Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

GehoorstoornissenPreventie & ZorgPreventie

Cijfers & Context

Aantal slechthorenden hangt af van definitie

Regionaal & Internationaal

Meer gehoorbeperkingen in Drenthe

Kosten

Kosten van zorg 916 miljoen euro in 2011

Preventie & Zorg

Gehoorscreening bij pasgeborenen loont

Deelname neonatale gehoorscreening

Deelnamepercentage aan neonatale gehoorscreening, 2009-2016

Jaar

1e ronde

2e ronde

3e ronde

3 ronden samen

2009

99,3

99,5

99,6

98,4

2010

99,3

99,4

99,3

97,9

2011

99,4

99,3

98,8

97,6

2012

99,4

99,3

99,7

98,4

2013

99,4

99,4

99,6

98,4

2014

99,5

99,3

99,9

98,7

2015

99,6

99,5

99,8

98,9

2016

99,7

99,7

99,7

99,1

  • Het deelnamepercentage is het aantal kinderen dat gescreend wordt in een bepaalde screeningsronde gedeeld door het aantal kinderen dat in aanmerking komt voor die ronde, vermenigvuldigd met 100.

Deelname aan neonatale gehoorscreening hoog

De deelname aan de neonatale gehoorscreening is hoog. De screening wordt meestal thuis afgenomen, in combinatie met de hielprikscreening, tussen de 4e en 7e dag na de geboorte. Soms wordt de screening afgenomen op het consultatiebureau als het kind enkele weken oud is. Als bij de eerste screeningsronde geen voldoende gehoor aan beide oren is aangetoond, volgt een tweede en zo nodig derde screeningsronde. Wanneer na drie screeningsrondes nog geen voldoende gehoor kan worden aangetoond, wordt een kind voor verdere diagnostiek verwezen naar een audiologisch centrum. In 2016 bedroeg de dekkingsgraad voor de drie screeningsronden samen, 99,1%. Aan iedere screeningsronde afzonderlijk nam 99,7% van de hiervoor in aanmerking komende kinderen deel.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Ploeg K, Pot M, Verkerk P. Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg. Monitor over 2016.. Leiden: TNO; 2017. Bron

Opsporing gehoorverlies door neonatale gehoorscreening

0,3% van gescreende pasgeborenen vanuit JGZ doorverwezen voor diagnostiek

Vanaf de start van de neonatale gehoorscreening (in de periode 2002-2006) tot 2016 werd vanuit de jeugdgezondheidszorg (JGZ) steeds ongeveer hetzelfde percentage kinderen voor diagnostiek verwezen naar een audiologisch centrum (0,26 - 0,30% per jaar). In de periode 2010-2016 werden in Nederland jaarlijks gemiddeld 116 kinderen met een dubbelzijdig gehoorverlies en 84 kinderen met een enkelzijdig gehoorverlies opgespoord vanuit de JGZ. Hier komen nog de kinderen bij die door middel van de gehoorscreening op de intensive care afdelingen voor pasgeborenen (NICU's) worden opgespoord. Door vroegtijdige opsporing kunnen behandeling en begeleiding eerder van start gaan. Daardoor draagt vroegtijdige opsporing bij aan betere ontwikkelingsmogelijkheden van slechthorende kinderen (van der Ploeg et al., 2017).

In periode 1998-2016 ruim 1.600 kinderen met gehoorverlies opgespoord door gehoorscreening NICU's 

Vanaf de start van de gehoorscreening in de Neonatale Intensive Care Units (NICU's) in 1998 tot en met 2016 zijn in totaal 1.213 kinderen opgespoord met een bilateraal gehoorverlies (prevalentie 1,9%) en 418 kinderen met een unilateraal gehoorverlies (prevalentie 0,7%). In 2016 ging het om 101 kinderen met een bilateraal verlies (prevalentie 2,6%) en 31 kinderen met een unilateraal verlies (prevalentie 0,8%) (de Graaff-Korf et al., 2018).

Meer informatie

Datum publicatie

16-10-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Ploeg K, Pot M, Verkerk P. Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg. Monitor over 2016.. Leiden: TNO; 2017. Bron
  2. de Graaff-Korf KS, van Dommelen P, van Straaten HLM, Verkerk PH. Jaarverslag neonatale gehoorscreening in de Neonatale Intensive Care Units 2016. Isala; 2018. Bron

Kosteneffectiviteit neonatale gehoorscreening

Neonatale gehoorscreening is kostenbesparend

De neonatale gehoorscreening bespaart kosten. Het programma leidt tot 25 gewonnen DALY’s over de gehele levensduur per 100.000 inwoners. De kosten bedragen €15.000 per 100.000 inwoners. Het programma leidt tot een besparing van €1.561.000 vermeden lasten en zorg per 100.000 inwoners en tot €531.000 vermeden productiviteitsverlies per 100.000 inwoners (Dam, 2012; Hamberg-van Reenen & Meijer, 2014).

