Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Hart- en vaatziektenPreventie & ZorgZorg

Cijfers & Context

Sterfte aan hart- en vaatziekten sterk gedaald

Regionaal & Internationaal

Lage sterfte aan hart- en vaatziekten in Nederland

Kosten

Zorguitgaven 10,2 miljard euro in 2017

Preventie & Zorg

Bijna 240.000 ziekenhuisopnamen in 2019

Ziekenhuisopnamen hart- en vaatziekten

Ziekenhuisopnamen hart- en vaatziekten 2019

 

Mannen

Vrouwen

Totaal

Aantal klinische opnamen

142.705

96.345

239.055

Aantal verpleegdagen

871.955

590.340

1.462.290

Gemiddelde opnameduur (dagen)

6,1

6,1

6,1

Dagopnamen

62.900

37.460

100.360

Observaties

24.865

13.645

11.220

Totaal aantal ziekenhuisopnamen

219.250

145.025

364.275

Bron: Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (gedownload van CBS StatLine in juni 2021)

  • ICD-10-codes: G45, I00-I41, I42.0-I42.5, I42.7-I42.9, I43-I97, I98.1-I98.9, I99, L97, N28.0, R02, Z95.2-Z95.4
  • Aantal opnamen en verpleegdagen zijn afgerond op vijftallen
  • Cijfers zijn voorlopig

Patiënten met hart- en vaatziekten gemiddeld 6 dagen in ziekenhuis

In 2019 vonden 239.055 klinische ziekenhuisopnamen plaats vanwege hart- en vaatziekten. Mannen worden vaker opgenomen dan vrouwen. Het aantal opnamen kan hoger zijn dan het aantal opgenomen personen, doordat een persoon meerdere keren per jaar opgenomen kan zijn geweest. Patiënten met hart-en vaatziekten lagen per opname gemiddeld 6,1 dagen in het ziekenhuis.

Meer informatie

Experts en redactie

Datum publicatie

22-06-2021

Ziekenhuisopnamen hart- en vaatziekten naar leeftijd en geslacht

Klinische ziekenhuisopnamen voor hart- en vaatziekten 2019

LeeftijdMannenVrouwenTotaalMannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)Totaal (absoluut)
01,10,70,99560150
1-40,40,30,312585210
5-90,20,20,210595195
10-140,30,30,3150145295
15-190,60,60,6330295625
20-240,70,60,7415350765
25-290,80,70,8460425885
30-341,21,11,27006001.300
35-392,11,51,81.1207901.910
40-443,72,53,11.9151.2903.205
45-497,74,25,94.5802.5207.100
50-5412,86,09,48.3403.85512.190
55-5919,28,413,812.1505.28017.430
60-6427,412,920,115.4057.31022.715
65-6938,419,328,819.2259.78529.010
70-7452,029,040,324.41014.18038.590
75-7969,642,955,521.50514.72036.225
80-8486,058,670,617.37015.14032.510
85-8994,870,279,510.24012.37522.615
90-9490,365,473,13.4955.6609.155
95+68,548,152,85801.3951.975

Bron: Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (gedownload van CBS StatLine in juni 2021)

  • ICD-codes: G45, I00-I41, I42.0-I42.5, I42.7-I42.9, I43-I97, I98.1-I98.9, I99, L97, N28.0, R02, Z95.2-Z95.4
  • Cijfers zijn voorlopig
  • Niet gecorrigeerd voor dubbeltellingen van personen
  • Absolute aantallen ziekenhuisopnamen (afgerond op vijftallen) zijn zichtbaar in de tabelweergave

Bijna 240.000 ziekenhuisopnamen voor hart- en vaatziekten

In 2019 waren er 239.055 klinische ziekenhuisopnamen voor hart- en vaatziekten in Nederland (mannen: 142.705, vrouwen: 96.345). In alle leeftijdsklassen is het aantal opnamen per 1.000 inwoners onder mannen hoger dan onder vrouwen. Het aantal opnamen per 1.000 inwoners is het hoogst onder 80- tot en met 94-jarigen. 

Meer informatie

Experts en redactie

Datum publicatie

22-06-2021

Verantwoording

Definities
  • Hart- en vaatziekten

    Hart- en vaatziekten is een verzamelnaam voor een groot aantal aandoeningen die betrekking hebben op het hart en de bloedvaten. Coronaire hartziekten zijn de meest voorkomende, gevolgd door cerebrovasculaire aandoeningen (waaronder beroertes). Zij vormen samen meer dan de helft van het totaal aantal gevallen van hart- en vaatziekten. Andere hier gepresenteerde aandoeningen zijn hartfalen, hartritmestoornissen en niet-aangeboren aandoeningen van het endocard waaronder hartklepaandoeningen.

