Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Fysieke omgevingCijfers & ContextGeluid

Cijfers & Context

Concentraties fijn stof dalen

Regionaal & Internationaal

Relatief lage ozonconcentraties in Nederland

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Tabakswet bevordert schoon binnenmilieu

Geluidbelasting door verkeer

Naleving geluidproductieplafonds op rijkswegen 2014

Rijkswegen 2014
Voldoende ruimte over82,4
Dreigende overschrijding4,7
Geluidproductie te hoog1,4
Onvolkomenheden*0,8
Vrijstelling9,9
Ontheffing0,72

* Overschrijding door onvolkomenheden in data en/of modelverschillen

Geluidproductieplafonds op 1,4% referentiepunten van rijkswegen overschreden

In 2014 vindt op 1,4% van de referentiepunten van rijkswegen een overschrijding van de geluidproductieplafonds plaats. Dat is een verhoging ten opzichte van 2013. Het grootste deel van de referentiepunten blijft echter binnen de geluidruimte (ongeveer 87%). Bij spoorwegen vindt een overschrijding op 0,65% van de punten plaats. Vrijwel gelijk aan 2013. Ook hier blijft het grootste deel van de referentiepunten binnen de geluidruimte (ongeveer 90%) (CBS, PBL, Wageningen UR, 2016). In geluidproductieplafonds is de maximaal toegestane geluidproductie van de bron (rijks- of spoorweg) op een referentiepunt vastgelegd. Deze geluidproductieplafonds zijn in 2012 ingevoerd toen de geluidregelgeving voor rijkswegen en spoorwegen is gewijzigd.

Grootste geluidbelasting door weg-, rail- en vliegverkeer

Vóór de nieuwe geluidregelgeving was in 12.000 Nederlandse woningen in 2012 de geluidbelasting door wegverkeer op rijkswegen hoger dan de norm van 65 dB Lden. Daarnaast was in ruim 5.600 woningen de geluidbelasting door railverkeer hoger dan de norm van 70 dB Lden. Weg- en railverkeer zorgen samen met vliegverkeer voor de grootste geluidbelasting in de woonomgeving (CBS et al., 2014). Geluidbelasting in woningen en geluidhinder zijn niet hetzelfde. Geluidshinder hangt ook samen met andere factoren dan het geluidsniveau waaraan mensen worden blootgesteld, zoals de houding tot de bron. Uit hinderenquêtes blijkt dat geluid van vliegtuigen bij dezelfde geluidniveaus als hinderlijker wordt ervaren dan het geluid van het wegverkeer. Geluid van treinverkeer geldt als minst hinderlijk (van Poll et al., 2011). 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. CBS, PBL, Wageningen UR. Geluidsbelasting woningen door weg- en railverkeer, 2000-2014 (indicator 0295, versie 09 , 7 september 2016). Den Haag, Den Haag/Bilthoven, Wageningen: CBS, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR; 2016. Bron
  2. CBS, PBL, WUR. Geluidshinder in Nederland door weg-, rail- en vliegverkeer, 2012. Den Haag / Bilthoven / Wageningen: CBS, PBL, Wageningen UR; 2014. Bron
  3. van Poll HFPM, Breugelmans ORP, Devilee JLA. Hinder, bezorgdheid en woontevredenheid in Nederland. Inventarisatie Verstoringen 2008. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron
  4. Rijkswaterstaat. Nalevingsverslag geluidproductieplafonds rijkswegen 2014. Rijkswaterstaat; 2015. Bron

Trend in geluidbelasting door verkeer

Afname geluidbelasting door verkeer op rijkswegen en railverkeer

De geluidbelasting door verkeer op rijkswegen en railverkeer is sinds 2000 afgenomen door geluidschermen, stiller asfalt , stillere spoorconstructie, en door stillere auto’s en treinen (PBL, 2008; CBS et al., 2014). Door het toegenomen verkeer was de afname van de geluidbelasting op rijkswegen echter beperkt. Op het overige wegennet, is de geluidbelasting toegenomen. Dit geldt vooral binnen bebouwd gebied waar het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen niet mogelijk is (CBS et al., 2014). De geluidbelasting rondom Schiphol is daarentegen afgenomen door stillere vliegtuigen en betere vliegroutes. Hierdoor is in de periode 1993-2008 het aantal woningen rond Schiphol met een geluidbelasting van boven de 58 dB afgenomen van ruim 13.000 tot bijna 5.700 (PBL, 2007).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. PBL. Geluidsbelasting weg-, rail- en vliegverkeer in Nederland, 2005. Bilthoven: Planbureau voor de Leefomgeving; 2008. Bron
  2. CBS, PBL, WUR. Geluidshinder in Nederland door weg-, rail- en vliegverkeer, 2012. Den Haag / Bilthoven / Wageningen: CBS, PBL, Wageningen UR; 2014. Bron
  3. PBL. Geluidsbelasting en geluidsoverlast Schiphol, 1990-2005. Bilthoven: Planbureau voor de Leefomgeving; 2007. Bron

