Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Fysieke omgevingCijfers & ContextLuchtverontreiniging

Cijfers & Context

Concentraties fijn stof dalen

Regionaal & Internationaal

Relatief lage ozonconcentraties in Nederland

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Tabakswet bevordert schoon binnenmilieu

Huidige situatie luchtverontreiniging

Normen voor concentraties fijn stof en ozon niet overschreden

In 2015 zijn de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) op geen enkele voor de blootstelling relevante meetlocatie overschreden. Er waren wel overschrijdingen op een aantal specifieke locaties op bedrijfsterreinen waar niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Ook de ozonconcentraties (O3) liggen onder de streefwaarde voor de bescherming van de volksgezondheid, maar de langetermijndoelstelling (op geen enkele dag een overschrijding van de hoogste 8-uursgemiddelde ozonconcentratie) wordt nog niet gehaald. De grenswaarde (40 µg/m3) voor de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) is in 2015 op een aantal meetlocaties langs drukke verkeerwegen overschreden. Uurgemiddelde piekconcentraties van stikstofdioxide boven 200 µg/m3 komen lokaal minder dan de toegestane 18 keer per jaar voor op locaties met veel verkeer en/of industrie.

Luchtkwaliteit bepaald met metingen en modelberekeningen

De gegevens over luchtkwaliteit in de tabel zijn gebaseerd op metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML), GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond (gecombineerd tot LML+). Naast metingen kunnen modelberekeningen aanvullende informatie over de luchtkwaliteit geven. In 2015 werd de berekende jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 lokaal overschreden langs 5 kilometer weg verdeeld over wegen in Limburg, Noord-Brabant, Zuid- en Noord-Holland en in de nabijheid van 34 intensieve veehouderijen in Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Utrecht (van Zanten et al., 2016).

Meer informatie

Norm Grenswaarde Voldoet Nederland hier in 2013 aan? Bron en meer informatie
Stikstofdioxide (NO2): Jaargemiddelde 40 µg/m3

In overgrote deel van Nederland geen overschrijding van de grenswaarde van 40 µg/m3. Op 6 van de 19 meetlocaties langs drukke verkeerswegen werd deze grenswaarde overschreden. In totaal overschrijding langs 12,5 kilometer weg.

Compendium voor de Leefomgeving: Stikstofdioxide in lucht
Stikstofdioxide (NO2): Uurgemiddelde; overschrijding is toegestaan op niet meer dan 18 keer per jaar 200 µg/m3 Lokaal werd deze grenswaarde minder dan de toegestane 18 keer per jaar overschreden op locaties met veel verkeer en/of industrie. Compendium voor de Leefomgeving: Stikstofdioxide in lucht
Fijn stof (PM10): Jaargemiddelde 40 µg/m3 Geen overschrijding. Compendium voor de Leefomgeving: Fijn stof (PM10) in lucht
 
Fijn stof (PM10): Daggemiddelde; overschrijding is toegestaan op niet meer dan 35 dagen per jaar 50 µg/m3 Overschrijding op minder dan de toegestane 35 dagen. Compendium voor de Leefomgeving: Fijn stof (PM10) in lucht
Fijnere fractie van fijn stof (PM2,5): Jaargemiddelde 25 µg/m3 Geen overschrijding. Compendium voor de Leefomgeving: Concentraties van de fijnere fractie van fijn stof (PM2,5)
Fijnere fractie van fijn stof (PM2,5): Jaargemiddelde; gemiddelde op basis van metingen op stedelijke achtergrondlocaties, de zogeheten blootstellingsconcentratie 20 µg/m3 Geen overschrijding. Compendium voor de Leefomgeving: Concentraties van de fijnere fractie van fijn stof (PM2,5)
 
Ozon (O3): Hoogste voortschrijdend 8-uursgemiddelde per dag; overschrijding is toegestaan op niet meer dan 25 dagen per jaar; gemiddeld over drie jaar 120 µg/m3 (streefwaarde) Het driejarig gemiddelde over de jaren 2010 t/m 2012 lag in geheel Nederland onder de 25 dagen. Compendium voor de Leefomgeving: Ozon in lucht en volksgezondheid, 1990-2012
 
Ozon (O3): Hoogste voortschrijdend 8-uursgemiddelde per dag; overschrijding is niet toegestaan; per kalenderjaar (langetermijndoelstelling)

120 µg/m3 (streefwaarde)

Deze langtermijndoelstelling werd in de jaren 2010 t/m 2012 overschreden. Compendium voor de Leefomgeving: Ozon in lucht en volksgezondheid, 1990-2012
 

Bron: Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond (gecombineerd tot LML+)

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Zanten MC, Berkhout JPJ, Wesseling J, Mooibroek D, Nguyen PL, H Wassink G, et al. Monitoringsrapportage NSL 2016 : Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rapport 2016-0138. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2016. Bron

Trend in ozon

Trend in aantal dagen met een hoogste 8-uursgemiddelde ozonconcentratie boven 120 µg/m<sup>3</sup>

JaarDagen
199037
199137
199234
199326
199426
199526
199626
199722
199815
199915
200013
200114
200212
200316
200417
200517
200617
200715
200815
20098
20109
201110
201210

Aantal dagen zijn berekend als 3 jaars voortschrijdende gemiddelden

Ozonconcentraties nemen niet langer af

Sinds het begin van deze eeuw daalt het aantal dagen met een hoogste 8-uursgemiddelde ozonconcentratie boven de 120 µg/m3 niet langer. Op locaties met veel verkeer en/of in steden stijgen de jaargemiddelde concentraties licht. In de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw daalde het aantal dagen met een hoogste 8-uursgemiddelde ozonconcentratie boven de 120 µg/m3 nog, waarschijnlijk door een aanzienlijke reductie van de uitstoot van ozonvormende stoffen in Europa (CBS et al., 2013).