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Dam P. Kosteneffectiviteit van de jeugdgezondheidszorg. Zoetermeer: Verdonck Klooster & Associaties b.v. in opdracht van ActiZ; 2012. Bron
  2. Hamberg-van Reenen HH, Meijer SA. Gezond opgroeien. Verkenning jeugdgezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2014. Bron

Preventie van gehoorschade door hard geluid

Preventie gehoorschade door hard geluid van groot belang

Blootstelling aan hard geluid kan schade aan het gehoor veroorzaken die niet is te genezen. Daarom is preventie van gehoorschade van groot belang.
Informatie over gehoorschade en de mogelijkheden die gemeenten en GGD-medewerkers hebben om gehoorschade tegen te gaan, is te vinden op de website Loketgezondleven.nl.

Meer informatie

 

Experts en redactie

Verantwoording

Definities
  • Gehoorstoornis: gehoorverlies door afwijking gehoororgaan

    Een gehoorstoornis is gehoorverlies dat optreedt als gevolg van een afwijking van het gehoororgaan. Gehoorverlies is te onderscheiden in oorzaak en ernst. Gehoorverlies kan aangeboren en verworven zijn. Daarnaast kan het permanent zijn of van tijdelijke aard. Doordat het gehoor(orgaan) diverse functies heeft (zoals het detecteren van geluid en het verstaan van spraak) kunnen gehoorstoornissen leiden tot diverse beperkingen.

  • Indeling gehoorverlies op basis van oorzaak

    Gehoorverlies kan worden ingedeeld op basis van de onderliggende oorzaak:

    • gehoorverlies door een geleidingsstoornis: hierbij wordt het geluid niet goed door de gehoorgang en/of het middenoor geleid
    • gehoorverlies door een perceptiestoornis: hierbij ligt de oorzaak van het gehoorverlies in het binnenoor (het slakkenhuis) of in de gehoorzenuw
    • gemengd gehoorverlies: hierbij is sprake van zowel een geleidingsstoornis als van een perceptiestoornis

    Naast geleidings- en perceptief gehoorverlies, kan er sprake zijn van een centraal Auditief Verwerkingsprobleem (AVP). De patiënt heeft dan een duidelijk hoorprobleem, terwijl daar met de standaard audiometrische tests geen aanwijzingen voor zijn.

  • Indicatoren lichamelijk functioneren

    In VZinfo onderscheiden we de volgende beperkingen in het uitvoeren van activiteiten: beperkingen in het uitvoeren van activiteiten die te maken hebben met horen, zien, mobiliteit, en activiteiten van het dagelijkse leven (ADL). Deze indicatoren zijn gebaseerd op een OECD-vragenlijst (McWhinnie, 1981). Beperkingen in horen, zien en mobiliteit kunnen ook samen bekeken worden. Beperkingen in activiteiten van het dagelijkse leven (ADL) worden apart beschouwd.

    Tabel: Definities van vier indicatoren voor beperkingen

    Indicator Omschrijving
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot horen  Grote moeite met of niet in staat zijn een gesprek te volgen met één andere persoon; of in een groep van 3 of meer personen (zo nodig met hoorapparaat).
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot zien  Grote moeite met of niet in staat zijn de kleine letters in de krant te lezen; of op een afstand van 4 meter het gezicht van iemand te herkennen (zo nodig met bril of contactlenzen).
    Beperkingen in bewegen Grote moeite of niet in staat een voorwerp van 5 kg, bijvoorbeeld een volle boodschappentas, 10 meter te dragen; bukken en iets van de grond te pakken; of 400 meter aan een stuk te lopen zonder stil te staan (zonodig met stok).
    Functioneringsproblemen Grote moeite met minstens één van bovengenoemde beperkingen.
    ADL-beperkingen Grote moeite met of alleen met hulp van anderen in staat zijn te gaan zitten en opstaan uit een stoel; in en uit bed stappen; en de trap op- en aflopen.

    Naast deze vier indicatoren, wordt in VZinfo bij de internationale vergelijkingen een overkoepelende indicator gebruikt: Beperkingen bij dagelijkse activiteiten als gevolg van gezondheidsproblemen. De beperking moet minimaal zes maanden bestaan en is ingedeeld in: 'ernstig beperkt', 'beperkt maar niet ernstig' of 'helemaal niet beperkt'. De indicator is gebaseerd op de Global Activity Limitation Indicator (GALI).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. McWhinnie JR. Disability assessment in population surveys: results of the O.E.C.D. Common Development Effort. Rev Epidemiol Sante Publique. 1981;29(4):413-9. Pubmed
Bronverantwoording
  • Huisartsenregistraties van gehoorstoornissen

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van gehoorstoornissen (huidige situatie) zijn gegevens gebruikt van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. Voor de beschrijving van de trend in prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van gehoorstoornissen is gebruikgemaakt van twee andere huisartsenregistraties: FaMe-net en RNH-Limburg. Deze registraties registreren al vele jaren het voorkomen van ziekten in de huisartsenpraktijk. De registratie van FaMe-net gaat terug tot 1971, toen nog onder de naam CMR Nijmegen. De registratie van RNH-Limburg gaat terug tot 1987. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn heeft gegevens over een kortere periode en wordt daarom niet gebruikt voor de beschrijving van de trends.

