Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Gezondheidsmonitor Jeugd

Ontbijten middelbare scholieren (klas 2 en klas 4)

Ontbijten op 5 of meer dagen per week, 2015

Jeugd voortgezet onderwijs (klas 2 en klas 4), naar geslacht, leerjaar en onderwijsniveau

 

Ontbijt op ≥ 5 dagen (%)

totaal

81,5 (80,1 - 82,8)

Geslacht

jongens

83,7 (82,0 - 85,4)

meisjes

78,5 (76,3 - 80,5)

Leerjaar

klas 2

85,6 (84,2 - 86,8)

klas 4

77,5 (75,2 - 79,7)

Onderwijsniveau

vmbo-bk

70,2 (66,5 - 73,6)

vmbo-gt

79,8 (77,3 - 82,0)

havo

86,0 (83,7 - 88,0)

vwo

92,4 (91,2 - 93,4)

  • Tussen haakjes staat het 95% betrouwbaarheidsinterval (95% BI)

Jongeren ontbijten vaker naarmate hun onderwijsniveau hoger is

Een meerderheid van de jongeren (klas 2 en klas 4) ontbijt op 5 of meer dagen per week (ruim 80%). Jongeren ontbijten vaker naarmate het onderwijsniveau dat zij volgen hoger is: 92% van de vwo-scholieren ontbijt 5 of meer dagen per week vergeleken met 70% van de scholieren op vmbo-bk. Het aantal jongeren dat regelmatig ontbijt neemt af tussen klas twee en klas vier. In de vierde klas komt een kwart van de jongeren op één of meer dagen per week naar school zonder dat ze hebben ontbeten. 

Groente en fruit middelbare scholieren (klas 2 en klas 4)

Op hoeveel dagen per week eet je groente en fruit?, 2015

Jeugd voortgezet onderwijs (klas 2 en klas 4), naar geslacht, leerjaar en onderwijsniveau

 

Op ≥ 5 dagen
fruit (%)

Elke dag fruit
(%)

Op ≥ 5 dagen
groente (%)

Elke dag
groente (%)

totaal

49,3 (47,8 - 50,8)

30,5 (29,2 - 31,9)

77,5 (76,1 - 78,8)

40,5 (39,1 - 41,9)

Geslacht

jongens

45,6 (43,5 - 47,8)

27,3 (25,5 - 29,2)

74,6 (72,7 - 76,4)

37,5 (35,5 - 39,6)

meisjes

54,2 (52,1 - 56,2)

34,8 (32,9 - 36,7)

81,3 (79,2 - 83,2)

44,4 (42,5 - 46,4)

Leerjaar

klas 2

51,2 (49,2 - 53,2)

31,9 (30,2 - 33,8)

78,0 (76,3 - 79,6)

41,3 (39,3 - 43,3)

klas 4

47,4 (45,2 - 49,6)

29,1 (27,1 - 31,1)

76,9 (74,7 - 79,0)

39,7 (37,6 - 41,8)

Onderwijsniveau

vmbo-bk

40,5 (37,9 - 43,2)

27,8 (25,6 - 30,1)

66,8 (63,4 - 70,0)

34,5 (32,1 - 36,9)

vmbo-gt

46,1 (43,3 - 48,9)

27,6 (25,2 - 30,1)

72,7 (70,0 - 75,3)

35,2 (32,7 - 37,9)

havo

53,2 (50,1 - 56,4)

32,5 (29,4 - 35,7)

83,9 (81,9 - 85,8)

44,4 (41,2 - 47,7)

vwo

61,2 (59,1 - 63,3)

37,2 (35,3 - 39,3)

91,1 (90,2 - 92,0)

53,3 (51,2 - 55,4)

  • Tussen haakjes staat het 95% betrouwbaarheidsinterval (95% BI)

Minder dan een derde van de scholieren eet dagelijks fruit

Minder dan een derde van de scholieren (klas 2 en klas 4) eet elke dag fruit. Meisjes eten vaker dagelijks fruit dan jongens (35% versus 27%). Ook is er verschil naar onderwijsniveau: vwo-leerlingen eten vaker elke dag fruit dan vmbo-leerlingen (37% versus 28%). Ongeveer de helft van de jongeren eet op 5 of meer dagen per week fruit, waarbij het verschil naar onderwijsniveau nog wat groter is: ruim 60% op het vwo en 40% op vwbo-bk. De gezondheidsraad adviseert dagelijks ten minste 200 gram groente en ten minste 200 gram fruit te eten (Gezondheidsraad, 2015).

