Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Fysieke omgevingCijfers & ContextWater

Cijfers & Context

Concentraties fijn stof dalen

Regionaal & Internationaal

Relatief lage ozonconcentraties in Nederland

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Tabakswet bevordert schoon binnenmilieu

Kwaliteit drinkwater

Metingen en normoverschrijdingen per groep van parameters, 2016

Parameter Aantal metingen Aantal overschrijdingen Percentage overschrijdingen
Microbiologische parameters 64.210 52 0,08
Chemische parameters 87.110 11 0,01
Indicatorparameters 226.247 398 0,18
Totaal 377.567 461 0,12

Bron: ILT, 2017

  • De tabel is gebaseerd op alleen die parameters waarbij normoverschrijdingen zijn geconstateerd. De overige parameters zijn buiten beschouwing gelaten. 

Drinkwater in Nederland voldoet aan kwaliteitsnormen

Het drinkwater in Nederland voldoet aan de kwaliteitsnormen van het drinkwaterbesluit (ILT, 2017). Bij 99,9% van de meer dan een half miljoen metingen voldoet het drinkwater aan de gestelde normen. Dit blijkt uit de resultaten van de controles van de drinkwaterkwaliteit door de drinkwaterbedrijven in 2015. Jaarlijks wordt een beperkt aantal normoverschrijdingen gemeten. Het is mogelijk dat er een keer een onderdeel van de drinkwaterzuivering niet goed werkt of dat er een leiding kapot is. Hierdoor kan de kwaliteit van het drinkwater tijdelijk minder goed zijn meestal zonder direct gevaar voor de volksgezondheid. De metingen van de drinkwaterbedrijven aan het gezuiverde drinkwater en in het distributienet zijn erop gericht deze onvolkomenheden tijdig op te sporen. 

Microbiologische verontreinigingen vooral door Escherichia coli

Bacteriële verontreinigingen in het drinkwater door bijvoorbeeld een besmetting of verontreiniging tijdens productie, opslag of transport bij het waterleidingbedrijf komen weinig voor (Versteegh & Dik, 2013; ILT, 2013ILT, 2014; ILT, 2017). Een aantal keren per jaar treffen waterleidingbedrijven de darmbacteriën Escherichia coli (E. coli) en enterococcen aan in drinkwater. Deze darmbacteriën zijn indicatoren voor de aanwezigheid van verontreinigingen met menselijke of dierlijke uitwerpselen, zogenaamde fecale verontreinigingen, en dus voor de mogelijke aanwezigheid van ziekteverwekkende micro-organismen die in deze uitwerpselen aanwezig kunnen zijn. De norm voor de darmbacteriën E. coli en enterococcen is afwezigheid in 100 ml drinkwater. De normoverschrijdingen zijn meestal eenmalig en vormen meestal geen direct gevaar voor de volksgezondheid, maar geven aan dat er onvolkomenheden zijn bij de productie of de distributie van drinkwater (ILT, 2013). De normen uit het drinkwaterbesluit zijn zeer streng en gebaseerd op het voorzorgsprincipe. Verder treffen de drinkwaterbedrijven een enkele keer legionella-bacteriën in het afgeleverde water van een pompstation aan (Versteegh & Dik, 2013ILT, 2013ILT, 2014; ILT, 2017).

Chemische verontreinigingen veelal eenmalig

Het drinkwater kan ook chemisch verontreinigd zijn met zogeheten microverontreinigingen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om lood en (resten van) industriële chemicaliën, bestrijdingsmiddelen en geneesmiddelen. De concentratie van deze stoffen is zo laag dat het drinkwater veilig is. Een groot deel van de normoverschrijdingen voor chemische verontreiniging is eenmalig (ILT, 2017); meestal betreft het stoffen die geen directe relatie met de gezondheid hebben. Af en toe overschrijden bijvoorbeeld concentraties bestrijdingsmiddelen de drinkwaternorm voor bestrijdingsmiddelen van 0,1 µg/l. Dit kan bijvoorbeeld komen door een storing in het zuiveringsproces of door verontreiniging van grond- en/of oppervlaktewater (CBS, PBL, Wageningen UR, 2015; Staal et al., 2014; ILT, 2017). Ook geneesmiddelen komen incidenteel in zeer lage concentraties in drinkwater voor (Versteegh et al., 2007; Laak et al., 2015). De concentraties liggen een factor 1.000 lager dan de huidige richtwaarden voor drinkwater (Versteegh et al., 2007). De drinkwaterkwaliteit is door de aanwezigheid van geneesmiddelen momenteel niet in het geding, maar in de toekomst kan de kwaliteit van de drinkwaterbronnen door vergrijzing (meer medicijngebruik) en klimaatverandering (langdurige lage waterstanden) onder druk komen te staan (Moermond et al., 2016). Om te voorkomen dat geneesmiddelen en bestrijdingsmiddelen in het drinkwater terecht komen, nemen drinkwaterbedrijven preventieve maatregelen of zetten extra en/of geavanceerde zuiveringstechnieken in (Moermond et al., 2016; Staal et al., 2014). 

Regelmatig industriële chemicaliën in bronnen van drinkwater

Met enige regelmaat worden lage concentraties industriële chemicaliën (PFOA, pyrazool en GenX) aangetroffen in de bronnen voor drinkwater. Dit leidt tot intensieve monitoring, innamestops en soms extra zuivering zodat het drinkwater betrouwbaar blijft. De concentraties PFOA en GenX in drinkwater zijn lager dan de richtwaarden voor deze stoffen in drinkwater (Versteegh & de Voogt, 2017; RIVM, 2016; RIVM, 2017). Bovendien zijn deze richtwaarden laag (0,087 microgram per liter voor PFOA en 0,15 microgram per liter voor GenX) (RIVM, 2016; RIVM, 2016; RIVM, 2017; Beekman et al., 2016).

