Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

GehoorstoornissenCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Aantal slechthorenden hangt af van definitie

Regionaal & Internationaal

Meer gehoorbeperkingen in Drenthe

Kosten

Zorguitgaven 1,35 miljard euro in 2017

Preventie & Zorg

Gehoorscreening bij pasgeborenen loont

Oorzaken slechthorendheid bij jonge kinderen

Slechthorendheid aangeboren of verworven

Slechthorendheid bij kinderen is vaak al bij de geboorte of kort na de geboorte aanwezig en kan aangeboren of verworven zijn. Bij een meerderheid van de kinderen met een (blijvend) perceptief gehoorverlies is de slechthorendheid genetisch bepaald. Een infectie met het cytomegalovirus (CMV) tijdens de zwangerschap is de meest voorkomende oorzaak van verworven perceptieve slechthorendheid (Korver et al., 2017).

Slechthorendheid door geleidings- en/of perceptief gehoorverlies

Slechthorendheid kan het gevolg zijn van een geleidingsverlies en/of een perceptief verlies (zie Definities) en kan aan één oor (éénzijdig) of aan beide oren (dubbelzijdig) optreden.
Geleidingsverlies wordt veroorzaakt door afwijkingen aan de gehoorgang, het trommelvlies of het middenoor (gehoorbeenketen). De meest voorkomende oorzaken van een geleidingsverlies zijn afsluitende cerumenproppen of ophoping van vocht in het middenoor (otitis media met effusie).
Een perceptief gehoorverlies wordt veroorzaakt door aandoeningen van het slakkenhuis, de gehoorzenuw of het centrale auditieve zenuwstelsel en is meestal onomkeerbaar, waardoor de patiënt is aangewezen op hulpmiddelen zoals hoortoestellen. De oorzaken van perceptief verlies zijn vooral afhankelijk van de leeftijd waarop de slechthorendheid optreedt. Ernstige perceptieve gehoorstoornissen zijn relatief zeldzaam bij kinderen (NHG-werkgroep, 2014).

Diverse risicofactoren

Bij kinderen tot twee jaar met een goede uitslag bij neonatale gehoorscreening zijn de belangrijkste risicofactoren voor gehoorverlies (NHG-werkgroep, 2014):

  • familiair gehoorverlies op kinderleeftijd,
  • congenitale en postnatale virale en bacteriële infecties, en
  • langdurige opname op een neonatale intensive-care-afdeling (NICU).

Andere risicofactoren voor gehoorverlies zijn:

  • bepaalde syndromale, neurodegeneratieve en sensorimotorische aandoeningen,
  • schedeltrauma, en
  • ototoxische geneesmiddelen (geneesmiddelen die schadelijk zijn voor het gehoor).

Meer informatie

Datum publicatie

01-11-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Korver AMH, Smith RJH, Van Camp G, Schleiss MR, Bitner-Glindzicz MAK, Lustig LR, et al. Congenital hearing loss. Nat Rev Dis Primers. 2017;3:16094. Pubmed | DOI
  2. NHG-werkgroep. NHG-Standaard Slechthorendheid (tweede herziening). Huisarts Wet 7(6):302-12 ed.; 2014. Bron

Oorzaken slechthorendheid bij oudere kinderen en volwassenen

Hard geluid belangrijkste oorzaak verworven gehoorverlies

Op volwassen leeftijd kan perceptief verlies ontstaan als gevolg van overbelasting door geluid zoals luide muziek en lawaai op het werk. Bij oudere kinderen en volwassenen is langdurige blootstelling aan lawaai de belangrijkste risicofactor voor verworven gehoorverlies. Een geluidsniveau dat pijn, piepen, oorsuizen of een tijdelijk gevoel van verminderd gehoor veroorzaakt, kan bij langdurige blootstelling en op termijn tot blijvend perceptief gehoorverlies leiden.

Ook minder voorkomende oorzaken van gehoorverlies

Veel minder vaak voorkomende oorzaken van gehoorverlies zijn de ziekte van Ménière, ototoxische geneesmiddelen, een tumor in de schedel (brughoektumor) en genetische afwijkingen. Ook zijn er aanwijzingen dat roken en diabetes mellitus type 2 het risico op slechthorendheid verhogen (NHG-werkgroep, 2014).