Bronverantwoording
  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
  • Hart- en vaatziekten: landelijke Medische Registratie (LMR)

    De landelijke Medische Registratie (LMR) bevat gegevens over ziekenhuisopnamen. De gebruikte ICD-9-codes voor beroerte zijn: 430 (Subarachnoïdale bloeding), 431-432 (hersenbloeding), 433-434 (herseninfarct), 436-438 (overige en niet-gespecificeerde beroertes) en 435 (TIA en verwante syndromen). Het CBS publiceert LMR-cijfers op CBS-Statline (http://statline.cbs.nl/statweb/). De LMR wordt beheerd door Dutch Hospital Data. Met ingang van 1 januari 2014 is deze registratie vervangen door de Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ).

  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over hart- en vaatziekten

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Nivel Zorgregistraties eerste lijn

    Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen

    Nederlandse bevolking NZR
    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Aantal sterfgevallen

    Nederlandse bevolking CBS Doodsoorzakenstatistiek
    Landelijke Medische Registratie (LMR)

    Klinische opnamedagen, klinische opnamen, gemiddelde opnameduur, dagopnamen
    met hart- en vaatziekten als hoofdontslagdiagnose

    Nederlandse bevolking LMR
    Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor hart- en vaatziekten Nederlandse bevolking Kosten van Ziekten database
    Eurostat Aantal sterfgevallen Europese bevolking Eurostat
Methoden
  • Berekening totale sterfte en sterfte naar doodsoorzaak per regio

    Voor de berekening van de sterftecijfers op gemeente en GGD-regio niveau is gebruik gemaakt van de CBS Doodsoorzakenstatistiek. In deze statistiek zijn alle overleden inwoners van Nederland opgenomen, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en doodsoorzaak. De bevolking is vervolgens ingedeeld in tien leeftijdsklassen (0-jarigen, 1-24, 25-44, 45-54, 55-64, 65-69, 70-74, 75-79, 80-85-jarigen en 85-plussers). De analyse is gebaseerd op de gegevens van vier achtereenvolgende jaren (2013 t/m 2016).

    Standaardisering

    Door verschillen in bevolkingsopbouw tussen regio's zijn de ruwe gegevens moeilijk te vergelijken. Daarom is een directe standaardisatie uitgevoerd door de sterfte per regio, leeftijd en geslacht te wegen met het aandeel van deze leeftijds- en geslachtscategorie in de totale Nederlandse bevolking op 1-1-2000. Door gebruik te maken van deze vaste standaardpopulatie wordt het bovendien mogelijk om in de toekomst betrouwbare uitspraken te doen over de ontwikkeling van (doodsoorzaakspecifieke) sterfte, onafhankelijk van veranderingen in de bevolkingssamenstelling. Bij geslachtsspecifieke sterfte (borstkanker en prostaatkanker) is alleen gerekend met de totale bevolking van het betreffende geslacht.

    De sterftecijfers worden op twee verschillende manieren in kaart gebracht:

    1. CMF (Comparative Mortality Figure, directe standaardisatie); De kaart toont de verhouding tussen de sterfte in een bepaalde subpopulatie (gemeente of GGD-regio) en de sterfte in de totale populatie (Nederland) gecorrigeerd voor leeftijds- en geslachtsverschillen, gemiddeld over de vier onderzoeksjaren. Als de CMF 100 is, is de sterfte in de subpopulatie gelijk aan die van de standaardpopulatie. Een CMF van bijvoorbeeld 104 wijst erop dat de sterfte in een regio 4% hoger is dan in de standaardpopulatie.
    2. Significantie; Het verschil tussen de gemiddelde kans op een sterfgeval in heel Nederland en de regionale (gestandaardiseerde) kans op een sterfgeval is gedeeld door de verwachte standaardafwijking van het gestandaardiseerde aantal sterfgevallen. Als de regio meer dan 1,96 standaarddeviaties afwijkt van het Nederlands gemiddelde dan betekent dat de regio met 95% zekerheid afwijkt van het Nederlands gemiddelde. Een afwijking van meer dan 2,576 standaarddeviaties geeft een zekerheid van 99% dat de gevonden waarde voor de betreffende regio afwijkt van het Nederlands gemiddelde.
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

    Toetsing trends

    Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.
    De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.