Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Hart- en vaatziektenCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Sterfte aan hart- en vaatziekten sterk gedaald

Regionaal & Internationaal

Lage sterfte aan hart- en vaatziekten in Nederland

Kosten

Zorguitgaven 10,2 miljard euro in 2017

Preventie & Zorg

Bijna 240.000 ziekenhuisopnamen in 2019

Oorzaken hart- en vaatziekten

Veel verschillende hart- en vaatziekten

'Hart- en vaatziekten' is een verzamelnaam voor een groot aantal aandoeningen van het hart en de bloedvaten. De aandoeningen zijn als volgt in te delen:

  1. coronaire hartziekten, waaronder angina pectoris, acuut myocardinfarct (hartinfarct) en andere/chronische ischemische hartziekten
  2. cerebrovasculaire aandoeningen, zoals herseninfarct, hersenbloeding, TIA
  3. hartfalen (decompensatio cordis)
  4. hartritmestoornissen
  5. aandoeningen van het endocard, waaronder klepafwijkingen ten gevolge van een infectie, acuut reuma of andere oorzaken zoals atherosclerose

De eerste twee groepen vormen samen meer dan de helft van het totaal aantal gevallen van hart- en vaatziekten.

  • Coronaire hartziekten ontstaan door atherosclerose (slagaderverkalking). Bij atherosclerose vormen zich verdikkingen (zogenaamde plaques) in de wand van de kransslagaderen. Deze kunnen leiden tot een proces waardoor het bloedvat gedeeltelijk of volledig afgesloten raakt. Hierdoor ontstaat zuurstoftekort in het hart achter de afsluiting. Dat is een hartinfarct. Bron: CVRM
  • Cerebrovasculaire aandoeningen ontstaan door gehele of gedeeltelijke afsluiting van een bloedvat in de hersenen, meestal ten gevolge van atherosclerose. Ook kan er een bloeding ontstaan, waardoor hersenweefsel in de verdrukking komt. Zowel een herseninfarct als een hersenbloeding veroorzaken een langdurig zuurstofgebrek van hersenweefsel, waardoor hersenweefsel afsterft en uitvalsverschijnselen ontstaan.
  • Bij een TIA (transient ischaemic attack) zijn de uitvalsverschijnselen van voorbijgaande aard doordat het zuurstofgebrek maar kort duurt.
  • Bij hartfalen (decompensatio cordis) is de hartspier beschadigd waardoor het hart het bloed minder goed rondpompt. Hartfalen kan ontstaan door een hartinfarct of langdurend bestaande hoge bloeddruk. Ook hartklepafwijkingen, hartritmestoornissen en ziekten van de hartspier zelf (cardiomyopathieën) kunnen tot hartfalen leiden.
  • Bij een hartritmestoornis kan door een gestoorde prikkelgeleiding het ritme van het hart te snel (tachycardie), te langzaam (bradycardie) en/of onregelmatig zijn waardoor het hart minder efficiënt werkt. Er zijn verschillende vormen. Ritmestoornissen in de hartboezem komen veel voor en zijn hinderlijk maar meestal onschuldig. In de aanwezigheid van een hartziekte zijn ritmestoornissen in de hartkamer ernstiger. Bij afwijkingen in het prikkelgeleidingssysteem zijn er problemen bij het ontstaan of doorgeven van de elektrische prikkel die nodig is om het hart goed te laten samentrekken in het goede ritme.
  • Hartritmestoornissen komen vaker voor bij ouderen door achteruitgang van de prikkelgeleiding of werking van de sinusknoop, waar de prikkels onder normale omstandigheden ontstaan. Andere oorzaken van hartritmestoornissen zijn: hartfalen, hartklepafwijkingen, hartinfarct, een te snel of te langzaam werkende schildklier, hoge bloeddruk, slaapapneu of een erfelijke aandoening (zie erfelijkheid en hart- en vaatziekten). Soms is er geen directe oorzaak te vinden.
  • Niet-aangeboren aandoeningen van het endocard (waaronder klepafwijkingen en endocarditis) ontstaan meestal door ouderdom en soms door infecties. Bij ouderen kunnen de hartkleppen verkalken waardoor de soepelheid afneemt. De opening kan steeds nauwer worden waardoor het hart tegen een weerstand moet oppompen. Dit kan leiden tot hartfalen. Door acuut reuma kunnen hartkleppen misvormen waardoor hun werking afneemt. Ook door cardiomyopathie (ziekte aan de hartspier) of een hartinfarct kan het hart zo ernstig beschadigd raken of zo groot worden dat de hartkleppen minder goed sluiten.
  • Endocarditis, een aandoening waarbij een bacteriële infectie zich in het hart ‘nestelt’, komt vooral voor bij mensen met een aangeboren hartafwijking. Deze ernstige aandoening kan alleen met hoge doses antibiotica en/of een hartoperatie genezen.