Het gehoor neemt af met de leeftijd

Al vanaf het dertigste levensjaar neemt het gehoor heel geleidelijk af als gevolg van ouderdomsslechthorendheid (presbyacusis); het gehoorverlies treedt vooral op in de hoge frequenties. Doorgaans wordt deze achteruitgang echt substantieel wanneer men de vijftig is gepasseerd. Er zijn duidelijke versnellingen in de achteruitgang van het vermogen om spraak in achtergrondrumoer waar te nemen vanaf het vijftigste levensjaar (Stam et al., 2013; Goderie et al., 2019) en rond de 75 jaar (Pronk et al., 2013). Bij ouderdomsslechthorendheid gaat het om perceptief gehoorverlies dat zich op den duur bij alle oudere personen voordoet.

Omgevingsfactoren versnellen ouderdomsslechthorendheid

Hoewel ouderdomsslechthorendheid van oudsher wordt gezien als een onoverkomelijk en natuurlijk proces van de veroudering, wordt de aandoening in toenemende mate gezien als een complexe aandoening die wordt veroorzaakt door een samenspel van genetische, omgevings- en medische factoren (Van Eyken et al., 2007; NHG-werkgroep, 2014). Zo kan ouderdomsslechthorendheid bij patiënten met het syndroom van Down (bij wie van jongs af aan vaak sprake is van langdurig geleidingsverlies) al eerder (vanaf het 35e jaar) optreden.
De meest onderzochte omgevingsfactor is lawaaiblootstelling. Blootstelling aan hoge geluidsniveaus in de dagelijkse situatie, met lawaaischade als gevolg, kan het proces van slechthorendheid versnellen (Bron: Nederlands Leerboek Audiologie). Mogelijk zet de ouderdomsslechthorendheid hierbij op eerdere leeftijd in (Van Eyken et al., 2007).
Ook zijn er aanwijzingen dat bepaalde chemische stoffen, ototoxische medicijnen, roken, overmatig alcoholgebruik, hart-en vaatziekten, en diabetes mellitus type 2 bijdragen aan het vroeger, of in sterkere mate optreden van ouderdomsslechthorendheid (Van Eyken et al., 2007).

Cognitieve functies spelen belangrijke rol bij horen

Verschillende generieke cognitieve functies zijn nodig om geluiden in het algemeen, en spraak in het bijzonder, goed te kunnen horen. Voorbeelden van deze cognitieve functies zijn informatieverwerkingssnelheid, aandachtsprocessen en werkgeheugen. Deze functies worden belangrijker naarmate de luisteromstandigheden moeilijker worden (zoals in achtergrondrumoer) (Wingfield & Peelle, 2015). Wanneer deze cognitieve functies afnemen als gevolg van veroudering, dan heeft dit ook zijn weerslag op het vermogen om goed spraak te kunnen verstaan (Schneider et al., 2010; Pronk et al., 2013; Pronk et al., 2019).

Datum publicatie

01-11-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. NHG-werkgroep. NHG-Standaard Slechthorendheid (tweede herziening). Huisarts Wet 7(6):302-12 ed.; 2014. Bron
  2. Stam M, Kostense PJ, Festen JM, Kramer SE. The relationship between hearing status and the participation in different categories of work: demographics. Work. 2013;46(2):207-19. Pubmed | DOI
  3. Goderie TPM, Stam M, Lissenberg-Witte BI, Merkus P, Lemke U, Smits C, et al. 10-Year Follow-Up Results of The Netherlands Longitudinal Study on Hearing: Trends of Longitudinal Change in Speech Recognition in Noise. Ear Hear. 2019. Pubmed | DOI
  4. Pronk M, Deeg DJH, Festen JM, Twisk JW, Smits C, Comijs HC, et al. Decline in older persons' ability to recognize speech in noise: the influence of demographic, health-related, environmental, and cognitive factors. Ear Hear. 2013;34(6):722-32. Pubmed | DOI
  5. Van Eyken E, Van Camp G, Van Laer L. The complexity of age-related hearing impairment: contributing environmental and genetic factors. Audiol Neurootol. 2007;12(6):345-58. Pubmed | DOI
  6. Wingfield A, Peelle JE. The effects of hearing loss on neural processing and plasticity. Front Syst Neurosci. 2015;9:35. Pubmed | DOI
  7. Schneider B.A., Pichora-Fuller M.K., Daneman M. Effects of senescent changes in audition and cognition on spoken language comprehension. In: R.D. Frisina & S. Gordon-Salant (Eds.), The Aging Auditory System . New York, NY: Springer; 2010. 1. p. 167-210p. Bron
  8. Pronk M, Lissenberg-Witte BI, van der Aa HPA, Comijs HC, Smits C, Lemke U, et al. Longitudinal Relationships Between Decline in Speech-in-Noise Recognition Ability and Cognitive Functioning: The Longitudinal Aging Study Amsterdam. J Speech Lang Hear Res. 2019;62(4S):1167-1187. Pubmed | DOI

