Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

GezichtsstoornissenCijfers & ContextTrends

Cijfers & Context

Staar meest voorkomende gezichtsstoornis

Regionaal & Internationaal

Rotterdam-Rijnmond meeste gezichtsbeperkingen

Kosten

Zorguitgaven staar 317 miljoen euro in 2017

Preventie & Zorg

Deel gezichtsstoornissen is te voorkómen

Trend voorkomen staar

Jaarprevalentie en aantal nieuwe gevallen staar 2011-2018

JaarNieuwe gevallen, mannenNieuwe gevallen, vrouwenPrevalentie, mannenPrevalentie, vrouwenNieuwe gevallen, mannen (absoluut)Nieuwe gevallen, vrouwen (absoluut)Prevalentie, mannen (absoluut)Prevalentie, vrouwen (absoluut)
201110010010010053.90080.50087.400132.800
201212012111912066.60099.100107.100163.100
201312913012713074.100109.000118.600179.200
201412912912913276.000110.100123.700186.100
201512612813213577.100111.300130.600193.800
201612412813213678.100113.600134.700198.800
201713813814014390.100125.900147.400215.200
201813413814314789.800127.900155.900225.100

Aantal nieuwe gevallen staar toegenomen

Het aantal nieuwe gevallen van staar is in de periode 2011-2018 met ongeveer 35% toegenomen, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Ook het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal nieuwe gevallen van staar is toegenomen. Voor mannen nam dit aantal toe van 53.900 in 2011 naar 89.800 in 2018. Voor vrouwen is dit aantal toegenomen van 80.500 in 2011 naar 127.900 in 2018.

Prevalentie staar eveneens toegenomen

In de periode 2011-2018 is het aantal mensen met staar dat bekend was bij de huisarts (jaarprevalentie) met ongeveer 45% toegenomen, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal mensen met staar dat bekend was bij de huisarts is voor mannen toegenomen van 87.400 in 2011 naar 155.900 in 2018. Voor vrouwen is het aantal toegenomen van 132.800 in 2011 naar 225.100 in 2018.

Prevalentie staar tussen 1991 en 2014 sterk toegenomen

De gestandaardiseerde jaarprevalentie van staar is in de periode 1991-2014 sterk gestegen. Schattingen op basis van huisartsenregistraties laten een verdrievoudiging zien. De toename was het grootst onder mannen. Deze trend is gebaseerd op de huisartsenregistratie RNH-Limburg (zie: Trend jaarprevalentie staar 1991-2014 (PDF; 66 KB)).

Meer informatie

Datum publicatie

06-04-2020

Trend voorkomen glaucoom

Jaarprevalentie en aantal nieuwe gevallen glaucoom 2011-2018

JaarNieuwe gevallen, mannenNieuwe gevallen, vrouwenPrevalentie, mannenPrevalentie, vrouwenNieuwe gevallen, mannen (absoluut)Nieuwe gevallen, vrouwen (absoluut)Prevalentie, mannen (absoluut)Prevalentie, vrouwen (absoluut)
201110010010010011.60014.90073.00096.300
201210711811111212.70017.90083.400110.100
201311811711611614.30017.90089.000115.400
201411211512312313.90018.00096.500125.100
201510511413313513.30017.900107.000139.300
20161009714414812.80015.500118.400154.200
2017959515515912.20015.200130.000169.000
2018849016016611.10014.800136.800178.100

Aantal nieuwe gevallen glaucoom afgenomen

Na een aanvankelijke toename is het aantal nieuwe gevallen van glaucoom in de periode 2011-2018 afgenomen, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal nieuwe gevallen van glaucoom is nagenoeg gelijk gebleven. Voor mannen bedroeg het aantal nieuwe gevallen 11.600 in 2011 en 11.100 in 2018 en voor vrouwen 14.900 in 2011 en 14.800 in 2018.

Prevalentie glaucoom toegenomen

In de periode 2011-2018 is het aantal mensen met glaucoom dat bekend was bij de huisarts (jaarprevalentie) met ongeveer 60% toegenomen, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal mensen met glaucoom dat bekend was bij de huisarts is voor mannen toegenomen van 73.000 in 2011 naar 136.800 in 2018. Voor vrouwen is het aantal toegenomen van 96.300 in 2011 naar 178.100 in 2018.