Meer informatie

Risicofactoren voor hart- en vaatziekten

Risicofactoren voor het optreden van hart- en vaatziekten

Persoonsgebonden factoren

Risico op HVZ is hoger bij
Leeftijd Toenemende leeftijd
Geslacht
  • mannen ouder dan 40 jaar
  • vrouwen na de menopauze (> 50 jaar)
Familieanamnese
  • hart- en vaatziekte bij vader/broer < 55 jaar of moeder/zus < 65 jaar
  • familiaire hypercholesterolemie (te hoog cholesterol door een afwijkende vetstofwisseling)
Cholesterol
  • Hoog totaal cholesterolgehalte
  • Hoog LDL-cholesterolgehalte
Bloeddruk Hoge (systolische) bloeddruk
Lichaamsgewicht
  • overgewicht of obesitas: ≤70 jaar: BMI ≥ 25 kg/m2, >70 jaar: BMI ≥28 kg/m2
  • ongunstige vetverdeling: middelomtrek van  ≥102 cm bij mannen en ≥88 cm bij vrouwen

Leefstijlfactoren

Risico op HVZ is hoger bij

Voeding

het eten van weinig groente en fruit, volkoren graanproducten en peulvruchten, en een hoge consumptie van rood en bewerkt vlees, suikerhoudende frisdranken, zout (natrium), verzadigde vetzuren en transvetzuren 

Roken

  • hoe meer ‘pakjaren’ (aantal pakjes per dag vermenigvuldigd met het aantal gerookte jaren) hoe hoger het risico
  • meeroken
Lichamelijke activiteit
  • weinig bewegen (< 150 minuten matig intensieve inspanning per week)
  • veel zitten (> 8 uur per dag)

Alcohol

alcoholconsumptie > 1 glas per dag
Drugs

Met name het gebruik van cocaïne dat de bloeddruk kan verhogen.

Psychosociale factoren

Lagere sociaal-economische status, sociale isolatie, gebrek aan sociale steun, chronische stress, depressie en angst. Deze factoren hebben een negatieve invloed op de leefstijl van patiënten, hun cardiovasculaire risico en de prognose bij HVZ.

Aandoeningen

Relatie met HVZ

Diabetes mellitus

Langdurig bestaande diabetes (geldt zowel voor type 1 als 2) verhoogt risico op HVZ, vooral bij slecht ingestelde bloedsuikerwaarden.

Atriumfibrilleren

Verhoogt het risico op hartfalen en cardiale embolie met beroerte tot gevolg.

COPD

Verhoogt het risico op HVZ, onafhankelijk van de gezamenlijke risicofactoren zoals roken.

Chronische nierschade

Risico op HVZ neemt toe bij een verminderde filtratie door de nieren.
Patiënten die zijn behandeld voor kanker (zowel chemo- als radiotherapie)

Sommige vormen van chemotherapie hebben ongunstige effecten op de bloedvaten, kunnen atherosclerose versnellen, hypertensie veroorzaken en hartfunctie verslechteren.
Radiotherapie van de borstkas kan het hart en de bloedvaten beschadigen en atherosclerose versnellen.

