie (LVEF 40-50%). (Ponikowski et al., 2016).

    Meerdere criteria voor diagnose hartfalen

    Er is discussie hoe de verschillende vormen van hartfalen te diagnosticeren, met name HFpEF. Dit maakt het vergelijken van epidemiologische gegevens over incidentie en prevalentie van hartfalen lastig.

    Hartfalen kan chronisch of acuut zijn

    Met hartfalen wordt meestal chronisch hartfalen bedoeld.
    We spreken van acuut hartfalen indien de klachten en verschijnselen binnen enkele uren tot dagen ontstaan. Acuut hartfalen valt weer in categorieën onder te verdelen, waarvan de belangrijkste zijn acuut longoedeem (‘astma cardiale’) en cardiogene shock. Acuut hartfalen kan een eerste uiting zijn van hartfalen (acuut nieuw hartfalen) of een acute verergering van chronisch hartfalen (exacerbatie van chronisch hartfalen) (Rutten et al., 2005; Hoes et al., 2010).

    Klachten bij chronisch hartfalen in het beginstadium weinig uitgesproken

    Het klinisch beeld van hartfalen is zeer divers en ook bij individuele patiënten kunnen de klachten van dag tot dag variëren. Vooral in het beginstadium van chronisch hartfalen zijn de verschijnselen weinig uitgesproken, met als gevolg onderdiagnostiek in vroege stadia. Dit kan weer gevolgen hebben voor het schatten van incidentie en prevalentie. Kortademigheid bij inspanning en moeheid/verminderde inspanningstolerantie zijn de eerste, weinig specifieke, klachten die kunnen wijzen op hartfalen. Over het algemeen worden de klachten in de loop van de tijd erger en wordt het klinische beeld duidelijker. In meer gevorderde stadia staat een duidelijk verminderd inspanningsvermogen op de voorgrond, en zijn er veelal duidelijkere tekenen van overvulling van de (veneuze) bloedvaten, wat zich uit als nachtelijke kortademigheid, kortademigheid bij platliggen en dikke enkels (perifeer oedeem).

    Klachten bij acuut hartfalen wel kenmerkend

    De klachten bij acuut hartfalen zijn, in tegenstelling tot de klachten bij chronisch hartfalen, kenmerkend: plotseling optredende ernstige kortademigheid in rust, klamme huid en reutelende snelle ademhaling, en zwakke pols.

    Classificatie van ernst van hartfalen

    Om de ernst van hartfalen te beschrijven wordt vaak de classificatie van de New York Heart Association (NYHA) (Criteria Committee New York Heart Association, 1994; NYHA Classification, versie 2018) gebruikt. Deze classificatie is gebaseerd op beperkingen in fysieke activiteit. 

    Klasse Symptomen
    Klasse I Geen duidelijke klinische symptomen, geen beperking van activiteiten; wel een meetbare vermindering van de linkerventrikelfunctie.
    Klasse II Licht; enige klachten rijdens fysieke inspanning. Weinig/geen klachten in rust.
    Klasse III Matig ernstig; reeds klachten bij geringe (alledaagse) lichamelijke inspanning.
    Klasse IV Ernstig; klachten (vermoeidheid en/of kortademigheid) in rust.


    Alternatieve indeling met nadruk op preventie

    De indeling van de American College of Cardiology Foundation (ACCF) en American Heart Association (AHA) legt meer de nadruk legt op de mogelijkheden van preventie en behandeling (Yancy et al., 2013). Deze indeling is in vier chronologisch opeenvolgende stadia: A, B, C en D. De laatste twee stadia worden opgevat als manifest hartfalen.
     

    Stadium  
    A Een hoog risico op hartfalen. In dit stadium zijn alleen nog maar risicofactoren aanwezig, zoals hypertensie, diabetes of coronair lijden.
    B Er zijn structurele hartafwijkingen, maar geen klachten of symptomen van hartfalen.
    C Er zijn structurele hartafwijkingen, en klachten en symptomen van hartfalen.
    D Hartfalen waarvoor gespecialiseerde behandeling noodzakelijk is.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Ponikowski P, Voors AA, Anker SD, Bueno H, Cleland JGF, Coats AJS, et al. 2016 ESC Guidelines for the diagnosis and treatment of acute and chronic heart failure: The Task Force for the diagnosis and treatment of acute and chronic heart failure of the European Society of Cardiology (ESC). Eur Heart J. 2016;37(27):2129-2200. Pubmed | DOI
    2. Rutten FHH, Cramer M-JM, Grobbee DE, Sachs APE, Kirkels JH, Lammers JWJ, et al. Unrecognized heart failure in elderly patients with stable chronic obstructive pulmonary disease. Eur Heart J. 2005;26(18):1887-94. Pubmed | DOI
    3. Hoes AW, Walma EP, Rutten FHH, Twickler TB, Rohling R, Jansen RWMM. Multidisciplinaire richtlijn Hartfalen 2010. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC), Nederlandsche Internisten Vereniging (NIV); 2010. Bron
    4. Criteria Committee New York Heart Association. Nomenclature and criteria for diagnosis of diseases of the heart and great vessels.. 9th ed. Boston, Mass: Little & Brown; 1994. GoogleScholar
    5. Yancy CW, Jessup M, Bozkurt B, Butler J, Casey DE, Drazner MH, et al. 2013 ACCF/AHA guideline for the management of heart failure: a report of the American College of Cardiology Foundation/American Heart Association Task Force on practice guidelines. Circulation. 2013;128(16):e240-327. Pubmed | DOI
Bronverantwoording
  • Exacte aantal mensen met hartfalen is niet bekend