Prevalentie glaucoom tussen 1991 en 2014 toegenomen

De gestandaardiseerde jaarprevalentie van glaucoom is in de periode 1991-2014 gestegen. Schattingen op basis van huisartsenregistraties laten een verdubbeling zien. De toename trad met name op na het jaar 2000 en was het grootst onder vrouwen. Deze trend is gebaseerd op de huisartsenregistratie RNH-Limburg (zie: Trend jaarprevalentie glaucoom 1991-2014 (PDF; 66 KB)).

Meer informatie

Datum publicatie

06-04-2020

Trend voorkomen maculadegeneratie

Jaarprevalentie en aantal nieuwe gevallen maculadegeneratie 2011-2018

JaarNieuwe gevallen, mannenNieuwe gevallen, vrouwenPrevalentie, mannenPrevalentie, vrouwenNieuwe gevallen, mannen (absoluut)Nieuwe gevallen, vrouwen (absoluut)Prevalentie, mannen (absoluut)Prevalentie, vrouwen (absoluut)
20111001001001004.9007.60023.80042.500
20121101121141185.6008.70028.30051.000
20131181211231266.1009.60031.30055.400
20141131131321326.0009.10034.90059.500
2015981091431445.4009.00039.10066.000
201691991501505.2008.20042.10069.800
2017961041621655.7009.00047.10078.400
201897931711696.0008.10051.40081.600

Aantal nieuwe gevallen maculadegeneratie afgenomen

Na een aanvankelijke toename is het aantal nieuwe gevallen van maculadegeneratie in de periode 2011-2018 afgenomen, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal nieuwe gevallen van maculadegeneratie is toegenomen. Voor mannen nam dit aantal toe van 4.900 in 2011 naar 6.000 in 2018 en voor vrouwen van 7.600 in 2011 naar 8.100 in 2018.

Prevalentie maculadegeneratie toegenomen

In de periode 2011-2018 is het aantal mensen met maculadegeneratie dat bekend was bij de huisarts (jaarprevalentie) met ongeveer 70% toegenomen, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal mensen met maculadegeneratie dat bekend was bij de huisarts is voor mannen toegenomen van 23.800 in 2011 naar 51.400 in 2018. Voor vrouwen is het aantal toegenomen van 42.500 in 2011 naar 81.600 in 2018.

Prevalentie maculadegeneratie tussen 1991 en 2014 sterk toegenomen

De gestandaardiseerde jaarprevalentie van maculadegeneratie is in de periode 1991-2014 sterk gestegen, met name sinds het jaar 2005. Schattingen op basis van huisartsenregistraties laten een verdrievoudiging zien. De toename was het grootst onder vrouwen. Deze trend is gebaseerd op de huisartsenregistratie RNH-Limburg (zie: Trend jaarprevalentie maculadegeneratie 1991-2014 (PDF; 79 KB)).

Meer informatie

Datum publicatie

06-04-2020

Trend voorkomen retinopathie

Jaarprevalentie en aantal nieuwe gevallen retinopathie 2011-2018

JaarNieuwe gevallen, mannenNieuwe gevallen, vrouwenPrevalentie, mannenPrevalentie, vrouwenNieuwe gevallen, mannen (absoluut)Nieuwe gevallen, vrouwen (absoluut)Prevalentie, mannen (absoluut)Prevalentie, vrouwen (absoluut)
20111001001001006.5006.60039.40036.500
20121211081111158.1007.20044.80042.600
20131371141261279.2007.80051.80047.800
2014114931351347.8006.40056.80051.500
201597931411406.8006.50060.80054.600
201691831451416.6006.10064.80056.700
201785701581536.3005.10072.00062.400
201884721631576.2005.40075.60065.100

Aantal nieuwe gevallen retinopathie afgenomen

Na een aanvankelijke toename is het aantal nieuwe gevallen van retinopathie is in de periode 2011-2018 afgenomen, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Over de gehele periode 2011-2018 is het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal nieuwe gevallen van retinopathie afgenomen. Voor mannen nam dit aantal toe van 6.500 in 2011 naar 6.200 in 2018 en voor vrouwen van 6.600 in 2011 naar 5.400 in 2018.