Auto-immuunziekten Ernstige en systemische ontstekingen kunnen de bloedvaten beschadigen en leiden tot HVZ. Ook kunnen ze de invloed van bestaande risicofactoren op HVZ versterken. Een voorbeeld is reumatoïde artritis.
Inflammatory bowel disease (IBD): ziekte van Crohn en colitis ulcerosa Verhoogt het risico op HVZ.
Obstructief slaapapneu Verhoogt ziekte en sterfte door HVZ.
Jicht Verhoogt mogelijk het risico op HVZ.
Hiv Chronische systemische ontstekingen bij patiënten met een hiv-infectie verhogen het risico op HVZ, onafhankelijk van klassieke risicofactoren.

Alleen bij vrouwen:

  1. Pre-eclampsie en het HELLP-syndroom
  2. Diabetes of hypertensie tijdens de zwangerschap
  3. Vroege menopauze (< 40 jaar)

 

  1. Pre-eclampsie (zwangerschapshypertensie met eiwit in de urine) verhoogt het risico op HVZ, omdat deze vrouwen een grote kans hebben later hypertensie en/of diabetes mellitus te ontwikkelen.
  2. Voor beide is de kans verhoogd dit ook na de zwangerschap te ontwikkelen later en daarmee is ook het risico op HVZ verhoogd.
  3. Verhoogt mogelijkerwijs het risico op HVZ.

 

    Risico op hart- en vaatziekten beïnvloed door leeftijd en geslacht

    Hart- en vaatziekten komen vaker voor bij mannen dan bij vrouwen en vaker bij ouderen dan bij jongeren. Bij vrouwen ontstaan hart- en vaatziekten vaak op hogere leeftijd dan bij mannen.

    Leefstijlfactoren spelen belangrijke rol

    Leefstijlfactoren, zoals ongezonde voeding, roken en weinig bewegen, vergroten het risico op hart- en vaatziekten. Soms rechtstreeks, maar vaak door het versterken van andere risicofactoren, zoals een te hoog cholesterolgehalte in het bloed, een hoge bloeddruk, overgewicht (Body Mass index (BMI) ≥ 25 kg/m2) of aandoeningen als COPD en diabetes mellitus. Hoe meer risicofactoren en hoe sterker die aanwezig zijn, hoe groter het risico op hart- en vaatziekten.

    Meer informatie

    Erfelijkheid en hart- en vaatziekten

    Erfelijke factoren kunnen rol spelen bij ontstaan van hart- en vaatziekten

    Afwijkingen in het DNA (genmutaties) kunnen stoornissen in de aanmaak van eiwitten veroorzaken waardoor lichaamscellen bepaalde functies niet goed kunnen uitvoeren.

    Een paar voorbeelden:

    • Atherosclerose komt in de ene familie meer voor dan in de andere. Dit kan komen door familiaire hypercholesterolemie maar ook door andere genetische afwijkingen. De onderliggende mechanismen zijn nog niet helemaal duidelijk.
    • Bij familiaire hypercholesterolemie is er sprake van een afwijking in een gen dat betrokken is bij het cholesterol- en lipidenmetabolisme. Hierdoor is de cholesterolconcentratie (LDL-cholesterol) in het bloed sterk verhoogd en is er een grote kans op atherosclerose en daardoor een hartinfarct of beroerte. Hier leest u meer over familiaire hypercholesterolemie.
    • Bij cardiomyopathieën (hartspierziekten) kunnen genmutaties een rol spelen. Bij sommige cardiomyopathieën is de hartspier verdikt, bij andere is het hart sterk vergroot. Bij de meeste van deze ziekten kan hartfalen ontstaan.
    • Sommige vormen van hartritmestoornissen, zoals het syndroom van Brugada, ontstaan doordat eiwitten die betrokken zijn bij de prikkelgeleiding verstoord zijn.
    • Ook erfelijke afwijkingen in de bloedstolling (trombose) kunnen leiden tot hart- en vaatziekten.

