Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

GehoorstoornissenCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Aantal slechthorenden hangt af van definitie

Regionaal & Internationaal

Meer gehoorbeperkingen in Drenthe

Kosten

Zorguitgaven 1,35 miljard euro in 2017

Preventie & Zorg

Gehoorscreening bij pasgeborenen loont

Prevalentie slechthorendheid in huisartsenpraktijk

Jaarprevalentie slechthorendheid 2018

LeeftijdMannenVrouwen
0-43,92,4
5-913,312,1
10-1416,514,6
15-1913,613,0
20-2411,112,2
25-2911,511,4
30-3410,911,3
35-3912,712,6
40-4416,715,8
45-4922,019,5
50-5427,325,7
55-5939,036,3
60-6463,451,2
65-6997,169,4
70-74134,090,2
75-79189,3132,3
80-84257,1187,7
85+346,8289,9
  • Slechthorendheid: ICPC-codes H84-H86

761.600 mensen met diagnose slechthorendheid

In 2018 waren er 761.600 mensen met de diagnose slechthorendheid (lawaai- en ouderdomsslechthorendheid) bekend bij de huisarts: 394.400 mannen en 367.300 vrouwen (46,1 per 1.000 mannen en 42,3 per 1.000 vrouwen). In deze cijfers zijn lawaai- en ouderdomsslechthorendheid samengenomen, omdat de huisarts hierin niet altijd onderscheid maakt en/of kan maken. Vooral vanaf de leeftijd van vijftig jaar neemt het percentage mensen met lawaai- en ouderdomsslechthorendheid sterk toe, het meest voor mannen. De jaarprevalentie betreft alle mensen die ergens in het jaar 2018 bekend waren bij de huisarts voor slechthorendheid. Deze mensen hoeven niet allemaal in 2018 contact te hebben gehad met de huisarts voor slechthorendheid.

Meer informatie

Datum publicatie

17-09-2019

Zelfgerapporteerde beperking in horen naar leeftijd

Van 19-plussers ondervindt 4,5% een beperking in horen

Van de totale bevolking van 19 jaar en ouder geeft 4,5% aan een beperking te hebben in horen. Het percentage mannen met een beperking in horen is in alle leeftijdsgroepen hoger dan het percentage vrouwen. Bij 75-plussers komen beperkingen in horen het meeste voor. In deze leeftijdgroep geeft 13,3% aan een beperking in horen te hebben.
Deze cijfers zijn gebaseerd op zelfrapportage.

Meer informatie

 

 

Experts en redactie

Datum publicatie

23-03-2019

Opgespoord gehoorverlies door neonatale gehoorscreening

Aantal pasgeborenen met gehoorverlies ontdekt via screening

screening door jeugdgezondheidszorg (JGZ) en Neonatale Intensive Care Units (NICU’s)
 

Opgespoord
gehoorverlies JGZ

Opgespoord
gehoorverlies NICU's

Jaar

dubbelzijdig

enkelzijdig

dubbelzijdig

enkelzijdig

2010

115

76

83

24

2011

99

88

82

37

2012

119

91

94

34

2013

113

87

77

40

2014

124

95

89

38

2015

113

82

75

26

2016

128

68

101

31

2017

119

74

88

29

Gemiddeld over
2010-2017

116

83

86

32

Vroegtijdige opsporing maakt eerdere behandeling en begeleiding mogelijk

Door vroegtijdige opsporing van gehoorverlies bij pasgeborenen kunnen behandeling en begeleiding eerder van start gaan. Daardoor draagt vroegtijdige opsporing bij aan betere ontwikkelingsmogelijkheden van slechthorende kinderen.

Per jaar ongeveer 200 kinderen met gehoorverlies opgespoord vanuit JGZ

In de periode 2010-2017 werden in Nederland vanuit de JGZ gemiddeld 116 kinderen per jaar met een dubbelzijdig gehoorverlies en 83 kinderen met een enkelzijdig gehoorverlies opgespoord (respectievelijk 0,68 en 0,48 per 1.000 kinderen die in aanmerking kwamen voor screening). In 2017 ging het om 119 kinderen met een bilateraal verlies en 74 kinderen met een unilateraal verlies (respectievelijk 0,72 en 0,45 per 1.000 kinderen die in aanmerking kwamen voor screening) (van der Ploeg et al., 2018). Hier komen nog de kinderen bij die door middel van de gehoorscreening op de intensive care afdelingen voor pasgeborenen (NICU's) worden opgespoord.