 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. CBS, PBL, Wageningen UR. Ozon in lucht en volksgezondheid, 1990-2012 (indicator 0238, versie 14, 29 oktober 2013). Den Haag, Den Haag/Bilthoven, Wageningen: CBS, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR; 2013. Bron

Trend in fijn stof

Trend in jaargemiddelde fijn stof-concentraties, 1992-2015

JaarRegionale stationsStadsstationsStraatstations
19923943
1993373838
1994363737
1995353840
1996394345
1997363841
1998323935
1999303234
2000292933
2001283032
2002293132
2003323235
2004272933
2005252832
2006283133
2007252930
2008222729
2009242328
2010252627
2011252628
2012212224
2013202123
2014202122
2015181920

Fijn stof-concentraties dalen

De laatste twintig jaar zijn de jaargemiddelde fijn stof (PM10)-concentraties gedaald van ongeveer 40 µg/m3 in 1993 naar ongeveer 20 µg/m3 in 2015 (CBS et al., 2017). In de periode 2008-2015 zijn de PM10-concentraties statistisch significant gedaald met gemiddeld 0,9 µg/m3 per jaar. Wel treden er van jaar tot jaar forse verschillen op. Hierbij spelen weersomstandigheden een rol (Hoogerbrugge et al., 2016). Na 1998 hebben de jaargemiddelde PM10-concentraties op geen enkele meetlocatie de grenswaarde van 40 µg/m3 overschreden. Wel is in deze periode voor enkele meetstations het aantal dagen waarop de PM10-concentratie boven de 50 µg/m3 komt, boven de grenswaarde van 35 dagen per jaar uitgekomen. Sinds 2010 zijn de regionale en stedelijke meetlocaties wel onder deze grenswaarde gebleven. Op enkele meetlocaties op plekken met veel wegverkeer (straatstations) werd deze norm voor het laatst in 2011 overschreden (CBS et al., 2017). In de PM2,5-concentraties is vanaf 2009 een vrijwel gelijke daling waarneembaar als bij PM10-concentraties. Het is dan ook de daling in de fijnere fractie die de daling in de PM10-concentratie domineert (CBS et al., 2017; Hoogerbrugge et al., 2016).

Daling uitstoot door maatregelen verkeer en energie

Maatregelen bij verkeer, industrie en de energiesector hebben voor een daling in fijn stof uitstoot gezorgd, evenals strengere eisen aan motorvoertuigen. Maar een toename van het aantal gereden kilometers, een hogere belading en zwaardere voertuigen hebben de daling deels teniet gedaan (Hoogerbrugge et al., 2010; Matthijsen & Koelemeijer, 2010).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. CBS, PBL, Wageningen UR. Fijn stof (PM10) in lucht, 1992-2015 (indicator 0243, versie 15, 24 maart 2017). Den Haag, Den Haag/Bilthoven, Wageningen : CBS, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR; 2017. Bron
  2. Hoogerbrugge R, Nguyen PL, Wesseling J, Van den Elshout S, Willers S, Visser J, et al. Trends in PM10- en NO2-concentraties. Tijdschrift Lucht. 2016;3(juni 2016):13-16. GoogleScholar
  3. CBS, PBL, Wageningen UR. Fijnere fractie van fijn stof (PM2,5) in lucht, 2009-2015 (indicator 0532, versie 07, 17 januari 2017). Den Haag, Den Haag/Bilthoven, Wageningen: CBS, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR; 2017. Bron
  4. Hoogerbrugge R, Denier-van der Gon HAC, van Zanten MC, Matthijsen J. Trends in fijn stof. Rapport 500099014. Bilthoven/Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving; 2010. Bron
  5. Matthijsen J, Koelemeijer RB. Beleidsgericht onderzoeksprogramma fijn stof. Resultaten op hoofdlijnen en beleidsconsequenties. Rapport 500099013. Bilthoven/Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving; 2010. Bron

Trend in stikstofdioxide

Trend in jaargemiddelde stikstofdioxideconcentraties, 1992-2015

JaarRegionale stationsStadsstationsStraatstations
1992254449
1993254348
1994244348
1995234248
1996254249
1997254350
1998224046
1999224046
2000213942
2001203844
2002203742
2003223949
2004213648
2005193646
2006193545
2007183245
2008193446
2009193443
2010183443
2011183242
2012173141
2013162938
2014152837
2015142737

Stikstofdioxide-concentraties dalen

De laatste twintig jaar dalen de jaargemiddelde stikstofdioxide (NO2)-concentraties (CBS et al., 2017). In de periode 1993-2015 daalden NO2-concentraties op regionale achtergrondstations van 24 naar 14 µg/m³. Op stedelijke achtergrond- en verkeersbelaste stations daalden NO2-concentraties in de periode 2004-2015 significant met (gemiddeld) 0,9 en 1,1 µg/m³ per jaar (Hoogerbrugge et al., 2016). 

Daling door maatregelen verkeer, industrie en energie

Maatregelen bij verkeer, industrie en de energiesector zorgden in de afgelopen jaren voor een daling in de NO2-concentraties. Deze worden echter deels gecompenseerd door een toename van het aantal gereden kilometers en doordat het aandeel stikstofdioxide in de uitlaatgassen is gestegen. Ook blijken motorvoertuigen in de praktijk minder zuinig (meer uitstoot) dan tijdens condities waaronder fabrikanten testen (CBS et al., 2015).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. CBS, PBL, Wageningen UR. Stikstofdioxide in lucht, 1990-2015 (indicator 0231, versie 14, 21 februari 2017). Den Haag, Den Haag/Bilthoven, Wageningen : CBS, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR; 2017. Bron
  2. Hoogerbrugge R, Nguyen PL, Wesseling J, Van den Elshout S, Willers S, Visser J, et al. Trends in PM10- en NO2-concentraties. Tijdschrift Lucht. 2016;3(juni 2016):13-16. GoogleScholar
  3. CBS, PBL, Wageningen UR. Stikstofdioxide in lucht, 1992-2013 (indicator 0231, versie 13, 14 januari 2015). Den Haag, Den Haag/Bilthoven, Wageningen: CBS, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR; 2015. Bron

Inleiding gezondheidseffecten luchtverontreiniging

Onderscheid in effecten door kortdurende en door langdurige blootstelling

Bij de effecten van luchtverontreiniging maken we onderscheid tussen effecten van fijn stof, ozon en stikstofdioxide en tussen effecten van kortdurende verhoogde blootstelling (gedurende enkele dagen tot weken) en de effecten van langdurige blootstelling (gedurende meerdere jaren). Twee rapporten van de Wereldgezondheidsorganisatie geven een uitgebreider overzicht van de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging (WHO Europe, 2013; Héroux et al., 2015).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. WHO Europe. Review of evidence on health aspects of air pollution – REVIHAAP Project. Technical Report. Bonn: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
  2. Héroux M-E, Anderson HR, Atkinson R, Brunekreef B, Cohen A, Forastiere F, et al. Quantifying the health impacts of ambient air pollutants: recommendations of a WHO/Europe project. Int J Public Health. 2015;60(5):619-27. Pubmed | DOI

Gezondheidseffecten van ozon

Sterfte en ziekenhuisopnamen door kortdurende blootstelling aan ozon in Nederland

 

  Ziektelast door ozon Aandeel in de totale ziektelast 
Vroegtijdige sterfte in 2013    
Alle oorzaken 2.200 2%

Ziekten van de ademhalingswegen 

200

2%

Hart- en vaatziekten

1.100 3%
Spoedopnamen in 2012    
Ziekten van de ademhalingswegen 2.100 2%
Hart- en vaatziekten 9.700 3%
  • Uitgaande van 8-uursgemiddelde ozonconcentraties (van 12 tot 20 uur) van 58 ug/m3.
  • Alle oorzaken zijn exclusief sterfgevallen met niet-natuurlijke doodsoorzaken.
  • Ziekenhuisgegevens voor 2013 waren nog niet beschikbaar. 
  • De schattingen verschillen van die op het Compendium voor de Leefomgeving (CBS et al., 2015) omdat de berekeningen voor Volksgezondheidenzorg.info zijn gebaseerd op de relatieve risicocijfers uit de HRAPIE-studie van de WHO (WHO Europe, 2013).
  • Bij de berekeningen is er van uit gegaan dat er geen drempelwaarde bestaat waaronder geen effecten meer zullen optreden. Dit wijkt af van de HRAPIE-aanbeveling om dagen met een maximale 8-uursgemiddelde ozonconcentratie van minder dan 20 ug/m3 niet in de berekeningen te betrekken.

