Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

GehoorstoornissenCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Aantal slechthorenden hangt af van definitie

Regionaal & Internationaal

Meeste gehoorbeperkingen in Limburg

Kosten

Zorguitgaven 1,35 miljard euro in 2017

Preventie & Zorg

Gehoorscreening bij pasgeborenen loont

Prevalentie slechthorendheid in huisartsenpraktijk

Jaarprevalentie slechthorendheid 2019

LeeftijdMannenVrouwen
0-43,62,2
5-912,912,1
10-1416,614,2
15-1913,513,9
20-2411,912,2
25-2911,911,6
30-3411,312,1
35-3913,012,2
40-4415,414,8
45-4921,519,5
50-5425,824,3
55-5938,634,4
60-6462,350,0
65-6997,866,4
70-74135,390,7
75-79184,7126,1
80-84251,7183,1
85+355,7291,8
  • Slechthorendheid: ICPC-codes H84-H86

767.200 mensen met diagnose slechthorendheid

In 2019 waren er 767.200 mensen met de diagnose slechthorendheid bekend bij de huisarts: 401.100 mannen en 366.000 vrouwen (46,6 per 1.000 mannen en 41,9 per 1.000 vrouwen). In deze cijfers zijn lawaai- en ouderdomsslechthorendheid niet van elkaar en van andere vormen van slechthorendheid/doofheid onderscheiden, omdat de huisarts dit onderscheid niet altijd maakt en/of kan maken. Vooral vanaf de leeftijd van vijftig jaar neemt het percentage mensen met slechthorendheid sterk toe, het meest voor mannen. De jaarprevalentie betreft alle mensen die ergens in het jaar 2019 bekend waren bij de huisarts voor slechthorendheid. Deze mensen hoeven niet allemaal in 2019 contact te hebben gehad met de huisarts voor slechthorendheid.

Meer informatie

Datum publicatie

22-10-2020

Zelfgerapporteerde beperking in horen naar leeftijd

Beperkingen in horen vooral bij 75-plussers

Beperkingen in het uitvoeren van activiteiten die te maken hebben met horen nemen toe met de leeftijd. Bij 75-plussers komen beperkingen in horen duidelijk het meeste voor. In de hele bevolking (12+) meldt 3,1% beperkingen in horen (niet in de figuur).

Meer informatie

 

 

Datum publicatie

18-03-2021

Opgespoord gehoorverlies door neonatale gehoorscreening

Aantal pasgeborenen met gehoorverlies ontdekt via screening

screening door jeugdgezondheidszorg (JGZ) en Neonatale Intensive Care Units (NICU’s)
 

Opgespoord

gehoorverlies JGZ

Opgespoord

gehoorverlies NICU's

Jaar

dubbelzijdig

enkelzijdig

dubbelzijdig

enkelzijdig

2011

99

88

82

37

2012

119

91

94

34

2013

113

87

77

40

2014

124

95

89

38

2015

113

82

75

26

2016

128

68

101

31

2017

119

74

87

30

2018

146

85

68

29

2019

129

77

   
         

Gemiddeld 2011-2018

120

84

84

33

Gemiddeld 2012-2019

124

82

   
  • Voor het aantal kinderen met gehoorverlies dat op de NICU is opgespoord, zijn nog geen cijfers over 2019 beschikbaar.
     
Dit cijfer is ook onderdeel van

Vroegtijdige opsporing maakt eerdere behandeling en begeleiding mogelijk

Door vroegtijdige opsporing van gehoorverlies bij pasgeborenen kunnen behandeling en begeleiding eerder van start gaan. Daardoor draagt vroegtijdige opsporing bij aan betere ontwikkelingsmogelijkheden van slechthorende kinderen.

Per jaar ongeveer 200 kinderen met gehoorverlies opgespoord vanuit JGZ

In de periode 2012-2019 werden in Nederland vanuit de JGZ gemiddeld 124 kinderen per jaar met een dubbelzijdig gehoorverlies en 82 kinderen met een enkelzijdig gehoorverlies opgespoord (respectievelijk 0,74 en 0,49 per 1.000 kinderen die in aanmerking kwamen voor screening). In 2019 ging het om 129 kinderen met een bilateraal verlies en 77 kinderen met een unilateraal verlies (respectievelijk 0,78 en 0,46 per 1.000 kinderen die in aanmerking kwamen voor screening) (van der Ploeg et al., 2020). Hier komen nog de kinderen bij die door middel van de gehoorscreening op de intensive care afdelingen voor pasgeborenen (NICU's) worden opgespoord.

