Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Fysieke omgevingCijfers & ContextStraling

Cijfers & Context

Concentraties fijn stof dalen

Regionaal & Internationaal

Relatief lage ozonconcentraties in Nederland

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Tabakswet bevordert schoon binnenmilieu

Blootstelling aan ioniserende straling

Iedereen is blootgesteld aan ioniserende straling

Alle Nederlanders worden blootgesteld aan ten minste een geringe doses ioniserende straling. De gemiddelde stralingsdosis die een Nederlander jaarlijks ontvangt, is geschat op 2,6 mSv (millisievert) in 2013 (zie: RIVM-website: Stralingsbelasting in Nederland). De belangrijkste bron van blootstelling aan ioniserende straling is medisch diagnostisch onderzoek. Dit is verantwoordelijk voor een derde van de totale stralingsbelasting. Mensen die veel medisch diagnostische onderzoeken met ioniserende straling ondergaan en sommige mensen die met radiologische apparatuur werken, ontvangen duidelijk hogere jaardoses dan het gemiddelde. Dit geldt ook voor mensen die veelvuldig langdurig vliegen. Daarnaast wordt in Nederland naar schatting 40% van de blootstelling aan ioniserende straling binnenshuis opgelopen.  Een belangrijke bijdrage hieraan komt door het radioactieve edelgas radon, dat voorkomt in twee varianten (isotopen), kortweg aangeduid met radon en thoron. Radon en thoron ontstaan van nature in de bodem en uit bodemmateriaal vervaardigde producten. In totaal zijn radon en thoron verantwoordelijk voor bijna een kwart van de stralingsbelasting.  

Beperkte regionale verschillen door variatie radon in bodem

Verschil in radonconcentraties in de bodem door verschillende bodemsoorten leiden tot beperkte regionale verschillen in blootstelling aan ioniserende straling. In Noord- en West-Nederland is de gemiddelde radonconcentratie lager, en in het rivierengebied en Zuidoost-Nederland hoger dan het landelijk gemiddelde (Smetsers et al., 2015). Ook de beschikbaarheid van medisch diagnostische apparatuur kan aanleiding zijn voor regionale verschillen. Daarover zijn geen gegevens bekend.

Stralingsbelasting door kerncentrales, industrie en laboratoria is gering

Lozing van radioactieve stoffen door laboratoria en kerncentrales en de 'fall-out' van Tsjernobyl en kernproeven leveren een kleine bijdrage aan de stralingsbelasting, geschat op ten hoogste 0,02 mSv (RIVM-website Stralingsbelasting in Nederland). Ook de emissies van radioactieve stoffen naar de lucht die veroorzaakt wordt door de industrie (met name de verwerking van ijzer- en fosfaaterts) zijn beperkt en dalend, vooral als gevolg van betere zuiveringstechnieken (RIVM-website: Stralingsbronnen (reguleerbaar)).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Smetsers RCGM, Blaauboer RO, Dekkers F, van der Schaaf M, Slaper H. Radon en thoron in Nederlandse woningen vanaf 1930. Resultaten RIVM-meetcampagne 2013-2014. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2015. Bron

Trend in blootstelling aan ioniserende straling

Toename van medische stralingsblootstelling in afgelopen decennia

Door technologische ontwikkelingen in de afgelopen eeuw is het aantal kunstmatige bronnen van ioniserende straling toegenomen. Voorbeelden hiervan zijn het gebruik van röntgenstraling en radioactieve isotopen in de medische diagnostiek en therapie, kerncentrales en radioactieve stoffen in gebruiksartikelen, zoals ionisatie rookmelders. Van een duidelijke toename van de blootstelling aan ioniserende straling is alleen sprake als het gaat om medische diagnostische toepassingen. De gemiddelde stralingsdosis per Nederlander door medisch diagnostisch onderzoek is tussen 2002 en 2010 met ruim 70 procent gestegen (Pruppers et al., 2013). Dit komt grotendeels door een toename van medisch diagnostische CT-scans (RIVM-website: Medische Stralingstoepassingen).

Radon en thoronconcentraties sinds 2000 gedaald

In woningen die vanaf 2000 zijn gebouwd is de gemiddelde radonconcentratie 22% lager en de gemiddelde thoron-dochterconcentratie ruim 15% lager dan de gemiddelde waarde over alle woningen sinds 1930.  Daarmee is voldaan aan de eerder gemaakte afspraken tussen overheid en bouwwereld, om de straling in nieuwbouwwoningen niet te laten toenemen. De gemiddelde waarden van andere bouwperioden wijken niet of nauwelijks af van de gemiddelde waarde over alle woningen sinds 1930 (Smetsers et al., 2015).

 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Pruppers MJM, de Waard I.R., Bijwaard H. Analyse van trends in stralingsbelasting als gevolg van beeldvormende diagnostiek. Bilthoven: RIVM; 2013. Bron
  2. Smetsers RCGM, Blaauboer RO, Dekkers F, van der Schaaf M, Slaper H. Radon en thoron in Nederlandse woningen vanaf 1930. Resultaten RIVM-meetcampagne 2013-2014. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2015. Bron

Gezondheidsgevolgen van ioniserende straling

Ioniserende straling kan schade in weefsel veroorzaken

Bij het ionisatieproces wordt de stralingsenergie deels of geheel overgedragen op atomen/moleculen van stoffen of weefsels die zich in het stralingsveld bevinden. Ionisaties kunnen in weefsel tal van schadelijke effecten veroorzaken, waaronder beschadigingen aan DNA. Die beschadigingen kunnen leiden tot cel- en weefseldood, of bij onvolledig herstel tot het (uiteindelijke) ontstaan van kanker. 

Paar duizend sterfgevallen aan kanker door lage doses ioniserende straling

Bij normale alledaagse blootstelling aan lage doses ioniserende straling treden uitsluitend ‘late’ effecten op, vooral kanker. Deze lage stralingsdoses dragen waarschijnlijk bij aan een verhoging van de kans om in het latere leven kanker te krijgen. Naar schatting kan de huidige blootstelling aan ioniserende straling van de Nederlandse bevolking leiden tot een paar duizend sterfgevallen door kanker per jaar. 

Ongeveer 400 sterfgevallen aan longkanker per jaar door radon en thoron 

Afhankelijk van de bestralingsomstandigheden kan ioniserende straling verschillende vormen van kanker veroorzaken. De blootstelling aan de edelgassen radon/thoron in het binnenmilieu, een van de belangrijkste bronnen, leidt bijvoorbeeld tot een geschat extra sterfterisico voor longkanker van ongeveer 400 (onzekerheidsmarge 100-800)  gevallen per jaar (Smetsers et al., 2015). Dat betreft vooral rokers. Deze schatting is iets lager dan de schatting van 800 (100-1200) van de Gezondheidsraad uit 2000 (Gezondheidsraad, 2000). Ook is er nu een beter beeld van de bijdrage door radon (ongeveer 70%) en door thoron (ongeveer 30%). 