Gevolgen van slechthorendheid

Gevolgen voor school en werk

Schoolgaande kinderen en werkenden met gehoorproblemen hebben meer last van vermoeidheid na school of na het werk (Bess et al., 2014; Nachtegaal et al., 2009), onder andere omdat luisteren hen veel inspanning en concentratie kost. Onder slechthorende werkenden is een verlaagde arbeidsparticipatie en hogere uitval op het werk waar te nemen (Stam et al., 2013; Svinndal et al., 2018).

Gevolgen voor gedrag en psychosociaal functioneren

Slechthorendheid kan zich bij kinderen uiten in gedragsproblemen. Bij volwassenen is slechthorendheid sterk geassocieerd met een verminderd psychosociaal welbevinden en sociaal functioneren. Slechthorende ouderen zullen eerder de stilte opzoeken en feestjes vermijden, en zullen bepaalde sociale en sociaal-maatschappelijke activiteiten en rollen ((vrijwilligers)werk, familieleven, zorgtaken) niet meer zo kunnen vervullen zoals gewenst. Als gevolg hiervan komen psychosociale klachten, zoals angst, psychische vermoeidheid, stress, somatisatie, depressieve gevoelens en eenzaamheid meer voor bij slechthorenden dan bij normaalhorenden (Nachtegaal et al., 2009; Pronk et al., 2011; Pronk et al., 2013; Kramer, 2005). Ook de partner kan last ondervinden van de gehoorproblemen van de ander (NHG-werkgroep, 2014).

Ouderdomsslechthorendheid kan leiden tot cognitieve achteruitgang

Er zijn aanwijzingen dat ouderdomsslechthorendheid het risico op cognitieve achteruitgang en dementie verhoogt (Deal et al., 2017; Lin et al., 2013; Pronk et al., 2019).