    Meer informatie

    Verschillen in risicofactoren tussen mannen en vrouwen

    Levensloop belangrijk in risico op hart- en vaatziekten bij vrouwen

    Bron: Maas, 2019

    Risicofactoren die alleen bij vrouwen een rol spelen

    Sinds het begin van deze eeuw is er meer aandacht gekomen voor de specifieke risicofactoren voor hart- en vaatziekten bij vrouwen (Ruijter et al., 2015; Maas, 2019). Er zijn risicofactoren voor hart- en vaatziekten die alleen bij vrouwen een rol spelen. Vooral in de jongere levensfase hebben vrouwen te maken met risicofactoren gerelateerd aan zwangerschapsproblemen (zwangerschapshypertensie, -vergiftiging en -diabetes) en hormonale problemen (polycysteus ovarium syndroom en vervroegde menopauze) (Appelman et al., 2015). Vrouwen die te maken hebben gehad met zwangerschapsvergiftiging zijn in Europese en Amerikaanse preventierichtlijnen nu als aparte risicogroep benoemd.

    Verschillen in risico’s door verschillen in levensloop

    Gebeurtenissen uit het verleden kunnen van invloed zijn op het risico van het krijgen van ziekten in de toekomst. Deze samenhang verschilt in de levensloop van mannen en vrouwen. Vrouwen met een hoog risico op hart- en vaatziekten hebben vaak een sterke erfelijke belasting. In veel gevallen hebben vrouwen met een hoog risico als tiener/twintiger migraine gehad en hebben ze als veertiger inflammatoire ziekten (ziekten waarbij ontstekingsprocessen op de voorgrond staan) gekregen, zoals reumatische aandoeningen, chronische darmklachten en schildklierproblemen. De onderlinge samenhang tussen migraine op jonge leeftijd, het optreden van inflammatoire ziekten op middelbare leeftijd, en hart- en vaatziekten is nog onvoldoende duidelijk. Inflammatie is echter een van de belangrijkste oorzaken van zowel de genoemde aandoeningen als van aderverkalking. Na de menopauze hebben vrouwen een grotere kans op inflammatoire aandoeningen dan mannen.
    Op oudere leeftijd (> 65 jaar) hebben vrouwen, meer dan mannen, te maken met algemeen bekende risicofactoren, zoals verhoogde lipiden (waaronder cholesterol), verhoogde bloeddruk en diabetes. De impact van deze risicofactoren lijkt ook groter te zijn bij vrouwen dan bij mannen.

    Datum publicatie

    15-07-2021

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Maas A. Hart voor Vrouwen; de cardioloog over het vrouwenhart. Amsterdam / Antwerpen: De Arbeiderspers; 2019. Bron
    2. Ruijter HM den, Haitjema S, Asselbergs FW, Pasterkamp G. Sex matters to the heart: A special issue dedicated to the impact of sex related differences of cardiovascular diseases. Atherosclerosis. 2015;241(1):205-207. Bron | DOI
    3. Appelman Y, van Rijn BB, Haaf ME ten, Boersma E, Peters SAE. Sex differences in cardiovascular risk factors and disease prevention. Atherosclerosis. 2015;241(1):211-218. Bron | DOI

    Verschillen in ziektepatronen tussen mannen en vrouwen

    Relatief vaak sprake van niet-obstructieve vaatafwijkingen bij vrouwen

    Hoewel de focus van de cardiologie in de afgelopen decennia lag op obstructieve afwijkingen (vernauwingen) van de oppervlakkige grote (epicardiale) kransvaten van het hart (coronair lijden), is dit in minder dan de helft van de gevallen de oorzaak van ischemische hartziekten (hartziekten met onvoldoende bloedvoorziening). Lichte aderverkalking (atherosclerose), in combinatie met een stoornis in het functioneren van de bloedvaatjes (vasculaire disfunctie) en samentrekken en verkrampen van de grote en kleinere kransvaten (vaatspasme), spelen ook een belangrijke rol. Dit wordt ischemie (onvoldoende bloedvoorziening) bij niet-obstructief coronairlijden genoemd, of INOCA (Ischaemia with non-obstructive coronary arteries). Juist deze functionele afwijkingen komen relatief veel voor bij vrouwen op middelbare en oudere leeftijd (40 tot 70 jaar) en worden in de praktijk nog onvoldoende vastgesteld en behandeld. De prognose van INOCA is geheel vergelijkbaar met die van obstructief coronairlijden. Vaak worden deze klachten ten onrechte toegeschreven aan de menopauze of aan ‘stress’. Dat kan leiden tot veel onzekerheid bij de patiënten met uitval op het werk en zelfs sociaal isolement.