Stiltegebieden

Aantal stille gebieden daalt

Er zijn in Nederland steeds minder stille gebieden. Bij ongewijzigd beleid zal in het jaar 2030 28% van het oppervlak van stiltegebieden en 59% van gebieden voor natuur en recreatie aangetast zijn door lawaai van vooral weg- en vliegverkeer (Jabben et al., 2002). Oorzaken zijn de toenemende mobiliteit, uitbreiding van de woningbouw en de 24-uurseconomie. 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Jabben J, Odijk M, van Duivenboden W, Langers F, Goossen CM. Geluidsbelasting in het landelijk gebied. Een verkenning van beleidsopties voor een landelijk gebiedsgericht geluidsbeleid. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2002. Bron

Gezondheidsgevolgen van geluid: inleiding

Blootstelling aan geluid kan leiden tot diverse gezondheidsproblemen

Blootstelling aan (ongewenst) geluid kan uiteenlopende effecten op de gezondheid hebben. Het kan leiden tot hinder, slaapverstoring, verstoring van de dagelijkse activiteiten en stress-reacties. Deze effecten van geluid kunnen op hun beurt weer aanleiding geven tot hoge bloeddruk en verhoogde niveaus van het stresshormoon cortisol, die het risico op hart- en vaatziekten en op psychische aandoeningen verhogen. Geluid kan echter ook direct (zonder beoordeling) resulteren in fysiologische reacties zoals een verhoogde bloeddruk. Ook heeft lawaai een negatieve invloed op de leerprestaties van kinderen (Passchier-Vermeer, 1993; Berglund et al., 1999; Gezondheidsraad, 1994; Gezondheidsraad, 2004; WHO, 2009; WHO, 2011; Gezondheidsraad, 1999). 

Gezondheidseffecten vaak het gevolg van beoordeling van geluid als lawaai

De meeste effecten van geluid op gezondheid zijn het gevolg van de beoordeling van geluid als lawaai. De effecten van geluid op de gezondheid zijn gedeeltelijk afhankelijk van de eigenschappen van het geluid, zoals intensiteit, frequentie (toonhoogte) en duur. Daarnaast spelen zogenaamde niet-akoestische aspecten een rol, zoals context, hoe men over de bron van het geluid denkt (attitude), verwerkingsgedrag (coping stijl), angst en gevoeligheid voor geluid (Gezondheidsraad, 1999; Dusseldorp et al., 2011). De figuur geeft weer hoe blootstelling aan ongewenst geluid kan leiden tot gezondheidsklachten. Geluiden die als prettig ervaren worden en het ontbreken van ongewenst geluid hebben mogelijk juist een positief effect op de gezondheid doordat ze het herstel van stress bevorderen (Gezondheidsraad, 2006; Brown, 2010).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Passchier-Vermeer W. Geluid en Gezondheid: achtergrondstudie. Den Haag: Gezondheidsraad; 1993. Bron
  2. Berglund B, Lindvall T, Schwela DH, WHO. Guidelines for community noise. Geneva: World Health Organization; 1999. Bron
  3. Gezondheidsraad. Geluid en Gezondheid. Den Haag: Gezondheidsraad; 1994. Bron
  4. Gezondheidsraad. Over de invloed van geluid op de slaap en de gezondheid. Gezondheidsraad; 2004. Bron
  5. WHO. Night noise guidelines for Europe. Copenhagen: World Health Organization; 2009. Bron
  6. WHO. Burden of disease from environmental noise. Quantification of healthy life years lost in Europe. Copenhagen: World Health Organization; 2011. Bron
  7. Gezondheidsraad. Grote luchthavens en gezondheid. Den Haag: Gezondheidsraad; 1999. Bron
  8. Dusseldorp A, Houthuijs DJM, van Overveld A, van Kamp I, Marra M. Handreiking geluidhinder wegverkeer: Berekenen en meten. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron
  9. Gezondheidsraad. Stille gebieden en gezondheid. Den Haag: Gezondheidsraad; 2006. Bron
  10. Brown AL. Soundscapes and environmental noise management. Noise Control Engineering Journal. 2010;58((5)):493-500. Bron

Hinder door geluid

Percentage ernstige geluidhinder naar geluidbron in 2016

16 jaar en ouder
Enigszins gehinderdMinstens gehinderdErnstig gehinderd
Wegverkeer48,025,89,3
Railverkeer13,86,82,2
Vliegverkeer25,912,44,6
Bouw- en sloopactiviteiten25,313,04,5
Fabrieken en bedrijven10,84,81,9
Recreatieve activiteiten21,29,63,3
Buren36,620,28,4

De percentages 'enigszins gehinderd' en 'minstens gehinderd' (inclusief ernstig gehinderd) zijn zichtbaar in de achterliggende tabel bij de figuur. 