Datum publicatie

01-11-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Bess F., Gustavson S., Hornsby B. How hard can it be to listen? Fatigue in school-age children with hearing loss. J Educ Audiol. 2014;20:34-47. Bron
  2. Nachtegaal J, Kuik DJ, Anema JR, S Goverts T, Festen JM, Kramer SE. Hearing status, need for recovery after work, and psychosocial work characteristics: results from an internet-based national survey on hearing. Int J Audiol. 2009;48(10):684-91. Pubmed
  3. Stam M, Kostense PJ, Festen JM, Kramer SE. The relationship between hearing status and the participation in different categories of work: demographics. Work. 2013;46(2):207-19. Pubmed | DOI
  4. Svinndal EVigre, Solheim J, Rise MBy, Jensen C. Hearing loss and work participation: a cross-sectional study in Norway. Int J Audiol. 2018;57(9):646-656. Pubmed | DOI
  5. Nachtegaal J, Smit JH, Smits C, Bezemer PD, van Beek JHM, Festen JM, et al. The association between hearing status and psychosocial health before the age of 70 years: results from an internet-based national survey on hearing. Ear Hear. 2009;30(3):302-12. Pubmed | DOI
  6. Pronk M, Deeg DJH, Smits C, van Tilburg T, Kuik DJ, Festen JM, et al. Prospective effects of hearing status on loneliness and depression in older persons: identification of subgroups. Int J Audiol. 2011;50(12):887-96. Pubmed | DOI
  7. Pronk M, Deeg DJH, Festen JM, Twisk JW, Smits C, Comijs HC, et al. Decline in older persons' ability to recognize speech in noise: the influence of demographic, health-related, environmental, and cognitive factors. Ear Hear. 2013;34(6):722-32. Pubmed | DOI
  8. Kramer SE. The psychosocial impact of hearing loss among elderly people: a review. London and Philadelphia: Whurr Publishers; 2005. Bron
  9. NHG-werkgroep. NHG-Standaard Slechthorendheid (tweede herziening). Huisarts Wet 7(6):302-12 ed.; 2014. Bron
  10. Deal JA, Betz J, Yaffe K, Harris T, Purchase-Helzner E, Satterfield S, et al. Hearing Impairment and Incident Dementia and Cognitive Decline in Older Adults: The Health ABC Study. J Gerontol A Biol Sci Med Sci. 2017;72(5):703-709. Pubmed | DOI
  11. Lin FR, Yaffe K, Xia J, Xue Q-L, Harris TB, Purchase-Helzner E, et al. Hearing Loss and Cognitive Decline in Older Adults. JAMA Internal Medicine. 2013;173(4):293. Bron | DOI
  12. Pronk M, Lissenberg-Witte BI, van der Aa HPA, Comijs HC, Smits C, Lemke U, et al. Longitudinal Relationships Between Decline in Speech-in-Noise Recognition Ability and Cognitive Functioning: The Longitudinal Aging Study Amsterdam. J Speech Lang Hear Res. 2019;62(4S):1167-1187. Pubmed | DOI

Verantwoording

Definities
  • Gehoorstoornis: gehoorverlies door afwijking gehoororgaan

    Een gehoorstoornis is gehoorverlies dat optreedt als gevolg van een afwijking van het gehoororgaan. Gehoorverlies is te onderscheiden in oorzaak en ernst. Gehoorverlies kan aangeboren en verworven zijn. Daarnaast kan het permanent zijn of van tijdelijke aard. Doordat het gehoor(orgaan) diverse functies heeft (zoals het detecteren van geluid en het verstaan van spraak) kunnen gehoorstoornissen leiden tot diverse beperkingen.

  • Indeling gehoorverlies op basis van oorzaak

    Gehoorverlies kan worden ingedeeld op basis van de onderliggende oorzaak:

    • gehoorverlies door een geleidingsstoornis: hierbij wordt het geluid niet goed door de gehoorgang en/of het middenoor geleid
    • gehoorverlies door een perceptiestoornis: hierbij ligt de oorzaak van het gehoorverlies in het binnenoor (het slakkenhuis) of in de gehoorzenuw
    • gemengd gehoorverlies: hierbij is sprake van zowel een geleidingsstoornis als van een perceptiestoornis

    Naast geleidings- en perceptief gehoorverlies, kan er sprake zijn van een centraal Auditief Verwerkingsprobleem (AVP). De patiënt heeft dan een duidelijk hoorprobleem, terwijl daar met de standaard audiometrische tests geen aanwijzingen voor zijn.

  • Indicatoren lichamelijk functioneren

    In VZinfo onderscheiden we de volgende beperkingen in het uitvoeren van activiteiten: beperkingen in het uitvoeren van activiteiten die te maken hebben met horen, zien, mobiliteit, en activiteiten van het dagelijkse leven (ADL). Deze indicatoren zijn gebaseerd op een OECD-vragenlijst (McWhinnie, 1981). Beperkingen in horen, zien en mobiliteit kunnen ook samen bekeken worden. Beperkingen in activiteiten van het dagelijkse leven (ADL) worden apart beschouwd.