    Vrouwen hebben geen atypische, maar wel karakteristieke klachten

    Omdat vrouwen minder obstructieve afwijkingen hebben en meer vasculaire disfunctie, hebben zij vaak ook andere klachten. Deze klachten worden vaak ten onrechte als atypisch bestempeld, maar zijn voor vrouwen juist heel karakteristiek. Vasculaire disfunctie en spasme variëren in de tijd en kunnen bij inspanning, maar ook in rust aanwezig zijn. Het kan de ene week erger zijn dan de andere en ook optreden na afloop van drukke dagen. Hierbij voelt het alsof de energie ineens volledig is verdwenen. Bij vrouwen is de invloed van stress en emoties op angina pectoris (= pijn op de borst) relatief groter dan bij mannen. Deze cardiale klachten zijn hiermee nog geen psychisch of menopauze-gerelateerd fenomeen, zeker niet als het gaat om vrouwen met een verhoogd cardiovasculair risicoprofiel.

    Sekseverschillen bij hartinfarcten

    Mannen hebben meestal “het klassieke” hartinfarct, waarbij een kransvat verstopt raakt door een scheur (ruptuur) in een plaque aderverkalking (verdikking van de vaatwand). Hierbij wordt het bloedvat afgesloten door een stolsel. Dit is in de meeste gevallen goed te behandelen door acuut te dotteren en een stent (buisje) in het vat te plaatsen. Bij vrouwen komt dit zogenaamde type 1 hartinfarct minder vaak voor (25% van alle type 1 hartinfarcten) en zien we veel vaker hartinfarcten door vaatspasme of een plotselinge scheur in een kransvat (coronaire dissectie). Dit noemen we type II hartinfarcten en die komen vooral voor bij vrouwen in de leeftijdsgroep 40 tot 70 jaar. Bij een hartinfarct door spasme is er in de meeste gevallen geen reden om te dotteren of een stent te plaatsen. Bij een coronaire dissectie heeft het de voorkeur om niet te dotteren of een stent te plaatsen als het niet strikt noodzakelijk is.
    Een takotsubo hartinfarct, ofwel een gebroken hartsyndroom, is een type hartinfarct dat vooral voorkomt bij vrouwen vanaf 60 jaar na een plotse heftige emotionele gebeurtenis, zoals het overlijden van een familielid. Het lijkt erop dat de hevige emotie aanleiding is tot een acute verlamming van het microvasculaire vaatbed, waardoor er een hartinfarct ontstaat.
    Het wordt steeds duidelijker dat de verschillende typen hartinfarcten vragen om een andere behandeling en follow-up met medicatie, en de richtlijnen van de beroepsgroep passen zich daar steeds beter op aan.
    Vergeleken met de klassieke drukkende pijn op de borst bij mannen zijn de de klachten bij een hartinfarct bij vrouwen soms diffuser. Ze kunnen ook bestaan uit kortademigheid, oververmoeidheid, ernstige slaapproblemen, duizeligheid of hartkloppingen, zich ‘niet goed’ voelen, pijn tussen de schouderbladen of pijn in de bovenbuik vergeleken (Crea et al., 2015). Mede als gevolg van de diffusere klachten is de tijd tussen het ontstaan van de klachten en het zoeken van medische hulp gemiddeld een stuk langer bij vrouwen dan bij mannen.