Ernstige gevolgen bij hoge doses ioniserende straling

Bij hoge doses ioniserende straling (overschrijding van de drempeldoses) kunnen ook 'vroege' gezondheidseffecten optreden, zoals roodheid en zwelling van de huid, haaruitval, maagdarmklachten (misselijkheid, braken, diarree) en beschadigingen aan de dunne darm. Zeer hoge ioniserende stralingsdoses kunnen daarbij binnen enkele dagen tot weken leiden tot sterfte. Een berucht voorbeeld hiervan is het overlijden van de voormalige medewerker van de Russische veiligheidsdienst Aleksandr Litvinenko eind 2006 in Londen na vergiftiging met Polonium-210. Hoge doses ioniserende straling kunnen ook worden opgelopen bij ongevallen of incidenten met radioactieve stoffen of stralingsapparatuur, en soms als bijwerking van therapie.

Ioniserende straling kent ook positieve medische toepassingen

Ioniserende straling heeft niet alleen een negatieve kant. Deze straling wordt namelijk ook toegepast voor het opsporen van ziekten (bijvoorbeeld röntgenfoto's, CT-scans) en bij het behandelen van ziekten (bijvoorbeeld bestraling van tumoren). Bij medische toepassingen is het de afweging een goede diagnose te stellen, dan wel behandeling uit te voeren, bij een zo laag mogelijke stralingsdosis (zie: Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen).
 

Meer informatie

 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Smetsers RCGM, Blaauboer RO, Dekkers F, van der Schaaf M, Slaper H. Radon en thoron in Nederlandse woningen vanaf 1930. Resultaten RIVM-meetcampagne 2013-2014. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2015. Bron
  2. Gezondheidsraad. Radon Toetsing rapport ‘BEIR VI’. Den Haag: Gezondheidsraad; 2000. Bron

Blootstelling aan UV-straling

Blootstelling aan UV-straling vooral afhankelijk van zomerzon

Iedereen die buitenkomt en onbedekte huidgedeelten of ogen blootstelt aan de zon zal een dosis ultraviolette (UV) straling oplopen, met name als de zonkracht hoog is. De zonkracht is hoger als de zon hoog aan de hemel staat en er weinig bewolking is. Ook de dikte van de ozonlaag heeft invloed op de zonkracht. Behalve de zon kunnen kunstmatige bronnen, zoals aanwezig in bruiningsapparatuur, voor gebruikers bijdragen aan de UV-blootstelling. Er is weinig bekend over de omvang van blootstelling aan UV-straling in Nederland. Naar ruwe schatting is 90% van de totale UV-belasting in Nederland van de zon afkomstig. Mensen die buiten werken hebben daarom een hoge UV-belasting, mogelijk 2 tot 3 maal het gemiddelde. Daarnaast hebben ook zonaanbidders en mensen die veel gebruik maken van bruiningsapparatuur een hoge UV-belasting. Uit enigszins gedateerd onderzoek volgde een schatting dat voor een gemiddelde gebruiker van de zonnebank (circa 5 tot 10% van de bevolking) deze apparatuur 20 tot 30% bijdraagt aan de jaarlijkse UV-blootstelling (Slaper & Eggink, 1991). Enkele industriële toepassingen, zoals lassen en desinfecteren, kunnen, afhankelijk van de toegepaste beschermingmiddelen, ook leiden tot UV-blootstelling. Ook patiënten die met UV-therapie worden behandeld hebben een hogere jaarlijkse UV-belasting. Voor deze groepen kan de UV-blootstelling gemakkelijk 2 tot 3 maal hoger zijn dan gemiddeld. Mensen met een donkere huidskleur zijn minder gevoelig voor de effecten van UV-straling. Mensen die hun lichaam grotendeels bedekken en mensen die weinig buiten komen hebben een relatief lage UV-blootstelling.

Zuid-Nederland en kustgebied hebben te maken met iets hogere UV-stralingsniveaus

Ultraviolette (UV) stralingsniveaus verschillen in Nederland slechts in beperkte mate. De stralingsniveaus zijn iets hoger in het zuiden en aan de kust. UV-stralingsniveaus zijn sterk gecorreleerd aan de hoogte van de zon aan de hemel (RIVM-website: zonkracht). Daardoor zijn de jaarsommen van de UV-straling in het noorden van het land naar verwachting iets lager dan in het zuiden. Dat noord-zuid verschil bedraagt voor de totale jaardosis naar schatting maximaal rond de 8%. Verder spelen ozon en bewolking een belangrijke rol. Regionale variaties in bewolking leiden ook tot variaties in de UV-stralingsniveaus. Minder bewolking in het kustgebied leidt tot naar schatting 5-10% meer UV-straling dan in het binnenland.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Slaper H, Eggink GJ. Blootstelling aan ultraviolette straling. Een analyse van het probleemveld. Bilthoven: RIVM; 1991. Bron

Trend in blootstelling aan UV-straling

Klimaatverandering en vrijetijdsbesteding zorgen voor toename van UV-blootstelling

De blootstelling aan UV-staling van de zon is waarschijnlijk toegenomen in de afgelopen decennia. Enerzijds komt dat waarschijnlijk door een toename in de hoeveelheid vrije tijd en de toename van het aantal vakanties in zonrijke (zuidelijke) gebieden in Europa in de afgelopen zestig jaar. Anderzijds hebben sinds begin jaren tachtig van de vorige eeuw aantasting van de ozonlaag en verandering in bewolking, mogelijk als gevolg van klimaatverandering, bijgedragen aan een toename in de jaarsom van de buiten beschikbare UV-dosis met circa 5-10%. Verwacht wordt dat de ozonlaag zich in de komende decennia langzaam zal herstellen als gevolg van genomen wereldwijde maatregelen (RIVM-website: UV, ozonlaag en klimaat). De daadwerkelijk opgelopen UV-dosis hangt af van omgevingsfactoren die een deel van de zonnestraling afschermen of weerkaatsen (sneeuw) en het gedrag, zoals de oriëntatie van de blootgestelde huid, afscherming door kleding en gebruik van anti-zonnebrandmiddelen. Veranderingen in gedrag hebben gezorgd voor een toename van de huidkankerincidentie met een factor 2,5 sinds 1990 (Slaper et al., 2017). Zie ook: Gezondheidsgevolgen van UV-straling.  

Meer informatie

Datum publicatie

31-07-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Slaper H, van Dijk A, P Outer den, van Kranen H, Slobbe L. UV-straling en gezondheid : Probleemveld en kennisbasis bij het RIVM. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2017. Bron

Gezondheidsgevolgen van UV-straling

UV-straling vooral schadelijk voor huid en ogen

Ultraviolette (UV)-straling heeft voornamelijk effect op huid en ogen. Dit komt doordat UV-straling in sterke mate door weefsel wordt geabsorbeerd en daarom doorgaans niet diep in het lichaam doordringt. Schade door UV-straling  kan op korte termijn leiden tot zonnebrand en (pijnlijk) brandende, tranende en rode ogen (fotokeratitis), beter bekend onder de benamingen sneeuwblindheid of lasogen. Op lange termijn kan het leiden tot huidkanker, en bijdragen aan huidveroudering en staarvorming (gezichtsstoornissen). Naar schatting hangt meer dan 90% van de incidentie van huidkanker en een derde van de incidentie van staar samen met UV-blootstelling (Slaper et al., 2017). Doordat ultraviolette straling en zichtbare straling (licht)  de kortste golflengte hebben, hebben de golfpakketjes de meeste energie en voldoende energie om fotochemische beschadigingen aan lichaamscellen te veroorzaken.  