    De verschillen tussen huisartsenregistraties en bevolkingsonderzoek in aanmerking genomen is er met de bestaande gegevens wel een goede schatting te maken van het aantal mensen met hartfalen in Nederland, maar het exacte aantal patiënten met daadwerkelijk hartfalen is nog steeds niet precies bekend. Dit geldt ook voor het buitenland. Grootschalige en goed uitgevoerde bevolkingsonderzoeken zijn hiervoor nodig, maar deze zijn helaas erg duur en er is daardoor moeilijk subsidie voor te krijgen.

  • Huisartsenregistraties hartfalen

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van hartfalen (huidige situatie en trends) zijn gegevens gebruikt van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn. De gebruikte ICPC-code is K77.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
  • Diagnose hartfalen in de huisartsenpraktijk

    De diagnose hartfalen in de huisartspraktijk (ICPC-code K77) en dus in huisartsenregistratiesystemen, zal veelal (in de helft van de gevallen) alleen gebaseerd zijn op anamnese, lichamelijk onderzoek met al dan niet een gunstige reactie op een proefbehandeling met diuretica en soms een thoraxfoto of electrocardiogram. In de helft van de gevallen is het hartfalen dus geobjectiveerd door echografisch vastgestelde linkerventrikeldisfunctie door de cardioloog (zo'n 50% van de huisartspatiënten met een hartfalencode (K77) wordt verwezen naar de cardioloog) (Rutten et al., 2005). Het is daarmee onduidelijk hoeveel patiënten met ICPC-code K77 ook werkelijk hartfalen hebben, dat wil zeggen: klachten plus echografisch linkerventrikeldisfunctie. Dit kritiekpunt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de diagnose hartfalen geldt ook voor de meeste studies die de incidentie en prevalentie van hartfalen bepalen.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Rutten FHH, Cramer M-JM, Grobbee DE, Sachs APE, Kirkels JH, Lammers JWJ, et al. Unrecognized heart failure in elderly patients with stable chronic obstructive pulmonary disease. Eur Heart J. 2005;26(18):1887-94. Pubmed | DOI
  • Hartfalen: ERGO-onderzoek (epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    In het ERGO-onderzoek (Erasmus Rotterdam GezondheidsOnderzoek) is in de periode 1990-1993 bij 5.540 personen van 55 jaar en ouder het vóórkomen (prevalentie) van hartfalen onderzocht (Bleumink et al., 2004). In dit bevolkingsonderzoek werd een anamnese afgenomen met behulp van gestandaardiseerde vragenlijsten, een lichamelijk onderzoek verricht (kortademigheid, enkeloedeem, ECG, echocardiografie) en het medicijngebruik nagevraagd. Bij 1.677 personen is ook nog nagegaan of er crepitaties (knetterend reutelgeruis) waren bij het beluisteren van de longen. Het al of niet beluisteren van de longen maakte weinig verschil in de hoogte van de prevalentie (Mosterd et al., 1999). Vanaf 1-2-1996 zijn 5.253 ouderen zonder hartfalen gevolgd. De onderzoekers gingen na of zich bij hen hartfalen ontwikkelde.

    Patiënten met minimaal twee van de volgende drie klachten (kortademigheid in rust of bij inspanning, enkeloedeem of pulmonale crepitaties) EN een cardiale ziekte of interventie voor zo'n cardiale ziekte (angina pectoris, hartinfarct, coronaire bypass operatie, percutane coronaire interventie, atriumfibrilleren of electrocardiografische linkerventrikelhypertrofie) werden als hartfalenpatiënt geclassificeerd. Ook patiënten (hier konden ook mensen bij zitten zonder klachten!) met cardiale medicatie die gegeven werd op verdenking van hartfalen en die één van de bovengenoemde cardiale ziekten/interventies hadden ondergaan werden als hartfalenpatiënt geclassificeerd. De follow-up periode liep tot 31-12-1997. Op basis daarvan werd de incidentie berekend (Cost et al., 2000).