    Sekseverschillen bij hartfalen

    Bij de verouderende hartspier zien we bij mannen dat deze verslapt en uitzakt, bij vrouwen wordt deze eerder dikker en stijver. Dat leidt tot verschillende typen hartfalen op oudere leeftijd. Voor het hartfalen met verminderde hartspierfunctie, zoals mannen dat vaker hebben, zijn de afgelopen jaren goede combinaties van medicijnen ontwikkeld. Dat is nog niet het geval bij het hartfalen met een stugge hartspier, dat domineert bij vrouwen. Daarvoor ontbreekt het nog aan goede medicatie. Voor alle gevallen van hartfalen geldt dat een goede behandeling van de risicofactoren, zoals overgewicht, hoge bloeddruk, verhoogd cholesterol en diabetes van essentieel belang is. Dit geldt zeker voor vrouwen vanaf middelbare leeftijd, zodat hartfalen voorkomen kan worden.

    Meer informatie

    Datum publicatie

    15-07-2021

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Crea F, Battipaglia I, Andreotti F. Sex differences in mechanisms, presentation and management of ischaemic heart disease. Atherosclerosis. 2015;241(1):157-168. Bron | DOI

    Gevolgen hart- en vaatziekten

    Gevolgen hangen af van aandoening

    Wanneer bloedvaten dichtslibben door atherosclerose ontstaat zuurstoftekort in het weefsel achter de afsluiting, waardoor dit afsterft. De locatie van de afsluiting bepaalt de gevolgen: een hartinfarct, herseninfarct of TIA. Soms zijn de gevolgen tijdelijk of is de impact van de afsluiting en afsterving van het achterliggende weefsel gering. Maar er kunnen ook blijvende en ernstige gevolgen zijn. Een herseninfarct kan leiden tot uitvalsverschijnselen en invaliditeit. Een hartinfarct waarbij de hartspier beschadigd is, kan leiden tot hartfalen of hartritmestoornissen. Door de verminderde pompfunctie bij hartfalen kan het hart het lichaam op den duur niet meer van voldoende zuurstof voorzien. Door het vasthouden van vocht en vocht in de longen kan de patiënt ernstig benauwd worden.

    Hartfalen en ernstige ritmestoornissen vergroten kans op voortijdige sterfte

    Hartfalen vergroot de kans op voortijdige sterfte. Bij ernstige ritmestoornissen in de hartkamer kan de pompfunctie van het hart volledig wegvallen waardoor de patiënt overlijdt. De pompfunctie van het hart raakt ook verstoord bij ernstige hartklepafwijkingen. Bij een niet goed sluitende hartklep stroomt bij elke samentrekking van het hart een deel van het bloed terug in het hart. Bij een vernauwde hartklep moet het hart tegen de weerstand van de klep oppompen waardoor het hart overbelast raakt. Ook hierdoor kan uiteindelijk hartfalen ontstaan.

    Meer informatie

    Verantwoording

    Definities
    • Hart- en vaatziekten

      Hart- en vaatziekten is een verzamelnaam voor een groot aantal aandoeningen die betrekking hebben op het hart en de bloedvaten. Coronaire hartziekten zijn de meest voorkomende, gevolgd door cerebrovasculaire aandoeningen (waaronder beroertes). Zij vormen samen meer dan de helft van het totaal aantal gevallen van hart- en vaatziekten. Andere hier gepresenteerde aandoeningen zijn hartfalen, hartritmestoornissen en niet-aangeboren aandoeningen van het endocard waaronder hartklepaandoeningen.

    Bronverantwoording
    • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

      Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

      • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
      • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
      • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
      • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

      Bronnen en literatuur

      Literatuur

      1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
      2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
      3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
      4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
    • Hart- en vaatziekten: landelijke Medische Registratie (LMR)

      De landelijke Medische Registratie (LMR) bevat gegevens over ziekenhuisopnamen. De gebruikte ICD-9-codes voor beroerte zijn: 430 (Subarachnoïdale bloeding), 431-432 (hersenbloeding), 433-434 (herseninfarct), 436-438 (overige en niet-gespecificeerde beroertes) en 435 (TIA en verwante syndromen). Het CBS publiceert LMR-cijfers op CBS-Statline (http://statline.cbs.nl/statweb/). De LMR wordt beheerd door Dutch Hospital Data. Met ingang van 1 januari 2014 is deze registratie vervangen door de Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ).