UV-straling belangrijkste oorzaak voor meest agressieve vorm van huidkanker

Overmatige blootstelling aan UV-straling is de belangrijkste risicofactor voor het ontstaan van huidkanker. In het merendeel van de sterfgevallen aan huidkanker gaat het om het melanoom, de minst voorkomende maar wel meest agressieve vorm van huidkanker (zie sterfte door huidkanker). Voor het melanoom is zonverbranding, en dan vooral in de jeugdjaren, de belangrijkste risicofactor. Mensen met een zongevoelige blanke huid die slecht bruinen en snel verbranden, lopen een grotere kans op huidkanker. Mensen met een donkere huidskleur lopen aanzienlijk minder risico op huidkanker.

UV-straling zorgt voor aanmaak van vitamine D

UV-straling heeft ook positieve effecten op de gezondheid. Het is nodig voor de aanmaak van vitamine D. Vitamine D is goed voor sterke botten en tanden en draagt waarschijnlijk bij aan het verlagen van de kans op het krijgen van dikkedarmkanker en enkele chronische ziekten. Deze laatste bevindingen zorgen voor een wetenschappelijk en maatschappelijk debat over de vraag waar de grens ligt tussen schadelijke en wenselijke UV-blootstellingsniveaus (Slaper et al., 2017; KWF Kankerbestrijding, 2010). Verder maken medische therapieën voor de behandeling van bepaalde huidaandoeningen gebruik van UV-straling, bijvoorbeeld bij psoriasispatiënten.

De UV-blootstelling door de zomerzon lijkt, gelet op de sterke seizoensvariatie in de vitamine D-status, de belangrijkste bron in de zomerperiode. De huidige (onzekere) schatting is dat rond het tijdstip van de hoogste zonnestand in de Nederlandse zomer 15-30 minuten blootstelling aan de zon van een beperkt lichaamsoppervlak (hoofd, nek, onderarmen) voldoende is. Bij blootstelling van een groot huidoppervlak volstaan onder die condities enkele minuten (KWF Kankerbestrijding, 2010). Voor mensen met een donkere huidskleur is de normale zonblootstelling doorgaans onvoldoende om te voorzien in de vitamine D-behoefte van het lichaam. Dat geldt zeker voor mensen met een donkere huidkleur die weinig buiten komen en een groot deel van het lichaam afdekken. Ook bejaarden die weinig buitenkomen, bedlegerige patiënten en andere bevolkingsgroepen die hun lichaam grotendeels afdekken, kunnen onvoldoende UV-straling opdoen om in de vitamine D-behoefte te voorzien (KWF Kankerbestrijding, 2010). In de winterperiode draagt UV-straling nauwelijks bij aan vitamine D-vorming.

Meer informatie

Datum publicatie

31-07-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Slaper H, van Dijk A, P Outer den, van Kranen H, Slobbe L. UV-straling en gezondheid : Probleemveld en kennisbasis bij het RIVM. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2017. Bron
  2. KWF Kankerbestrijding. De relatie tussen kanker, zonnestraling en vitamine D. Amsterdam: KWF Kankerbestrijding; 2010. Bron

Blootstelling aan elektromagnetische velden

Limietwaarden voor korte termijn effecten mogelijk overschreden

Mensen worden vooral blootgesteld aan laagfrequente elektromagnetische velden die ontstaan bij transport van elektriciteit en het gebruik van elektrische apparaten. De blootstellingslimieten die de Europese Unie heeft aanbevolen en die gericht zijn op het voorkómen dat er tijdens of kort na blootstelling aan laagfrequente elektromagnetische velden gezondheidseffecten optreden, worden in Nederland op de meeste voor de bevolking toegankelijke plaatsen niet overschreden (KP-EMV, 2009). Onder omstandigheden is dat voor sommige apparaten wel mogelijk. Dit geldt bijvoorbeeld bij apparaten die een relatief sterke elektromotor hebben en dicht bij het lichaam worden gebruikt, zoals sommige keukenapparatuur en boormachines (Stam et al., 2014). Omdat bij de vaststelling van de blootstellingslimieten veiligheidsmarges zijn ingebouwd, hoeven bij een overschrijding niet per definitie schadelijke effecten op te treden.

Elektromagnetische velden hebben doorgaans een betrekkelijk klein invloedsgebied

De extreem-laagfrequente magnetische velden rond elektrische apparatuur rijken hooguit tot enkele decimeters. Voor radiofrequente (RF) bronnen (zoals radio, tv, mobiele telefonie en wifi) is dit afhankelijk van het soort bron. Radio- en televisiezenders bestrijken over het algemeen een groter gebied (honderden kilometers) en vaste radarinstallaties komen meestal voor bij bepaalde objecten, zoals vliegvelden en waterwegen. Andere toepassingen, zoals DECT-telefoons, magnetrons en zeker mobiele telefoons kunnen zich overal bevinden en veroorzaken verhoogde veldsterkten tot op enkele meters afstand. Basisstations voor mobiele telefonie zullen doorgaans geconcentreerd zijn in gebieden waar ook de meeste mensen wonen of waar veel mensen samenkomen, omdat daar de behoefte aan mobiele communicatiemiddelen het grootst is.

10.000 kinderen wonen in zone met mogelijk verhoogde kans op kinderleukemie

De extreem-laagfrequente magnetische velden rond hoogspanningslijnen blijven beperkt tot de directe omgeving (tientallen tot hooguit honderden meters) van de lijnen. Er wonen in Nederland momenteel (bestaande situaties) zo´n 10.000 kinderen in een zone waar de magnetische veldsterkte hoger dan 0,4 microtesla is (zone waarbinnen - volgens aanwijzingen uit wetenschappelijk onderzoek - mogelijk sprake is van een verhoogde kans op kinderleukemie). Uit voorzorg hanteert de Nederlandse overheid het uitgangspunt dat het aantal gevoelige bestemmingen (plaatsen waar kinderen langdurig kunnen verblijven, zoals woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven) binnen deze zone niet mag toenemen (RIVM-website: Hoogspanningslijnen).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. KP-EMV. Meten van elektromagnetische velden, een vak apart. Een handreiking voor het beoordelen van veldsterktemetingen. Bilthoven: Kennisplatform Elektromagnetische Velden; 2009. Bron
  2. Stam R, Pruppers MJM, Bolte JFB. Bronnen van elektromagnetische velden en blootstelling van burgers. RIVM Rapport 2014-0132. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2014. Bron

Trend in blootstelling aan elektromagnetische velden

Steeds meer toepassingen van elektromagnetische velden

Gelet op de ontwikkelingen op het gebied van mobiele communicatie en het toenemende gebruik van elektrische apparatuur is het aannemelijk dat de blootstelling aan elektromagnetische velden in de leefomgeving is toegenomen en blijft toenemen. Met de groei van het aantal toepassingen van mobiele communicatie is er in recente jaren ook steeds meer aandacht gekomen voor mogelijke risico’s van radiofrequente (RF) elektromagnetische velden (zoals radio, tv, mobiele telefonie en wifi). Het normale gebruik en transport van elektriciteit zorgt voor elektrische en magnetische velden met een golflengte van enkele duizenden kilometers (Extreem Laag Frequente velden).