Per jaar ongeveer 120 kinderen met gehoorverlies opgespoord in NICU's

In de periode 2010-2017 werden in de Neonatale Intensive Care Units (NICU's) gemiddeld 86 kinderen per jaar opgespoord met een bilateraal gehoorverlies en 32 kinderen met een unilateraal gehoorverlies. In 2017 ging het om 88 kinderen met een bilateraal verlies en 29 kinderen met een unilateraal verlies (respectievelijk 2,4 en 0,8% van de gescreende kinderen) (de Graaff-Korf et al., 2019).

Meer informatie

Datum publicatie

10-07-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Ploeg K, Wins S, Verkerk P. Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg. Monitor over 2017. Leiden: TNO; 2018. Bron
  2. de Graaff-Korf KS, Wins S, van Dommelen P, van Straaten HLM, Verkerk PH. Jaarverslag neonatale gehoorscreening in de Neonatale Intensive Care Units 2017. Zwolle: Isala; 2019. Bron

Gehoorschade bij jongeren

Onderzoek naar gehoorschade bij jongeren

Overzicht van recente studies naar jongeren en geluidsbelasting in Nederland en Vlaanderen

Onderzoekspopulatie

Bevindingen met betrekking tot gehoorproblemen en geluidsblootstelling

Nederlandse scholieren van 15/16 jaar (4.000), onderzocht in 2011

  • 48% rapporteert ‘altijd’ of ‘af en toe’ last van een piep of ruis in het oor na het uitgaan, 10% heeft altijd na het uitgaan een piep of ruis in het oor.
  • 52% luistert elke dag naar een MP3-speler, 4,8% nooit.
  • 38% luistert 2-4 uur per dag, 10% 5-8 uur en 9% meer dan 8 uur per dag.
  • >50% hanteert daarbij een geluidsvolume van >70% van het maximale volume.
  • Ruim driekwart van de 15-/16-jarigen gaat uit, 15% 1x per week of vaker.

Bijzonderheden: vmbo-leerlingen rapporteren relatief vaker geluidsblootstelling.

Nederlandse scholieren middelbare school (1.687 uitgenodigd, 1.512 respons) in 2007

  • 30% rapporteert (wel eens) een piep na het luisteren van muziek via een koptelefoon, 59% rapporteert (wel eens) een piep na discobezoek.
  • 90% luistert (wel eens) naar een MP3-speler. 28,6% hiervan heeft naar schatting een blootstelling van >89 dB(A) wat een verhoogd risico geeft op gehoorschade.
  • Meer dan 70% gaat wel eens naar een discotheek (of vergelijkbare activiteit): van 24,6% wordt geschat dat de blootstelling risicovol is: >100 dB(A) gedurende 1 uur en 15 minuten.

519 bezoekers van FRIS feest, 12-15 jaar in 2013 (feesten zonder alcohol en drugs)

  • 14% had vaak/altijd piep na uitgaan.
  • 97% heeft een mp3-speler.

130.000 bezoekers van muzieklocaties en evenementen, mei 2011 – mei 2012, 18-35 jaar

  • 93% heeft last van het gehoor direct na uitgaan, 38% de volgende dag nog.

500 scholieren 10-18 jaar in 2005

  • 13% geeft aan minder goed te horen, 1% geeft aan onvoldoende te horen.
  • 72% luistert gemiddeld 6x1,5 uur met koptelefoon. 25-50% gaat naar festival, houseparty, dance event popconcert, schoolfeest, enzovoort.

17.000 deelnemers aan online hoortest van de Hoorstichting in 2012, 12-25 jaar

  • 38% scoort onvoldoende of slecht.

3.892 scholieren van 14-20 jaar in Vlaanderen, rond 2012

  • 74,9 rapporteert tijdelijke tinnitus, 18,3% een permanente piep.

Overgenomen uit Gommer et al., 2013

Oude schatting: jaarlijks 21.500 jongeren gehoorschade door harde muziek

Op basis van Nederlands onderzoek uit de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw werd geschat dat jaarlijks 21.500 jongeren gehoorschade opliepen als gevolg van blootstelling aan te harde muziek (Passchier-Vermeer, 1989; Chorus et al., 1995). De afgelopen jaren zijn er diverse studies uitgevoerd naar gehoorschade en geluidsblootstelling in Nederland (en Vlaanderen). Deze studies maken voornamelijk gebruik van zelfrapportage van gehoorklachten en geluidsblootstelling en laten zien dat een (tijdelijke) piep of ruis in het oor (tinnitus) na uitgaan of luisteren van muziek, veel voorkomt. Van de jongeren rapporteert 14 tot 60% vaak of weleens een tijdelijke piep of ruis in het oor na het uitgaan. Schattingen van jongeren met een permanente piep in het oor lopen op tot 18,3%. Dit zijn waarschuwingssignalen voor schadelijke geluidsblootstelling (Gommer et al., 2013).