In 2013 overleden 2.200 mensen vroegtijdig door kortdurende blootstelling aan ozon

In 2013 veroorzaakte de kortdurende blootstelling aan ozon 2.200 vroegtijdige sterfgevallen, waarvan 200 aan ziekten van de ademhalingswegen en 1.100 aan hart- en vaatziekten. Bij vroegtijdige sterfte gaat het om een vermoede levensduurverkorting van enkele dagen tot weken. Daarnaast was in 2012 ongeveer 2% van de spoedopnamen voor ziekten aan de ademhalingswegen en 3% voor hart- en vaatziekten in Nederland het gevolg van kortdurende blootstelling aan ozon (Bron: Berekening gezondheidseffecten ozon). Sinds begin jaren 90 is de voortijdige sterfte door kortdurende blootstelling aan ozon licht toegenomen. Dit weerspiegelt de stabilisering van de ozonniveaus in de buitenlucht (CBS et al., 2015). De meest typische klachten van acute blootstelling aan ozon tijdens perioden van zomersmog zijn toename van luchtwegklachten, verergering van astma, meer medicijngebruik, longfunctiedaling en ontstekingsreacties. Er is nog onvoldoende informatie beschikbaar voor een kwantitatieve schatting van de gezondheidseffecten van langdurige blootstelling aan ozon (van Pul et al., 2011).

Werkingsmechanisme ozon

Inademing van ozon kan leiden tot (ontstekings)schade aan weefsel van luchtwegen en longen, en veranderingen in longfuncties (van Pul et al., 2011).

 

Meer informatie

 

 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. CBS, PBL, Wageningen UR. Gezondheidseffecten van fijn stof en ozon, 1992 - 2013 (indicator 0340, versie 11, 13 mei 2015). Den Haag, Den Haag/Bilthoven, Wageningen : CBS, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR; 2015. Bron
  2. van Pul WAJ, Fischer PH, de Leeuw FAAM, Maas RJM, Mooibroek D, van Noije TPC, et al. Dossier ozon 2011: Een overzicht van de huidige stand van kennis over ozon op leefniveau in Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron
  3. WHO Europe. Health risks of air pollution in Europe – HRAPIE project Recommendations for concentration–response functions for cost–benefit analysis of particulate matter, ozone and nitrogen dioxide. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron

Gezondheidseffecten van fijn stof

Nederlanders leven 9 maanden korter door fijn stof

Fijn stof veroorzaakte in 2013 een verkorting van de gemiddelde levensverwachting van ongeveer 9 maanden (Fischer et al., 2015). Toch wordt vrijwel overal in Nederland aan de normen voor fijn stof voldaan. Gezondheidseffecten treden echter ook op bij fijn stofconcentraties onder de huidige grenswaarden. Dit komt doordat er voor fijn stof geen concentratie is waar beneden fijn stof geen gezondheidseffecten heeft (WHO Europe, 2013). Gezondheidseffecten van fijn stof kunnen zowel optreden door kortdurende blootstelling als door langdurende blootstelling. In 2013 overleden 1.200 mensen aan longkanker door langdurende blootstelling aan fijn stof. Kortdurende blootstelling aan fijn stof leidt tot meer ziekenhuisopnamen: In 2013 ongeveer 2.500 extra spoedopnamen door hart- en vaatziekten en 2.100 door ziekten aan de ademhalingswegen  (Maas et al., 2015).

Toename levensverwachting met 3 maanden bij 33% daling in fijn stof-concentraties

Het Europese klimaat- en luchtbeleid kan naar schatting leiden tot een daling van de PM2,5-concentratie met circa 5 µg/m3 tussen 2013 en 2030 (Maas et al., 2015). Dat is een daling van 33%. Lagere PM2,5-blootstelling betekent doorgaans ook een lagere blootstelling aan PM10, roet en andere onderdelen van fijn stof. De daling van 33% zal waarschijnlijk leiden tot een navenante vermindering van de gezondheidseffecten. Zo zal de levensverwachting in dezelfde periode met 3 maanden toenemen door de daling van de fijn stof-concentraties (Maas et al., 2015).

Vooral verbrandingsaerosol heeft negatief gezondheidseffect

De schadelijke gezondheidsgevolgen van fijn stof zijn vermoedelijk afhankelijk van de chemische samenstelling en grootte van de fijn stofdeeltjes. De grovere PM10-deeltjes zijn waarschijnlijk minder schadelijk (maar vermoedelijk niet onschadelijk) dan PM2,5 omdat ze in de bovenste luchtwegen worden tegengehouden. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat de kleine (zwarte) roetdeeltjes schadelijker zijn voor de gezondheid dan de grovere deeltjes van het fijn stof (PM10 met een diameter tussen 2,5 en 10 µm) of stikstofdioxide (NO2) (WHO Europe, 2005; Janssen et al., 2011). Dit zogeheten verbrandingsaerosol bestaat hoofdzakelijk uit deeltjes die nog veel kleiner zijn dan PM2,5. Omdat er nog geen definitieve en kwantitatieve gegevens zijn over de mogelijke verschillen in schadelijkheid tussen bestanddelen van fijn stof (WHO Europe, 2006) adviseert de Wereldgezondheidsorganisatie vooralsnog om de omvang van de gezondheidseffecten in de bevolking te berekenen alsof in het heterogene fijn stofmengsel van zowel PM10 als PM2,5 elke component gezondheidskundig even belangrijk is (WHO Europe, 2005). Dit is dan ook als uitgangspunt bij de risicoschatting genomen (Maas et al., 2015).