Meting indicator parameters

Naast normen voor microbiologische en chemisch parameters zijn er ook normen voor indicatorparameters. Een aantal microbiologische parameters zoals E. coli en enterococcen zijn tegelijkertijd ook indicatoren voor fecale verontreiniging. Overschrijding van de norm voor indicatorparameters vormt geen direct gevaar voor de volksgezondheid, maar geeft aan dat er onvolkomenheden zijn bij de productie of de distributie van drinkwater. Ook het aantal en de omvang van deze overschrijdingen is gering (ILT, 2017). 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. ILT. De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2016. Den Haag: Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT); 2017. Bron
  2. Versteegh JFM, Dik HHJ. De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2011. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2013. Bron
  3. ILT. De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2012. Utrecht: Inspectie Leefomgeving en Transport; 2013. Bron
  4. ILT. De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2013. Utrecht: Inspectie Leefomgeving en Transport; 2014. Bron
  5. CBS, PBL, Wageningen UR. Bestrijdingsmiddelen in drinkwater, 1995-2014 (indicator 0277, versie 14 , 4 december 2015 ). Den Haag, Den Haag/Bilthoven, Wageningen : CBS, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR; 2015. Bron
  6. Staal L, Vaal M, Dusseldorp A. Bestrijdingsmiddelen: gewasbeschermingsmiddelen en biociden. GGD Informatieblad medische milieukunde. RIVM Briefrapport 200112001/2014.. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2014. Bron
  7. Versteegh JFM, van der Aa NGFM, Dijkman E. Geneesmiddelen in drinkwater en drinkwaterbronnen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2007. Bron
  8. T Laak ter, Baken K, Büscher C. Pharmaceuticals in the environment – science and policy. BTO. 2015;041. Bron
  9. Moermond CTA, Smit CE, van Leerdam RC, van der Aa NGFM, Montforts MHMM. Geneesmiddelen en waterkwaliteit. RIVM Rapport 2016-0111. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  10. Versteegh JFM, de Voogt P. Risicoduiding en vóórkomen van FRD-903 in drinkwater en drinkwaterbronnen bij een selectie van drinkwaterwinningen in Nederland. RIVM Rapport 2017-0175. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2017. Bron
  11. RIVM. BIJLAGE 2 bij brief 0150/2016 /M&V/EvS/AV aan IenM. Risicoschatting PFOA in drinkwater in het voorzieningengebied van twee locaties.. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  12. RIVM. BIJLAGE 1 bij brief 097/2017/M&V/EvS/AV aan IenM. Risicoschatting FRD-903 in drinkwater in het voorzieningsgebied van drie oevergrondwaterproductielocaties.. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2017. Bron
  13. RIVM. RIVM-brief. Brief 063/2016 DMG AV/afz Advies richtwaarde PFOA in drinkwater.. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. GoogleScholar
  14. RIVM. RIVM-brief 0148/2016/M&V/EvS/AV. Advies richtwaarde drinkwater voor GenX technologie (FRD-903). . Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  15. RIVM. BIJLAGE BIJ BRIEF 0148/2016/M&V/EvS/AV. Derivation of a lifetime drinking-water guideline for 2,3,3,3-tetrafluoro-2-(heptafluoropropoxy)propanoic acid (FRD-903) – Revised version January 2017. . Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2017. Bron
  16. Beekman M, Zweers P, Muller A, de Vries W, Janssen P, Zeilmaker M. Evaluation of substances used in the GenX technology by Chemours, Dordrecht RIVM report 2016-0174. . Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron

Gezondheidsgevolgen microbiologisch verontreinigd drinkwater

Nauwelijks gezondheidsklachten door micro-organismen in kraanwater

In 2015 gaf geen van de overschrijdingen van de wettelijke normen voor microbiologische verontreiniging aanleiding tot een bedreiging van de volksgezondheid (ILT, 2017). Er is vastgelegd dat minder dan 1 op de 10.000 personen een infectie mag oplopen als gevolg van het consumeren van drinkwater (infectierisico). De zuiveringsprocedures van de drinkwaterbedrijven zijn erop gericht deze norm te halen. Voor bepaalde micro-organismen, zoals virussen, Campylobacter en protozoa (onder meer Cryptosporidium en Giardia), is het niet mogelijk om concentraties te meten op het zeer lage niveau waarop blootstelling relevant is voor de gezondheid van de gebruiker. Door kennis over de verwijderingscapaciteit van de zuiveringsprocessen kunnen de drinkwaterbedrijven inschatten of de norm voor het infectierisico behaald wordt (risicoanalyse). Hoe deze risicoanalyse dient te worden uitgevoerd is vastgelegd in de Inspectierichtlijn “Analyse microbiologische veiligheid drinkwater”. 

Inademen van legionella besmet water kan tot veteranenziekte leiden

Inademing van kleine waterdruppels die besmet zijn met legionella kan leiden tot longontsteking (ook wel bekend als veteranenziekte). Artsen melden jaarlijks ruim 300-400 gevallen van de veteranenziekte (Teirlinck et al., 2014). Het werkelijke aantal gevallen ligt waarschijnlijk hoger. Niet bij alle gevallen van longontsteking wordt uitgebreide diagnostiek ingezet en de verwekker van de longontsteking kan niet altijd achterhaald  worden (von Baum et al., 2008). De legionellabacterie vermenigvuldigt zich bij een temperatuur van 25 tot 50°C vooral in stilstaand water, zoals in niet gebruikte leidingen. Wat de bijdrage van drinkwater is aan de ziektelast door legionella is onduidelijk. Ook andere bronnen, zoals koeltorens, whirlpools en potgrond spelen een rol bij infectie met de legionellabacterie.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. ILT. De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2016. Den Haag: Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT); 2017. Bron
  2. Teirlinck AC, van Asten L, Brandsema PS, Dijkstra F, Donker GA, Euser SM, et al. Jaarrapportage Surveillance Respiratoire Infectieziekten 2013. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2014. Bron
  3. von Baum H, Ewig S, Marre R, Suttorp N, Gonschior S, Welte T, et al. Community-acquired Legionella pneumonia: new insights from the German competence network for community acquired pneumonia. Clin Infect Dis. 2008;46(9):1356-64. Pubmed | DOI

Gezondheidsgevolgen chemisch verontreinigd drinkwater

Nauwelijks gezondheidsklachten door chemische verontreiniging van drinkwater

Gezondheidsklachten door het drinken van chemisch verontreinigd drinkwater komen nauwelijks voor. Dit komt doordat in Nederlands drinkwater slechts sporadisch chemische verontreinigingen worden aangetroffen (ILT, 2017). Deze zogeheten microverontreinigingen zoals industriële chemicaliën, bestrijdingsmiddelen en geneesmiddelen komen in zulke lage concentraties in drinkwater voor dat er geen risico’s zijn voor de gezondheid (CBS, PBL, Wageningen UR, 2015). Een fictieve casestudie laat zien dat een theoretische levenslange blootstelling aan zeven genotoxische stoffen in concentraties op de norm van het Drinkwaterbesluit kan resulteren in een ziektelast van 0,02 tot 3 Disability Adjusted Life Years (DALY’s) per miljoen personen per jaar, wat laag is in vergelijking tot de ziektelast als gevolg van andere (milieu)factoren  (KWR, 2011).