Merendeel stappers van 18-35 jaar heeft last van gehoor na uitgaan

Het merendeel (38-93%) van de jongeren van 18 tot 35 jaar heeft last van tijdelijk of permanent oorsuizen na het uitgaan. Dit blijkt uit twee studies in Nederland en Vlaanderen. Oorsuizen is een teken dat het gehoororgaan op microniveau is beschadigd.

  • De resultaten van een enquête onder 130.000 stappers van 18-35 jaar in Nederland laten zien dat het merendeel risico loopt op gehoorschade; 93% geeft aan na het uitgaan last te hebben van het gehoor, bijvoorbeeld een piep, oorsuizen, minder goed kunnen horen, last hebben van harde geluiden of een dovig gevoel; 38% rapporteerde na een dag nog last te hebben (Gorter, 2012).
  • Onderzoek uit 2013 onder ongeveer 4.000 jongeren van 14-18 jaar in Vlaanderen wijst uit dat 39% van de 14-jarigen last heeft van tijdelijk oorsuizen na het uitgaan. Dit percentage loopt op naar 83% bij 18-jarigen. 18% van de jongeren heeft last van een permanent oorsuizen (Gilles et al., 2013). De helft van de 15-24-jarigen gaat minstens één keer per maand naar een discotheek of club (Bron: CBS-StatLine).

Meer informatie

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Passchier-Vermeer W. Het gehoor van jongeren en blootstelling aan geluid. Leiden: TNO; 1989. Bron
  2. Chorus AMJ, Kremer A, Oortwijn WJ, Schaapveld K. Slechthorendheid in Nederland. Achtergrondinformatie bij een knelpuntennotitie. Leiden: TNO; 1995. Bron
  3. Gommer AM, Hoekstra J, Engelfriet PM, Wilson C, Picavet HSJ. Gehoorschade en geluidsblootstelling in Nederland - inventarisatie van cijfers. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2013. Bron
  4. Gorter AF. Gehoorschade als gevolg van harde muziek: risicogedrag en misconcepties onder uitgaanspubliek. Leiden: Nationale Hoorstichting; 2012. Bron
  5. Gilles A, Van Hal G, de Ridder D, Wouters K, van de Heyning P. Epidemiology of noise-induced tinnitus and the attitudes and beliefs towards noise and hearing protection in adolescents. PLoS One. 2013;8(7):e70297. Pubmed | DOI

Verantwoording

Definities
  • Gehoorstoornis: gehoorverlies door afwijking gehoororgaan

    Een gehoorstoornis is gehoorverlies dat optreedt als gevolg van een afwijking van het gehoororgaan. Gehoorverlies is te onderscheiden in oorzaak en ernst. Gehoorverlies kan aangeboren en verworven zijn. Daarnaast kan het permanent zijn of van tijdelijke aard. Doordat het gehoor(orgaan) diverse functies heeft (zoals het detecteren van geluid en het verstaan van spraak) kunnen gehoorstoornissen leiden tot diverse beperkingen.

  • Indeling gehoorverlies op basis van oorzaak

    Gehoorverlies kan worden ingedeeld op basis van de onderliggende oorzaak:

    • gehoorverlies door een geleidingsstoornis: hierbij wordt het geluid niet goed door de gehoorgang en/of het middenoor geleid
    • gehoorverlies door een perceptiestoornis: hierbij ligt de oorzaak van het gehoorverlies in het binnenoor (het slakkenhuis) of in de gehoorzenuw
    • gemengd gehoorverlies: hierbij is sprake van zowel een geleidingsstoornis als van een perceptiestoornis

    Naast geleidings- en perceptief gehoorverlies, kan er sprake zijn van een centraal Auditief Verwerkingsprobleem (AVP). De patiënt heeft dan een duidelijk hoorprobleem, terwijl daar met de standaard audiometrische tests geen aanwijzingen voor zijn.