Werkingsmechanisme fijn stof

Fijn stof kan via inademing terecht komen in neus, de bovenste en onderste luchtwegen en in de longen. Daar kan het ontstekingsreacties en weefselschade veroorzaken en kan de zuurstofopname worden bemoeilijkt. De ontstekingsreacties kunnen ook schadelijk zijn voor de hartfunctie en dus ook voor hartpatiënten. Fijn stof heeft ook neurologische effecten die bijvoorbeeld de hart(spier)functie negatief kunnen beïnvloeden (RIVM, 2013).

Gezondheidseffecten van blootstelling aan fijn stof (PM2,5), 2013
Gezondheidsindicator Duur blootstelling Ziektelast door fijn stof  Aandeel in de totale ziektelast
Levensduurverkorting bij langjarige blootstelling langdurend  9 maanden per persoon gemiddeld  Ca. 1%
Postneonatale sterfte (1-12 maanden) langdurend 13 sterfgevallen per jaar 8%
Bronchitisklachten onder kinderen (6-12 jaar) met luchtwegaandoeningen langdurend 12.400 15% van kinderen met klachten; 1% van alle kinderen
Jaarlijks aantal nieuwe gevallen van chronische bronchitis bij volwassenen langdurend 6.900 21% van alle bronchitispatiënten;
Aantal vroegtijdige doden tijdens smogepisoden kortdurend 2.300 2% van totale sterfte
Ziekenhuisspoedopnamen voor hart- en vaatziekten kortdurend 2.500 1% van alle klinische opnamen
Ziekenhuisspoedopnamen voor ziekten aan de ademhalingswegen kortdurend 2.100 2% van alle klinische opnamen
Werkverzuim (dagen) langdurend 4.500.000 6% van het totale aantal verzuimdagen
Aantal dagen met klachten bij kinderen met astma kortdurend 500.000 6% van het totale aantal astmaklachten onder astmatische kinderen
Dagen met beperkte lichamelijke activiteit (inclusief werkverzuim, ziekenhuisspoedopnamen, dagen met klachten) langdurend 20.000.000 6% van het totale jaarlijkse aantal dagen met beperkte activiteit (gemiddeld 1 dag per jaar door luchtverontreiniging)
Laag geboortegewicht (<2500 g) langdurend 4.300 37% van alle lage geboortegewichten (3% van alle geboortes)
Sterfte aan longkanker langdurend 1.200 11% van alle longkankersterfte

Bron: Maas et al., 2015Maas et al., 2015

  • Het aantal vroegtijdig sterfgevallen en spoedopnamen valt iets lager uit dan in Maas et al., 2015 en Maas et al., 2015 doordat voor Volksgezondheidenzorg.info de berekeningen zijn herhaald met gebruik van de meest recente sterfte- en ziekenhuisopnamecijfers (2012 i.p.v. 2011 in Maas et al., 2015).
  • De getallen kennen een onzekerheidsmarge: voor de schatting van de levensduurverkorting is deze ca. 30%; voor de andere effectmaten is deze groter.
  • De verschillende gezondheidseffecten van blootstelling aan fijn stof in Nederland zijn berekend voor een gemiddelde PM2,5-concentratie van 14 µg/m3 in 2013.
  • Bij deze berekeningen is ervan uitgegaan dat alle fijnstofonderdelen even schadelijk zijn, dat het fijnstofmengsel (PM2,5) als indicator kan worden gebruikt voor alle gezondheidseffecten van fijn stof en dat PM2,5 al vanaf 0 µg/m3 effecten veroorzaakt (Maas et al., 2015).
  • De berekeningen zijn gebaseerd op de relatieve risicocijfers uit de WHO-studies REVIHAAP en HRAPIE (WHO Europe, 2013WHO Europe, 2013), de EU-studie ESCAPE (Pedersen et al., 2013) en een reviewartikel over longkanker en fijn stof (Hamra et al., 2014).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Fischer PH, Marra M, Ameling CB, Hoek G, Beelen R, de Hoogh K, et al. Air Pollution and Mortality in Seven Million Adults: The Dutch Environmental Longitudinal Study (DUELS). Environ Health Perspect. 2015;123(7):697-704. Pubmed | DOI
  2. WHO Europe. Review of evidence on health aspects of air pollution – REVIHAAP Project. Technical Report. Bonn: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
  3. Maas RJM, Fischer PH, Wesseling J, Houthuijs DJM, Cassee F. Luchtkwaliteit en gezondheidswinst. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2015. Bron
  4. Maas RJM, Fischer PH, Wesseling J, Cassee F. Gezondheidswinst door betere luchtkwaliteit. Is schonere lucht in Nederland mogelijk? Tijdschrift Lucht. 2015;(4):8-11. DOI
  5. WHO Europe. Health effects of transport-related air pollution. Copenhagen: WHO Regional office for Europe ; 2005. Bron
  6. Janssen NAH, Hoek G, Simic-Lawson M, Fischer PH, van Bree L, ten Brink H, et al. Black Carbon as an Additional Indicator of the Adverse Health Effects of Airborne Particles Compared with PM10 and PM2.5. Environ Health Perspect. 2011;119(12):1691-1699. Bron | DOI
  7. WHO Europe. Health risks of particulate matter from long-range transboundary air pollution. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe; 2006. Bron
  8. WHO Europe. Air quality guidelines; Global update 2005. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe; 2005. Bron
  9. RIVM. RIVM-Dossier ‘Fijn stof ’, hoofdstuk 4 Effecten. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2013. Bron
  10. WHO Europe. Health risks of air pollution in Europe – HRAPIE project Recommendations for concentration–response functions for cost–benefit analysis of particulate matter, ozone and nitrogen dioxide. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
  11. Pedersen M, Giorgis-Allemand L, Bernard C, Aguilera I, Nybo-Andersen A-M, Ballester F, et al. Ambient air pollution and low birthweight: a European cohort study (ESCAPE). Lancet Respir Med. 2013;1(9):695-704. Pubmed | DOI
  12. Hamra GB, Guha N, Cohen A, Laden F, Raaschou-Nielsen O, Samet JM, et al. Outdoor particulate matter exposure and lung cancer: a systematic review and meta-analysis. Environ Health Perspect. 2014;122(9):906-11. Bron | Pubmed