Meer informatie

Kennisplatform ElectroMagnetische Velden:

Gezondheidsgevolgen van elektromagnetische velden

Geen thermische effecten van radiofrequente elektromagnetische velden

De effecten van blootstelling aan radiofrequente (RF) elektromagnetische velden worden ingedeeld in thermische effecten en niet-thermische effecten. Thermische effecten zijn de effecten die samenhangen met de door blootstelling veroorzaakte opwarming van het lichaam (opwarming van de huid, verbranding en verhoging van de lichaamstemperatuur). In de normale leefomgeving worden de niveaus die de Europese Unie (EU) voor de blootstelling van de bevolking aan radiofrequente elektromagnetische velden heeft aanbevolen, doorgaans niet overschreden. Deze niveaus zijn gericht op het voorkómen van thermische effecten (Europese Commissie, 1999).

Onduidelijkheid over samenhang tussen radiofrequente elektromagnetische velden en niet-thermische effecten

Momenteel is niet duidelijk of blootstelling aan radiofrequente velden in de leefomgeving tot niet-thermische gezondheidseffecten kan leiden, zoals kanker of niet-specifieke gezondheidsklachten (Gezondheidsraad, 2014; Gezondheidsraad, 2013; Bolte & Pruppers, 2004). De mogelijkheid dat deze velden schadelijk voor de gezondheid zouden kunnen zijn, leidt tot onrust, vooral bij mensen die in de buurt van basisstations voor mobiele communicatie wonen.

Sommige mensen ervaren gezondheidsklachten als zij in de buurt komen van bronnen die elektromagnetische velden produceren (KP-EMV, 2012). Zij wijten tal van niet-specifieke gezondheidsklachten aan de blootstelling aan elektromagnetische velden. Voorbeelden van deze gezondheidsklachten zijn: vermoeidheid, hoofd- , spier- en gewrichtspijnen, concentratieproblemen, duizeligheid, misselijkheid, hartkloppingen en spijsverteringsproblemen. De klachten die elektrogevoeligen ervaren, zijn reëel en kunnen ernstig zijn en de kwaliteit van leven nadelig beïnvloeden. Zij melden klachten bij blootstelling aan elektromagnetische velden ver beneden de geldende limieten. De oorzaak van de klachten is wetenschappelijk nog niet duidelijk. Er zijn drie mogelijke verklaringen denkbaar:

• De klachten worden veroorzaakt door elektromagnetische velden.
• De klachten hebben een psychische oorzaak.
• De klachten worden veroorzaakt door andere milieufactoren of ziekten.
Een combinatie van bovenstaande factoren is ook mogelijk. Onderzoek naar de oorzaken is lastig. Dit komt onder andere doordat elektrogevoeligen onderling verschillen in de aard van de klachten en de bronnen waarbij ze klachten ervaren (Kennisplatform ElektroMagnetische Velden: Elektrogevoeligheid).

Mogelijk verband tussen extreem-laagfrequente magnetische velden en kinderleukemie

Mogelijke gezondheidseffecten van blootstelling aan extreem-laagfrequente magnetische velden, die met transport en gebruik van elektriciteit samenhangen, zijn al jaren onderwerp van discussie (Gezondheidsraad, 2000; van der Plas et al., 2001; Gezondheidsraad, 2005; KP-EMV, 2014; RIVM-website: hoogspanningslijnen). Volgens de Gezondheidsraad zijn er aanwijzingen dat de kans op kinderleukemie mogelijk hoger is voor kinderen die in de buurt van een bovengrondse hoogspanningslijn wonen en daarmee langdurig zijn blootgesteld aan een gemiddelde magneetveldsterkte van 0,3 tot 0,4 microtesla of meer (Gezondheidsraad, 2018). De Gezondheidsraad concludeert dat niet bewezen is dat magnetische velden de oorzaak zijn van de hogere kans op kinderleukemie, maar dat er wel aanwijzingen zijn voor een oorzakelijk verband. De leukemiegevallen kunnen ook veroorzaakt worden door toeval of door andere tot nog toe onbekende factoren die samenhangen met de aanwezigheid van hoogspanningslijnen (Gezondheidsraad, 2018). Voorbeelden hiervan zijn metaaldeeltjes die loskomen van de kabels, verfdeeltjes van de masten of het gebruik van bestrijdingsmiddelen om vegetatiegroei onder de lijnen tegen te gaan. Áls wordt aangenomen dat het magneetveld de oorzaak is, dan zou in Nederland als gevolg van wonen bij bovengrondse hoogspanningslijnen maximaal eens per twee jaar een extra geval van kinderleukemie verwacht mogen worden boven op de 270 gevallen die zich tweejaarlijks voordoen (RIVM-website: hoogspanningslijnenKP-EMV, 2014).

Voorzorgsbeleid overheid ten aanzien van hoogspanningslijnen

De Rijksoverheid heeft in 2005 gelet op de maatschappelijke discussie uit voorzorg beleid ontwikkeld en daarin voor een grenswaarde voor het magnetische veld van 0,4 microtesla gekozen. Het voorzorgsbeleid wil zo veel als redelijkerwijs mogelijk is voorkomen "dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone)." Hiermee wil de overheid voorkomen dat het aantal kinderen dat wordt blootgesteld aan deze elektromagnetische velden verder zal toenemen  (Rijksoverheid, 2005; Rijksoverheid, 2008) (zie ook: Preventie van elektromagnetische velden: hoogspanningslijnen). Extreem-laagfrequente magnetische velden doen zich behalve in de buurt van hoogspanningslijnen ook voor bij ondergrondse kabels, transformatorhuisjes en bij het gebruik van elektrische apparatuur (Dusseldorp et al., 2009). Omdat magnetische velden niet tegengehouden worden door bodem of bouwmaterialen, geeft de Gezondheidsraad in overweging om het voorzorgsbeleid uit te breiden naar ondergrondse elektriciteitskabels en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magnetische velden uit het elektriciteitsnetwerk, zoals transformatorstations en transformatorhuisjes (Gezondheidsraad, 2018). Het voorzorgsbeleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen wordt in 2018 geëvalueerd en er zal een verkenning worden uitgevoerd naar de verbreding van het voorzorgsbeleid naar andere bronnen van magneetvelden (KP-EMV, 2018).