Loden waterleidingen en nitraat uit privé-drinkwaterputten gevaarlijk voor flesgevoede baby’s

Drinkwater dat wordt aangevoerd door loden leidingen, kan lood bevatten (Slaats et al., 2014). Lood in drinkwater kan gevaarlijk zijn voor baby’s tot 1 jaar die flesvoeding krijgen (Bouman & Kleinjans, 1998; Dusseldorp et al., 2012). Het is onbekend hoeveel woningen met loden leidingen er nog zijn in Nederland. Sinds  de  jaren 90 van de vorige eeuw zijn de meeste loden aansluitleidingen vervangen.  Ook in nieuwbouwwoningen kan in het begin lood in drinkwater aanwezig zijn. Dit komt doordat (onderdelen van) nieuwe leidingen en kranen de eerste maanden van gebruik nog metalen aan het water af kunnen geven. Daarom wordt aangeraden voor de oplevering langdurig en tijdens de eerste drie maanden van bewoning dagelijks 's ochtends de kranen twee minuten te laten lopen (Wuijts et al., 2007; Dusseldorp et al., 2012). In drinkwater dat wordt gewonnen uit privé-putten die grondwater als bron hebben, kunnen bestrijdingsmiddelen en nitraat aanwezig zijn. Een te hoge nitraatconcentratie kan bij flesgevoede zuigelingen tot nitraatvergiftiging leiden (Voedingscentrum - Nitraat en van Went-de Vries & Speijers, 1989). Een zeer beperkt aantal huishoudens haalt het drinkwater nog uit privé-putten.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. ILT. De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2016. Den Haag: Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT); 2017. Bron
  2. CBS, PBL, Wageningen UR. Bestrijdingsmiddelen in drinkwater, 1995-2014 (indicator 0277, versie 14 , 4 december 2015 ). Den Haag, Den Haag/Bilthoven, Wageningen : CBS, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR; 2015. Bron
  3. KWR. Human health impact of chemical contaminants in drinking water – usefulness of the DALY concept. Nieuwegein: KWR: Watercycle Research Institute; 2011. Bron
  4. Slaats N, Blokker M, Versteegh A. Lood, koper en nikkel in het Nederlandse drinkwater aan de tap.; 2014. Bron
  5. Bouman HGM, Kleinjans JCS. Lood in drinkwater: een risico voor zuigelingen met flesvoeding; een Gezondheidsraadrapport. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 1998;142:658-61. Bron
  6. Dusseldorp A, Versteegh JFM, Drijver M, Janssen PJCM. Lood in drinkwater – GGD-informatieblad medische milieukunde. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2012. Bron
  7. Wuijts S, Slaats PGG, Versteegh JFM, Meerkerk MA. Drinkwaterkwaliteit in nieuwbouwwoningen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2007. Bron
  8. van Went-de Vries GF, Speijers GJA. Nitraat: effecten en normen voor de mens. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 1989;133:1015-20. Bron

Kwaliteit zwemwater

Beheerders controleren microbiologische kwaliteit officiële zwemlocaties

In Nederland kan op veel verschillende plaatsen worden gezwommen, maar het is raadzaam dit alleen op officieel aangewezen zwemwaterlocaties te doen. Een officiële zwemlocatie is een door provincies aangewezen plek voor zwemmen in oppervlaktewater, waar de beheerder van de zwemlocatie tijdens het badseizoen (van 1 mei tot 1 oktober) regelmatig de microbiologische waterkwaliteit controleert. Voor alle officiële zwemlocaties staat informatie over de microbiologische zwemwaterkwaliteit op Zwemwater.nl. De chemische kwaliteit van het water op officiële zwemlocaties wordt niet regelmatig gecontroleerd. Daarom gaat een deel van de informatie in onderstaande tekst over de kwaliteit van oppervlaktewater in het algemeen. Niet al het oppervlaktewater is een officiële zwemlocatie. Daarnaast kan oppervlaktewater als bron voor de drinkwaterproductie worden gebruikt en kan dus invloed hebben op de drinkwaterkwaliteit. 

Ruim 90% zwemlocaties voldoet aan EU-normen voor microbiologische kwaliteit

De kwaliteit van het Nederlandse zwemwater is goed: in het zwemseizoen van 2017 voldeed 96,8% van de zwemlocaties aan de Nederlandse kust aan de gestelde minimumnormen voor de microbiologische kwaliteit van zwemwater. Voor de zwemlocaties in het binnenland gold dat 94,8% voldeed aan de norm. De afgelopen decennia is de zwemwaterkwaliteit in Nederland sterk verbeterd. Begin jaren ’90 voldeed minder dan de helft van de zwemlocaties aan de wettelijke eisen. Dit blijkt uit de zwemwaterrapportage van de Europese Unie (EEA, 2018). De zwemwaterkwaliteit op officiële zwemlocaties wordt vastgesteld aan de hand van bepalingen in de Zwemwaterrichtlijn van de Europese Unie (EU).

Microbiologische kwaliteit van onderzochte zwemwaterlocaties in Nederland, 2017
 

Totaal aantal zwemlocaties

Uitstekend

Minimaal voldoende

Slecht

Beoordeling niet mogelijk

Kust

93

80,6

96,8

0

3,2

Binnenland

625

72,4

94,8

3,2

2,1

Bron: EEA, 2018

Steeds minder bestrijdingsmiddelen en stikstof in oppervlaktewater

Bestrijdingsmiddelen en stoffen uit mest (zoals stikstof en fosfaat) komen steeds minder in oppervlaktewater voor. Dit komt door technische maatregelen bij rioolwaterzuiveringsinstallaties en door een daling van de uitstoot door voornamelijk  landbouw (zie ook: De staat van ons water). Zo zijn de stikstofconcentraties in oppervlaktewater sinds de jaren 90 gedaald door onder meer verminderd gebruik van mest en een inperking van de periode waarin mest mag worden toegepast (Fraters et al., 2017). Het gebruik van meststoffen in de landbouw maakt het oppervlaktewater voedselrijker waardoor bij zonnig weer een sterke groei van algen (waaronder blauwalgen) kan optreden. Hoewel het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw de afgelopen decennia is gedaald, worden de milieukwaliteitsnormen voor gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater nog regelmatig overschreden (CBS, PBL, Wageningen UR, 2017; CBS, PBL, Wageningen UR, 2017).

Veilige concentratie in oppervlaktewater voor een aantal geneesmiddelen overschreden

In Nederland wordt de veilige concentratie in oppervlaktewater voor een aantal geneesmiddelen overschreden. Geneesmiddelresten komen na gebruik via het toilet in het rioolwater terecht. Rioolwaterzuiveringsinstallaties verwijderen niet alle resten van geneesmiddelen uit rioolwater. Daardoor komen geneesmiddelenresten in het oppervlaktewater terecht. Er zijn ongeveer 2000 werkzame stoffen in geneesmiddelen. Waterbeheerders hebben van circa 80 werkzame stoffen geïnventariseerd of ze daadwerkelijk in het oppervlaktewater voorkomen. Van die 80 stoffen zijn er 5 in hogere concentraties aangetroffen dan de concentratiegrens die veilig is voor waterorganismen. Dit betreft diclofenac (pijnstiller), azythromycine, clarithromycine en sulfamethoxazol (antibiotica) en carbamazepine (een anti-epilepticum) (Moermond et al., 2016).