Wegverkeer belangrijkste bron van ernstige geluidhinder in de woonomgeving

In 2016 gaf 9,3% van alle Nederlanders van 16 jaar en ouder aan in de afgelopen 12 maanden ernstige hinder door geluid van wegverkeer te hebben ondervonden. Ook buren zorgen relatief vaak voor geluidsoverlast: 8,4% van de Nederlanders ondervond hier ernstige hinder van.  Daarnaast ondervond 4,6% van de Nederlanders ernstige hinder door geluid van vliegverkeer en 2,2% door geluid van railverkeer. Railverkeer zorgt daarmee voor minder ernstige hinder dan bouw- en sloopactiviteiten en recreatieve activiteiten (zoals horeca, sportparken en festivals), waar respectievelijk 4,5% en 3,3% van alle Nederlanders ernstige hinder door ondervond. Het gaat bij deze percentages niet om een enkel incident, maar om de situatie zoals die over het afgelopen jaar beleefd is. De percentages met minstens hinder (inclusief ernstige hinder) liggen een factor 2 à 3 hoger dan de percentages met ernstige hinder (zie achterliggende tabel bij figuur) (Van Poll et al., 2018). 

Meer informatie

Datum publicatie

05-09-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Van Poll R, Breugelmans O, Houthuijs D, Van Kamp I. Beleving Woonomgeving in Nederland. Inventarisatie Verstoringen 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
  2. van Kempen EEMM, Houthuijs DJM. Omvang van de effecten op gezondheid en welbevinden in de Nederlandse bevolking door geluid van weg- en railverkeer. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron

Slaapverstoring door geluid

Percentage ernstige slaapverstoring naar geluidbron in 2016

16 jaar en ouder
Enigszins slaap verstoordMinstens slaap verstoordErnstig slaap verstoord
Wegverkeer22,411,84,3
Railverkeer5,931,2
Vliegverkeer9,94,92,0
Bouw- en sloopactiviteiten10,65,22,1
Fabrieken en bedrijven5,12,51,0
Recreatieve activiteiten11,95,62,1
Buren21,911,85,1

De percentages 'enigszins slaap verstoord' en 'minstens slaap verstoord' (inclusief ernstige slaapverstoring) zijn zichtbaar in de achterliggende tabel bij de grafiek.

Meeste ernstige slaapverstoring door geluid van buren

In 2016 gaf 5,1% van de Nederlanders van 16 jaar en ouder aan dat hun slaap in de afgelopen 12 maanden ernstig verstoord was door geluid van buren. Dit is hoger dan het percentage Nederlanders (4,3%) dat ernstige slaapverstoring ondervindt van wegverkeer. Vliegverkeer zorgt ongeveer even vaak voor ernstige slaapverstoring als geluid van bouw- en sloopactiviteiten en geluid van recreatieve activiteiten zoals horeca, sportparken en festivals. Het gaat bij deze percentages niet om een enkel incident, maar om de situatie zoals die over het afgelopen jaar beleefd is. De percentages Nederlanders van wie de slaap minstens verstoord is (inclusief ernstige verstoring) liggen een factor 2 à 3 hoger dan de percentages voor ernstige verstoring (zie achterliggende tabel bij figuur) (Van Poll et al., 2018).  

Meer informatie

Datum publicatie

05-09-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Van Poll R, Breugelmans O, Houthuijs D, Van Kamp I. Beleving Woonomgeving in Nederland. Inventarisatie Verstoringen 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
  2. van Kempen EEMM, Houthuijs DJM. Omvang van de effecten op gezondheid en welbevinden in de Nederlandse bevolking door geluid van weg- en railverkeer. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron

Sterfte aan hart- en vaatziekten door geluid

Aantal hartinfarcten door geluid afkomstig van wegverkeer in 2004

Bron Aantal personen
  gemiddeld 95%-betrouwbaarheidsinterval
Wegverkeer, alle wegen 84 21-150
Wegverkeer, rijkswegen 5,6 1,4-10
Railverkeer 7,1 1,7-13
  • Op basis van het resultaat van een meta-analyse voor mannen (RR 5dB: 1,06 (95%-betrouwbaarheidsinterval: 1,01-1,11)) toegepast vanaf 60 dB. In 2003 bedroeg de incidentie van acuut myocard infarct onder mannen en vrouwen 28.200.
  • Rijkswegen = niet-provinciale en - gemeentelijke wegen 

 

Geluid van wegwerkeer leidt in Nederland tot 84 hartinfarcten per jaar

In Nederland zijn in 2004 ongeveer 84 hartinfarcten per jaar gerelateerd aan de blootstelling aan geluid van wegverkeer. Dit is 0,3% van het totaal aantal acute myocard infarcten dat jaarlijks in Nederland optreedt (van Kempen & Houthuijs, 2008). Ruim 5 hartinfarcten per jaar zijn gerelateerd aan geluid van verkeer op rijkswegen en 7 hartinfarcten per jaar zijn gerelateerd aan geluid afkomstig van railverkeer. Een relatief klein deel van de hartinfarcten door geluid van verkeer op alle wegen is dus toe te schrijven aan het verkeer op rijkswegen en railverkeer.