Meer informatie

Datum publicatie

10-08-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Europese Commissie. Aanbeveling van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz - 300 GHz.. Brussels: EU; 1999. Bron
  2. Gezondheidsraad. Mobile phones and cancer: Part 2. Animal studies on carcinogenesis. Den Haag: Gezondheidsraad; 2014. Bron
  3. Gezondheidsraad. Mobile phones and cancer. Part 1: Epidemiology of tumours in the head. Den Haag: Gezondheidsraad; 2013. Bron
  4. Bolte JFB, Pruppers MJM. Gezondheidseffecten van blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden - Probleemanalyse niet-ioniserende straling. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2004. Bron
  5. KP-EMV. Kennisbericht Elektrogevoeligheid. Kennisplatform ElektroMagetische Velden; 2012. Bron
  6. Gezondheidsraad. Blootstelling aan elektromagnetische velden (0 Hz - 10 Mhz). Den Haag: Gezondheidsraad; 2000. Bron
  7. van der Plas M., Houthuijs DJM, Dusseldorp A, Pennders R.M.J, Pruppers MJM. Magnetische velden van hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen. Bilthoven: RIVM; 2001. Bron
  8. Gezondheidsraad. Elektromagnetische velden: Jaarbericht 2005. Den Haag: Gezondheidsraad; 2005. Bron
  9. KP-EMV. Kennisbericht 'Hoogspanningslijnen en kinderleukemie'.; 2014. Bron
  10. Gezondheidsraad. Hoogspanningslijnen en gezondheid deel I: kanker bij kinderen. publicatienr. 2018/08. Den Haag: Gezondheidsraad; 2018. Bron
  11. Rijksoverheid. Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen. Den Haag: Rijksoverheid; 2005. Bron
  12. Rijksoverheid. Brief aan gemeenten met verduidelijking advies met betrekking tot hoogspanningslijnen. Den Haag: Rijksoverheid; 2008. Bron
  13. Dusseldorp A, Pruppers MJM, Bolte JFB, Franssen AEM, van Kuijeren NM. Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen. Literatuur en metingen. Bilthoven: RIVM; 2009. Bron
  14. KP-EMV. Kabinetsreactie op advies Gezondheidsraad over hoogspanningslijnen en gezondheid. Kennisplatform ElektroMagnetische Velden (KP-EMV); 2018. Bron

Verantwoording

Definities
  • Binnenmilieu

    Binnenmilieu omvat samenstelling en omstandigheden van de binnenlucht

    Binnenmilieu omvat de binnenlucht en de thermische, akoestische, atmosferische en hygiënische omstandigheden waarin we ons bevinden als we binnen zijn. Dit is thuis, op het werk, in winkels, scholen en dergelijke. Mensen zijn gemiddeld 85% van hun tijd binnenshuis, waarvan ongeveer 65% in hun eigen woning (Leech et al., 2002; Brasche & Bischof, 2005). In de beschrijving van het binnenmilieu beperken we ons tot de stoffen die te vinden zijn in de binnenlucht en tot de hygiënische en thermische omstandigheden. De akoestische (geluid) en atmosferische (straling) omstandigheden worden verder uitgewerkt in de onderwerpen geluid en straling op Volksgezondheidenzorg.info.

    Productie en afvoer ongezonde stoffen bepalen binnenmilieukwaliteit

    De kwaliteit van het binnenmilieu wordt bepaald door het aantal bewoners/gebruikers, rookgedrag, aanwezigheid van huisdieren, gebruikte bouwmaterialen, planten, emissies uit consumentenproducten (zoals sprays en elektrische apparaten) en door bronnen van buiten, zoals het verkeer. Bovendien speelt ook de mate van ventilatie een zeer belangrijke rol. Ventileren zorgt voor verdunning en afvoer van ongezonde stoffen die in het binnenmilieu aanwezig zijn.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Leech JA, Nelson WC, Burnett RT, Aaron S, Raizenne ME. It's about time: a comparison of Canadian and American time-activity patterns. J Expo Anal Environ Epidemiol. 2002;12(6):427-32. Pubmed | DOI
    2. Brasche S, Bischof W. Daily time spent indoors in German homes--baseline data for the assessment of indoor exposure of German occupants. Int J Hyg Environ Health. 2005;208(4):247-53. Pubmed | DOI
  • Luchtverontreiniging

    Luchtverontreiniging richt zich vooral op de concentraties in de lucht van deeltjesvormige luchtverontreiniging (roet en fijn stof), stikstofdioxide (een goede indicator van het huidige verkeersgerelateerde mengsel) en ozon (van belang bij zomersmog). Het gaat hierbij om luchtverontreiniging van een internationale omvang. Het gaat dus in principe niet over een lokale situatie (straat, stad of regio), afgezien van stagnerende weerssituaties waarbij de lokale bijdrage veel groter kan zijn. Grootschalige luchtverontreiniging slaat ook op het soort bron: niet zozeer een lokale uitstoot, maar het gehele pakket van luchtverontreiniging dat is ontstaan door alle nationale en internationale bronnen.

    Fijn stof is graadmeter voor deeltjesvormige luchtverontreiniging

    Fijn stof is een graadmeter voor de mate van deeltjesvormige luchtverontreiniging. Deeltjesvormige luchtverontreiniging is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand en (bodem)stof, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal en bijvoorbeeld cementdeeltjes. Een veel gebruikte afkorting voor fijn stof is PM. PM staat voor de Engelse term Particulate Matter. Afhankelijk van de doorsnede van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 voor deeltjes met een doorsnede tot 10 micrometer (µm) of van PM2,5 voor deeltjes met een doorsnede tot 2,5 micrometer (U.S. EPA, 2004). Ook roetdeeltjes zijn van belang voor de gezondheid (Janssen et al., 2011). Met roetdeeltjes is het (gezondheidskundig) effect van verkeersinterventies beter te duiden dan met PM10, PM2,5  of stikstofdioxide (NO2). 

    Stikstofdioxide is goede indicator voor verkeersgerelateerde luchtverontreiniging

    Stikstofdioxide (NO2) is een goede indicator voor verkeersgerelateerde (deeltjesvormige) luchtverontreiniging. Hoewel een deel van de NO2-uitstoot van industriële activiteiten komt, bepaalt vooral het (lokale) verkeer de NO2-niveaus. Vooral de blootstelling van de bevolking aan de uitstoot van wegverkeer is belangrijk voor de negatieve effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid (WHO Europe, 2005; WHO Europe, 2013). 