Veel onzekerheid over blootstelling aan microplastics via oppervlaktewater

Ook microplastics komen op grote schaal in het milieu en oppervlaktewater voor. Microplastics zijn kleine vaste kunststofdeeltjes (kleiner dan 5 millimeter) en zijn slecht oplosbaar in water en niet afbreekbaar. Ze zijn onder meer afkomstig van cosmetica, verf, zwerfvuil, kleding en autobanden en kunnen direct of via rioolwater in het oppervlaktewater terecht komen (Verschoor et al., 2014). Metingen van microplastics in oppervlaktewater zijn schaars en het is onbekend in welke mate micro- en nanoplastics (plastic deeltjes kleiner dan 100 nanometer) worden verwijderd bij de bereiding van drinkwater uit het oppervlaktewater. Wel zijn er aanwijzingen dat microplastics kunnen ophopen via de mariene voedselketen en daardoor in voedsel terecht kunnen komen. Zo kunnen mensen via het eten van ‘seafood’ microplastics binnen krijgen. De onzekerheid over de blootstelling aan nanoplastics is nog veel groter dan voor microplastics (Gezondheidsraad, 2016). 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. EEA. European bathing water quality in 2017. Luxembourg: European Environmental Agency (EEA); 2018. Bron
  2. Fraters B, Hooijboer AEJ, Rijs GBJ, van Duijnhoven N, Rozemeijer JC. Waterkwaliteit in Nederland; toestand (20 12-2015) en trend (1992-20 15). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2017. Bron
  3. CBS, PBL, Wageningen UR. Gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater, 2015 (indicator 0547, versie 05 , 8 juni 2017 ). . Den Haag, Den Haag/Bilthoven, Wageningen : CBS, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR; 2017. Bron
  4. CBS, PBL, Wageningen UR. Afzet van chemische gewasbeschermingsmiddelen, 2011-2015 (indicator 0015, versie 17 , 4 april 2017). . Den Haag, Den Haag/Bilthoven, Wageningen : CBS, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR; 2017. Bron
  5. Moermond CTA, Smit CE, van Leerdam RC, van der Aa NGFM, Montforts MHMM. Geneesmiddelen en waterkwaliteit. RIVM Rapport 2016-0111. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron
  6. Verschoor AJ, de Poorter LRM, Roex E, Bellert B. Inventarisatie en prioritering van bronnen en emissies van microplastics. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2014. Bron
  7. Gezondheidsraad. Gezondheidsrisico’s van microplastics in het milieu. Den Haag: Gezondheidsraad; 2016. Bron

Gezondheidsgevolgen microbiologisch verontreinigd zwemwater

Ondanks goede zwemwaterkwaliteit jaarlijks gezondheidsklachten gerapporteerd

Ondanks de goede zwemwaterkwaliteit ontvangen provincies en GGD'en jaarlijks meldingen van gezondheidsklachten gerelateerd aan zwemmen in oppervlaktewater. Het RIVM inventariseert jaarlijks tijdens en na afloop van het zwemseizoen hoeveel en welke klachten gemeld zijn. Een korte rapportage hierover verschijnt bijna elk jaar in het Infectieziekten Bulletin (Schets & de Roda Husman, 2017). Er blijkt een sterke relatie te bestaan tussen het aantal meldingen in een zwemseizoen en het weer gedurende de zomervakantie. In warme zomers wordt meer gezwommen en bovendien komen in warmer water meer ziekteverwekkers voor. De precieze bijdrage van zwemwater aan het vóórkomen van infectieziekten is niet bekend. Omdat niet alle klachten worden gemeld, ligt het werkelijke aantal waarschijnlijk hoger dan het nu bekende aantal. 

Voorbeelden van klachten door verontreinigd zwemwater

Verschillende soorten bacteriën (zoals Campylobacter), virussen (zoals norovirussen), parasitaire protozoa (zoals Cryptosporidium) en andere organismen (zoals blauwalgen) kunnen bij huidcontact of inslikken gezondheidsklachten veroorzaken. Huidklachten en maagdarmklachten komen het meest voor (Schets & de Roda Husman, 2017). Een voorbeeld is zwemmersjeuk, veroorzaakt door de larven van een parasiet van vogels, de platworm Trichobilharzia. Dit is de meest voorkomende gezondheidsklacht na zwemmen in oppervlaktewater in Nederland. Ook blauwalgen kunnen, naast onder andere maagdarm-, luchtweg- en oogklachten, huidklachten veroorzaken. De rechtstreekse relatie tussen gezondheidsklachten bij zwemmers en blootstelling aan blauwalgen is in Nederland nog nooit aangetoond (van Riel et al., 2007). Warm water vergroot de kans op oorklachten door een bacterie die van nature in oppervlaktewater voorkomt (Pseudomonas aeruginosa) (WHO, 2003). Verschillende typen adenovirussen en blauwalgen in oppervlaktewater kunnen oogklachten veroorzaken, maar deze worden niet veel gemeld (Schets et al., 2011).

Een ander voorbeeld van een infectie die mensen kunnen oplopen via zwemwater zijn infecties met de Leptospirosa bacterie (onder andere de ziekte van Weil). Het gaat jaarlijks om ongeveer twee tot zes gevallen (Schets et al., 2011). Sinds 2014 is het aantal meldingen van leptospirose gestegen. Mogelijk komt dit door een toename van ratten en muizen door milde winters in combinatie met een toename van waterrecreatie door warme zomers (Pijnacker et al., 2016). De bacterie is aanwezig in de urine van besmette ratten en kan via de slijmvliezen van mond, neus en ogen en via wondjes in de huid mensen besmetten. De bacterie kan griepachtige verschijnselen veroorzaken, de lever en nieren aantasten en tot geelzucht leiden.

Meer informatie 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Schets FM, de Roda Husman AM. Gezondheidsklachten door recreatiewater in de zomers van 2014, 2015 en 2016 vooral veel kinderen met klachten. Infectieziekten Bulletin. 2017;28(6):188-194. Bron
  2. van Riel AJHP, Schets FM, Meulenbelt J. Gezondheidseffecten van blauwalgen. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2007;151:1723-8. Bron
  3. WHO. Guidelines for safe recreational water environments Volume 1: Coastal and fresh waters. Geneva: World Health Organization; 2003. Bron
  4. Schets FM, de Roda Husman AM, Havelaar AH. Disease outbreaks associated with untreated recreational water use. Epidemiol Infect. 2011;139(7):1114-25. Pubmed | DOI
  5. Pijnacker R, Goris MGA, Wierik MJMTe, Broens EM, van der Giessen JWB, de Rosa M, et al. Marked increase in leptospirosis infections in humans and dogs in the Netherlands, 2014. Euro Surveill. 2016;21(17). Pubmed | DOI