Minder dan de helft van de jongeren eet dagelijks groente

Minder dan de helft van de jongeren eet dagelijks groente: ongeveer 38% van de jongens en 44% van de meisjes. Het aantal jongeren dat op 5 of meer dagen per week groente eet is bijna 2 keer zo groot: 75% van de jongens en 81% van de meisjes. De verschillen tussen de onderwijsniveaus zijn groot: op het vwo eet ruim 90% van de leerlingen op 5 of meer dagen per week groente en op het vmbo-bk slechts 67%. 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2015. Den Haag: Gezondheidsraad; 2015. Bron

Ontbijten middelbare scholieren (klas 2 en klas 4) per GGD-regio

Ontbijten op 5 of meer dagen per week 2015

per GGD-regio, middelbare scholieren (klas 2 en klas 4)
Ontbijten op 5 of meer dagen per week 2015
GGD-regioPercentage
GGD AmsterdamGeen gegevens
GGD Brabant-ZuidoostGeen gegevens
GGD Drenthe86,4
GGD FlevolandGeen gegevens
GGD FryslânGeen gegevens
GGD Gelderland-MiddenGeen gegevens
GGD Gelderland-Zuid82,3
GGD Gooi en Vechtstreek88,0
GGD Groningen79,6
GGD HaaglandenGeen gegevens
GGD Hart voor Brabant84,6
GGD Hollands MiddenGeen gegevens
GGD Hollands Noorden84,0
GGD IJssellandGeen gegevens
GGD Kennemerland84,0
GGD Limburg-Noord82,3
GGD Noord- en Oost-Gelderland85,5
GGD regio Utrecht86,0
GGD Rotterdam-Rijnmond77,0
GGD Twente84,3
GGD West-Brabant83,9
GGD Zaanstreek-WaterlandGeen gegevens
GGD ZeelandGeen gegevens
GGD Zuid-Holland ZuidGeen gegevens
GGD Zuid-Limburg77,0
View all detail data

Ontbijten naar regio

In Nederland ontbijt 82% van de scholieren (klas 2 en klas 4) op vijf of meer dagen per week. Per regio varieert dat percentage van 77 tot 88%.

Gezondheidsmonitor Jeugd

In elke GGD regio is een steekproef genomen van tweede en vierde klassen van het regulier voortgezet onderwijs. De omvang van de steekproeven verschilde per regio (zie Inleiding). In 14 van de 25 regio’s was de steekproef groot genoeg om prevalentiecijfers op regionaal niveau (GGD regio) te verkrijgen en in 9 van die 14 GGD regio’s zijn ook prevalentiecijfers op gemeenteniveau beschikbaar.

Ontbijten naar gemeente

Negen GGD’en hebben per gemeente cijfers uit de Gezondheidsmonitor Jeugd. Naast de landelijke standaardvragen hebben deze GGD’en ook vragen gesteld over onderwerpen die lokaal relevant zijn. De resultaten zijn veelal toegankelijk via de eigen website van deze GGD’en:

•    Gelderland-Zuid 
•    Hollands Noorden
•    Kennemerland
•    Limburg-Noord
•    Noord- en Oost-Gelderland
•    Rotterdam-Rijnmond
•    Twente
•    Regio Utrecht
•    Zuid Limburg

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 GGD'en en RIVM, Gezondheidsmonitor Jeugd. zorggegevens.nl