Gezondheidseffecten van stikstofdioxide

Nederlanders leven gemiddeld 4 maanden korter door stikstofdioxide

De effecten van verkeer op de gezondheid zijn gerelateerd aan de niveaus van stikstofdioxide (NO2) in de buitenlucht. Hoewel vrijwel overal in Nederland aan de normen voor stikstof wordt voldaan, veroorzaakt stikstofdioxide bij de huidige luchtverontreinigingsniveaus nog steeds een verkorting van de gemiddelde levensverwachting van ongeveer 4 maanden (Fischer et al., 2015). Bij langdurige blootstelling aan relatief hoge concentraties NO2 wordt onder andere een verminderde longfunctie waargenomen bij kinderen. Ook een toename van astma-aanvallen en ziekenhuisopnamen voor astma en een verhoogde gevoeligheid voor luchtweginfecties komen voor. De gezondheidseffecten treden vooral op bij hoge inspanning, tijdens periodes met hoge concentraties NO2 in de buitenlucht. Het is niet helder of NO2 zelf een effect op de gezondheid heeft of dat NOalleen een goede gidsstof is voor het door verkeersemissies gedomineerde luchtverontreinigingsmengsel. Er komt wel steeds meer wetenschappelijk bewijs dat het aannemelijk maakt dat NO2 zelf effecten op de gezondheid heeft (WHO Europe, 2013).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Fischer PH, Marra M, Ameling CB, Hoek G, Beelen R, de Hoogh K, et al. Air Pollution and Mortality in Seven Million Adults: The Dutch Environmental Longitudinal Study (DUELS). Environ Health Perspect. 2015;123(7):697-704. Pubmed | DOI
  2. WHO Europe. Review of evidence on health aspects of air pollution – REVIHAAP Project. Technical Report. Bonn: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron

Verantwoording

Definities
  • Binnenmilieu

    Binnenmilieu omvat samenstelling en omstandigheden van de binnenlucht

    Binnenmilieu omvat de binnenlucht en de thermische, akoestische, atmosferische en hygiënische omstandigheden waarin we ons bevinden als we binnen zijn. Dit is thuis, op het werk, in winkels, scholen en dergelijke. Mensen zijn gemiddeld 85% van hun tijd binnenshuis, waarvan ongeveer 65% in hun eigen woning (Leech et al., 2002; Brasche & Bischof, 2005). In de beschrijving van het binnenmilieu beperken we ons tot de stoffen die te vinden zijn in de binnenlucht en tot de hygiënische en thermische omstandigheden. De akoestische (geluid) en atmosferische (straling) omstandigheden worden verder uitgewerkt in de onderwerpen geluid en straling op Volksgezondheidenzorg.info.

    Productie en afvoer ongezonde stoffen bepalen binnenmilieukwaliteit

    De kwaliteit van het binnenmilieu wordt bepaald door het aantal bewoners/gebruikers, rookgedrag, aanwezigheid van huisdieren, gebruikte bouwmaterialen, planten, emissies uit consumentenproducten (zoals sprays en elektrische apparaten) en door bronnen van buiten, zoals het verkeer. Bovendien speelt ook de mate van ventilatie een zeer belangrijke rol. Ventileren zorgt voor verdunning en afvoer van ongezonde stoffen die in het binnenmilieu aanwezig zijn.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Leech JA, Nelson WC, Burnett RT, Aaron S, Raizenne ME. It's about time: a comparison of Canadian and American time-activity patterns. J Expo Anal Environ Epidemiol. 2002;12(6):427-32. Pubmed | DOI
    2. Brasche S, Bischof W. Daily time spent indoors in German homes--baseline data for the assessment of indoor exposure of German occupants. Int J Hyg Environ Health. 2005;208(4):247-53. Pubmed | DOI
  • Luchtverontreiniging

    Luchtverontreiniging richt zich vooral op de concentraties in de lucht van deeltjesvormige luchtverontreiniging (roet en fijn stof), stikstofdioxide (een goede indicator van het huidige verkeersgerelateerde mengsel) en ozon (van belang bij zomersmog). Het gaat hierbij om luchtverontreiniging van een internationale omvang. Het gaat dus in principe niet over een lokale situatie (straat, stad of regio), afgezien van stagnerende weerssituaties waarbij de lokale bijdrage veel groter kan zijn. Grootschalige luchtverontreiniging slaat ook op het soort bron: niet zozeer een lokale uitstoot, maar het gehele pakket van luchtverontreiniging dat is ontstaan door alle nationale en internationale bronnen.

    Fijn stof is graadmeter voor deeltjesvormige luchtverontreiniging

    Fijn stof is een graadmeter voor de mate van deeltjesvormige luchtverontreiniging. Deeltjesvormige luchtverontreiniging is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand en (bodem)stof, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal en bijvoorbeeld cementdeeltjes. Een veel gebruikte afkorting voor fijn stof is PM. PM staat voor de Engelse term Particulate Matter. Afhankelijk van de doorsnede van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 voor deeltjes met een doorsnede tot 10 micrometer (µm) of van PM2,5 voor deeltjes met een doorsnede tot 2,5 micrometer (U.S. EPA, 2004). Ook roetdeeltjes zijn van belang voor de gezondheid (Janssen et al., 2011). Met roetdeeltjes is het (gezondheidskundig) effect van verkeersinterventies beter te duiden dan met PM10, PM2,5  of stikstofdioxide (NO2). 

    Stikstofdioxide is goede indicator voor verkeersgerelateerde luchtverontreiniging

    Stikstofdioxide (NO2) is een goede indicator voor verkeersgerelateerde (deeltjesvormige) luchtverontreiniging. Hoewel een deel van de NO2-uitstoot van industriële activiteiten komt, bepaalt vooral het (lokale) verkeer de NO2-niveaus. Vooral de blootstelling van de bevolking aan de uitstoot van wegverkeer is belangrijk voor de negatieve effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid (WHO Europe, 2005; WHO Europe, 2013). 

    Ozon is indicator voor fotochemische luchtverontreiniging

    Ozon (O3)is de graadmeter voor de mate van fotochemische luchtverontreiniging. Ozon is de meest reactieve en giftige component van zomersmog en ontstaat vooral op mooie zomerdagen onder invloed van zonlicht en de uitstoot van vooral verkeer en industrie. Hoewel er dus speciale weersomstandigheden nodig zijn om smog te krijgen is ozonvorming vooral ook afhankelijk van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS), koolmonoxide (CO) methaan (CH4) en stikstofoxiden (NOx) (Mooijbroek et al., 2010). Ozon komt niet alleen voor op leefniveau, maar ook hoger in de atmosfeer (de stratosfeer). Ozon in de stratosfeer (zo’n 10 tot 50 km boven het aardoppervlak) beschermt de aarde tegen schadelijk ultraviolette straling van de zon. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. U.S. EPA. Air Quality Criteria for Particulate Matter (final report, Oct. 2004). Washington DC: U.S. EPA; 2004. Bron
    2. Janssen NAH, Hoek G, Simic-Lawson M, Fischer PH, van Bree L, ten Brink H, et al. Black Carbon as an Additional Indicator of the Adverse Health Effects of Airborne Particles Compared with PM10 and PM2.5. Environ Health Perspect. 2011;119(12):1691-1699. Bron | DOI
    3. WHO Europe. Health effects of transport-related air pollution. Copenhagen: WHO Regional office for Europe ; 2005. Bron
    4. WHO Europe. Review of evidence on health aspects of air pollution – REVIHAAP Project. Technical Report. Bonn: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
    5. Mooijbroek D, Beijk R, Hoogerbrugge R. Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2009. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
  • Geluid