    Tabel: Definities van vier indicatoren voor beperkingen

    Indicator Omschrijving
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot horen  Grote moeite met of niet in staat zijn een gesprek te volgen met één andere persoon; of in een groep van 3 of meer personen (zo nodig met hoorapparaat).
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot zien  Grote moeite met of niet in staat zijn de kleine letters in de krant te lezen; of op een afstand van 4 meter het gezicht van iemand te herkennen (zo nodig met bril of contactlenzen).
    Beperkingen in bewegen Grote moeite of niet in staat een voorwerp van 5 kg, bijvoorbeeld een volle boodschappentas, 10 meter te dragen; bukken en iets van de grond te pakken; of 400 meter aan een stuk te lopen zonder stil te staan (zonodig met stok).
    Functioneringsproblemen Grote moeite met minstens één van bovengenoemde beperkingen.
    ADL-beperkingen Grote moeite met of alleen met hulp van anderen in staat zijn te gaan zitten en opstaan uit een stoel; in en uit bed stappen; en de trap op- en aflopen.

    Naast deze vier indicatoren, wordt in VZinfo bij de internationale vergelijkingen een overkoepelende indicator gebruikt: Beperkingen bij dagelijkse activiteiten als gevolg van gezondheidsproblemen. De beperking moet minimaal zes maanden bestaan en is ingedeeld in: 'ernstig beperkt', 'beperkt maar niet ernstig' of 'helemaal niet beperkt'. De indicator is gebaseerd op de Global Activity Limitation Indicator (GALI).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. McWhinnie JR. Disability assessment in population surveys: results of the O.E.C.D. Common Development Effort. Rev Epidemiol Sante Publique. 1981;29(4):413-9. Pubmed
Bronverantwoording
  • Huisartsenregistraties van gehoorstoornissen

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van gehoorstoornissen (huidige situatie) zijn gegevens gebruikt van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn. Voor de beschrijving van de trend in prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van gehoorstoornissen is gebruikgemaakt van twee andere huisartsenregistraties: FaMe-net en RNFM, voorheen RNH-Limburg-Limburg. Deze registraties registreren al vele jaren het voorkomen van ziekten in de huisartsenpraktijk. De registratie van FaMe-net gaat terug tot 1971, toen nog onder de naam CMR Nijmegen. De registratie van RNH-Limburg gaat terug tot 1987. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn heeft gegevens over een kortere periode en wordt daarom niet gebruikt voor de beschrijving van de trends.

    De in de huisartsenregistraties gebruikte ICPC-1-codes zijn H84 (Presbyacusis/ouderdomsslechthorendheid), H85 (akoestisch trauma/lawaaislechthorendheid) en H86 (doofheid).

    Over het algemeen zullen huisartsenregistraties het vóórkomen onderschatten omdat veel ouderen ontkennen dat zij slecht horen. Hoewel ze regelmatig op het spreekuur van de huisarts komen in verband met andere chronische ziekten, vertellen zij niet dat ze slechter horen. Een andere reden dat huisartsenregistraties het vóórkomen van gehoorverlies onderschatten, is dat veel mensen naar een speciaalzaak gaan om het gehoor te laten testen en de gehoorbeperking te laten wegnemen door het aanmeten van een hoortoestel.

    Meer informatie over het schatten van de morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. FaMe-net, Family Medicine Network. zorggegevens.nl
    3. RNFM, voorheen RNH-Limburg, Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht voorheen: Registratienet Huisartspraktijken Limburg. zorggegevens.nl
    4. CMR Nijmegen, Continue Morbiditeits Registratie Nijmegen. zorggegevens.nl
  • Landelijke neonatale gehoorscreening

    Sinds 2006 krijgt elke pasgeborene in Nederland een gehoorscreening aangeboden vanuit de Jeugdgezondheidszorg (JGZ). Bij de ongeveer 4.000 kinderen die jaarlijks op Neonatale Intensive Care Units (NICU’s) worden opgenomen gebeurt dit vanuit de NICU’s. Doel van de gehoorscreening is het vroegtijdig opsporen van kinderen met een gehoorverlies van minimaal 40 dB aan één of beide oren. De regie van het neonatale gehoorscreeningsprogramma JGZ ligt in handen van het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het RIVM. Dit geldt niet voor de gehoorscreening binnen de NICU’s.