Fruit middelbare scholieren (klas 2 en klas 4) per GGD-regio

Fruit op 5 of meer dagen per week 2015

per GGD-regio, middelbare scholieren (klas 2 en klas 4)
Fruit op 5 of meer dagen per week 2015
GGD-regioPercentage
GGD AmsterdamGeen gegevens
GGD Brabant-ZuidoostGeen gegevens
GGD Drenthe48,9
GGD FlevolandGeen gegevens
GGD FryslânGeen gegevens
GGD Gelderland-MiddenGeen gegevens
GGD Gelderland-Zuid47,5
GGD Gooi en Vechtstreek55,9
GGD Groningen48,4
GGD HaaglandenGeen gegevens
GGD Hart voor Brabant46,4
GGD Hollands MiddenGeen gegevens
GGD Hollands Noorden50,1
GGD IJssellandGeen gegevens
GGD Kennemerland51,6
GGD Limburg-Noord46,7
GGD Noord- en Oost-Gelderland48,0
GGD regio Utrecht50,9
GGD Rotterdam-Rijnmond46,8
GGD Twente49,2
GGD West-Brabant47,5
GGD Zaanstreek-WaterlandGeen gegevens
GGD ZeelandGeen gegevens
GGD Zuid-Holland ZuidGeen gegevens
GGD Zuid-Limburg43,3
View all detail data

Fruit eten naar regio

In Nederland eet 49% van de scholieren (klas 2 en klas 4) op vijf of meer dagen van de week fruit, maar slechts 31% voldoet aan de aanbeveling om elke dag fruit te eten. Per regio varieert het percentage scholieren dat op minstens vijf dagen van de week fruit eet van 43 tot 56%.

Gezondheidsmonitor Jeugd

In elke GGD regio is een steekproef genomen van tweede en vierde klassen van het regulier voortgezet onderwijs. De omvang van de steekproeven verschilde per regio (zie Inleiding). In 14 van de 25 regio’s was de steekproef groot genoeg om prevalentiecijfers op regionaal niveau (GGD regio) te verkrijgen en in 9 van die 14 GGD regio’s zijn ook prevalentiecijfers op gemeenteniveau beschikbaar.

Fruit eten naar gemeente

Negen GGD’en hebben per gemeente cijfers uit de Gezondheidsmonitor Jeugd. Naast de landelijke standaardvragen hebben deze GGD’en ook vragen gesteld over onderwerpen die lokaal relevant zijn. De resultaten zijn veelal toegankelijk via de eigen website van deze GGD’en:

•    Gelderland-Zuid 
•    Hollands Noorden
•    Kennemerland
•    Limburg-Noord
•    Noord- en Oost-Gelderland
•    Rotterdam-Rijnmond
•    Twente
•    Regio Utrecht
•    Zuid Limburg

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 GGD'en en RIVM, Gezondheidsmonitor Jeugd. zorggegevens.nl

Groente middelbare scholieren (klas 2 en klas 4) per GGD-regio

Groente op 5 of meer dagen per week 2015

per GGD-regio, middelbare scholieren (klas 2 en klas 4)
Groente op 5 of meer dagen per week 2015
GGD-regioPercentage
GGD AmsterdamGeen gegevens
GGD Brabant-ZuidoostGeen gegevens
GGD Drenthe82,1
GGD FlevolandGeen gegevens
GGD FryslânGeen gegevens
GGD Gelderland-MiddenGeen gegevens
GGD Gelderland-Zuid80,3
GGD Gooi en Vechtstreek83,3
GGD Groningen82,3
GGD HaaglandenGeen gegevens
GGD Hart voor Brabant81,7
GGD Hollands MiddenGeen gegevens
GGD Hollands Noorden79,5
GGD IJssellandGeen gegevens
GGD Kennemerland78,1
GGD Limburg-Noord80,4
GGD Noord- en Oost-Gelderland82,0
GGD regio Utrecht80,2
GGD Rotterdam-Rijnmond73,1
GGD Twente80,2
GGD West-Brabant70,6
GGD Zaanstreek-WaterlandGeen gegevens
GGD ZeelandGeen gegevens
GGD Zuid-Holland ZuidGeen gegevens
GGD Zuid-Limburg76,1
View all detail data

Groente eten naar regio

In Nederland eet 78% van de scholieren (klas 2 en klas 4) op vijf of meer dagen van de week groente, maar slechts 41% voldoet aan de aanbeveling om elke dag groente te eten. Per regio varieert het percentage scholieren dat op minstens vijf dagen van de week groente eet van 71 tot 83%.