    In het ERGO-onderzoek heeft niet iedere patiënt een ECG gehad, waardoor meer mensen als hartfalenpatiënt worden geclassificeerd dan wanneer wel bij iedereen een ECG had plaatsgevonden. Cardiale disfunctie is een ruimer begrip dan (linker) ventrikeldisfunctie. Sommigen beschouwen ook atriumfibrilleren en hartklepproblemen pur sang (dus zonder ventriculaire disfunctie) als cardiale disfunctie. Hierdoor kunnen patiënten met alleen atriumfibrilleren en daarbij dyspnoe als hartfalenpatiënten worden geclassificeerd. Daarnaast zijn in het ERGO-onderzoek alle patiënten met COPD uitgesloten.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. ERGO, Erasmus Rotterdam Gezondheidsonderzoek (of Rotterdam Study). zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Bleumink GS, Knetsch AM, Sturkenboom MCJM, Straus SMJM, Hofman A, Deckers JW, et al. Quantifying the heart failure epidemic: prevalence, incidence rate, lifetime risk and prognosis of heart failure The Rotterdam Study. Eur Heart J. 2004;25(18):1614-9. Pubmed | DOI
    2. Mosterd A, Hoes AW, de Bruyne MC, Deckers JW, Linker DT, Hofman A, et al. Prevalence of heart failure and left ventricular dysfunction in the general population; The Rotterdam Study. Eur Heart J. 1999;20(6):447-55. Pubmed
    3. Cost B, Grobbee DE, van der Schoot-van Venrooy J, Balk AHMM, Man in't Veld AJ, Prins A. Incidence and risk factors of heart failure. Rotterdam: Erasmus University; 2000. Bron
  • Landelijke Medische Registratie (LMR); hartfalen

    Het grootste deel van de personen die hartfalen ontwikkelen, wordt opgenomen in een ziekenhuis. Informatie over ziekenhuisontslagen uit de Landelijke Medische Registratie kan dus gebruikt worden als indicatie van de incidentie van (ernstige gevallen van) hartfalen.

    Voor de ziekenhuisregistraties wordt de ICD-9-code 428 (hartdecompensatie) gebruikt.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Landelijke Medische Registratie, LMR. zorggegevens.nl
  • Belangrijke verschillen tussen gegevens huisartsenregistraties en bevolkingsonderzoek

    Als men de getallen uit bevolkingsonderzoek (zoals het ERGO-onderzoek) wil vergelijken met getallen uit huisartsenregistraties dan moet men rekening houden met de volgende zaken:

    • De wijze waarop hartfalen is gedefinieerd/gediagnosticeerd in het bevolkingsonderzoek en in de huisartsenpraktijk. Bij hartfalen is het van belang te weten welke criteria zijn gebruikt om hartfalen vast te stellen, omdat hartfalen geen specifieke klachten of verschijnselen kent. In feite moet echocardiografisch onderzoek plaatsvinden om de diagnose hartfalen te stellen en dit gebeurt vaak niet in bevolkingsonderzoek.
    • In bevolkingsonderzoek worden patiënten met hartfalen gevonden die nog niet bekend zijn bij de huisarts. Ongeveer 30% van de hartfalenpatiënten wordt zo gevonden. De prevalentie- en incidentie-cijfers van huisartsenregistraties zijn daardoor vaak iets lager dan die van populatie-onderzoek (zo’n 10%). Maar er zitten ook misclassificaties tussen en de overlap met ‘echte hartfalers’ is maar 50%. Dit heeft te maken met het feit dat nog steeds (wel steeds minder) de diagnose hartfalen in de huisartsenprakijk vaak een klinische diagnose is. De diagnose wordt wel steeds vaker met een (NTpro)BNP en een ECG gesteld, en in zo’n 50-70% ook met echocardiografie (dit was begin 2000 maar zo’n 10%). Zeker bij oudere, fragiele patiënten wordt vaak geen echo gemaakt; reizen en het ondergaan van een echo wordt veelal als te belastend gezien.
  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over hartfalen

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Nivel Zorgregistraties eerste lijn

    Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen

    Nederlandse bevolking NZR
    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Aantal sterfgevallen

    Nederlandse bevolking CBS Doodsoorzakenstatistiek
    Landelijke Medische Registratie (LMR)

    Klinische opnamedagen, klinische opnamen, gemiddelde opnameduur, dagopnamen met hartfalen als hoofdontslagdiagnose

     

    Nederlandse bevolking LMR
    Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor hartfalen Nederlandse bevolking Kosten van Ziekten database
    Eurostat Aantal sterfgevallen Europese bevolking Eurostat
Methoden
  • Hartfalen: incidentie en prevalentie op basis van huisartsencijfers

    Met de cijfers uit de huisartsenregistraties wordt geschat hoeveel mensen bij de huisarts bekend zijn op 1 januari 2011 met hartfalen(puntprevalentie) en hoeveel nieuwe patiënten er in het jaar 2011 bij zijn gekomen (incidentie).

  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

Andere websites over Hartfalen

Data en gegevensbronnen