    Focus op omgevingsgeluid

    In dit onderwerp ligt de focus op de blootstelling aan en gezondheidsgevolgen van geluid in de woonomgeving. Informatie over gehoorschade door lawaai tijdens het werk en blootstelling aan harde muziek staat in het onderwerp gehoorstoornissen

    Geluid is een trilling van lucht

    Geluid is een trilling. Het ontstaat doordat een geluidbron telkens de lucht aanstoot, waardoor verdichtingen en verdunningen in de lucht (luchtdrukschommelingen) ontstaan die zich vanaf de geluidsbron uitbreiden. Deze luchtdrukschommelingen bereiken via de gehoorgang van het oor het trommelvlies. De trillingen die hierdoor ontstaan in het trommelvlies, bereiken via het middenoor, binnenoor en de gehoorzenuw de hersenen. Dit leidt tot waarneming en interpretatie van het geluid. 

    D decibel(A)

    Decibel (dB) is de eenheid voor de sterkte van een geluid. Meestal wordt hier de letter 'A' aan toegevoegd, wat aangeeft dat er gecorrigeerd is voor de gevoeligheid van het menselijk oor voor verschillende toonhoogten (frequenties).

    Lday-evening-night

    'day-evening-night level' (Lden) is het jaargemiddelde geluidniveau over de dag-, avond-, en nachtperiode en is de Nationale en Europese maat voor de blootstelling aan omgevingsgeluid. Omdat een bepaald geluidniveau in de avond en de nacht als hinderlijker wordt ervaren dan geluid overdag, telt het geluid in de avond en nacht zwaarder dan het geluid overdag. Hiertoe wordt het niveau dat voor de avond wordt bepaald verhoogd met 5 dB en het niveau dat voor de nacht wordt bepaald met 10 dB (Heemskerk, 2007).

    Lnight

    Lnight is de jaargemiddelde maat voor blootstelling aan geluid in de nacht. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Heemskerk NM. Wegwijzer, geluidrecht 2008. Een praktische handleiding voor iedereen die met juridische aspecten van geluidhinder te maken krijgt. Alphen aan den Rijn: Kluwer Uitgevers; 2007. Bron
  • Water

    Kwaliteit drinkwater

    In Nederland moet het drinkwater voldoen aan de normen voor de kwaliteit van drinkwater voor menselijke consumptie in het Nederlandse Drinkwaterbesluit. Het Drinkwaterbesluit is gebaseerd op de Europese drinkwaterrichtlijn. De kwaliteitsnormen zijn onderverdeeld in drie verschillende categorieën van parameters; microbiologische-, chemische- en indicatorparameters.

    Bij microbiologische parameters gaat het om bacteriën die direct effect kunnen hebben op de gezondheid. De darmbacteriën Escherichia coli (E. coli) en enterococcen zijn indicatoren voor de aanwezigheid van verontreinigingen met menselijke of dierlijke uitwerpselen, zogenaamde faecale verontreinigingen, en dus voor de mogelijke aanwezigheid van ziekteverwekkende micro-organismen die in deze uitwerpselen aanwezig kunnen zijn. De norm voor de darmbacteriën E. coli en enterococcen is afwezigheid in 100 ml drinkwater.

    Bij chemische parameters gaat het om stoffen die mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid bij langdurige en/of hoge blootstelling. Hierbij valt te denken aan ijzer, nikkel, mangaan, nitraat, chloor, lood, bestrijdingsmiddelen en geneesmiddelen. Bij indicatorparameters gaat het om bedrijfstechnische parameters, organoleptische en esthetische parameters en signaleringsparameters. Normoverschrijdingen van indicatorparameters vormen geen direct gevaar voor de volksgezondheid, maar geven aan dat er onvolkomenheden zijn bij de productie of de distributie van drinkwater.

    Op een aantal vlakken is het Drinkwaterbesluit uitgebreider dan de Europese regelgeving. Volgens zowel de Nederlandse als de Europese wetgeving moet de aanwezigheid van bepaalde bacteriën in het water bepaald worden. Volgens de Nederlandse wet moeten daarnaast ook een aantal andere micro-organismen bepaald worden in het innamewater, te weten (entero)virussen, CampylobacterCryptosporidium en Giardia, omdat van deze micro-organismen bekend is dat ze relevant zijn voor de volksgezondheid en daarom worden ze meegenomen in de risicoanalyse.

    Kwaliteit zwemwater

    De kwaliteit van het zwemwater wordt bepaald door metingen van de indicatorparameters E.coli en intestinale enterococcen. De Zwemwaterrichtlijn van de Europese Unie geeft waarden voor de indeling van zwemwater in kwaliteitsklassen: uitstekend, goed, aanvaardbaar of slecht.

  • Straling

    Verschillende stralingstypen

    Straling is een natuurkundig proces waarbij energieoverdracht plaatsvindt zonder dat sprake is van direct contact. Straling kent verschillende verschijningsvormen: als niet-zichtbare deeltjes, of als zichtbare of onzichtbare golfpakketjes. Omdat de energie-inhoud en de aard en interactie met materie en lichaamsweefsel sterk verschillen voor verschillende stralingstypen, wordt onderscheid gemaakt in: ioniserende straling, optische straling en elektromagnetische velden.