Jaarlijks overlijden 10.000 Europeanen door omgevingslawaai

In Europa overlijden jaarlijks ongeveer 10.000 mensen vroegtijdig door blootstelling aan omgevingslawaai van wie 6.700 aan coronaire hartziekten en 3.300 aan beroerte. Verder leidt de blootstelling aan omgevingslawaai in Europa tot 43.000 ziekenhuisopnames per jaar door hart- en vaatziekten en beroertes en tot ongeveer 910.000 gevallen van hoge bloeddruk. Lawaai van wegverkeer is verantwoordelijk voor 90% van deze ziektelast. Dit blijkt uit de voorlopige resultaten voor 33 Europese landen (28 lidstaten van de Europese Unie plus IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Zwitserland en Turkije). Deze resultaten geven een onderschatting doordat de blootstellinggegevens alleen beschikbaar zijn voor een selectie van de agglomeraties, snelwegen, spoorwegen en luchthavens. Verder rapporteren de landen alleen het aantal mensen dat woont bij hoge geluidniveaus (meer dan 55 dB voor het etmaal of 50 dB voor de nacht). Onder deze geluidniveaus kunnen ook effecten optreden, maar daarvan is de omvang niet bekend (Houthuijs et al., 2014). 

 

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Kempen EEMM, Houthuijs DJM. Omvang van de effecten op gezondheid en welbevinden in de Nederlandse bevolking door geluid van weg- en railverkeer. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron
  2. Houthuijs DJM, van Beek A.J., Swart W.J.R., van Kempen EEMM. Health implication of road, railway and aircraft noise in the European Union. Provisional results based on the 2nd round of noise mapping. Bilthoven: RIVM; 2014. Bron

Gevolgen ontbreken ongewenst geluid

Ontbreken ongewenst geluid heeft mogelijk positief effect op welzijn en gezondheid

Er is beperkt onderzoek gedaan naar de effecten van het ontbreken van ongewenste geluiden op welzijn en gezondheid (Klaeboe et al., 2002; Gidlöf-Gunnarsson & Öhrström, 2007; Booi & van den Berg, 2012). De zogenaamde 'soundscape'-benadering spreekt van akoestische kwaliteit en onderscheidt gewenst en ongewenst geluid in plaats van uitsluitend geluidniveaus. Een omgeving waarin geen ongewenste geluiden zijn of waar de niveaus van ongewenste geluiden relatief laag zijn, beïnvloedt mogelijk het herstel van stress positief, terwijl ongewenst geluid een negatieve invloed heeft en het proces van herstel kan belemmeren (Gezondheidsraad, 2006; Brown, 2010). De afwezigheid van ongewenste geluiden kan de positieve effecten van verblijf in een groene omgeving versterken. 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Klaeboe R, Fyhri A, Solberg S. The neighborhood soundscape and the residents’perceptions of its quality. Journal of the Acoustical Society of America . 2002;112. Bron
  2. Gidlöf-Gunnarsson A, Öhrström E. Noise and well-being in urban residential environments: the potential role of perceived availability to nearby green areas. Landscape and Urban Planning. 2007;83:115-126. Bron
  3. Booi H, van den Berg F. Quiet areas and the need for quietness in Amsterdam. Int J Environ Res Public Health. 2012;9(4):1030-50. Pubmed | DOI
  4. Gezondheidsraad. Stille gebieden en gezondheid. Den Haag: Gezondheidsraad; 2006. Bron
  5. Brown AL. Soundscapes and environmental noise management. Noise Control Engineering Journal. 2010;58((5)):493-500. Bron

Verantwoording

Definities
  • Binnenmilieu

    Binnenmilieu omvat samenstelling en omstandigheden van de binnenlucht

    Binnenmilieu omvat de binnenlucht en de thermische, akoestische, atmosferische en hygiënische omstandigheden waarin we ons bevinden als we binnen zijn. Dit is thuis, op het werk, in winkels, scholen en dergelijke. Mensen zijn gemiddeld 85% van hun tijd binnenshuis, waarvan ongeveer 65% in hun eigen woning (Leech et al., 2002; Brasche & Bischof, 2005). In de beschrijving van het binnenmilieu beperken we ons tot de stoffen die te vinden zijn in de binnenlucht en tot de hygiënische en thermische omstandigheden. De akoestische (geluid) en atmosferische (straling) omstandigheden worden verder uitgewerkt in de onderwerpen geluid en straling op Volksgezondheidenzorg.info.

    Productie en afvoer ongezonde stoffen bepalen binnenmilieukwaliteit

    De kwaliteit van het binnenmilieu wordt bepaald door het aantal bewoners/gebruikers, rookgedrag, aanwezigheid van huisdieren, gebruikte bouwmaterialen, planten, emissies uit consumentenproducten (zoals sprays en elektrische apparaten) en door bronnen van buiten, zoals het verkeer. Bovendien speelt ook de mate van ventilatie een zeer belangrijke rol. Ventileren zorgt voor verdunning en afvoer van ongezonde stoffen die in het binnenmilieu aanwezig zijn.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Leech JA, Nelson WC, Burnett RT, Aaron S, Raizenne ME. It's about time: a comparison of Canadian and American time-activity patterns. J Expo Anal Environ Epidemiol. 2002;12(6):427-32. Pubmed | DOI
    2. Brasche S, Bischof W. Daily time spent indoors in German homes--baseline data for the assessment of indoor exposure of German occupants. Int J Hyg Environ Health. 2005;208(4):247-53. Pubmed | DOI
  • Luchtverontreiniging

