Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Hart- en vaatziektenCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Sterfte aan hart- en vaatziekten sterk gedaald

Regionaal & Internationaal

Lage sterfte aan hart- en vaatziekten in Nederland

Kosten

Zorguitgaven 10,2 miljard euro in 2017

Preventie & Zorg

Bijna 240.000 ziekenhuisopnamen in 2019

Prevalentie hart- en vaatziekten in huisartsenpraktijk

Hart- en vaatziekten naar type in 2020

 

Absolute aantallen

Per 1.000 personen

 

Mannen

Vrouwen

Mannen

Vrouwen

Coronaire hartziekten (K74-K76)

483.000

294.400

55,7

33,5

Beroerte (K89-K90) 1

261.400

250.200

30,2

28,5

Hartfalen (K77)

115.700

125.200

13,3

14,3

Hartritmestoornissen (K78-K80)

232.300

214.100

26,8

24,4

Hartstilstand

Niet bekend

Niet bekend

   

Aandoeningen van het endocard
 (hartklepafwijkingen) (K70-K71, K83)

64.400

63.600

7,4

7,3

Totaal 2

918.800

754.000

106

85,9

  • ICPC-codes: K70, K71, K74-K80, K83, K89 en K90
  1. De cijfers voor beroerte zijn inclusief Transient Ischemic Attack (TIA)
  2. Het totaalcijfer betreft het aantal mensen dat ten minste één ziekte van het hartvaatstelsel had. Personen die meer dan één van de afzonderlijke ziekten hadden, tellen maar één keer mee in het totaalcijfer.
Deze cijfers zijn ook onderdeel van

1,7 miljoen personen met hart- en vaatziekten

In 2020 waren er naar schatting 1,7 miljoen personen met hart- en vaatziekten. Dit zijn niet alle hart- en vaatziekten, maar het betreft cijfers voor de zes ziekten die in de tabel staan weergegeven. Hart- en vaatziekten komen in totaal iets vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Coronaire hartziekten komen het meeste voor.  

Meer informatie

Prevalentie hart- en vaatziekten in huisartsenpraktijk naar leeftijd en geslacht

Jaarprevalentie hart- en vaatziekten 2020

LeeftijdMannenVrouwenTotaal
0-41,31,41,3
5-91,51,51,5
10-142,01,71,8
15-193,32,93,1
20-244,55,24,8
25-295,56,05,8
30-347,58,27,9
35-3911,311,911,6
40-4419,418,819,1
45-4939,630,034,8
50-5470,350,460,4
55-59122,877,2100,1
60-64185,3118,3151,7
65-69266,3165,3215,3
70-74359,7228,8292,7
75-79463,7323,5389,5
80-84566,4426,9487,6
85+682,2579,8615,1
  • ICPC-codes: K70, K71, K74-K80, K83, K89 en K90
     
Deze cijfers zijn ook onderdeel van

Meer mannen dan vrouwen met hart- en vaatziekten

In 2020 waren er naar schatting 1.672.800 mensen met hart- en vaatziekten (jaarprevalentie): 918.800 mannen en 754.000 vrouwen. Dit komt overeen met 106,0 per 1.000 mannen en 85,9 per 1.000 bij vrouwen met hart- en vaatziekten. In vrijwel alle leeftijdsklassen zijn er relatief meer mannen dan vrouwen met een hart- en vaatziekte. De prevalentie neemt sterk toe met de leeftijd. Bij personen jonger dan 50 jaar komen hart- en vaatziekten relatief gezien weinig voor. 

Meer informatie

Nieuwe gevallen hart- en vaatziekten in huisartsenpraktijk

Hart- en vaatziekten naar type in 2020

Type hart- en vaatziekten (ICPC-code)

Mannen

Vrouwen

Coronaire hartziekten

   

Angina pectoris (K74)

14.200

12.100

Acuut myocardinfarct (K75)

47.500

20.900

Andere/chronische ischemische hartziekte (K76)

6.200

3.800

Beroerte

   

TIA (K89)

26.500

27.100

Overige beroerte  (K90)

20.200

18.100

Hartfalen (K77)

17.500

18.600

Hartritmestoornissen

   

Boezemfibrilleren, -fladderen (K78)

65.900

51.100

Paroxysmale tachycardie (K79)

10.700

17.700

Ectopische slagen/extrasystolen (K80)

6.900

8.700

Aandoeningen van het endocard (hartklepafwijkingen)

   

Infectieziekte hartvaatstelsel (K70)

5.000

2.700

Acuut reuma/reumatische hartziekte (K71)

750

1.000

Niet-reumatische klepaandoening (K83)

23.600

25.000

Ruim 117.000 nieuwe gevallen van boezemfibrilleren

In 2020 waren er naar schatting 117.100 nieuwe gevallen van boezemfibrilleren (een hartritmestoornis): 65.900 mannen en 51.100 vrouwen. Het gaat hier om nieuwe diagnosen die door huisartsen zijn geregistreerd. Boezemfibrilleren is hiermee de hart- en vaataandoening waarvoor de meeste nieuwe gevallen zijn geregistreerd. Als gevolg van afronding komt de som van het aantal nieuwe diagnosen bij mannen en vrouwen niet precies overeen met het totaal aantal nieuwe diagnosen.