    Ozon is indicator voor fotochemische luchtverontreiniging

    Ozon (O3)is de graadmeter voor de mate van fotochemische luchtverontreiniging. Ozon is de meest reactieve en giftige component van zomersmog en ontstaat vooral op mooie zomerdagen onder invloed van zonlicht en de uitstoot van vooral verkeer en industrie. Hoewel er dus speciale weersomstandigheden nodig zijn om smog te krijgen is ozonvorming vooral ook afhankelijk van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS), koolmonoxide (CO) methaan (CH4) en stikstofoxiden (NOx) (Mooijbroek et al., 2010). Ozon komt niet alleen voor op leefniveau, maar ook hoger in de atmosfeer (de stratosfeer). Ozon in de stratosfeer (zo’n 10 tot 50 km boven het aardoppervlak) beschermt de aarde tegen schadelijk ultraviolette straling van de zon. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. U.S. EPA. Air Quality Criteria for Particulate Matter (final report, Oct. 2004). Washington DC: U.S. EPA; 2004. Bron
    2. Janssen NAH, Hoek G, Simic-Lawson M, Fischer PH, van Bree L, ten Brink H, et al. Black Carbon as an Additional Indicator of the Adverse Health Effects of Airborne Particles Compared with PM10 and PM2.5. Environ Health Perspect. 2011;119(12):1691-1699. Bron | DOI
    3. WHO Europe. Health effects of transport-related air pollution. Copenhagen: WHO Regional office for Europe ; 2005. Bron
    4. WHO Europe. Review of evidence on health aspects of air pollution – REVIHAAP Project. Technical Report. Bonn: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
    5. Mooijbroek D, Beijk R, Hoogerbrugge R. Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2009. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
  • Geluid

    Focus op omgevingsgeluid

    In dit onderwerp ligt de focus op de blootstelling aan en gezondheidsgevolgen van geluid in de woonomgeving. Informatie over gehoorschade door lawaai tijdens het werk en blootstelling aan harde muziek staat in het onderwerp gehoorstoornissen

    Geluid is een trilling van lucht

    Geluid is een trilling. Het ontstaat doordat een geluidbron telkens de lucht aanstoot, waardoor verdichtingen en verdunningen in de lucht (luchtdrukschommelingen) ontstaan die zich vanaf de geluidsbron uitbreiden. Deze luchtdrukschommelingen bereiken via de gehoorgang van het oor het trommelvlies. De trillingen die hierdoor ontstaan in het trommelvlies, bereiken via het middenoor, binnenoor en de gehoorzenuw de hersenen. Dit leidt tot waarneming en interpretatie van het geluid. 

    D decibel(A)

    Decibel (dB) is de eenheid voor de sterkte van een geluid. Meestal wordt hier de letter 'A' aan toegevoegd, wat aangeeft dat er gecorrigeerd is voor de gevoeligheid van het menselijk oor voor verschillende toonhoogten (frequenties).

    Lday-evening-night

    'day-evening-night level' (Lden) is het jaargemiddelde geluidniveau over de dag-, avond-, en nachtperiode en is de Nationale en Europese maat voor de blootstelling aan omgevingsgeluid. Omdat een bepaald geluidniveau in de avond en de nacht als hinderlijker wordt ervaren dan geluid overdag, telt het geluid in de avond en nacht zwaarder dan het geluid overdag. Hiertoe wordt het niveau dat voor de avond wordt bepaald verhoogd met 5 dB en het niveau dat voor de nacht wordt bepaald met 10 dB (Heemskerk, 2007).

    Lnight

    Lnight is de jaargemiddelde maat voor blootstelling aan geluid in de nacht. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Heemskerk NM. Wegwijzer, geluidrecht 2008. Een praktische handleiding voor iedereen die met juridische aspecten van geluidhinder te maken krijgt. Alphen aan den Rijn: Kluwer Uitgevers; 2007. Bron
  • Water

    Kwaliteit drinkwater

    In Nederland moet het drinkwater voldoen aan de normen voor de kwaliteit van drinkwater voor menselijke consumptie in het Nederlandse Drinkwaterbesluit. Het Drinkwaterbesluit is gebaseerd op de Europese drinkwaterrichtlijn. De kwaliteitsnormen zijn onderverdeeld in drie verschillende categorieën van parameters; microbiologische-, chemische- en indicatorparameters.

    Bij microbiologische parameters gaat het om bacteriën die direct effect kunnen hebben op de gezondheid. De darmbacteriën Escherichia coli (E. coli) en enterococcen zijn indicatoren voor de aanwezigheid van verontreinigingen met menselijke of dierlijke uitwerpselen, zogenaamde faecale verontreinigingen, en dus voor de mogelijke aanwezigheid van ziekteverwekkende micro-organismen die in deze uitwerpselen aanwezig kunnen zijn. De norm voor de darmbacteriën E. coli en enterococcen is afwezigheid in 100 ml drinkwater.

    Bij chemische parameters gaat het om stoffen die mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid bij langdurige en/of hoge blootstelling. Hierbij valt te denken aan ijzer, nikkel, mangaan, nitraat, chloor, lood, bestrijdingsmiddelen en geneesmiddelen. Bij indicatorparameters gaat het om bedrijfstechnische parameters, organoleptische en esthetische parameters en signaleringsparameters. Normoverschrijdingen van indicatorparameters vormen geen direct gevaar voor de volksgezondheid, maar geven aan dat er onvolkomenheden zijn bij de productie of de distributie van drinkwater.

    Op een aantal vlakken is het Drinkwaterbesluit uitgebreider dan de Europese regelgeving. Volgens zowel de Nederlandse als de Europese wetgeving moet de aanwezigheid van bepaalde bacteriën in het water bepaald worden. Volgens de Nederlandse wet moeten daarnaast ook een aantal andere micro-organismen bepaald worden in het innamewater, te weten (entero)virussen, CampylobacterCryptosporidium en Giardia, omdat van deze micro-organismen bekend is dat ze relevant zijn voor de volksgezondheid en daarom worden ze meegenomen in de risicoanalyse.

    Kwaliteit zwemwater

    De kwaliteit van het zwemwater wordt bepaald door metingen van de indicatorparameters E.coli en intestinale enterococcen. De Zwemwaterrichtlijn van de Europese Unie geeft waarden voor de indeling van zwemwater in kwaliteitsklassen: uitstekend, goed, aanvaardbaar of slecht.

     

  • Straling

    Verschillende stralingstypen

    Straling is een natuurkundig proces waarbij energieoverdracht plaatsvindt zonder dat sprake is van direct contact. Straling kent verschillende verschijningsvormen: als niet-zichtbare deeltjes, of als zichtbare of onzichtbare golfpakketjes. Omdat de energie-inhoud en de aard en interactie met materie en lichaamsweefsel sterk verschillen voor verschillende stralingstypen, wordt onderscheid gemaakt in: ioniserende straling, optische straling en elektromagnetische velden.