Gezondheidsgevolgen chemisch verontreinigd zwemwater

Geen gezondheidseffecten door chemische verontreiniging van zwemwater

De concentratie van chemische stoffen in zwemwater is vrijwel altijd zo laag dat hierdoor geen gezondheidseffecten optreden. Zo hebben voor een aantal gewasbeschermingsmiddelen de gemeten concentraties in oppervlaktewater geen nadelig effect op de volksgezondheid, omdat voor deze gewasbeschermingsmiddelen de concentraties lager zijn dan de gehaltes die bij dagelijks zwemmen zouden leiden tot 10% van de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) (van der Ree et al., 2011; Smit et al., 2011). De risico’s van microplastics voor de mens en het ecosysteem zijn grotendeels onbekend (Verschoor et al., 2014). Waarschijnlijk komen alleen microplastic deeltjes kleiner dan een tiende millimeter in het lichaam terecht. Wat hiervan de gevolgen zijn voor de gezondheid is niet bekend (Gezondheidsraad, 2016). 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Ree J, te Biesebeek JD, Wolterink G, Smit E, van Vlaardingen P. Humane risico's van gewasbeschermingsmiddelen in zwemwater : Analyse van metingen in Provincie Zuid-Holland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron
  2. Smit CE, Bodar CWM, te Biesebeek JD, Wolterink G. Risico's van imidacloprid in oppervlaktewater voor de mens. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron
  3. Verschoor AJ, de Poorter LRM, Roex E, Bellert B. Inventarisatie en prioritering van bronnen en emissies van microplastics. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2014. Bron
  4. Gezondheidsraad. Gezondheidsrisico’s van microplastics in het milieu. Den Haag: Gezondheidsraad; 2016. Bron

Verantwoording

Definities
  • Binnenmilieu

    Binnenmilieu omvat samenstelling en omstandigheden van de binnenlucht

    Binnenmilieu omvat de binnenlucht en de thermische, akoestische, atmosferische en hygiënische omstandigheden waarin we ons bevinden als we binnen zijn. Dit is thuis, op het werk, in winkels, scholen en dergelijke. Mensen zijn gemiddeld 85% van hun tijd binnenshuis, waarvan ongeveer 65% in hun eigen woning (Leech et al., 2002; Brasche & Bischof, 2005). In de beschrijving van het binnenmilieu beperken we ons tot de stoffen die te vinden zijn in de binnenlucht en tot de hygiënische en thermische omstandigheden. De akoestische (geluid) en atmosferische (straling) omstandigheden worden verder uitgewerkt in de onderwerpen geluid en straling op Volksgezondheidenzorg.info.

    Productie en afvoer ongezonde stoffen bepalen binnenmilieukwaliteit

    De kwaliteit van het binnenmilieu wordt bepaald door het aantal bewoners/gebruikers, rookgedrag, aanwezigheid van huisdieren, gebruikte bouwmaterialen, planten, emissies uit consumentenproducten (zoals sprays en elektrische apparaten) en door bronnen van buiten, zoals het verkeer. Bovendien speelt ook de mate van ventilatie een zeer belangrijke rol. Ventileren zorgt voor verdunning en afvoer van ongezonde stoffen die in het binnenmilieu aanwezig zijn.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Leech JA, Nelson WC, Burnett RT, Aaron S, Raizenne ME. It's about time: a comparison of Canadian and American time-activity patterns. J Expo Anal Environ Epidemiol. 2002;12(6):427-32. Pubmed | DOI
    2. Brasche S, Bischof W. Daily time spent indoors in German homes--baseline data for the assessment of indoor exposure of German occupants. Int J Hyg Environ Health. 2005;208(4):247-53. Pubmed | DOI
  • Luchtverontreiniging

    Luchtverontreiniging richt zich vooral op de concentraties in de lucht van deeltjesvormige luchtverontreiniging (roet en fijn stof), stikstofdioxide (een goede indicator van het huidige verkeersgerelateerde mengsel) en ozon (van belang bij zomersmog). Het gaat hierbij om luchtverontreiniging van een internationale omvang. Het gaat dus in principe niet over een lokale situatie (straat, stad of regio), afgezien van stagnerende weerssituaties waarbij de lokale bijdrage veel groter kan zijn. Grootschalige luchtverontreiniging slaat ook op het soort bron: niet zozeer een lokale uitstoot, maar het gehele pakket van luchtverontreiniging dat is ontstaan door alle nationale en internationale bronnen.

    Fijn stof is graadmeter voor deeltjesvormige luchtverontreiniging

    Fijn stof is een graadmeter voor de mate van deeltjesvormige luchtverontreiniging. Deeltjesvormige luchtverontreiniging is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand en (bodem)stof, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal en bijvoorbeeld cementdeeltjes. Een veel gebruikte afkorting voor fijn stof is PM. PM staat voor de Engelse term Particulate Matter. Afhankelijk van de doorsnede van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 voor deeltjes met een doorsnede tot 10 micrometer (µm) of van PM2,5 voor deeltjes met een doorsnede tot 2,5 micrometer (U.S. EPA, 2004). Ook roetdeeltjes zijn van belang voor de gezondheid (Janssen et al., 2011). Met roetdeeltjes is het (gezondheidskundig) effect van verkeersinterventies beter te duiden dan met PM10, PM2,5  of stikstofdioxide (NO2). 

    Stikstofdioxide is goede indicator voor verkeersgerelateerde luchtverontreiniging

    Stikstofdioxide (NO2) is een goede indicator voor verkeersgerelateerde (deeltjesvormige) luchtverontreiniging. Hoewel een deel van de NO2-uitstoot van industriële activiteiten komt, bepaalt vooral het (lokale) verkeer de NO2-niveaus. Vooral de blootstelling van de bevolking aan de uitstoot van wegverkeer is belangrijk voor de negatieve effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid (WHO Europe, 2005; WHO Europe, 2013). 

    Ozon is indicator voor fotochemische luchtverontreiniging

    Ozon (O3)is de graadmeter voor de mate van fotochemische luchtverontreiniging. Ozon is de meest reactieve en giftige component van zomersmog en ontstaat vooral op mooie zomerdagen onder invloed van zonlicht en de uitstoot van vooral verkeer en industrie. Hoewel er dus speciale weersomstandigheden nodig zijn om smog te krijgen is ozonvorming vooral ook afhankelijk van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS), koolmonoxide (CO) methaan (CH4) en stikstofoxiden (NOx) (Mooijbroek et al., 2010). Ozon komt niet alleen voor op leefniveau, maar ook hoger in de atmosfeer (de stratosfeer). Ozon in de stratosfeer (zo’n 10 tot 50 km boven het aardoppervlak) beschermt de aarde tegen schadelijk ultraviolette straling van de zon. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. U.S. EPA. Air Quality Criteria for Particulate Matter (final report, Oct. 2004). Washington DC: U.S. EPA; 2004. Bron
    2. Janssen NAH, Hoek G, Simic-Lawson M, Fischer PH, van Bree L, ten Brink H, et al. Black Carbon as an Additional Indicator of the Adverse Health Effects of Airborne Particles Compared with PM10 and PM2.5. Environ Health Perspect. 2011;119(12):1691-1699. Bron | DOI
    3. WHO Europe. Health effects of transport-related air pollution. Copenhagen: WHO Regional office for Europe ; 2005. Bron
    4. WHO Europe. Review of evidence on health aspects of air pollution – REVIHAAP Project. Technical Report. Bonn: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
    5. Mooijbroek D, Beijk R, Hoogerbrugge R. Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2009. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
  • Geluid