  • Gehoorstoornissen: Landelijke Medische Registratie (LMR)

    De Landelijke Medische Registratie (LMR) bevat gegevens over alle ziekenhuisopnamen in nagenoeg alle ziekenhuizen in Nederland. Binnen de LMR wordt de diagnose van gehoorstoornissen gecodeerd volgens de ICD-9. De in VZinfo gepresenteerde gegevens over zorggebruik hebben betrekking op verworven vroege slechthorendheid (ICD-9-code 389). Met ingang van 1 januari 2014 is de LMR-registratie vervangen door de LBZ (LBZ).

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Landelijke Medische Registratie, LMR. zorggegevens.nl
    2. LBZ, Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg . zorggegevens.nl
  • Slechthorendheid: CBS Gezondheidsenquête

    In de CBS-Gezondheidsenquête worden vragen gesteld over welzijn en gezondheid. In de Gezondheidsenquête zijn de volgende twee vragen over slechthorendheid opgenomen:

    1. Kunt u een gesprek volgen in een groep van 3 of meer personen? (Zo nodig met hoorapparaat)
    2. Kunt u met één andere persoon een gesprek voeren? (Zo nodig met hoorapparaat)

    De antwoordcategorieën waaruit gekozen kan worden, zijn:

    • ja, zonder moeite
    • ja, met enige moeite
    • ja, met grote moeite
    • nee, dat kan ik niet

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier. Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

  • Gehoorstoornissen: Kosten van Ziektenstudie

    De gegevens over de kosten van zorg voor gehoorstoornissen komen uit de Kosten van Ziektenstudie. In deze studie worden onder de diagnosegroep ‘gehoorstoornissen’ de ziekten van het oor en processus mastoideus (tepelvormig uitsteeksel van bot achter de oorschelp) verstaan (ICD-9-code 380-389).

  • Nederlands Centrum voor Beroepsziekten: Peilstation Intensief Melden

    Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) registreert en signaleert beroepsziekten via het nationale melding- en registratiesysteem. Hierin worden meldingen van beroepsziekten door bedrijfsartsen geregistreerd. In aanvulling op deze Nationale Registratie Beroepsziekten worden in verschillende peilstations eveneens beroepsziekten geregistreerd met als doel betere cijfers te krijgen over het vóórkomen van beroepsziekten, zoals het Peilstation Intensief Melden (PIM). In de PIM-registratie registreren bedrijfsartsen ook meldingen van slechthorendheid.

  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over gehoorstoornissen

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie in VZinfo Meer informatie
    Nivel Zorgregistraties eerste lijn  Jaarprevalentie Nederlandse bevolking NZR
    FaMe-net Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen Nederlandse bevolking FaMe-net
    Research Network Family Medicine Maastricht, voorheen RNH-Limburg Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen Nederlandse bevolking Research Network Family Medicine Maastricht (RNFM), voorheen RNH-Limburg
    Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM Beperkingen in horen Nederlandse bevolking vanaf 19 jaar Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM
    CBS-POLS, gezondheid en welzijn Beperkingen in horen Nederlandse bevolking vanaf 12 jaar POLS, gezondheid en welzijn
    CBS-Gezondheidsenquête Beperkingen in horen Nederlandse bevolking vanaf 12 jaar Gezondheidsenquête
    Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg Aantal pasgeborenen met gehoorverlies Pasgeborenen (exclusief pasgeborenen opgenomen op Neonatale Intensive Care Units) Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg
    Neonatale gehoorscreening in de Neonatale Intensive Care Units Aantal pasgeborenen  Pasgeborenen opgenomen op Neonatale Intensive Care Units NICU neonatale gehoorscreeningAABR Neonatale gehoorscreening in de NICU's
    Nederlands Centrum voor Beroepsziekten: Peilstation Intensief Melden (PIM) Werkgerelateerde gehoorstoornissen Werknemers NCVB: Peilstation Intensief Melden
    Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor gehoorstoornissen Nederlandse bevolking Kosten van ziekten
    Landelijke Medische Registratie (LMR) Klinische opnamedagen, klinische opnamen, gemiddelde opnameduur, dagopnamen met gehoorstoornissen als hoofdontslagdiagnose Nederlandse bevolking LMR

     

Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.