    De in de huisartsenregistraties gebruikte ICPC-1-codes zijn H84 (Presbyacusis/ouderdomsslechthorendheid), H85 (akoestisch trauma/lawaaislechthorendheid) en H86 (doofheid).

    Over het algemeen zullen huisartsenregistraties het vóórkomen onderschatten omdat veel ouderen ontkennen dat zij slecht horen. Hoewel ze regelmatig op het spreekuur van de huisarts komen in verband met andere chronische ziekten, vertellen zij niet dat ze slechter horen. Een andere reden dat huisartsenregistraties het vóórkomen van gehoorverlies onderschatten, is dat veel mensen naar een speciaalzaak gaan om het gehoor te laten testen en de gehoorbeperking te laten wegnemen door het aanmeten van een hoortoestel.

    Meer informatie over het schatten van de morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, NIVEL Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. FaMe-net, Family Medicine Network. zorggegevens.nl
    3. RNH, Registratienet Huisartspraktijken Limburg / Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht. zorggegevens.nl
    4. CMR Nijmegen, Continue Morbiditeits Registratie Nijmegen. zorggegevens.nl
  • Landelijke neonatale gehoorscreening

    Sinds 2006 krijgt elke pasgeborene in Nederland een gehoorscreening aangeboden vanuit de Jeugdgezondheidszorg (JGZ). Bij de ongeveer 4.000 kinderen die jaarlijks op Neonatale Intensive Care Units (NICU’s) worden opgenomen gebeurt dit vanuit de NICU’s. Doel van de gehoorscreening is het vroegtijdig opsporen van kinderen met een gehoorverlies van minimaal 40 dB aan één of beide oren. De regie van het neonatale gehoorscreeningsprogramma JGZ ligt in handen van het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het RIVM. Dit geldt niet voor de gehoorscreening binnen de NICU’s.

  • Gehoorstoornissen: Landelijke Medische Registratie (LMR)

    De Landelijke Medische Registratie (LMR) bevat gegevens over alle ziekenhuisopnamen in nagenoeg alle ziekenhuizen in Nederland. Binnen de LMR wordt de diagnose van gehoorstoornissen gecodeerd volgens de ICD-9. De in VZinfo gepresenteerde gegevens over zorggebruik hebben betrekking op verworven vroege slechthorendheid (ICD-9-code 389). Met ingang van 1 januari 2014 is de LMR-registratie vervangen door de LBZ (LBZ).

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Landelijke Medische Registratie, LMR. zorggegevens.nl
    2. LBZ, Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg . zorggegevens.nl
  • Slechthorendheid: CBS Gezondheidsenquête

    In de CBS-Gezondheidsenquête worden vragen gesteld over welzijn en gezondheid. In de Gezondheidsenquête zijn de volgende twee vragen over slechthorendheid opgenomen:

    1. Kunt u een gesprek volgen in een groep van 3 of meer personen? (Zo nodig met hoorapparaat)
    2. Kunt u met één andere persoon een gesprek voeren? (Zo nodig met hoorapparaat)

    De antwoordcategorieën waaruit gekozen kan worden, zijn:

    • ja, zonder moeite
    • ja, met enige moeite
    • ja, met grote moeite
    • nee, dat kan ik niet

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier. Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

  • Gehoorstoornissen: Kosten van Ziektenstudie

    De gegevens over de kosten van zorg voor gehoorstoornissen komen uit de Kosten van Ziektenstudie. In deze studie worden onder de diagnosegroep ‘gehoorstoornissen’ de ziekten van het oor en processus mastoideus (tepelvormig uitsteeksel van bot achter de oorschelp) verstaan (ICD-9-code 380-389).

  • Nederlands Centrum voor Beroepsziekten: Peilstation Intensief Melden

    Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) registreert en signaleert beroepsziekten via het nationale melding- en registratiesysteem. Hierin worden meldingen van beroepsziekten door bedrijfsartsen geregistreerd. In aanvulling op deze Nationale Registratie Beroepsziekten worden in verschillende peilstations eveneens beroepsziekten geregistreerd met als doel betere cijfers te krijgen over het vóórkomen van beroepsziekten, zoals het Peilstation Intensief Melden (PIM). In de PIM-registratie registreren bedrijfsartsen ook meldingen van slechthorendheid.

Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.