    Focus op omgevingsgeluid

    In dit onderwerp ligt de focus op de blootstelling aan en gezondheidsgevolgen van geluid in de woonomgeving. Informatie over gehoorschade door lawaai tijdens het werk en blootstelling aan harde muziek staat in het onderwerp gehoorstoornissen

    Geluid is een trilling van lucht

    Geluid is een trilling. Het ontstaat doordat een geluidbron telkens de lucht aanstoot, waardoor verdichtingen en verdunningen in de lucht (luchtdrukschommelingen) ontstaan die zich vanaf de geluidsbron uitbreiden. Deze luchtdrukschommelingen bereiken via de gehoorgang van het oor het trommelvlies. De trillingen die hierdoor ontstaan in het trommelvlies, bereiken via het middenoor, binnenoor en de gehoorzenuw de hersenen. Dit leidt tot waarneming en interpretatie van het geluid. 

    D decibel(A)

    Decibel (dB) is de eenheid voor de sterkte van een geluid. Meestal wordt hier de letter 'A' aan toegevoegd, wat aangeeft dat er gecorrigeerd is voor de gevoeligheid van het menselijk oor voor verschillende toonhoogten (frequenties).

    Lday-evening-night

    'day-evening-night level' (Lden) is het jaargemiddelde geluidniveau over de dag-, avond-, en nachtperiode en is de Nationale en Europese maat voor de blootstelling aan omgevingsgeluid. Omdat een bepaald geluidniveau in de avond en de nacht als hinderlijker wordt ervaren dan geluid overdag, telt het geluid in de avond en nacht zwaarder dan het geluid overdag. Hiertoe wordt het niveau dat voor de avond wordt bepaald verhoogd met 5 dB en het niveau dat voor de nacht wordt bepaald met 10 dB (Heemskerk, 2007).

    Lnight

    Lnight is de jaargemiddelde maat voor blootstelling aan geluid in de nacht. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Heemskerk NM. Wegwijzer, geluidrecht 2008. Een praktische handleiding voor iedereen die met juridische aspecten van geluidhinder te maken krijgt. Alphen aan den Rijn: Kluwer Uitgevers; 2007. Bron
  • Water

    Kwaliteit drinkwater

    In Nederland moet het drinkwater voldoen aan de normen voor de kwaliteit van drinkwater voor menselijke consumptie in het Nederlandse Drinkwaterbesluit. Het Drinkwaterbesluit is gebaseerd op de Europese drinkwaterrichtlijn. De kwaliteitsnormen zijn onderverdeeld in drie verschillende categorieën van parameters; microbiologische-, chemische- en indicatorparameters.

    Bij microbiologische parameters gaat het om bacteriën die direct effect kunnen hebben op de gezondheid. De darmbacteriën Escherichia coli (E. coli) en enterococcen zijn indicatoren voor de aanwezigheid van verontreinigingen met menselijke of dierlijke uitwerpselen, zogenaamde faecale verontreinigingen, en dus voor de mogelijke aanwezigheid van ziekteverwekkende micro-organismen die in deze uitwerpselen aanwezig kunnen zijn. De norm voor de darmbacteriën E. coli en enterococcen is afwezigheid in 100 ml drinkwater.

    Bij chemische parameters gaat het om stoffen die mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid bij langdurige en/of hoge blootstelling. Hierbij valt te denken aan ijzer, nikkel, mangaan, nitraat, chloor, lood, bestrijdingsmiddelen en geneesmiddelen. Bij indicatorparameters gaat het om bedrijfstechnische parameters, organoleptische en esthetische parameters en signaleringsparameters. Normoverschrijdingen van indicatorparameters vormen geen direct gevaar voor de volksgezondheid, maar geven aan dat er onvolkomenheden zijn bij de productie of de distributie van drinkwater.

    Op een aantal vlakken is het Drinkwaterbesluit uitgebreider dan de Europese regelgeving. Volgens zowel de Nederlandse als de Europese wetgeving moet de aanwezigheid van bepaalde bacteriën in het water bepaald worden. Volgens de Nederlandse wet moeten daarnaast ook een aantal andere micro-organismen bepaald worden in het innamewater, te weten (entero)virussen, CampylobacterCryptosporidium en Giardia, omdat van deze micro-organismen bekend is dat ze relevant zijn voor de volksgezondheid en daarom worden ze meegenomen in de risicoanalyse.

    Kwaliteit zwemwater

    De kwaliteit van het zwemwater wordt bepaald door metingen van de indicatorparameters E.coli en intestinale enterococcen. De Zwemwaterrichtlijn van de Europese Unie geeft waarden voor de indeling van zwemwater in kwaliteitsklassen: uitstekend, goed, aanvaardbaar of slecht.

     

  • Straling

    Verschillende stralingstypen

    Straling is een natuurkundig proces waarbij energieoverdracht plaatsvindt zonder dat sprake is van direct contact. Straling kent verschillende verschijningsvormen: als niet-zichtbare deeltjes, of als zichtbare of onzichtbare golfpakketjes. Omdat de energie-inhoud en de aard en interactie met materie en lichaamsweefsel sterk verschillen voor verschillende stralingstypen, wordt onderscheid gemaakt in: ioniserende straling, optische straling en elektromagnetische velden.