    Luchtverontreiniging richt zich vooral op de concentraties in de lucht van deeltjesvormige luchtverontreiniging (roet en fijn stof), stikstofdioxide (een goede indicator van het huidige verkeersgerelateerde mengsel) en ozon (van belang bij zomersmog). Het gaat hierbij om luchtverontreiniging van een internationale omvang. Het gaat dus in principe niet over een lokale situatie (straat, stad of regio), afgezien van stagnerende weerssituaties waarbij de lokale bijdrage veel groter kan zijn. Grootschalige luchtverontreiniging slaat ook op het soort bron: niet zozeer een lokale uitstoot, maar het gehele pakket van luchtverontreiniging dat is ontstaan door alle nationale en internationale bronnen.

    Fijn stof is graadmeter voor deeltjesvormige luchtverontreiniging

    Fijn stof is een graadmeter voor de mate van deeltjesvormige luchtverontreiniging. Deeltjesvormige luchtverontreiniging is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand en (bodem)stof, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal en bijvoorbeeld cementdeeltjes. Een veel gebruikte afkorting voor fijn stof is PM. PM staat voor de Engelse term Particulate Matter. Afhankelijk van de doorsnede van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 voor deeltjes met een doorsnede tot 10 micrometer (µm) of van PM2,5 voor deeltjes met een doorsnede tot 2,5 micrometer (U.S. EPA, 2004). Ook roetdeeltjes zijn van belang voor de gezondheid (Janssen et al., 2011). Met roetdeeltjes is het (gezondheidskundig) effect van verkeersinterventies beter te duiden dan met PM10, PM2,5  of stikstofdioxide (NO2). 

    Stikstofdioxide is goede indicator voor verkeersgerelateerde luchtverontreiniging

    Stikstofdioxide (NO2) is een goede indicator voor verkeersgerelateerde (deeltjesvormige) luchtverontreiniging. Hoewel een deel van de NO2-uitstoot van industriële activiteiten komt, bepaalt vooral het (lokale) verkeer de NO2-niveaus. Vooral de blootstelling van de bevolking aan de uitstoot van wegverkeer is belangrijk voor de negatieve effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid (WHO Europe, 2005; WHO Europe, 2013). 

    Ozon is indicator voor fotochemische luchtverontreiniging

    Ozon (O3)is de graadmeter voor de mate van fotochemische luchtverontreiniging. Ozon is de meest reactieve en giftige component van zomersmog en ontstaat vooral op mooie zomerdagen onder invloed van zonlicht en de uitstoot van vooral verkeer en industrie. Hoewel er dus speciale weersomstandigheden nodig zijn om smog te krijgen is ozonvorming vooral ook afhankelijk van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS), koolmonoxide (CO) methaan (CH4) en stikstofoxiden (NOx) (Mooijbroek et al., 2010). Ozon komt niet alleen voor op leefniveau, maar ook hoger in de atmosfeer (de stratosfeer). Ozon in de stratosfeer (zo’n 10 tot 50 km boven het aardoppervlak) beschermt de aarde tegen schadelijk ultraviolette straling van de zon. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. U.S. EPA. Air Quality Criteria for Particulate Matter (final report, Oct. 2004). Washington DC: U.S. EPA; 2004. Bron
    2. Janssen NAH, Hoek G, Simic-Lawson M, Fischer PH, van Bree L, ten Brink H, et al. Black Carbon as an Additional Indicator of the Adverse Health Effects of Airborne Particles Compared with PM10 and PM2.5. Environ Health Perspect. 2011;119(12):1691-1699. Bron | DOI
    3. WHO Europe. Health effects of transport-related air pollution. Copenhagen: WHO Regional office for Europe ; 2005. Bron
    4. WHO Europe. Review of evidence on health aspects of air pollution – REVIHAAP Project. Technical Report. Bonn: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
    5. Mooijbroek D, Beijk R, Hoogerbrugge R. Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2009. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
  • Geluid

    Focus op omgevingsgeluid

    In dit onderwerp ligt de focus op de blootstelling aan en gezondheidsgevolgen van geluid in de woonomgeving. Informatie over gehoorschade door lawaai tijdens het werk en blootstelling aan harde muziek staat in het onderwerp gehoorstoornissen

    Geluid is een trilling van lucht

    Geluid is een trilling. Het ontstaat doordat een geluidbron telkens de lucht aanstoot, waardoor verdichtingen en verdunningen in de lucht (luchtdrukschommelingen) ontstaan die zich vanaf de geluidsbron uitbreiden. Deze luchtdrukschommelingen bereiken via de gehoorgang van het oor het trommelvlies. De trillingen die hierdoor ontstaan in het trommelvlies, bereiken via het middenoor, binnenoor en de gehoorzenuw de hersenen. Dit leidt tot waarneming en interpretatie van het geluid. 

