Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Hart- en vaatziektenCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Sterfte aan hart- en vaatziekten sterk gedaald

Regionaal & Internationaal

Lage sterfte aan hart- en vaatziekten in Nederland

Kosten

Kosten van zorg 11,6 miljard euro

Preventie & Zorg

Ziekenhuisopnamen hart- en vaatziekten gedaald

Prevalentie hart- en vaatziekten

Aantal bestaande gevallen hart- en vaatziekten 2016

Type hart- en vaatziekten

Mannen

Vrouwen

Coronaire hartziekten

456.600

283.200

Beroerte

227.300

224.600

Hartfalen

102.000

120.400

Hartritmestoornissen

199.700

197.800

Hartstilstand

Niet bekend

Niet bekend

Aandoeningen van het endocard (hartklepafwijkingen)

56.400

59.600

Totaal 

838.000

706.700

  • ICPC-codes: K70, K71, K74-K80, K83, K89 en K90
  • De cijfers voor beroerte zijn inclusief Transient Ischemic Attack (TIA)

Ruim 1,5 miljoen personen met hart-en vaatziekten

In 2016 waren er naar schatting ruim 1,5 miljoen personen met hart- en vaatziekten. Dit zijn niet alle hart- en vaatziekten maar betreffen cijfers voor de zes ziekten die in de tabel staan weergegeven. Hart- en vaatziekten komen in totaal iets vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Coronaire hartziekten komen het meeste voor.  

Meer informatie

Prevalentie hart- en vaatziekten naar leeftijd en geslacht

Jaarprevalentie hart- en vaatziekten 2016

MannenVrouwen
0-41,71,2
5-91,91,5
10-141,81,8
15-192,63,4
20-244,24,5
25-294,95,5
30-347,27,7
35-3911,012,8
40-4421,318,6
45-4939,732,5
50-5475,153,8
55-59122,178,5
60-64193,9115,7
65-69269,7163,1
70-74362,5234,9
75-79457,1317,9
80-84567,4431,2
85+671,7587,3
  • ICPC-codes: K70, K71, K74-K80, K83, K89 en K90

Meer mannen dan vrouwen met hart- en vaatziekten

In 2016 waren er naar schatting 1.544.700 mensen met hart- en vaatziekten (jaarprevalentie): 838.000 mannen en 706.700 vrouwen. Dit komt overeen met 99,2 per 1.000 mannen en 82,3 per 1.000 bij vrouwen met hart- en vaatziekten. In vrijwel alle leeftijdsklassen zijn er relatief meer mannen dan vrouwen met een hart- en vaatziekte. De prevalentie neemt sterk toe met de leeftijd. Bij personen jonger dan 50 jaar komen hart- en vaatziekten relatief gezien weinig voor. 

Meer informatie

Aantal nieuwe gevallen hart- en vaatziekten

Aantal nieuwe gevallen van hart- en vaatziekten 2016

Type hart- en vaatziekten

Mannen

Vrouwen

Coronaire hartziekten

Angina pectoris

19.800

18.600

 

Acuut myocardinfarct

48.700

21.100

 

Andere/chronische ischemische hartziekte 

9.900

5.100

Beroerte

TIA, passagère cerebrale ischemie 

25.700

29.300

 

Overige beroerte 

20.900

21.400

Hartfalen

Hartfalen

17.600

20.500

Hartritmestoornissen

Boezemfibrilleren, -fladderen

57.800

49.200

 

Paroxysmale tachycardie 

10.400

17.500

 

Ectopische slagen/extrasystolen 

7.300

9.700

Aandoeningen van het endocard (hartklepafwijkingen)

Infectieziekte hartvaatstelsel 

5.000

2.400

 

Acuut reuma/reumatische hartziekte

800

1.500

 

Niet-reumatische klepaandoening 

22.100

24.800

Ruim 100.000 nieuwe gevallen van boezemfibrileren

In 2016 waren er naar schatting 107.000 nieuwe gevallen van boezemfibrileren (hartritmestoornissen): 57.800 mannen en 49.200 vrouwen. Boezemfibrileren is hiermee de hart- en vaataandoening waarvoor de meeste nieuwe gevallen zijn geregistreerd. Het absoluut aantal mannen met een nieuwe diagnose coronaire hartziekte is groter dan het aantal vrouwen. Voor hartfalen is juist het aantal vrouwen met een nieuwe diagnose groter dan het aantal mannen. Het gaat hier om nieuwe diagnosen die door huisartsen zijn geregistreerd.

Meer informatie

Verantwoording

Definities
  • Hart- en vaatziekten

    Hart- en vaatziekten is een verzamelnaam voor een groot aantal aandoeningen die betrekking hebben op het hart en de bloedvaten. Coronaire hartziekten zijn de meest voorkomende, gevolgd door cerebrovasculaire aandoeningen (beroertes). Zij vormen samen meer dan de helft van het totaal aantal hart- en vaatziekten. Onder de groep ‘overige hartziekten’ vallen ziekten als hartfalen, perifeer vaatlijden en atherosclerose, maar ook aangeboren hartafwijkingen, reumatische hartziekten en infectieuze hartziekten.