    • De ioniserende straling is het meest energierijk en komt vrij bij radioactief verval in de vorm van deeltjes (bijvoorbeeld alfa of beta straling) en/of in golfvorm als gammastraling. Ioniserende straling wordt uitgedrukt in millisievert (mSv). De belangrijkste bronnen van ioniserende straling zijn medisch diagnostisch onderzoek en radon en thoron in het binnenmilieu. Radon en thoron ontstaan van nature in de bodem en uit bodemmateriaal vervaardigde producten.  Radongas kan via de kruipruimte en vanuit bouwmaterialen in de woning terecht komen. Thorongas, dat veel sneller vervalt, zal alleen voldoende lang leven om uit de buitenste laag van de muur en de afwerklaag in de leefruimte te komen. Het verval van beide leidt tot de aanwezigheid van radioactieve vaste stoffen in de binnenlucht die na inademing zorgen voor blootstelling aan ioniserende straling. De constructie, de gebruikte bouwmaterialen en de ventilatie beïnvloeden de radonconcentratie in huis. Naast inademing van radon- en thoron-dochters vindt in de woning ook externe bestraling plaats vanuit bodem en bouwmaterialen (Bader et al., 2010). Veruit de hoogste doses ioniserende straling worden ontvangen bij de behandeling van kanker. Daarbij is de dosis heel veel hoger dan de normale jaardosis en ook veel hoger dan bij diagnostisch onderzoek. Omdat het daarbij gaat om bedoelde blootstelling van de tumor, zijn deze therapeutische blootstellingen niet meegenomen in de gegeven schatting van de jaargemiddelde stralingsdosis.
    • De optische straling omvat ultraviolette straling (de meest energierijke optische straling), zichtbare straling (licht) en infrarood. Voor ultraviolette blootstelling is geen eenduidige risicomaat ontwikkeld, al wordt bij zonnestraling de zonkracht of ook wel UV-index veelvuldig gehanteerd. De zonkracht is een maat voor de snelheid waarmee de UV-straling zonverbranding van de huid veroorzaakt.
    • Elektromagnetische velden worden gebruikt bij telecommunicatie (zoals radio en tv-zenders, mobiele telefoons, WiFi) en komen voor bij het gebruik van elektriciteit. Radiofrequente elektromagnetische velden in de leefomgeving zijn onder andere afkomstig van mobiele telefoons en de bijbehorende basisstations, radio- en televisiezenders, wifi-apparatuur, DECT-telefoons en magnetrons. Extreem-laagfrequente magnetische velden zijn afkomstig van de transport van elektriciteit (bijvoorbeeld hoogspanningslijnen). De sterkte van deze magnetische velden wordt uitgedrukt in tesla of microtesla.

    Effectieve dosis is maat voor de extra kans op het krijgen van kanker door ioniserende straling

    De effectieve dosis is een maat voor de extra kans op het krijgen van kanker door de blootstelling aan ioniserende straling. Het precieze effect van straling wordt bepaald door het type straling, de geabsorbeerde stralingsdosis en de gevoeligheid van het getroffen weefsel voor straling. De effectieve dosis, met als eenheid sievert, houdt met al deze factoren rekening. Hierbij is het onderscheid tussen de deeltjesstraling (alfa- en beta-) en gammastraling van belang. Alfa- en in iets minder mate betastraling hebben een kort en dicht ionisatiespoor en daarmee een beperkte dracht. Zij zijn relatief makkelijk af te schermen en dragen vooral bij aan risico’s van straling indien ze in het lichaam worden afgegeven door in het lichaam opgenomen radioactieve stoffen. Van gamma- en röntgenstraling is de dracht veel groter en bestraling van buiten het lichaam kan in belangrijke mate bijdragen aan de stralingsblootstelling.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Bader S, Dekkers SAJ, Blaauboer RO. Stralingsbelasting in Nederlandse nieuwbouwwoningen - Eindrapport ventilatie- en radononderzoek. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
Bronverantwoording
  • Luchtverontreiniging

    Landelijk Meetnetwerk Luchtkwaliteit

    De concentraties fijn stof, ozon en stikstofdioxide zijn afkomstig van meetgegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM, GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond (gecombineerd tot LML+). De concentraties worden ieder uur gemeten. De gemiddelden over de afgelopen 24 uur worden direct weergegeven op de website van het LML. Ook geeft de website van het LML details over de gebruikte meetmethoden.

    Meer informatie

  • Geluid

    Geluidbelasting door wegverkeer

    Sinds de wijziging in de geluidsregelgeving voor rijkswegen en spoorwegen en de invoering van geluidsproductieplafonds in 2012 stelt Rijkswaterstaat voor de rijkswegen jaarlijks een nalevingsverslag op (Rijkswaterstaat, 2015). Hierin staat op hoeveel punten een plafondoverschrijding plaats vindt en hoe de overschrijdingen opgelost worden. Voor de spoorwegen stelt Prorail sinds 2013 jaarlijks een nalevingsverslag op (Prorail, 2015).

    Cijfers over geluidbelasting tot en met 2012 zijn gebaseerd op gegevens over vliegverkeer van NLR, wegverkeer van RWS en Provincies en railverkeer van Prorail/Deltarail en zijn in 2012 bewerkt door het RIVM. Tot 2010 voerde PBL een modellering uit op de gegevens. De basis van de gegevens voor de RIVM en PBL modellen is anders. Dit heeft invloed op de uitkomsten. De berekeningen van 2010 en eerder zijn dan ook niet meer vergelijkbaar met de gegevens van 2012 (CBS et al., 2014).

    Landelijke schattingen geluidhinder en slaapverstoring

    Landelijke schattingen van het aantal volwassenen dat hinder en slaapverstoring ondervindt door geluid zijn afkomstig uit de ‘Inventarisatie Verstoringen’ (ook wel Hinderinventarisatie genoemd) van het RIVM en CBS (Van Poll et al., 2018). Deze wordt sinds 1977 met een interval van tussen de 5 en 8 jaar uitgevoerd. De mate waarin groepen mensen hinder of slaapverstoring ervaren, is in de hinderinventarisatie gemeten met een vragenlijst. Deze vragenlijst is afgenomen onder een steekproef van in Nederland woonachtige personen, die deel uitmaken van particuliere huishoudens en op het moment van het onderzoek 16 jaar of ouder zijn. Respondenten werd gevraagd in welke mate zij in de afgelopen 12 maanden in de thuissituatie gehinderd waren of in welke mate hun slaap verstoord was. Het gaat hierbij niet om een enkel incident, maar om de situatie zoals die over de afgelopen 12 maanden beleefd is.

    De respondenten kunnen op een schaal van 0 tot 10 antwoorden in welke mate zij zich gehinderd voelen of hun slaap verstoord is. Deze schaal wordt omgezet naar een range van 0 tot 100. Hierbij gelden de volgende afkappunten:

    • ernstige hinder of ernstige slaapverstoring: >72
    • (minstens) gehinderd of (minstens) slaap verstoord: >50
    • (minstens) enigszins gehinderd of (minstens) enigszins slaap verstoord: > 28

    Bij de lagere categorieën zijn de bovenliggende categorieën inbegrepen. Vandaar dat wordt gesproken van (minstens) enige hinder of slaapverstoring en (minstens) hinder of slaapverstoring.

    Regionale cijfers geluidhinder uit Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen

    Cijfers over geluidhinder naar GGD-regio en gemeente zijn afkomstig van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016. Deze cijfers zijn gebaseerd op een internationaal gestandaardiseerde vraag over geluidhinder die ook in de Hinderinventarisatie wordt gebruikt. Door middel van een getal van 0 (helemaal niet gehinderd) tot 10 (extreem gehinderd) hebben de respondenten (personen van 19 t/m 64 jaar) aangegeven in welke mate geluid van een zestal bronnen (wegverkeer < 50 km/uur; wegverkeer > 50 km/ uur; treinverkeer; vliegverkeer; brommers / scooters; buren) hindert, stoort of ergert in de thuissituatie. Antwoordoptie 'Niet hoorbaar' geldt voor als het geluid niet hoorbaar is in de thuissituatie.