Mogelijk lagere aantallen in 2020 door COVID-19-uitbraak

Bij vergelijking van het COVID-19-jaar 2020 en het jaar 2019 valt op dat het aantal nieuw geregistreerde gevallen en/of de prevalentie van een groot aantal klachten en aandoeningen is afgenomen. Het is niet te achterhalen of deze klachten en aandoeningen daadwerkelijk minder voorkwamen in 2020 of dat de huisartsenpraktijk minder voor deze klachten werd bezocht (Nielen et al., 2021).

Meer informatie

Datum publicatie

22-12-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Nielen M., Weesie Y., Davids R., Winckers M., Korteweg L., de Leeuw E., et al. Zorg door de huisarts. Nivel Zorgregistraties Eerste lijn: jaarcijfers 2020 en trendcijfers 2016-2020.. Utrecht: Nivel; 2021. Bron

Verantwoording

Definities
  • Hart- en vaatziekten

    Hart- en vaatziekten is een verzamelnaam voor een groot aantal aandoeningen die betrekking hebben op het hart en de bloedvaten. Coronaire hartziekten zijn de meest voorkomende, gevolgd door cerebrovasculaire aandoeningen (waaronder beroertes). Zij vormen samen meer dan de helft van het totaal aantal gevallen van hart- en vaatziekten. Andere hier gepresenteerde aandoeningen zijn hartfalen, hartritmestoornissen en niet-aangeboren aandoeningen van het endocard waaronder hartklepaandoeningen.

Bronverantwoording
  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
  • Hart- en vaatziekten: landelijke Medische Registratie (LMR)

    De landelijke Medische Registratie (LMR) bevat gegevens over ziekenhuisopnamen. De gebruikte ICD-9-codes voor beroerte zijn: 430 (Subarachnoïdale bloeding), 431-432 (hersenbloeding), 433-434 (herseninfarct), 436-438 (overige en niet-gespecificeerde beroertes) en 435 (TIA en verwante syndromen). Het CBS publiceert LMR-cijfers op CBS-Statline (http://statline.cbs.nl/statweb/). De LMR wordt beheerd door Dutch Hospital Data. Met ingang van 1 januari 2014 is deze registratie vervangen door de Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ).

  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over hart- en vaatziekten

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Nivel Zorgregistraties eerste lijn

    Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen

    Nederlandse bevolking NZR
    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Aantal sterfgevallen

    Nederlandse bevolking CBS Doodsoorzakenstatistiek
    Landelijke Medische Registratie (LMR)

    Klinische opnamedagen, klinische opnamen, gemiddelde opnameduur, dagopnamen
    met hart- en vaatziekten als hoofdontslagdiagnose

    Nederlandse bevolking LMR
    Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor hart- en vaatziekten Nederlandse bevolking Kosten van Ziekten database
    Eurostat Aantal sterfgevallen Europese bevolking Eurostat
Methoden
  • Berekening totale sterfte en sterfte naar doodsoorzaak per regio

    Voor de berekening van de sterftecijfers op gemeente en GGD-regio niveau is gebruik gemaakt van de CBS Doodsoorzakenstatistiek. In deze statistiek zijn alle overleden inwoners van Nederland opgenomen, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en doodsoorzaak. De bevolking is vervolgens ingedeeld in tien leeftijdsklassen (0-jarigen, 1-24, 25-44, 45-54, 55-64, 65-69, 70-74, 75-79, 80-85-jarigen en 85-plussers). De analyse is gebaseerd op de gegevens van vier achtereenvolgende jaren (2013 t/m 2016).

    Standaardisering

    Door verschillen in bevolkingsopbouw tussen regio's zijn de ruwe gegevens moeilijk te vergelijken. Daarom is een directe standaardisatie uitgevoerd door de sterfte per regio, leeftijd en geslacht te wegen met het aandeel van deze leeftijds- en geslachtscategorie in de totale Nederlandse bevolking op 1-1-2000. Door gebruik te maken van deze vaste standaardpopulatie wordt het bovendien mogelijk om in de toekomst betrouwbare uitspraken te doen over de ontwikkeling van (doodsoorzaakspecifieke) sterfte, onafhankelijk van veranderingen in de bevolkingssamenstelling. Bij geslachtsspecifieke sterfte (borstkanker en prostaatkanker) is alleen gerekend met de totale bevolking van het betreffende geslacht.

    De sterftecijfers worden op twee verschillende manieren in kaart gebracht:

    1. CMF (Comparative Mortality Figure, directe standaardisatie); De kaart toont de verhouding tussen de sterfte in een bepaalde subpopulatie (gemeente of GGD-regio) en de sterfte in de totale populatie (Nederland) gecorrigeerd voor leeftijds- en geslachtsverschillen, gemiddeld over de vier onderzoeksjaren. Als de CMF 100 is, is de sterfte in de subpopulatie gelijk aan die van de standaardpopulatie. Een CMF van bijvoorbeeld 104 wijst erop dat de sterfte in een regio 4% hoger is dan in de standaardpopulatie.
    2. Significantie; Het verschil tussen de gemiddelde kans op een sterfgeval in heel Nederland en de regionale (gestandaardiseerde) kans op een sterfgeval is gedeeld door de verwachte standaardafwijking van het gestandaardiseerde aantal sterfgevallen. Als de regio meer dan 1,96 standaarddeviaties afwijkt van het Nederlands gemiddelde dan betekent dat de regio met 95% zekerheid afwijkt van het Nederlands gemiddelde. Een afwijking van meer dan 2,576 standaarddeviaties geeft een zekerheid van 99% dat de gevonden waarde voor de betreffende regio afwijkt van het Nederlands gemiddelde.
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

    Toetsing trends

    Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.
    De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.