Bronverantwoording
  • Hart- en vaatziekten: CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Het betreft hier alleen sterftegevallen met hart- en vaatziekten als onderliggende doodsoorzaak (CBS Doodsoorzakenstatistiek). Voor de sterftestatistieken wordt de ICD-code I00-I99 gebruikt.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
  • Hart- en vaatziekten: landelijke Medische Registratie (LMR)

    De landelijke Medische Registratie (LMR) bevat gegevens over ziekenhuisopnamen. De gebruikte ICD-9-codes voor beroerte zijn: 430 (Subarachnoïdale bloeding), 431-432 (hersenbloeding), 433-434 (herseninfarct), 436-438 (overige en niet-gespecificeerde beroertes) en 435 (TIA en verwante syndromen). Het CBS publiceert LMR-cijfers op CBS-Statline (http://statline.cbs.nl/statweb/). De LMR wordt beheerd door Dutch Hospital Data. Met ingang van 1 januari 2014 is deze registratie vervangen door de Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ).

Methoden
  • Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking veranderen in de loop van de tijd. Om ziekte- en sterftecijfers van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, moet hiermee rekening worden gehouden. Daarom zijn trends in de tijd gecorrigeerd voor deze veranderingen in de bevolking. Daarbij is uitgegaan van de bevolkingsomvang en de leeftijdsverdeling in een gekozen standaardjaar/-populatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

  • Indexatie

    Bij de weergave van trends in grafieken is gebruikgemaakt van indexatie. Hierbij zijn de cijfers van opeenvolgende jaren weergegeven ten opzichte van een gekozen basisjaar. De waarde van het basisjaar is gelijkgesteld aan 100. Bij een dergelijke weergave zijn de trends van verschillende cijferreeksen (bijvoorbeeld mannen en vrouwen) beter te vergelijken en is een percentuele toename of afname eenvoudig af te lezen.

  • Berekening totale sterfte en sterfte naar doodsoorzaak per regio

    Voor de berekening van de sterftecijfers op gemeente en GGD-regio niveau is gebruik gemaakt van de CBS Doodsoorzakenstatistiek. In deze statistiek zijn alle overleden inwoners van Nederland opgenomen, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en doodsoorzaak. De bevolking is vervolgens ingedeeld in tien leeftijdsklassen (0-jarigen, 1-24, 25-44, 45-54, 55-64, 65-69, 70-74, 75-79, 80-85-jarigen en 85-plussers). De analyse is gebaseerd op de gegevens van vier achtereenvolgende jaren (2013 t/m 2016).

    Standaardisering

    Door verschillen in bevolkingsopbouw tussen regio's zijn de ruwe gegevens moeilijk te vergelijken. Daarom is een directe standaardisatie uitgevoerd door de sterfte per regio, leeftijd en geslacht te wegen met het aandeel van deze leeftijds- en geslachtscategorie in de totale Nederlandse bevolking op 1-1-2000. Door gebruik te maken van deze vaste standaardpopulatie wordt het bovendien mogelijk om in de toekomst betrouwbare uitspraken te doen over de ontwikkeling van (doodsoorzaakspecifieke) sterfte, onafhankelijk van veranderingen in de bevolkingssamenstelling. Bij geslachtsspecifieke sterfte (borstkanker en prostaatkanker) is alleen gerekend met de totale bevolking van het betreffende geslacht.

    De sterftecijfers worden op twee verschillende manieren in kaart gebracht:

    1. CMF (Comparative Mortality Figure, directe standaardisatie); De kaart toont de verhouding tussen de sterfte in een bepaalde subpopulatie (gemeente of GGD-regio) en de sterfte in de totale populatie (Nederland) gecorrigeerd voor leeftijds- en geslachtsverschillen, gemiddeld over de vier onderzoeksjaren. Als de CMF 100 is, is de sterfte in de subpopulatie gelijk aan die van de standaardpopulatie. Een CMF van bijvoorbeeld 104 wijst erop dat de sterfte in een regio 4% hoger is dan in de standaardpopulatie.
    2. Significantie; Het verschil tussen de gemiddelde kans op een sterfgeval in heel Nederland en de regionale (gestandaardiseerde) kans op een sterfgeval is gedeeld door de verwachte standaardafwijking van het gestandaardiseerde aantal sterfgevallen. Als de regio meer dan 1,96 standaarddeviaties afwijkt van het Nederlands gemiddelde dan betekent dat de regio met 95% zekerheid afwijkt van het Nederlands gemiddelde. Een afwijking van meer dan 2,576 standaarddeviaties geeft een zekerheid van 99% dat de gevonden waarde voor de betreffende regio afwijkt van het Nederlands gemiddelde.