    De antwoorden worden samengevat in een score: 

    • niet hoorbaar of geen of weinig (0-2)
    • matig (3-7)
    • ernstig (8-10)

    Hartinfarcten gerelateerd aan geluid

    Schattingen van het aantal hartinfarcten dat gerelateerd is aan het geluid afkomstig van wegverkeer, zijn afkomstig van een RIVM-studie uit 2008 (van Kempen & Houthuijs, 2008). In deze studie is een meta-analyse uitgevoerd om het aantal acute hartinfarcten te kunnen berekenen. Schattingen uit eerdere studies (van Kempen et al., 2001; de Hollander, 2004; Knol & Staatsen, 2005) vallen aanmerkelijk hoger uit. Dit komt onder meer door verschillen in onderzoeksopzet en doordat de RIVM-studie uit 2008 is gebaseerd op incidentie en de andere studies op prevalentie.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Rijkswaterstaat. Nalevingsverslag geluidproductieplafonds rijkswegen 2014. Rijkswaterstaat; 2015. Bron
    2. Prorail. Nalevingsverslag geluidproductieplafonds 2014, nr. P1217040. Prorail; 2015. Bron
    3. CBS, PBL, WUR. Geluidshinder in Nederland door weg-, rail- en vliegverkeer, 2012. Den Haag / Bilthoven / Wageningen: CBS, PBL, Wageningen UR; 2014. Bron
    4. Van Poll R, Breugelmans O, Houthuijs D, Van Kamp I. Beleving Woonomgeving in Nederland. Inventarisatie Verstoringen 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
    5. van Kempen EEMM, Houthuijs DJM. Omvang van de effecten op gezondheid en welbevinden in de Nederlandse bevolking door geluid van weg- en railverkeer. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron
    6. van Kempen EEMM, Ameling CB, Hoogenveen RT, Staatsen BAM, de Hollander AEM. De potentiële ziektelast toe te schrijven aan de geluidblootstelling in Nederland. Kwantitatieve schattingen in het kader van de Vijfde Milieuverkenningen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2001. Bron
    7. de Hollander AEM. Assessing and evaluating the health impact of environmental exposures "deaths, DALYs or dollars?". Utrecht: Universiteit van Utrecht; 2004. Bron
    8. Knol AB, Staatsen BAM. Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands 1980-2000. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2005. Bron
  • Water

    ILT rapporten over kwaliteit van het drinkwater

    Gegevens over de kwaliteit van het drinkwater komen uit het jaarlijkse rapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over de kwaliteit van het drinkwater in Nederland. Het rapport is gebaseerd op de resultaten van de controles van de drinkwaterkwaliteit door de drinkwaterbedrijven. De drinkwaterbedrijven voeren een wettelijk meetprogramma uit voor het bewaken van de drinkwaterkwaliteit. Ze voeren daarbij metingen uit op een set wettelijk verplichte parameters. Dit gebeurt na de laatste zuiveringsstap (af pompstation) en op verschillende plaatsen in het distributienetwerk, en soms voor een aantal parameters ook bij de klant thuis (ILT, 2017). Bijna alle huishoudens in Nederland zijn aangesloten op het waterleidingnet. Een zeer beperkt aantal huishoudens haalt hun drinkwater nog uit privé-putten. Deze zogeheten eigen winningen zijn geen onderdeel van de jaarlijkse rapportage van de ILT. Wel zijn eigenaren van privé-putten wettelijk verplicht om de kwaliteit van het water, dat zij aan derden ter beschikking stellen, te bewaken met behulp van een door de ILT goedgekeurd meetprogramma.

    Zwemwaterrapportage van de Europese Commissie

    Informatie over de kwaliteit van het zwemwater komt uit de jaarlijkse zwemwaterrapportage van de Europese Commissie (EEA, 2018). Het zwemwater wordt daarin volgens de Zwemwaterrichtlijn ingedeeld in de kwaliteitsklassen: uitstekend, goed, aanvaardbaar of slecht. De berekening van de waarden die bepalen in welke klasse een zwemlocatie wordt ingedeeld, is gebaseerd op de metingen van de indicatorparameters E.coli en intestinale enterococcen gedurende vier badseizoenen. Officiële zwemlocaties moeten gedurende het badseizoen (van 1 mei tot 1 oktober) tweewekelijks bemonsterd worden. De resultaten van de metingen moeten door de lidstaten van de Europese Unie aan de Europese Commissie worden gerapporteerd. De Europese Commissie neemt ze vervolgens op in de jaarlijkse zwemwaterrapportage.

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. ILT. De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2016. Den Haag: Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT); 2017. Bron
    2. EEA. European bathing water quality in 2017. Luxembourg: European Environmental Agency (EEA); 2018. Bron
Methoden
  • Luchtverontreiniging

    Berekening gezondheidseffecten ozon

    Berekeningen van de gezondheidseffecten van ozon zijn gebaseerd op relatieve risicocijfers uit de HRAPIE-studie van de WHO (WHO Europe, 2013) en VTV diagnosegroepen. Daarbij is uitgegaan van een 8-uursgemiddelde ozonconcentraties (van 12 tot 20 uur) van 58 ug/m3. Ook is er van uitgegaan dat er geen drempelwaarde bestaat waaronder geen effecten meer zullen optreden. Dit wijkt af van de HRAPIE aanbeveling om dagen met een maximale 8-uursgemiddelde ozonconcentratie van minder dan 20 ug/m3 niet in de berekeningen te betrekken.

    Achterliggende cijfers en bronnen

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. WHO Europe. Health risks of air pollution in Europe – HRAPIE project Recommendations for concentration–response functions for cost–benefit analysis of particulate matter, ozone and nitrogen dioxide. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
  • Straling

    Gezondheidsgevolgen van gemiddelde stralingsdosis moeilijk te schatten

    De gezondheidsgevolgen van de gemiddelde stralingsdosis die een Nederlander jaarlijks ontvangt, zijn moeilijk te schatten. Het is namelijk niet mogelijk om de kankergevallen die door ioniserende straling ontstaan te identificeren. Risico’s kunnen wel geschat worden op basis van epidemiologisch onderzoek bij hoge blootstellingniveaus, maar dan is daarna een extrapolatie naar de lagere niveaus nodig. Dat gebeurt nu veelal met een lineaire relatie. Voor de blootstelling in Nederland komen we dan op circa 2.000 sterfgevallen per jaar. Daarbij zijn veel kanttekeningen te plaatsen. Zo is het door straling toegevoegde risico minder indien de blootstelling op latere leeftijd plaatsvindt, en is er onzekerheid over de geldigheid van de lineaire extrapolatie.