    D decibel(A)

    Decibel (dB) is de eenheid voor de sterkte van een geluid. Meestal wordt hier de letter 'A' aan toegevoegd, wat aangeeft dat er gecorrigeerd is voor de gevoeligheid van het menselijk oor voor verschillende toonhoogten (frequenties).

    Lday-evening-night

    'day-evening-night level' (Lden) is het jaargemiddelde geluidniveau over de dag-, avond-, en nachtperiode en is de Nationale en Europese maat voor de blootstelling aan omgevingsgeluid. Omdat een bepaald geluidniveau in de avond en de nacht als hinderlijker wordt ervaren dan geluid overdag, telt het geluid in de avond en nacht zwaarder dan het geluid overdag. Hiertoe wordt het niveau dat voor de avond wordt bepaald verhoogd met 5 dB en het niveau dat voor de nacht wordt bepaald met 10 dB (Heemskerk, 2007).

    Lnight

    Lnight is de jaargemiddelde maat voor blootstelling aan geluid in de nacht. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Heemskerk NM. Wegwijzer, geluidrecht 2008. Een praktische handleiding voor iedereen die met juridische aspecten van geluidhinder te maken krijgt. Alphen aan den Rijn: Kluwer Uitgevers; 2007. Bron
  • Water

    Kwaliteit drinkwater

    In Nederland moet het drinkwater voldoen aan de normen voor de kwaliteit van drinkwater voor menselijke consumptie in het Nederlandse Drinkwaterbesluit. Het Drinkwaterbesluit is gebaseerd op de Europese drinkwaterrichtlijn. De kwaliteitsnormen zijn onderverdeeld in drie verschillende categorieën van parameters; microbiologische-, chemische- en indicatorparameters.

    Bij microbiologische parameters gaat het om bacteriën die direct effect kunnen hebben op de gezondheid. De darmbacteriën Escherichia coli (E. coli) en enterococcen zijn indicatoren voor de aanwezigheid van verontreinigingen met menselijke of dierlijke uitwerpselen, zogenaamde faecale verontreinigingen, en dus voor de mogelijke aanwezigheid van ziekteverwekkende micro-organismen die in deze uitwerpselen aanwezig kunnen zijn. De norm voor de darmbacteriën E. coli en enterococcen is afwezigheid in 100 ml drinkwater.

    Bij chemische parameters gaat het om stoffen die mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid bij langdurige en/of hoge blootstelling. Hierbij valt te denken aan ijzer, nikkel, mangaan, nitraat, chloor, lood, bestrijdingsmiddelen en geneesmiddelen. Bij indicatorparameters gaat het om bedrijfstechnische parameters, organoleptische en esthetische parameters en signaleringsparameters. Normoverschrijdingen van indicatorparameters vormen geen direct gevaar voor de volksgezondheid, maar geven aan dat er onvolkomenheden zijn bij de productie of de distributie van drinkwater.

    Op een aantal vlakken is het Drinkwaterbesluit uitgebreider dan de Europese regelgeving. Volgens zowel de Nederlandse als de Europese wetgeving moet de aanwezigheid van bepaalde bacteriën in het water bepaald worden. Volgens de Nederlandse wet moeten daarnaast ook een aantal andere micro-organismen bepaald worden in het innamewater, te weten (entero)virussen, CampylobacterCryptosporidium en Giardia, omdat van deze micro-organismen bekend is dat ze relevant zijn voor de volksgezondheid en daarom worden ze meegenomen in de risicoanalyse.

    Kwaliteit zwemwater

    De kwaliteit van het zwemwater wordt bepaald door metingen van de indicatorparameters E.coli en intestinale enterococcen. De Zwemwaterrichtlijn van de Europese Unie geeft waarden voor de indeling van zwemwater in kwaliteitsklassen: uitstekend, goed, aanvaardbaar of slecht.

     

  • Straling

    Verschillende stralingstypen

    Straling is een natuurkundig proces waarbij energieoverdracht plaatsvindt zonder dat sprake is van direct contact. Straling kent verschillende verschijningsvormen: als niet-zichtbare deeltjes, of als zichtbare of onzichtbare golfpakketjes. Omdat de energie-inhoud en de aard en interactie met materie en lichaamsweefsel sterk verschillen voor verschillende stralingstypen, wordt onderscheid gemaakt in: ioniserende straling, optische straling en elektromagnetische velden.