Gezondheidsmonitor Jeugd

In elke GGD regio is een steekproef genomen van tweede en vierde klassen van het regulier voortgezet onderwijs. De omvang van de steekproeven verschilde per regio (zie Inleiding). In 14 van de 25 regio’s was de steekproef groot genoeg om prevalentiecijfers op regionaal niveau (GGD regio) te verkrijgen en in 9 van die 14 GGD regio’s zijn ook prevalentiecijfers op gemeenteniveau beschikbaar.

Groente eten naar gemeente

Negen GGD’en hebben per gemeente cijfers uit de Gezondheidsmonitor Jeugd. Naast de landelijke standaardvragen hebben deze GGD’en ook vragen gesteld over onderwerpen die lokaal relevant zijn. De resultaten zijn veelal toegankelijk via de eigen website van deze GGD’en:

•    Gelderland-Zuid 
•    Hollands Noorden
•    Kennemerland
•    Limburg-Noord
•    Noord- en Oost-Gelderland
•    Rotterdam-Rijnmond
•    Twente
•    Regio Utrecht
•    Zuid Limburg

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 GGD'en en RIVM, Gezondheidsmonitor Jeugd. zorggegevens.nl

Verantwoording

Definities
  • Ervaren gezondheid

    Ervaren gezondheid is oordeel over eigen gezondheid

    Ervaren gezondheid, ook wel subjectieve gezondheid of gezondheidsbeleving genoemd, weerspiegelt het oordeel over de eigen gezondheid.

    Ervaren gezondheid wordt gemeten met behulp van de vraag: 'Hoe is over het algemeen je gezondheid?’ met de antwoordopties: Zeer goed; Goed; Gaat wel; Slecht; Zeer slecht'. In de tabel zijn de antwoordcategorieën (zeer goed of goed) samengenomen.

  • De SDQ: ‘Vragenlijst Sterke Kanten en Moeilijkheden’

    De SDQ (Strengths and Difficulties Questionnaire) is een van oorsprong een Engelse vragenlijst (zie http://www.sdqinfo.com/ ) die in Nederland onder meer wordt gebruikt in de Jeugdgezondheidszorg (zie http://www.ggdghorkennisnet.nl/?file=2576&m=1311083734&action=file.download)

    De vragenlijst is bedoeld om kinderen met een hoog risico op psychosociale problemen te identificeren. De vragenlijst bevat in totaal 25 items, die betrekking hebben op de volgende vijf subschalen:

    • Hyperactiviteit / aandachtstekort
    • Emotionele problemen
    • Problemen met leeftijdsgenoten
    • Gedragsproblemen
    • Pro-sociaal gedrag

    De 25 items zijn geformuleerd aan de hand van stellingen (zie vraag 11 in de Vragenlijst Gezondheidsmonitor Jeugd 2015)

    Met de SDQ kunnen een Totale Probleemscore en scores op de vijf subschalen berekend worden. De Totale Probleemscore is opgebouwd uit de scores op  hyperactiviteit /aandachtstekort,  emotionele problemen, problemen met leeftijdsgenoten en gedragsproblemen. De score op pro-sociaal gedrag maakt geen deel uit van de Totale Probleemscore. De scores worden onderverdeeld in drie categorieën die in het Engels ‘normal’,  ‘borderline’ en ‘abnormal’ worden genoemd. In het Nederlands is er voor deze categorieën geen standaard benaming die door iedereen wordt gebruikt. In de tabellen die hier zijn gepresenteerd zijn de categorieën ‘grensgebied’ (bordeline) en ‘afwijkend’ (abnormal) samen genomen.