    • Tabel: Bronnen bij de cijfers over hart- en vaatziekten

      Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
      Nivel Zorgregistraties eerste lijn

      Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen

      Nederlandse bevolking NZR
      CBS Doodsoorzakenstatistiek

      Aantal sterfgevallen

      Nederlandse bevolking CBS Doodsoorzakenstatistiek
      Landelijke Medische Registratie (LMR)

      Klinische opnamedagen, klinische opnamen, gemiddelde opnameduur, dagopnamen
      met hart- en vaatziekten als hoofdontslagdiagnose

      Nederlandse bevolking LMR
      Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor hart- en vaatziekten Nederlandse bevolking Kosten van Ziekten database
      Eurostat Aantal sterfgevallen Europese bevolking Eurostat
    Methoden
    • Berekening totale sterfte en sterfte naar doodsoorzaak per regio

      Voor de berekening van de sterftecijfers op gemeente en GGD-regio niveau is gebruik gemaakt van de CBS Doodsoorzakenstatistiek. In deze statistiek zijn alle overleden inwoners van Nederland opgenomen, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en doodsoorzaak. De bevolking is vervolgens ingedeeld in tien leeftijdsklassen (0-jarigen, 1-24, 25-44, 45-54, 55-64, 65-69, 70-74, 75-79, 80-85-jarigen en 85-plussers). De analyse is gebaseerd op de gegevens van vier achtereenvolgende jaren (2013 t/m 2016).

      Standaardisering

      Door verschillen in bevolkingsopbouw tussen regio's zijn de ruwe gegevens moeilijk te vergelijken. Daarom is een directe standaardisatie uitgevoerd door de sterfte per regio, leeftijd en geslacht te wegen met het aandeel van deze leeftijds- en geslachtscategorie in de totale Nederlandse bevolking op 1-1-2000. Door gebruik te maken van deze vaste standaardpopulatie wordt het bovendien mogelijk om in de toekomst betrouwbare uitspraken te doen over de ontwikkeling van (doodsoorzaakspecifieke) sterfte, onafhankelijk van veranderingen in de bevolkingssamenstelling. Bij geslachtsspecifieke sterfte (borstkanker en prostaatkanker) is alleen gerekend met de totale bevolking van het betreffende geslacht.

      De sterftecijfers worden op twee verschillende manieren in kaart gebracht:

      1. CMF (Comparative Mortality Figure, directe standaardisatie); De kaart toont de verhouding tussen de sterfte in een bepaalde subpopulatie (gemeente of GGD-regio) en de sterfte in de totale populatie (Nederland) gecorrigeerd voor leeftijds- en geslachtsverschillen, gemiddeld over de vier onderzoeksjaren. Als de CMF 100 is, is de sterfte in de subpopulatie gelijk aan die van de standaardpopulatie. Een CMF van bijvoorbeeld 104 wijst erop dat de sterfte in een regio 4% hoger is dan in de standaardpopulatie.
      2. Significantie; Het verschil tussen de gemiddelde kans op een sterfgeval in heel Nederland en de regionale (gestandaardiseerde) kans op een sterfgeval is gedeeld door de verwachte standaardafwijking van het gestandaardiseerde aantal sterfgevallen. Als de regio meer dan 1,96 standaarddeviaties afwijkt van het Nederlands gemiddelde dan betekent dat de regio met 95% zekerheid afwijkt van het Nederlands gemiddelde. Een afwijking van meer dan 2,576 standaarddeviaties geeft een zekerheid van 99% dat de gevonden waarde voor de betreffende regio afwijkt van het Nederlands gemiddelde.
    • Methoden en technieken

      Standaardisatie

      De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

      Indexatie

      Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

      Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

      Toetsing trends

      Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.
      De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.