Prevalentie retinopathie toegenomen

In de periode 2011-2018 is het aantal mensen met retinopathie dat bekend was bij de huisarts (jaarprevalentie) met ongeveer 60% toegenomen, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Ook het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal mensen met retinopathie dat bekend was bij de huisarts is toegenomen. Voor mannen van 39.400 in 2011 naar 75.600 in 2018 en voor vrouwen van 36.500 in 2011 naar 65.100 in 2018.

Prevalentie retinopathie ook tussen 1991 en 2014 toegenomen

De gestandaardiseerde jaarprevalentie van retinopathie is ook in de periode 1991-2014 gestegen, vooral sinds het jaar 2002. Schattingen op basis van huisartsenregistraties laten een verdubbeling zien. De toename was veruit het grootst onder mannen. Deze trend is gebaseerd op de huisartsenregistratie RNH-Limburg (zie: Trend jaarprevalentie retinopathie 1991-2014 (PDF; 67 KB)).

Meer informatie

Datum publicatie

06-04-2020

Trend voorkomen blindheid

Jaarprevalentie en aantal nieuwe gevallen blindheid 2011-2018

JaarNieuwe gevallen, mannenNieuwe gevallen, vrouwenPrevalentie, mannenPrevalentie, vrouwenNieuwe gevallen, mannen (absoluut)Nieuwe gevallen, vrouwen (absoluut)Prevalentie, mannen (absoluut)Prevalentie, vrouwen (absoluut)
20111001001001001.2901.49015.30016.800
201297841111061.2701.27017.20018.000
20139089105981.2101.35016.70016.900
2014113901101021.5301.40017.70017.800
20159779105981.3401.25017.30017.300
20167179101891.0201.26016.70015.800
20178780108951.2501.31018.00017.000
20186764106931.0001.02018.10017.000

Aantal nieuwe gevallen blindheid afgenomen

Het aantal nieuwe gevallen van blindheid (elke graad en vorm) is in de periode 2011-2018 met ongeveer 35% afgenomen, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Ook het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal nieuwe gevallen van blindheid is afgenomen. Voor mannen nam dit aantal af van 1.290 in 2011 naar 1.000 in 2018. Voor vrouwen is dit aantal afgenomen van 1.490 in 2011 naar 1.020 in 2018.

Prevalentie blindheid nagenoeg constant

In de periode 2011-2018 is het aantal mensen met blindheid dat bekend was bij de huisarts (jaarprevalentie) nagenoeg constant gebleven, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal mensen met blindheid dat bekend was bij de huisarts is voor mannen toegenomen van 15.300 in 2011 naar 18.100  in 2018. Voor vrouwen is het aantal nagenoeg gelijk gebleven: 16.800 in 2011 en 17.000 in 2018.

Datum publicatie

06-04-2020

Toekomstige trend gezichtsstoornissen door demografische ontwikkelingen

Verwachte stijging aantal mensen met gezichtsstoornissen door alleen demografie

Op basis van uitsluitend demografisch ontwikkelingen zal het absoluut aantal mensen met gezichtsstoornissen (jaarprevalentie) in de periode 2015-2040 naar verwachting met 52% stijgen. Deze prognose is gebaseerd op vier oogaandoeningen: retinopathie, maculadegeneratie, staar en glaucoom (ICPC-codes F83, F84, F92 en F93). De verwachte stijging bedraagt 58% voor mannen en 48% voor vrouwen. De toename zal groter of kleiner kunnen zijn door veranderingen in factoren die de kans op het ontstaan van gezichtsstoornissen beïnvloeden (epidemiologische ontwikkelingen). De toekomstige trend op basis van epidemiologische ontwikkelingen is niet gekwantificeerd

Meer informatie

Datum publicatie

04-06-2019

Verantwoording

Definities
  • VZinfo presenteert informatie over vier oogaandoeningen (en blindheid)

    Volksgezondheidenzorg.info presenteert informatie over de volgende oogaandoeningen en blindheid:

    1. Staar, ook wel cataract: vertroebeling van de ooglens die ontstaat door verandering van de eiwitsamenstelling en het watergehalte van de ooglens.
    2. Glaucoom: verlies van zenuwvezels van het netvlies. In ongeveer 70% van de gevallen is er sprake van een verhoogde oogboldruk.
    3. Maculadegeneratie: afbraak van het centrale deel van het netvlies (macula, gele vlek) dat meestal op hogere leeftijd ontstaat.
    4. Retinopathie: schade aan het netvlies, bijvoorbeeld als gevolg van diabetes mellitus (diabetische retinopathie). Er kan ook schade aan het netvlies optreden zonder dat er sprake is van diabetes, bijvoorbeeld als gevolg van hoge bloeddruk.