  • Weerbaarheid

    De vraag over weerbaarheid bestaat uit acht items met een score van 1 tot 5 (zie Vragenlijst Gezondheidsmonitor Jeugd 2015). Eerst worden alle items zo gecodeerd dat lage waarden altijd ongunstig zijn en hoge waarden gunstig. Vervolgens wordt de gemiddelde score van de acht items berekend. Een gemiddelde score van 1 t/m 3 is onvoldoende weerbaar en een gemiddelde score van 4 of 5 is voldoende weerbaar.

     

  • Normen en adviezen voor sport en bewegen

    Definitie Beweegrichtlijnen

    De Gezondheidsraad publiceerde in augustus 2017 het adviesrapport ‘Beweegrichtlijnen 2017’. In november 2017 zijn de beweegrichtlijnen die in dit rapport zijn onderbouwd aangenomen door de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Zorg.

    De beweegrichtlijnen zijn als volgt gedefinieerd:

    Volwassenen en ouderen

    • Bewegen is goed, meer bewegen is beter
    • Doe minstens 150 minuten per week aan matig intensieve inspanning, zoals wandelen en fietsen, verspreid over diverse dagen. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel
    • Doe minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten, voor ouderen gecombineerd met balansoefeningen.
    • En: voorkom veel stilzitten

    Kinderen van 4 tot 18 jaar

    • Bewegen is goed, meer bewegen is beter
    • Doe minstens elke dag een uur matig intensieve inspanning. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel
    • Doe minstens driemaal per week spier- en botversterkende activiteiten​

    De Gezondheidsraad hanteert de volgende onderliggende definities in haar adviesrapport.

    Beweging kent verschillende vormen.

    • Bewegen (ook wel lichamelijke activiteit) is gedefinieerd als elke lichaamsbeweging door skeletspieren die resulteert in energieverbruik. In de context van de beweegrichtlijnen gaat het hierbij om activiteiten waarbij een of meer grote spiergroepen betrokken zijn. De meeste vormen van lichamelijke activiteit bestaan zowel uit een duur- als een krachtcomponent.
    • Balansoefeningen zijn statische en dynamische oefeningen gericht op het verbeteren van balans terwijl iemand staat of beweegt, zoals op een been staan of een voorwerp van de grond oprapen.
    • Botversterkende activiteiten bestaan uit krachttraining en activiteiten waarbij het lichaam met het eigen gewicht wordt belast, zoals springen, traplopen, wandelen, hardlopen en dansen.
    • Duurtraining omvat activiteiten gericht op het uithoudingsvermogen. Hierbij zijn gewoonlijk grote spiergroepen betrokken en wordt op een snelheid bewogen die langer dan een paar minuten vol te houden is. Voorbelleden zijn wandelen, zwemmen, fietsen en dansen.
    • Krachttraining: zie spierversterkende activiteiten. Voorbeelden zijn oefeningen waarbij lichaamsgewicht, losse gewichten (halters) of machines als weerstand worden gebruikt.
    • Spierversterkende activiteiten (krachttraining of de combinatie van kracht- en duuractiviteiten) omvatten activiteiten om kracht, vermogen, uithoudingsvermogen en omvang van de skeletspieren te verbeteren. Voorbeelden zijn krachttrainingsoefeningen met eigen lichaamsgewicht en duuractiviteiten als fietsen.

    De hoeveelheid bewegen wordt bepaald door de intensiteit, frequentie en duur/volume.