    • De ioniserende straling is het meest energierijk en komt vrij bij radioactief verval in de vorm van deeltjes (bijvoorbeeld alfa of beta straling) en/of in golfvorm als gammastraling. Ioniserende straling wordt uitgedrukt in millisievert (mSv). De belangrijkste bronnen van ioniserende straling zijn medisch diagnostisch onderzoek en radon en thoron in het binnenmilieu. Radon en thoron ontstaan van nature in de bodem en uit bodemmateriaal vervaardigde producten.  Radongas kan via de kruipruimte en vanuit bouwmaterialen in de woning terecht komen. Thorongas, dat veel sneller vervalt, zal alleen voldoende lang leven om uit de buitenste laag van de muur en de afwerklaag in de leefruimte te komen. Het verval van beide leidt tot de aanwezigheid van radioactieve vaste stoffen in de binnenlucht die na inademing zorgen voor blootstelling aan ioniserende straling. De constructie, de gebruikte bouwmaterialen en de ventilatie beïnvloeden de radonconcentratie in huis. Naast inademing van radon- en thoron-dochters vindt in de woning ook externe bestraling plaats vanuit bodem en bouwmaterialen (Bader et al., 2010). Veruit de hoogste doses ioniserende straling worden ontvangen bij de behandeling van kanker. Daarbij is de dosis heel veel hoger dan de normale jaardosis en ook veel hoger dan bij diagnostisch onderzoek. Omdat het daarbij gaat om bedoelde blootstelling van de tumor, zijn deze therapeutische blootstellingen niet meegenomen in de gegeven schatting van de jaargemiddelde stralingsdosis.
    • De optische straling omvat ultraviolette straling (de meest energierijke optische straling), zichtbare straling (licht) en infrarood. Voor ultraviolette blootstelling is geen eenduidige risicomaat ontwikkeld, al wordt bij zonnestraling de zonkracht of ook wel UV-index veelvuldig gehanteerd. De zonkracht is een maat voor de snelheid waarmee de UV-straling zonverbranding van de huid veroorzaakt.
    • Elektromagnetische velden worden gebruikt bij telecommunicatie (zoals radio en tv-zenders, mobiele telefoons, WiFi) en komen voor bij het gebruik van elektriciteit. Radiofrequente elektromagnetische velden in de leefomgeving zijn onder andere afkomstig van mobiele telefoons en de bijbehorende basisstations, radio- en televisiezenders, wifi-apparatuur, DECT-telefoons en magnetrons. Extreem-laagfrequente magnetische velden zijn afkomstig van de transport van elektriciteit (bijvoorbeeld hoogspanningslijnen). De sterkte van deze magnetische velden wordt uitgedrukt in tesla of microtesla.

    Effectieve dosis is maat voor de extra kans op het krijgen van kanker door ioniserende straling

    De effectieve dosis is een maat voor de extra kans op het krijgen van kanker door de blootstelling aan ioniserende straling. Het precieze effect van straling wordt bepaald door het type straling, de geabsorbeerde stralingsdosis en de gevoeligheid van het getroffen weefsel voor straling. De effectieve dosis, met als eenheid sievert, houdt met al deze factoren rekening. Hierbij is het onderscheid tussen de deeltjesstraling (alfa- en beta-) en gammastraling van belang. Alfa- en in iets minder mate betastraling hebben een kort en dicht ionisatiespoor en daarmee een beperkte dracht. Zij zijn relatief makkelijk af te schermen en dragen vooral bij aan risico’s van straling indien ze in het lichaam worden afgegeven door in het lichaam opgenomen radioactieve stoffen. Van gamma- en röntgenstraling is de dracht veel groter en bestraling van buiten het lichaam kan in belangrijke mate bijdragen aan de stralingsblootstelling.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Bader S, Dekkers SAJ, Blaauboer RO. Stralingsbelasting in Nederlandse nieuwbouwwoningen - Eindrapport ventilatie- en radononderzoek. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
Bronverantwoording
  • Luchtverontreiniging

    Landelijk Meetnetwerk Luchtkwaliteit

    De concentraties fijn stof, ozon en stikstofdioxide zijn afkomstig van meetgegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM, GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond (gecombineerd tot LML+). De concentraties worden ieder uur gemeten. De gemiddelden over de afgelopen 24 uur worden direct weergegeven op de website van het LML. Ook geeft de website van het LML details over de gebruikte meetmethoden.

    Meer informatie

  • Geluid

    Geluidbelasting door wegverkeer

    Sinds de wijziging in de geluidsregelgeving voor rijkswegen en spoorwegen en de invoering van geluidsproductieplafonds in 2012 stelt Rijkswaterstaat voor de rijkswegen jaarlijks een nalevingsverslag op (Rijkswaterstaat, 2015). Hierin staat op hoeveel punten een plafondoverschrijding plaats vindt en hoe de overschrijdingen opgelost worden. Voor de spoorwegen stelt Prorail sinds 2013 jaarlijks een nalevingsverslag op (Prorail, 2015).

    Cijfers over geluidbelasting tot en met 2012 zijn gebaseerd op gegevens over vliegverkeer van NLR, wegverkeer van RWS en Provincies en railverkeer van Prorail/Deltarail en zijn in 2012 bewerkt door het RIVM. Tot 2010 voerde PBL een modellering uit op de gegevens. De basis van de gegevens voor de RIVM en PBL modellen is anders. Dit heeft invloed op de uitkomsten. De berekeningen van 2010 en eerder zijn dan ook niet meer vergelijkbaar met de gegevens van 2012 (CBS et al., 2014).