    De gezichtsstoornissen of oogaandoeningen kunnen leiden tot slechtziendheid en blindheid.

  • Indicatoren lichamelijk functioneren

    In VZinfo onderscheiden we de volgende beperkingen in het uitvoeren van activiteiten: beperkingen in het uitvoeren van activiteiten die te maken hebben met horen, zien, mobiliteit, en activiteiten van het dagelijkse leven (ADL). Deze indicatoren zijn gebaseerd op een OECD-vragenlijst (McWhinnie, 1981). Beperkingen in horen, zien en mobiliteit kunnen ook samen bekeken worden. Beperkingen in activiteiten van het dagelijkse leven (ADL) worden apart beschouwd.

    Tabel: Definities van vier indicatoren voor beperkingen

    Indicator Omschrijving
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot horen  Grote moeite met of niet in staat zijn een gesprek te volgen met één andere persoon; of in een groep van 3 of meer personen (zo nodig met hoorapparaat).
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot zien  Grote moeite met of niet in staat zijn de kleine letters in de krant te lezen; of op een afstand van 4 meter het gezicht van iemand te herkennen (zo nodig met bril of contactlenzen).
    Beperkingen in bewegen Grote moeite of niet in staat een voorwerp van 5 kg, bijvoorbeeld een volle boodschappentas, 10 meter te dragen; bukken en iets van de grond te pakken; of 400 meter aan een stuk te lopen zonder stil te staan (zonodig met stok).
    Functioneringsproblemen Grote moeite met minstens één van bovengenoemde beperkingen.
    ADL-beperkingen Grote moeite met of alleen met hulp van anderen in staat zijn te gaan zitten en opstaan uit een stoel; in en uit bed stappen; en de trap op- en aflopen.

    Naast deze vier indicatoren, wordt in VZinfo bij de internationale vergelijkingen een overkoepelende indicator gebruikt: Beperkingen bij dagelijkse activiteiten als gevolg van gezondheidsproblemen. De beperking moet minimaal zes maanden bestaan en is ingedeeld in: 'ernstig beperkt', 'beperkt maar niet ernstig' of 'helemaal niet beperkt'. De indicator is gebaseerd op de Global Activity Limitation Indicator (GALI).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. McWhinnie JR. Disability assessment in population surveys: results of the O.E.C.D. Common Development Effort. Rev Epidemiol Sante Publique. 1981;29(4):413-9. Pubmed
Bronverantwoording
  • Gezichtsbeperkingen: CBS Gezondheidsenquête

    In de CBS-Gezondheidsenquête worden vragen gesteld over welzijn en gezondheid. In de Gezondheidsenquête zijn de volgende twee vragen over gezichtsbeperkingen opgenomen:

    1. Zijn uw ogen goed genoeg om de kleine letters in de krant te kunnen lezen (zo nodig met bril of contactlenzen)?
    2. Kunt u op een afstand van 4 meter het gezicht van iemand herkennen (zo nodig met bril of contactlenzen)?

    De antwoordcategorieën waaruit gekozen kan worden, zijn:

    • ja, zonder moeite
    • ja, met enige moeite
    • ja, met grote moeite
    • nee, dat kan ik niet
  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier. Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over gezichtsstoornissen

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie in VZinfo Meer informatie
    Nivel Zorgregistraties eerste lijn  Jaarprevalentie Nederlandse bevolking NZR
    Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM Gezichtsbeperkingen Nederlandse bevolking vanaf 19 jaar Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM
    Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor gezichtsstoornissen Nederlandse bevolking Kosten van ziekten
    Landelijke Medische Registratie (LMR) Klinische opnamedagen, klinische opnamen, gemiddelde opnameduur, dagopnamen met gezichtsstoornissen als hoofdontslagdiagnose Nederlandse bevolking LMR
Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.