    • De ioniserende straling is het meest energierijk en komt vrij bij radioactief verval in de vorm van deeltjes (bijvoorbeeld alfa of beta straling) en/of in golfvorm als gammastraling. Ioniserende straling wordt uitgedrukt in millisievert (mSv). De belangrijkste bronnen van ioniserende straling zijn medisch diagnostisch onderzoek en radon en thoron in het binnenmilieu. Radon en thoron ontstaan van nature in de bodem en uit bodemmateriaal vervaardigde producten.  Radongas kan via de kruipruimte en vanuit bouwmaterialen in de woning terecht komen. Thorongas, dat veel sneller vervalt, zal alleen voldoende lang leven om uit de buitenste laag van de muur en de afwerklaag in de leefruimte te komen. Het verval van beide leidt tot de aanwezigheid van radioactieve vaste stoffen in de binnenlucht die na inademing zorgen voor blootstelling aan ioniserende straling. De constructie, de gebruikte bouwmaterialen en de ventilatie beïnvloeden de radonconcentratie in huis. Naast inademing van radon- en thoron-dochters vindt in de woning ook externe bestraling plaats vanuit bodem en bouwmaterialen (Bader et al., 2010). Veruit de hoogste doses ioniserende straling worden ontvangen bij de behandeling van kanker. Daarbij is de dosis heel veel hoger dan de normale jaardosis en ook veel hoger dan bij diagnostisch onderzoek. Omdat het daarbij gaat om bedoelde blootstelling van de tumor, zijn deze therapeutische blootstellingen niet meegenomen in de gegeven schatting van de jaargemiddelde stralingsdosis.
    • De optische straling omvat ultraviolette straling (de meest energierijke optische straling), zichtbare straling (licht) en infrarood. Voor ultraviolette blootstelling is geen eenduidige risicomaat ontwikkeld, al wordt bij zonnestraling de zonkracht of ook wel UV-index veelvuldig gehanteerd. De zonkracht is een maat voor de snelheid waarmee de UV-straling zonverbranding van de huid veroorzaakt.
    • Elektromagnetische velden worden gebruikt bij telecommunicatie (zoals radio en tv-zenders, mobiele telefoons, WiFi) en komen voor bij het gebruik van elektriciteit. Radiofrequente elektromagnetische velden in de leefomgeving zijn onder andere afkomstig van mobiele telefoons en de bijbehorende basisstations, radio- en televisiezenders, wifi-apparatuur, DECT-telefoons en magnetrons. Extreem-laagfrequente magnetische velden zijn afkomstig van de transport van elektriciteit (bijvoorbeeld hoogspanningslijnen). De sterkte van deze magnetische velden wordt uitgedrukt in tesla of microtesla.

    Effectieve dosis is maat voor de extra kans op het krijgen van kanker door ioniserende straling

    De effectieve dosis is een maat voor de extra kans op het krijgen van kanker door de blootstelling aan ioniserende straling. Het precieze effect van straling wordt bepaald door het type straling, de geabsorbeerde stralingsdosis en de gevoeligheid van het getroffen weefsel voor straling. De effectieve dosis, met als eenheid sievert, houdt met al deze factoren rekening. Hierbij is het onderscheid tussen de deeltjesstraling (alfa- en beta-) en gammastraling van belang. Alfa- en in iets minder mate betastraling hebben een kort en dicht ionisatiespoor en daarmee een beperkte dracht. Zij zijn relatief makkelijk af te schermen en dragen vooral bij aan risico’s van straling indien ze in het lichaam worden afgegeven door in het lichaam opgenomen radioactieve stoffen. Van gamma- en röntgenstraling is de dracht veel groter en bestraling van buiten het lichaam kan in belangrijke mate bijdragen aan de stralingsblootstelling.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Bader S, Dekkers SAJ, Blaauboer RO. Stralingsbelasting in Nederlandse nieuwbouwwoningen - Eindrapport ventilatie- en radononderzoek. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
Bronverantwoording
  • Luchtverontreiniging

    Landelijk Meetnetwerk Luchtkwaliteit

    De concentraties fijn stof, ozon en stikstofdioxide zijn afkomstig van meetgegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM, GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond (gecombineerd tot LML+). De concentraties worden ieder uur gemeten. De gemiddelden over de afgelopen 24 uur worden direct weergegeven op de website van het LML. Ook geeft de website van het LML details over de gebruikte meetmethoden.

    Meer informatie

  • Geluid

    Geluidbelasting door wegverkeer

    Sinds de wijziging in de geluidsregelgeving voor rijkswegen en spoorwegen en de invoering van geluidsproductieplafonds in 2012 stelt Rijkswaterstaat voor de rijkswegen jaarlijks een nalevingsverslag op (Rijkswaterstaat, 2015). Hierin staat op hoeveel punten een plafondoverschrijding plaats vindt en hoe de overschrijdingen opgelost worden. Voor de spoorwegen stelt Prorail sinds 2013 jaarlijks een nalevingsverslag op (Prorail, 2015).

    Cijfers over geluidbelasting tot en met 2012 zijn gebaseerd op gegevens over vliegverkeer van NLR, wegverkeer van RWS en Provincies en railverkeer van Prorail/Deltarail en zijn in 2012 bewerkt door het RIVM. Tot 2010 voerde PBL een modellering uit op de gegevens. De basis van de gegevens voor de RIVM en PBL modellen is anders. Dit heeft invloed op de uitkomsten. De berekeningen van 2010 en eerder zijn dan ook niet meer vergelijkbaar met de gegevens van 2012 (CBS et al., 2014).

    Landelijke schattingen geluidhinder en slaapverstoring

    Landelijke schattingen van het aantal volwassenen dat hinder en slaapverstoring ondervindt door geluid zijn afkomstig uit de ‘Inventarisatie Verstoringen’ (ook wel Hinderinventarisatie genoemd) van het RIVM en CBS (Van Poll et al., 2018). Deze wordt sinds 1977 met een interval van tussen de 5 en 8 jaar uitgevoerd. De mate waarin groepen mensen hinder of slaapverstoring ervaren, is in de hinderinventarisatie gemeten met een vragenlijst. Deze vragenlijst is afgenomen onder een steekproef van in Nederland woonachtige personen, die deel uitmaken van particuliere huishoudens en op het moment van het onderzoek 16 jaar of ouder zijn. Respondenten werd gevraagd in welke mate zij in de afgelopen 12 maanden in de thuissituatie gehinderd waren of in welke mate hun slaap verstoord was. Het gaat hierbij niet om een enkel incident, maar om de situatie zoals die over de afgelopen 12 maanden beleefd is.

    De respondenten kunnen op een schaal van 0 tot 10 antwoorden in welke mate zij zich gehinderd voelen of hun slaap verstoord is. Deze schaal wordt omgezet naar een range van 0 tot 100. Hierbij gelden de volgende afkappunten:

    • ernstige hinder of ernstige slaapverstoring: >72
    • (minstens) gehinderd of (minstens) slaap verstoord: >50
    • (minstens) enigszins gehinderd of (minstens) enigszins slaap verstoord: > 28

    Bij de lagere categorieën zijn de bovenliggende categorieën inbegrepen. Vandaar dat wordt gesproken van (minstens) enige hinder of slaapverstoring en (minstens) hinder of slaapverstoring.

    Regionale cijfers geluidhinder uit Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen

    Cijfers over geluidhinder naar GGD-regio en gemeente zijn afkomstig van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016. Deze cijfers zijn gebaseerd op een internationaal gestandaardiseerde vraag over geluidhinder die ook in de Hinderinventarisatie wordt gebruikt. Door middel van een getal van 0 (helemaal niet gehinderd) tot 10 (extreem gehinderd) hebben de respondenten (personen van 19 t/m 64 jaar) aangegeven in welke mate geluid van een zestal bronnen (wegverkeer < 50 km/uur; wegverkeer > 50 km/ uur; treinverkeer; vliegverkeer; brommers / scooters; buren) hindert, stoort of ergert in de thuissituatie. Antwoordoptie 'Niet hoorbaar' geldt voor als het geluid niet hoorbaar is in de thuissituatie.