    • De ioniserende straling is het meest energierijk en komt vrij bij radioactief verval in de vorm van deeltjes (bijvoorbeeld alfa of beta straling) en/of in golfvorm als gammastraling. Ioniserende straling wordt uitgedrukt in millisievert (mSv). De belangrijkste bronnen van ioniserende straling zijn medisch diagnostisch onderzoek en radon en thoron in het binnenmilieu. Radon en thoron ontstaan van nature in de bodem en uit bodemmateriaal vervaardigde producten.  Radongas kan via de kruipruimte en vanuit bouwmaterialen in de woning terecht komen. Thorongas, dat veel sneller vervalt, zal alleen voldoende lang leven om uit de buitenste laag van de muur en de afwerklaag in de leefruimte te komen. Het verval van beide leidt tot de aanwezigheid van radioactieve vaste stoffen in de binnenlucht die na inademing zorgen voor blootstelling aan ioniserende straling. De constructie, de gebruikte bouwmaterialen en de ventilatie beïnvloeden de radonconcentratie in huis. Naast inademing van radon- en thoron-dochters vindt in de woning ook externe bestraling plaats vanuit bodem en bouwmaterialen (Bader et al., 2010). Veruit de hoogste doses ioniserende straling worden ontvangen bij de behandeling van kanker. Daarbij is de dosis heel veel hoger dan de normale jaardosis en ook veel hoger dan bij diagnostisch onderzoek. Omdat het daarbij gaat om bedoelde blootstelling van de tumor, zijn deze therapeutische blootstellingen niet meegenomen in de gegeven schatting van de jaargemiddelde stralingsdosis.
    • De optische straling omvat ultraviolette straling (de meest energierijke optische straling), zichtbare straling (licht) en infrarood. Voor ultraviolette blootstelling is geen eenduidige risicomaat ontwikkeld, al wordt bij zonnestraling de zonkracht of ook wel UV-index veelvuldig gehanteerd. De zonkracht is een maat voor de snelheid waarmee de UV-straling zonverbranding van de huid veroorzaakt.
    • Elektromagnetische velden worden gebruikt bij telecommunicatie (zoals radio en tv-zenders, mobiele telefoons, WiFi) en komen voor bij het gebruik van elektriciteit. Radiofrequente elektromagnetische velden in de leefomgeving zijn onder andere afkomstig van mobiele telefoons en de bijbehorende basisstations, radio- en televisiezenders, wifi-apparatuur, DECT-telefoons en magnetrons. Extreem-laagfrequente magnetische velden zijn afkomstig van de transport van elektriciteit (bijvoorbeeld hoogspanningslijnen). De sterkte van deze magnetische velden wordt uitgedrukt in tesla of microtesla.

    Effectieve dosis is maat voor de extra kans op het krijgen van kanker door ioniserende straling

    De effectieve dosis is een maat voor de extra kans op het krijgen van kanker door de blootstelling aan ioniserende straling. Het precieze effect van straling wordt bepaald door het type straling, de geabsorbeerde stralingsdosis en de gevoeligheid van het getroffen weefsel voor straling. De effectieve dosis, met als eenheid sievert, houdt met al deze factoren rekening. Hierbij is het onderscheid tussen de deeltjesstraling (alfa- en beta-) en gammastraling van belang. Alfa- en in iets minder mate betastraling hebben een kort en dicht ionisatiespoor en daarmee een beperkte dracht. Zij zijn relatief makkelijk af te schermen en dragen vooral bij aan risico’s van straling indien ze in het lichaam worden afgegeven door in het lichaam opgenomen radioactieve stoffen. Van gamma- en röntgenstraling is de dracht veel groter en bestraling van buiten het lichaam kan in belangrijke mate bijdragen aan de stralingsblootstelling.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Bader S, Dekkers SAJ, Blaauboer RO. Stralingsbelasting in Nederlandse nieuwbouwwoningen - Eindrapport ventilatie- en radononderzoek. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
Bronverantwoording
  • Luchtverontreiniging

    Landelijk Meetnetwerk Luchtkwaliteit

    De concentraties fijn stof, ozon en stikstofdioxide zijn afkomstig van meetgegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM, GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond (gecombineerd tot LML+). De concentraties worden ieder uur gemeten. De gemiddelden over de afgelopen 24 uur worden direct weergegeven op de website van het LML. Ook geeft de website van het LML details over de gebruikte meetmethoden.

    Meer informatie

  • Geluid

    Geluidbelasting door wegverkeer

    Sinds de wijziging in de geluidsregelgeving voor rijkswegen en spoorwegen en de invoering van geluidsproductieplafonds in 2012 stelt Rijkswaterstaat voor de rijkswegen jaarlijks een nalevingsverslag op (Rijkswaterstaat, 2015). Hierin staat op hoeveel punten een plafondoverschrijding plaats vindt en hoe de overschrijdingen opgelost worden. Voor de spoorwegen stelt Prorail sinds 2013 jaarlijks een nalevingsverslag op (Prorail, 2015).

    Cijfers over geluidbelasting tot en met 2012 zijn gebaseerd op gegevens over vliegverkeer van NLR, wegverkeer van RWS en Provincies en railverkeer van Prorail/Deltarail en zijn in 2012 bewerkt door het RIVM. Tot 2010 voerde PBL een modellering uit op de gegevens. De basis van de gegevens voor de RIVM en PBL modellen is anders. Dit heeft invloed op de uitkomsten. De berekeningen van 2010 en eerder zijn dan ook niet meer vergelijkbaar met de gegevens van 2012 (CBS et al., 2014).

    Landelijke schattingen geluidhinder en slaapverstoring

    Landelijke schattingen van het aantal volwassenen dat hinder en slaapverstoring ondervindt door geluid zijn afkomstig uit de ‘Inventarisatie Verstoringen’ (ook wel Hinderinventarisatie genoemd) van het RIVM en CBS (Van Poll et al., 2018). Deze wordt sinds 1977 met een interval van tussen de 5 en 8 jaar uitgevoerd. De mate waarin groepen mensen hinder of slaapverstoring ervaren, is in de hinderinventarisatie gemeten met een vragenlijst. Deze vragenlijst is afgenomen onder een steekproef van in Nederland woonachtige personen, die deel uitmaken van particuliere huishoudens en op het moment van het onderzoek 16 jaar of ouder zijn. Respondenten werd gevraagd in welke mate zij in de afgelopen 12 maanden in de thuissituatie gehinderd waren of in welke mate hun slaap verstoord was. Het gaat hierbij niet om een enkel incident, maar om de situatie zoals die over de afgelopen 12 maanden beleefd is.

    De respondenten kunnen op een schaal van 0 tot 10 antwoorden in welke mate zij zich gehinderd voelen of hun slaap verstoord is. Deze schaal wordt omgezet naar een range van 0 tot 100. Hierbij gelden de volgende afkappunten:

    • ernstige hinder of ernstige slaapverstoring: >72
    • (minstens) gehinderd of (minstens) slaap verstoord: >50
    • (minstens) enigszins gehinderd of (minstens) enigszins slaap verstoord: > 28

    Bij de lagere categorieën zijn de bovenliggende categorieën inbegrepen. Vandaar dat wordt gesproken van (minstens) enige hinder of slaapverstoring en (minstens) hinder of slaapverstoring.

    Regionale cijfers geluidhinder uit Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen

    Cijfers over geluidhinder naar GGD-regio en gemeente zijn afkomstig van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016. Deze cijfers zijn gebaseerd op een internationaal gestandaardiseerde vraag over geluidhinder die ook in de Hinderinventarisatie wordt gebruikt. Door middel van een getal van 0 (helemaal niet gehinderd) tot 10 (extreem gehinderd) hebben de respondenten (personen van 19 t/m 64 jaar) aangegeven in welke mate geluid van een zestal bronnen (wegverkeer < 50 km/uur; wegverkeer > 50 km/ uur; treinverkeer; vliegverkeer; brommers / scooters; buren) hindert, stoort of ergert in de thuissituatie. Antwoordoptie 'Niet hoorbaar' geldt voor als het geluid niet hoorbaar is in de thuissituatie.