Per jaar ongeveer 120 kinderen met gehoorverlies opgespoord in NICU's

In de periode 2011-2018 werden in de Neonatale Intensive Care Units (NICU's) gemiddeld 84 kinderen per jaar opgespoord met een bilateraal gehoorverlies en 33 kinderen met een unilateraal gehoorverlies. In 2018 ging het om 68 kinderen met een bilateraal verlies en 29 kinderen met een unilateraal verlies (respectievelijk 1,9 en 0,8% van de gescreende kinderen) (de Graaff-Korf et al., 2020).

Meer informatie

Datum publicatie

22-01-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Ploeg K, Wins S, Verkerk P. Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg. Monitor over 2019. Leiden: TNO; 2020. Bron
  2. de Graaff-Korf KS, Wins S, van Dommelen P, van Straaten HLM, Verkerk PH. Jaarverslag neonatale gehoorscreening in de Neonatale Intensive Care Units 2018. Zwolle: Isala; 2020. Bron
  3. van der Ploeg K, Wins S, Verkerk P. Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg. Monitor over 2018. Leiden: TNO; 2019. Bron

Werkgerelateerde gehoorproblemen

Schattingen werkgerelateerde gehoorproblemen lopen sterk uiteen

Op basis van meldingen van bedrijfsartsen (Peilstation Intensief Melden van het NCvB) was er in 2019 sprake van naar schatting 170 nieuw gemelde gevallen van werkgerelateerde gehoorproblemen onder werknemers (Bron: Arbobalans, 2020). Werknemers rapporteren zelf veel meer nieuwe gevallen van gehoorproblemen. Op basis van de resultaten van Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden waren dat er 8.200 in 2018. Op basis van de huisartsenregistraties van het NIVEL schatte het RIVM het aantal nieuwe gevallen van werkgerelateerde gehoorproblemen in de werkzame beroepsbevolking op ruim 2.050 in 2018.

Verschillen en onzekerheden in schattingen

De meldingen door bedrijfsartsen, de zelfrapportages door werknemers en de huisartsenregistraties leiden tot verschillende schattingen van het aantal nieuwe gevallen van werkgerelateerde gehoorproblemen. De schattingen op basis van meldingen van bedrijfsartsen zijn een onderschatting doordat niet iedere werknemer een bedrijfsarts heeft en bedrijfsartsen niet iedere werknemer zien. Dit geldt voor zzp’ers in sterkere mate dan voor werknemers.
Het kan voorkomen dat bedrijfsartsen, huisartsen of werknemers zelf onterecht de link niet leggen tussen een ziekte en het werk. Hierdoor wordt een ziekte die door het werk is ontstaan niet altijd als een beroepsziekte aangemerkt en geregistreerd. Het omgekeerde kan ook voorkomen: artsen of werknemers leggen een verband tussen het ontstaan van het gehoorprobleem en het werk, terwijl die er niet is.

Meer informatie

Experts en redactie

Datum publicatie

04-06-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Arbobalans. Arbobalans 2020: Kwaliteit van de arbeid, effecten en maatregelen in Nederland. Leiden: TNO; 2020. Bron

Verantwoording

Definities
  • Gehoorstoornis: gehoorverlies door afwijking gehoororgaan

    Een gehoorstoornis is gehoorverlies dat optreedt als gevolg van een afwijking van het gehoororgaan. Gehoorverlies is te onderscheiden in oorzaak en ernst. Gehoorverlies kan aangeboren en verworven zijn. Daarnaast kan het permanent zijn of van tijdelijke aard. Doordat het gehoor(orgaan) diverse functies heeft (zoals het detecteren van geluid en het verstaan van spraak) kunnen gehoorstoornissen leiden tot diverse beperkingen.

  • Indeling gehoorverlies op basis van oorzaak

    Gehoorverlies kan worden ingedeeld op basis van de onderliggende oorzaak:

    • gehoorverlies door een geleidingsstoornis: hierbij wordt het geluid niet goed door de gehoorgang en/of het middenoor geleid
    • gehoorverlies door een perceptiestoornis: hierbij ligt de oorzaak van het gehoorverlies in het binnenoor (het slakkenhuis) of in de gehoorzenuw
    • gemengd gehoorverlies: hierbij is sprake van zowel een geleidingsstoornis als van een perceptiestoornis

    Naast geleidings- en perceptief gehoorverlies, kan er sprake zijn van een centraal Auditief Verwerkingsprobleem (AVP). De patiënt heeft dan een duidelijk hoorprobleem, terwijl daar met de standaard audiometrische tests geen aanwijzingen voor zijn.