    De antwoorden worden samengevat in een score: 

    • niet hoorbaar of geen of weinig (0-2)
    • matig (3-7)
    • ernstig (8-10)

    Hartinfarcten gerelateerd aan geluid

    Schattingen van het aantal hartinfarcten dat gerelateerd is aan het geluid afkomstig van wegverkeer, zijn afkomstig van een RIVM-studie uit 2008 (van Kempen & Houthuijs, 2008). In deze studie is een meta-analyse uitgevoerd om het aantal acute hartinfarcten te kunnen berekenen. Schattingen uit eerdere studies (van Kempen et al., 2001; de Hollander, 2004; Knol & Staatsen, 2005) vallen aanmerkelijk hoger uit. Dit komt onder meer door verschillen in onderzoeksopzet en doordat de RIVM-studie uit 2008 is gebaseerd op incidentie en de andere studies op prevalentie.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Rijkswaterstaat. Nalevingsverslag geluidproductieplafonds rijkswegen 2014. Rijkswaterstaat; 2015. Bron
    2. Prorail. Nalevingsverslag geluidproductieplafonds 2014, nr. P1217040. Prorail; 2015. Bron
    3. CBS, PBL, WUR. Geluidshinder in Nederland door weg-, rail- en vliegverkeer, 2012. Den Haag / Bilthoven / Wageningen: CBS, PBL, Wageningen UR; 2014. Bron
    4. Van Poll R, Breugelmans O, Houthuijs D, Van Kamp I. Beleving Woonomgeving in Nederland. Inventarisatie Verstoringen 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
    5. van Kempen EEMM, Houthuijs DJM. Omvang van de effecten op gezondheid en welbevinden in de Nederlandse bevolking door geluid van weg- en railverkeer. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron
    6. van Kempen EEMM, Ameling CB, Hoogenveen RT, Staatsen BAM, de Hollander AEM. De potentiële ziektelast toe te schrijven aan de geluidblootstelling in Nederland. Kwantitatieve schattingen in het kader van de Vijfde Milieuverkenningen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2001. Bron
    7. de Hollander AEM. Assessing and evaluating the health impact of environmental exposures "deaths, DALYs or dollars?". Utrecht: Universiteit van Utrecht; 2004. Bron
    8. Knol AB, Staatsen BAM. Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands 1980-2000. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2005. Bron
  • Water

    ILT rapporten over kwaliteit van het drinkwater

    Gegevens over de kwaliteit van het drinkwater komen uit het jaarlijkse rapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over de kwaliteit van het drinkwater in Nederland. Het rapport is gebaseerd op de resultaten van de controles van de drinkwaterkwaliteit door de drinkwaterbedrijven. De drinkwaterbedrijven voeren een wettelijk meetprogramma uit voor het bewaken van de drinkwaterkwaliteit. Ze voeren daarbij metingen uit op een set wettelijk verplichte parameters. Dit gebeurt na de laatste zuiveringsstap (af pompstation) en op verschillende plaatsen in het distributienetwerk, en soms voor een aantal parameters ook bij de klant thuis (ILT, 2017). Bijna alle huishoudens in Nederland zijn aangesloten op het waterleidingnet. Een zeer beperkt aantal huishoudens haalt hun drinkwater nog uit privé-putten. Deze zogeheten eigen winningen zijn geen onderdeel van de jaarlijkse rapportage van de ILT. Wel zijn eigenaren van privé-putten wettelijk verplicht om de kwaliteit van het water, dat zij aan derden ter beschikking stellen, te bewaken met behulp van een door de ILT goedgekeurd meetprogramma.

    Zwemwaterrapportage van de Europese Commissie

    Informatie over de kwaliteit van het zwemwater komt uit de jaarlijkse zwemwaterrapportage van de Europese Commissie (EEA, 2018). Het zwemwater wordt daarin volgens de Zwemwaterrichtlijn ingedeeld in de kwaliteitsklassen: uitstekend, goed, aanvaardbaar of slecht. De berekening van de waarden die bepalen in welke klasse een zwemlocatie wordt ingedeeld, is gebaseerd op de metingen van de indicatorparameters E.coli en intestinale enterococcen gedurende vier badseizoenen. Officiële zwemlocaties moeten gedurende het badseizoen (van 1 mei tot 1 oktober) tweewekelijks bemonsterd worden. De resultaten van de metingen moeten door de lidstaten van de Europese Unie aan de Europese Commissie worden gerapporteerd. De Europese Commissie neemt ze vervolgens op in de jaarlijkse zwemwaterrapportage.

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. ILT. De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2016. Den Haag: Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT); 2017. Bron
    2. EEA. European bathing water quality in 2017. Luxembourg: European Environmental Agency (EEA); 2018. Bron
Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Luchtverontreiniging

    Berekening gezondheidseffecten ozon

    Berekeningen van de gezondheidseffecten van ozon zijn gebaseerd op relatieve risicocijfers uit de HRAPIE-studie van de WHO (WHO Europe, 2013) en VTV diagnosegroepen. Daarbij is uitgegaan van een 8-uursgemiddelde ozonconcentraties (van 12 tot 20 uur) van 58 ug/m3. Ook is er van uitgegaan dat er geen drempelwaarde bestaat waaronder geen effecten meer zullen optreden. Dit wijkt af van de HRAPIE aanbeveling om dagen met een maximale 8-uursgemiddelde ozonconcentratie van minder dan 20 ug/m3 niet in de berekeningen te betrekken.

    Achterliggende cijfers en bronnen

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. WHO Europe. Health risks of air pollution in Europe – HRAPIE project Recommendations for concentration–response functions for cost–benefit analysis of particulate matter, ozone and nitrogen dioxide. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
  • Straling

    Gezondheidsgevolgen van gemiddelde stralingsdosis moeilijk te schatten

    De gezondheidsgevolgen van de gemiddelde stralingsdosis die een Nederlander jaarlijks ontvangt, zijn moeilijk te schatten. Het is namelijk niet mogelijk om de kankergevallen die door ioniserende straling ontstaan te identificeren. Risico’s kunnen wel geschat worden op basis van epidemiologisch onderzoek bij hoge blootstellingniveaus, maar dan is daarna een extrapolatie naar de lagere niveaus nodig. Dat gebeurt nu veelal met een lineaire relatie. Voor de blootstelling in Nederland komen we dan op circa 2.000 sterfgevallen per jaar. Daarbij zijn veel kanttekeningen te plaatsen. Zo is het door straling toegevoegde risico minder indien de blootstelling op latere leeftijd plaatsvindt, en is er onzekerheid over de geldigheid van de lineaire extrapolatie.