    De antwoorden worden samengevat in een score: 

    • niet hoorbaar of geen of weinig (0-2)
    • matig (3-7)
    • ernstig (8-10)

    Hartinfarcten gerelateerd aan geluid

    Schattingen van het aantal hartinfarcten dat gerelateerd is aan het geluid afkomstig van wegverkeer, zijn afkomstig van een RIVM-studie uit 2008 (van Kempen & Houthuijs, 2008). In deze studie is een meta-analyse uitgevoerd om het aantal acute hartinfarcten te kunnen berekenen. Schattingen uit eerdere studies (van Kempen et al., 2001; de Hollander, 2004; Knol & Staatsen, 2005) vallen aanmerkelijk hoger uit. Dit komt onder meer door verschillen in onderzoeksopzet en doordat de RIVM-studie uit 2008 is gebaseerd op incidentie en de andere studies op prevalentie.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Rijkswaterstaat. Nalevingsverslag geluidproductieplafonds rijkswegen 2014. Rijkswaterstaat; 2015. Bron
    2. Prorail. Nalevingsverslag geluidproductieplafonds 2014, nr. P1217040. Prorail; 2015. Bron
    3. CBS, PBL, WUR. Geluidshinder in Nederland door weg-, rail- en vliegverkeer, 2012. Den Haag / Bilthoven / Wageningen: CBS, PBL, Wageningen UR; 2014. Bron
    4. Van Poll R, Breugelmans O, Houthuijs D, Van Kamp I. Beleving Woonomgeving in Nederland. Inventarisatie Verstoringen 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
    5. van Kempen EEMM, Houthuijs DJM. Omvang van de effecten op gezondheid en welbevinden in de Nederlandse bevolking door geluid van weg- en railverkeer. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron
    6. van Kempen EEMM, Ameling CB, Hoogenveen RT, Staatsen BAM, de Hollander AEM. De potentiële ziektelast toe te schrijven aan de geluidblootstelling in Nederland. Kwantitatieve schattingen in het kader van de Vijfde Milieuverkenningen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2001. Bron
    7. de Hollander AEM. Assessing and evaluating the health impact of environmental exposures "deaths, DALYs or dollars?". Utrecht: Universiteit van Utrecht; 2004. Bron
    8. Knol AB, Staatsen BAM. Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands 1980-2000. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2005. Bron
  • Water

    ILT rapporten over kwaliteit van het drinkwater

    Gegevens over de kwaliteit van het drinkwater komen uit het jaarlijkse rapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over de kwaliteit van het drinkwater in Nederland. Het rapport is gebaseerd op de resultaten van de controles van de drinkwaterkwaliteit door de drinkwaterbedrijven. De drinkwaterbedrijven voeren een wettelijk meetprogramma uit voor het bewaken van de drinkwaterkwaliteit. Ze voeren daarbij metingen uit op een set wettelijk verplichte parameters. Dit gebeurt na de laatste zuiveringsstap (af pompstation) en op verschillende plaatsen in het distributienetwerk, en soms voor een aantal parameters ook bij de klant thuis (ILT, 2017). Bijna alle huishoudens in Nederland zijn aangesloten op het waterleidingnet. Een zeer beperkt aantal huishoudens haalt hun drinkwater nog uit privé-putten. Deze zogeheten eigen winningen zijn geen onderdeel van de jaarlijkse rapportage van de ILT. Wel zijn eigenaren van privé-putten wettelijk verplicht om de kwaliteit van het water, dat zij aan derden ter beschikking stellen, te bewaken met behulp van een door de ILT goedgekeurd meetprogramma.

    Zwemwaterrapportage van de Europese Commissie

    Informatie over de kwaliteit van het zwemwater komt uit de jaarlijkse zwemwaterrapportage van de Europese Commissie (EEA, 2018). Het zwemwater wordt daarin volgens de Zwemwaterrichtlijn ingedeeld in de kwaliteitsklassen: uitstekend, goed, aanvaardbaar of slecht. De berekening van de waarden die bepalen in welke klasse een zwemlocatie wordt ingedeeld, is gebaseerd op de metingen van de indicatorparameters E.coli en intestinale enterococcen gedurende vier badseizoenen. Officiële zwemlocaties moeten gedurende het badseizoen (van 1 mei tot 1 oktober) tweewekelijks bemonsterd worden. De resultaten van de metingen moeten door de lidstaten van de Europese Unie aan de Europese Commissie worden gerapporteerd. De Europese Commissie neemt ze vervolgens op in de jaarlijkse zwemwaterrapportage.

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. ILT. De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2016. Den Haag: Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT); 2017. Bron
    2. EEA. European bathing water quality in 2017. Luxembourg: European Environmental Agency (EEA); 2018. Bron
Methoden
  • Luchtverontreiniging

    Berekening gezondheidseffecten ozon

    Berekeningen van de gezondheidseffecten van ozon zijn gebaseerd op relatieve risicocijfers uit de HRAPIE-studie van de WHO (WHO Europe, 2013) en VTV diagnosegroepen. Daarbij is uitgegaan van een 8-uursgemiddelde ozonconcentraties (van 12 tot 20 uur) van 58 ug/m3. Ook is er van uitgegaan dat er geen drempelwaarde bestaat waaronder geen effecten meer zullen optreden. Dit wijkt af van de HRAPIE aanbeveling om dagen met een maximale 8-uursgemiddelde ozonconcentratie van minder dan 20 ug/m3 niet in de berekeningen te betrekken.

    Achterliggende cijfers en bronnen

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. WHO Europe. Health risks of air pollution in Europe – HRAPIE project Recommendations for concentration–response functions for cost–benefit analysis of particulate matter, ozone and nitrogen dioxide. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
  • Straling

    Gezondheidsgevolgen van gemiddelde stralingsdosis moeilijk te schatten

    De gezondheidsgevolgen van de gemiddelde stralingsdosis die een Nederlander jaarlijks ontvangt, zijn moeilijk te schatten. Het is namelijk niet mogelijk om de kankergevallen die door ioniserende straling ontstaan te identificeren. Risico’s kunnen wel geschat worden op basis van epidemiologisch onderzoek bij hoge blootstellingniveaus, maar dan is daarna een extrapolatie naar de lagere niveaus nodig. Dat gebeurt nu veelal met een lineaire relatie. Voor de blootstelling in Nederland komen we dan op circa 2.000 sterfgevallen per jaar. Daarbij zijn veel kanttekeningen te plaatsen. Zo is het door straling toegevoegde risico minder indien de blootstelling op latere leeftijd plaatsvindt, en is er onzekerheid over de geldigheid van de lineaire extrapolatie.