    • Metabole equivalent (MET) is een meeteenheid om de intensiteit van lichamelijke activiteit te definiëren, in veelvouden van de benodigde energie in rust. Eén MET is het energieverbruik in rust.
    • Absolute intensiteit is ingedeeld in licht, matig en zwaar.
      1. Lichte lichamelijke activiteit bestaat uit activiteiten waarbij iemand rechtop staat of licht beweegt. Voorbeleden zijn koken, boodschappen doen, darten. Het energieverbruik varieert van 1,6 tot en met 2,9 MET.
      2. Matige lichamelijke activiteit betreft activiteiten op een intensiteit die wat moeite kost, maar waarbij praten mogelijk blijft. Voorbeelden zijn wandelen, fietsen en rustig zwemmen. Het energieverbruik varieert van 3,0 MET t/m 5,9 MET.
      3. Zwaar intensieve activiteit leidt ertoe dat iemand zwaarder gaat ademen of gaat puffen en hijgen, afhankelijk van hoe fit iemand is. Voorbeelden zijn aerobics, hardlopen, wielrennen en bepaalde competitieve sporten. Het energieverbruik is 6 MET of meer.

    Duur betreft de tijd dat een lichamelijke activiteit per sessie wordt volgehouden (aantal minuten zitten of wandelen) of de totale tijd waarin de lichamelijke activiteit wordt uitgevoerd (bijvoorbeeld aantal minuten zitten of wandelen per week).

    Frequentie betreft het aantal keer per tijdseenheid dat een bepaalde lichamelijke activiteit wordt uitgevoerd, veelal uitgedrukt in keren per dag of per week.

    Volume (per training) betreft het aantal oefeningen, sets en herhalingen binnen een set per training.

    Zitten (ook wel sedentair gedrag) omvat zittende en (half)liggende activiteiten, waarbij weinig energie wordt verbruikt (≤1,5 metabole equivalenten (MET), met uitzondering van slapen. Voorbeelden zijn tv-kijken, lezen, naaien, op de computer werken, zittend gamen of zitten tijdens transport.

    ----------------------------------------------------------------

    Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB)

    • NNGB voor kinderen en jongeren (4 t/m 17 jaar): dagelijks minimaal één uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 5 MET), waarbij minimaal twee keer per week kracht-, lenigheid- en coördinatieoefeningen voor het verbeteren of handhaven van de lichamelijke fitheid.
    • NNGB voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 4 MET) op minimaal 5 dagen per week.
    • NNGB voor ouderen (55 jaar en ouder): een half uur tenminste matig intensief bewegen (vanaf 3 MET) op minimaal 5 dagen per week.

    Fitnorm

    • Fitnorm voor kinderen en jongeren (4 t/m 17 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 8 MET).
    • Fitnorm voor volwassenen (18 t/m 54 jaar): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 6,5 MET).
    • Fitnorm voor ouderen (55 jaar en ouder): Tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit (vanaf 5 MET).

    Combinorm

    De optelsom van de NNGB en de fitnorm. Iemand voldoet aan de combinorm wanneer hij/zij aan tenminste aan één van de beide normen voldoet (Kemper et al., 2000; Ooijendijk et al., 2007).

    Wekelijkse sporter

    Iemand die 1 keer per week of vaker aan sport doet.

    RSO-richtlijn voor sport

    Los van de bovenstaande set aan normen en richtlijnen bestaat de Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO). Het gaat hier om een gestandaardiseerde vragenlijst waarmee de frequentie van sporten, sporttak, sportvorm, organisatievorm en accommodatiebenutting van grote bevolkingsgroepen in kaart wordt gebracht. De RSO definieert iemand als een sporter als hij in de afgelopen twaalf maanden ten minste twaalf keer heeft gesport. De norm is niet gerelateerd aan beweging of een gezondheidsbevorderende waarde, maar een ondergrens om iemand te kwalificeren als sporter. De duur, intensiteit en frequentie spelen geen rol bij de RSO-richtlijn. Dit betekent dat iemand een sporter kan zijn zonder hiervoor in beweging te komen (Hoekman & van den Dool, 2010).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Kemper HCG, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M. Consensus over de Nederlandse norm voor gezond bewegen . Ede: Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB); 2000. Bron
    2. Ooijendijk WTM, Hildebrandt VH, Hopman-Rock M. Bewegen in Nederland 2000-2005. In: Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Hopman-Rock M. (Red.). Trendrapport Bewegen en gezondheid 2004/2005 ed. Hoofddorp / Leiden: TNO; 2007. Bron
    3. Hoekman R, van den Dool R. Bewegen in Nederland: het belang van sport. Den Bosch: Mulier Instituut; 2010. Bron
  • Social media en gamen