  • Indicatoren lichamelijk functioneren

    In VZinfo onderscheiden we de volgende beperkingen in het uitvoeren van activiteiten: beperkingen in het uitvoeren van activiteiten die te maken hebben met horen, zien, mobiliteit, en activiteiten van het dagelijkse leven (ADL). Deze indicatoren zijn gebaseerd op een OECD-vragenlijst (McWhinnie, 1981). Beperkingen in horen, zien en mobiliteit kunnen ook samen bekeken worden. Beperkingen in activiteiten van het dagelijkse leven (ADL) worden apart beschouwd.

    Tabel: Definities van vier indicatoren voor beperkingen

    Indicator Omschrijving
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot horen  Grote moeite met of niet in staat zijn een gesprek te volgen met één andere persoon; of in een groep van 3 of meer personen (zo nodig met hoorapparaat).
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot zien  Grote moeite met of niet in staat zijn de kleine letters in de krant te lezen; of op een afstand van 4 meter het gezicht van iemand te herkennen (zo nodig met bril of contactlenzen).
    Beperkingen in bewegen Grote moeite of niet in staat een voorwerp van 5 kg, bijvoorbeeld een volle boodschappentas, 10 meter te dragen; bukken en iets van de grond te pakken; of 400 meter aan een stuk te lopen zonder stil te staan (zonodig met stok).
    Functioneringsproblemen Grote moeite met minstens één van bovengenoemde beperkingen.
    ADL-beperkingen Grote moeite met of alleen met hulp van anderen in staat zijn te gaan zitten en opstaan uit een stoel; in en uit bed stappen; en de trap op- en aflopen.

    Naast deze vier indicatoren, wordt in VZinfo bij de internationale vergelijkingen een overkoepelende indicator gebruikt: Beperkingen bij dagelijkse activiteiten als gevolg van gezondheidsproblemen. De beperking moet minimaal zes maanden bestaan en is ingedeeld in: 'ernstig beperkt', 'beperkt maar niet ernstig' of 'helemaal niet beperkt'. De indicator is gebaseerd op de Global Activity Limitation Indicator (GALI).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. McWhinnie JR. Disability assessment in population surveys: results of the O.E.C.D. Common Development Effort. Rev Epidemiol Sante Publique. 1981;29(4):413-9. Pubmed
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over gehoorstoornissen

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie in VZinfo Meer informatie
    Nivel Zorgregistraties eerste lijn  Jaarprevalentie Nederlandse bevolking NZR
    Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM Beperkingen in horen Nederlandse bevolking vanaf 18 jaar Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen GGD'en, CBS en RIVMRIVM-StatLine
    CBS-POLS, gezondheid en welzijn Beperkingen in horen Nederlandse bevolking vanaf 12 jaar POLS, gezondheid en welzijn
    CBS-Gezondheidsenquête Beperkingen in horen Nederlandse bevolking vanaf 12 jaar Gezondheidsenquête
    Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg Aantal pasgeborenen met gehoorverlies Pasgeborenen (exclusief pasgeborenen opgenomen op Neonatale Intensive Care Units) Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg
    Neonatale gehoorscreening in de Neonatale Intensive Care Units Aantal pasgeborenen  Pasgeborenen opgenomen op Neonatale Intensive Care Units NICU neonatale gehoorscreeningAABR Neonatale gehoorscreening in de NICU's
    Nederlands Centrum voor Beroepsziekten: Peilstation Intensief Melden (PIM) Werkgerelateerde gehoorstoornissen Werknemers NCVB: Peilstation Intensief Melden
    Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor gehoorstoornissen Nederlandse bevolking Kosten van ziekten

     

  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012 en opnieuw uitgevoerd in 2016 en 2020. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2020 bevat informatie over de Nederlandse bevolking van achttien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en 2020 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012, 2016 en 2020 deden respectievelijk ruim 387.000 personen, 457.000 personen en 539.900 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 en Gezondheidsmonitor Jeugd 2019 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 en 2019 zijn uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In 2015 hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor. In 2019 waren dit 171.192 leerlingen en 707 scholen.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier en hier en voor Gezondheidsmonitors Jeugd vindt u hier. Gewoonlijk kunt u bij het digitale loket Gezondheidsmonitors data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Omdat het digitale loket tijdelijk niet bereikbaar is, kunt u een aanvraag indienen via monitorgezondheid.nl. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015, Gezondheidsmonitor Jeugd 2019. Data en cijfers uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2020 zijn beschikbaar vanaf najaar 2021. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

    Toetsing trends

    Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.
    De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.