  • Indicatoren lichamelijk functioneren

    In VZinfo onderscheiden we de volgende beperkingen in het uitvoeren van activiteiten: beperkingen in het uitvoeren van activiteiten die te maken hebben met horen, zien, mobiliteit, en activiteiten van het dagelijkse leven (ADL). Deze indicatoren zijn gebaseerd op een OECD-vragenlijst (McWhinnie, 1981). Beperkingen in horen, zien en mobiliteit kunnen ook samen bekeken worden. Beperkingen in activiteiten van het dagelijkse leven (ADL) worden apart beschouwd.

    Tabel: Definities van vier indicatoren voor beperkingen

    Indicator Omschrijving
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot horen  Grote moeite met of niet in staat zijn een gesprek te volgen met één andere persoon; of in een groep van 3 of meer personen (zo nodig met hoorapparaat).
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot zien  Grote moeite met of niet in staat zijn de kleine letters in de krant te lezen; of op een afstand van 4 meter het gezicht van iemand te herkennen (zo nodig met bril of contactlenzen).
    Beperkingen in bewegen Grote moeite of niet in staat een voorwerp van 5 kg, bijvoorbeeld een volle boodschappentas, 10 meter te dragen; bukken en iets van de grond te pakken; of 400 meter aan een stuk te lopen zonder stil te staan (zonodig met stok).
    Functioneringsproblemen Grote moeite met minstens één van bovengenoemde beperkingen.
    ADL-beperkingen Grote moeite met of alleen met hulp van anderen in staat zijn te gaan zitten en opstaan uit een stoel; in en uit bed stappen; en de trap op- en aflopen.

    Naast deze vier indicatoren, wordt in VZinfo bij de internationale vergelijkingen een overkoepelende indicator gebruikt: Beperkingen bij dagelijkse activiteiten als gevolg van gezondheidsproblemen. De beperking moet minimaal zes maanden bestaan en is ingedeeld in: 'ernstig beperkt', 'beperkt maar niet ernstig' of 'helemaal niet beperkt'. De indicator is gebaseerd op de Global Activity Limitation Indicator (GALI).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. McWhinnie JR. Disability assessment in population surveys: results of the O.E.C.D. Common Development Effort. Rev Epidemiol Sante Publique. 1981;29(4):413-9. Pubmed
Bronverantwoording
  • Huisartsenregistraties van gehoorstoornissen

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van gehoorstoornissen (huidige situatie) zijn gegevens gebruikt van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn. Voor de beschrijving van de trend in prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van gehoorstoornissen is gebruikgemaakt van twee andere huisartsenregistraties: FaMe-net en RNFM, voorheen RNH-Limburg-Limburg. Deze registraties registreren al vele jaren het voorkomen van ziekten in de huisartsenpraktijk. De registratie van FaMe-net gaat terug tot 1971, toen nog onder de naam CMR Nijmegen. De registratie van RNH-Limburg gaat terug tot 1987. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn heeft gegevens over een kortere periode en wordt daarom niet gebruikt voor de beschrijving van de trends.

    De in de huisartsenregistraties gebruikte ICPC-1-codes zijn H84 (Presbyacusis/ouderdomsslechthorendheid), H85 (akoestisch trauma/lawaaislechthorendheid) en H86 (doofheid).

    Over het algemeen zullen huisartsenregistraties het vóórkomen onderschatten omdat veel ouderen ontkennen dat zij slecht horen. Hoewel ze regelmatig op het spreekuur van de huisarts komen in verband met andere chronische ziekten, vertellen zij niet dat ze slechter horen. Een andere reden dat huisartsenregistraties het vóórkomen van gehoorverlies onderschatten, is dat veel mensen naar een speciaalzaak gaan om het gehoor te laten testen en de gehoorbeperking te laten wegnemen door het aanmeten van een hoortoestel.

    Meer informatie over het schatten van de morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. FaMe-net, Family Medicine Network. zorggegevens.nl
    3. RNFM, voorheen RNH-Limburg, Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht voorheen: Registratienet Huisartspraktijken Limburg. zorggegevens.nl
    4. CMR Nijmegen, Continue Morbiditeits Registratie Nijmegen. zorggegevens.nl
  • Landelijke neonatale gehoorscreening

    Sinds 2006 krijgt elke pasgeborene in Nederland een gehoorscreening aangeboden vanuit de Jeugdgezondheidszorg (JGZ). Bij de ongeveer 4.000 kinderen die jaarlijks op Neonatale Intensive Care Units (NICU’s) worden opgenomen gebeurt dit vanuit de NICU’s. Doel van de gehoorscreening is het vroegtijdig opsporen van kinderen met een gehoorverlies van minimaal 40 dB aan één of beide oren. De regie van het neonatale gehoorscreeningsprogramma JGZ ligt in handen van het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het RIVM. Dit geldt niet voor de gehoorscreening binnen de NICU’s.