    De jongeren beantwoordden 7 vragen over social media gebruik en 7 vragen over gamen (zie vraag 39 van Vragenlijst Gezondheidsmonitor Jeugd 2015). Risico op problematisch gebruik van social media werd gedefinieerd als een ongunstige gemiddelde score op alle 7 vragen in combinatie met (heel) vaak slaap tekort komen door gebruik van social media of (heel) vaak huiswerk afraffelen om op social media te kunnen. Risico op problematisch gamen werd op dezelfde manier gedefinieerd als (heel) vaak slaap tekort komen door gamen of (heel) vaak huiswerk afraffelen om te kunnen gamen.

Bronverantwoording
  • Gezondheidsmonitor jeugd

    De anonieme digitale vragenlijst is afgenomen op school in tweede en vierde klassen van het reguliere voortgezet onderwijs. Per GGD-regio waren er grote verschillen in het aantal deelnemende schoolklassen. Voor deze verschillen is gecorrigeerd d.m.v. ‘weging’ zodat in de landelijk prevalentiecijfers de verschillende regio’s vertegenwoordigd zijn naar rato van de werkelijke aantallen tweede klas- en vierde klas-leerlingen in de regio. Met andere woorden leerlingen uit regio’s waar maar weinig leerlingen meededen, tellen voor de landelijke cijfers zwaarder mee dan leerlingen uit regio’s waar veel leerlingen meededen. Om cijfers te verkrijgen die zo representatief mogelijk zijn voor de werkelijkheid, is ook gewogen naar geslacht, leerjaar (klas 2 of klas 4), onderwijsniveau (vmbo-bk, vmbo-gt, havo, vwo) en stedelijkheid van de gemeente waar de leerling woont.

  • Gegevens naar gemeente

    Negen GGD’en hebben per gemeente cijfers uit de Gezondheidsmonitor Jeugd. Naast de landelijke standaardvragen hebben deze GGD’en ook vragen gesteld over onderwerpen die lokaal relevant zijn. De resultaten zijn veelal toegankelijk via de eigen website van deze GGD’en:

    •    Gelderland-Zuid 
    •    Hollands Noorden
    •    Kennemerland
    •    Limburg-Noord
    •    Noord- en Oost-Gelderland
    •    Rotterdam-Rijnmond
    •    Twente
    •    Regio Utrecht
    •    Zuid Limburg

    De resultaten per gemeente van de landelijke standaardvragen vindt u hier.

     

  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier. Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

  • Gezondheidsmonitor Jeugd en Peilstationsonderzoek Scholieren

    Het voordeel van de Gezondheidsmonitor Jeugd is vooral het grote aantal deelnemers waardoor naast de landelijke referentiecijfers ook regionale en gemeentecijfers beschikbaar zijn en uitsplitsingen naar veel verschillende subgroepen mogelijk zijn. Op VZinfo worden ook andere leefstijlcijfers gepresenteerd over de jeugd. Deze cijfers kunnen afwijken van de cijfers uit de Gezondheidsmonitor Jeugd. Verschillen in dataverzamelingen ontstaan door bijvoorbeeld: het jaar en het seizoen van afname van de vragenlijst, de leeftijd van de respondenten en de precieze formulering van de vragen die zijn gesteld. VZinfo presenteert bij voorkeur cijfers met een jaarlijks/tweejaarlijkse updatefrequentie, zoals uit de Leefstijlmonitor/Gezondheidsenquête en het Peilstationsonderzoek Scholieren van het CBS en het Trimbos-Instituut, zodat trends gepresenteerd kunnen worden.