  • Gehoorstoornissen: Landelijke Medische Registratie (LMR)

    De Landelijke Medische Registratie (LMR) bevat gegevens over alle ziekenhuisopnamen in nagenoeg alle ziekenhuizen in Nederland. Binnen de LMR wordt de diagnose van gehoorstoornissen gecodeerd volgens de ICD-9. De in VZinfo gepresenteerde gegevens over zorggebruik hebben betrekking op verworven vroege slechthorendheid (ICD-9-code 389). Met ingang van 1 januari 2014 is de LMR-registratie vervangen door de LBZ (LBZ).

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Landelijke Medische Registratie, LMR. zorggegevens.nl
    2. LBZ, Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg . zorggegevens.nl
  • Slechthorendheid: CBS Gezondheidsenquête

    In de CBS-Gezondheidsenquête worden vragen gesteld over welzijn en gezondheid. In de Gezondheidsenquête zijn de volgende twee vragen over slechthorendheid opgenomen:

    1. Kunt u een gesprek volgen in een groep van 3 of meer personen? (Zo nodig met hoorapparaat)
    2. Kunt u met één andere persoon een gesprek voeren? (Zo nodig met hoorapparaat)

    De antwoordcategorieën waaruit gekozen kan worden, zijn:

    • ja, zonder moeite
    • ja, met enige moeite
    • ja, met grote moeite
    • nee, dat kan ik niet

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier. Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

  • Gehoorstoornissen: Kosten van Ziektenstudie

    De gegevens over de kosten van zorg voor gehoorstoornissen komen uit de Kosten van Ziektenstudie. In deze studie worden onder de diagnosegroep ‘gehoorstoornissen’ de ziekten van het oor en processus mastoideus (tepelvormig uitsteeksel van bot achter de oorschelp) verstaan (ICD-9-code 380-389).

  • Nederlands Centrum voor Beroepsziekten: Peilstation Intensief Melden

    Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) registreert en signaleert beroepsziekten via het nationale melding- en registratiesysteem. Hierin worden meldingen van beroepsziekten door bedrijfsartsen geregistreerd. In aanvulling op deze Nationale Registratie Beroepsziekten worden in verschillende peilstations eveneens beroepsziekten geregistreerd met als doel betere cijfers te krijgen over het vóórkomen van beroepsziekten, zoals het Peilstation Intensief Melden (PIM). In de PIM-registratie registreren bedrijfsartsen ook meldingen van slechthorendheid.

  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over gehoorstoornissen

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie in VZinfo Meer informatie
    Nivel Zorgregistraties eerste lijn  Jaarprevalentie Nederlandse bevolking NZR
    FaMe-net Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen Nederlandse bevolking FaMe-net
    Research Network Family Medicine Maastricht, voorheen RNH-Limburg Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen Nederlandse bevolking Research Network Family Medicine Maastricht (RNFM), voorheen RNH-Limburg
    Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM Beperkingen in horen Nederlandse bevolking vanaf 19 jaar Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM
    CBS-POLS, gezondheid en welzijn Beperkingen in horen Nederlandse bevolking vanaf 12 jaar POLS, gezondheid en welzijn
    CBS-Gezondheidsenquête Beperkingen in horen Nederlandse bevolking vanaf 12 jaar Gezondheidsenquête
    Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg Aantal pasgeborenen met gehoorverlies Pasgeborenen (exclusief pasgeborenen opgenomen op Neonatale Intensive Care Units) Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg
    Neonatale gehoorscreening in de Neonatale Intensive Care Units Aantal pasgeborenen  Pasgeborenen opgenomen op Neonatale Intensive Care Units NICU neonatale gehoorscreeningAABR Neonatale gehoorscreening in de NICU's
    Nederlands Centrum voor Beroepsziekten: Peilstation Intensief Melden (PIM) Werkgerelateerde gehoorstoornissen Werknemers NCVB: Peilstation Intensief Melden
    Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor gehoorstoornissen Nederlandse bevolking Kosten van ziekten
    Landelijke Medische Registratie (LMR) Klinische opnamedagen, klinische opnamen, gemiddelde opnameduur, dagopnamen met gehoorstoornissen als hoofdontslagdiagnose Nederlandse bevolking LMR

     

Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.