    Landelijke schattingen geluidhinder en slaapverstoring

    Landelijke schattingen van het aantal volwassenen dat hinder en slaapverstoring ondervindt door geluid zijn afkomstig uit de ‘Inventarisatie Verstoringen’ (ook wel Hinderinventarisatie genoemd) van het RIVM en CBS (Van Poll et al., 2018). Deze wordt sinds 1977 met een interval van tussen de 5 en 8 jaar uitgevoerd. De mate waarin groepen mensen hinder of slaapverstoring ervaren, is in de hinderinventarisatie gemeten met een vragenlijst. Deze vragenlijst is afgenomen onder een steekproef van in Nederland woonachtige personen, die deel uitmaken van particuliere huishoudens en op het moment van het onderzoek 16 jaar of ouder zijn. Respondenten werd gevraagd in welke mate zij in de afgelopen 12 maanden in de thuissituatie gehinderd waren of in welke mate hun slaap verstoord was. Het gaat hierbij niet om een enkel incident, maar om de situatie zoals die over de afgelopen 12 maanden beleefd is.

    De respondenten kunnen op een schaal van 0 tot 10 antwoorden in welke mate zij zich gehinderd voelen of hun slaap verstoord is. Deze schaal wordt omgezet naar een range van 0 tot 100. Hierbij gelden de volgende afkappunten:

    • ernstige hinder of ernstige slaapverstoring: >72
    • (minstens) gehinderd of (minstens) slaap verstoord: >50
    • (minstens) enigszins gehinderd of (minstens) enigszins slaap verstoord: > 28

    Bij de lagere categorieën zijn de bovenliggende categorieën inbegrepen. Vandaar dat wordt gesproken van (minstens) enige hinder of slaapverstoring en (minstens) hinder of slaapverstoring.

    Regionale cijfers geluidhinder uit Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen

    Cijfers over geluidhinder naar GGD-regio en gemeente zijn afkomstig van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016. Deze cijfers zijn gebaseerd op een internationaal gestandaardiseerde vraag over geluidhinder die ook in de Hinderinventarisatie wordt gebruikt. Door middel van een getal van 0 (helemaal niet gehinderd) tot 10 (extreem gehinderd) hebben de respondenten (personen van 19 t/m 64 jaar) aangegeven in welke mate geluid van een zestal bronnen (wegverkeer < 50 km/uur; wegverkeer > 50 km/ uur; treinverkeer; vliegverkeer; brommers / scooters; buren) hindert, stoort of ergert in de thuissituatie. Antwoordoptie 'Niet hoorbaar' geldt voor als het geluid niet hoorbaar is in de thuissituatie.

    De antwoorden worden samengevat in een score: 

    • niet hoorbaar of geen of weinig (0-2)
    • matig (3-7)
    • ernstig (8-10)

    Hartinfarcten gerelateerd aan geluid

    Schattingen van het aantal hartinfarcten dat gerelateerd is aan het geluid afkomstig van wegverkeer, zijn afkomstig van een RIVM-studie uit 2008 (van Kempen & Houthuijs, 2008). In deze studie is een meta-analyse uitgevoerd om het aantal acute hartinfarcten te kunnen berekenen. Schattingen uit eerdere studies (van Kempen et al., 2001; de Hollander, 2004; Knol & Staatsen, 2005) vallen aanmerkelijk hoger uit. Dit komt onder meer door verschillen in onderzoeksopzet en doordat de RIVM-studie uit 2008 is gebaseerd op incidentie en de andere studies op prevalentie.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Rijkswaterstaat. Nalevingsverslag geluidproductieplafonds rijkswegen 2014. Rijkswaterstaat; 2015. Bron
    2. Prorail. Nalevingsverslag geluidproductieplafonds 2014, nr. P1217040. Prorail; 2015. Bron
    3. CBS, PBL, WUR. Geluidshinder in Nederland door weg-, rail- en vliegverkeer, 2012. Den Haag / Bilthoven / Wageningen: CBS, PBL, Wageningen UR; 2014. Bron
    4. Van Poll R, Breugelmans O, Houthuijs D, Van Kamp I. Beleving Woonomgeving in Nederland. Inventarisatie Verstoringen 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
    5. van Kempen EEMM, Houthuijs DJM. Omvang van de effecten op gezondheid en welbevinden in de Nederlandse bevolking door geluid van weg- en railverkeer. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron
    6. van Kempen EEMM, Ameling CB, Hoogenveen RT, Staatsen BAM, de Hollander AEM. De potentiële ziektelast toe te schrijven aan de geluidblootstelling in Nederland. Kwantitatieve schattingen in het kader van de Vijfde Milieuverkenningen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2001. Bron
    7. de Hollander AEM. Assessing and evaluating the health impact of environmental exposures "deaths, DALYs or dollars?". Utrecht: Universiteit van Utrecht; 2004. Bron
    8. Knol AB, Staatsen BAM. Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands 1980-2000. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2005. Bron
  • Water

    ILT rapporten over kwaliteit van het drinkwater

    Gegevens over de kwaliteit van het drinkwater komen uit het jaarlijkse rapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over de kwaliteit van het drinkwater in Nederland. Het rapport is gebaseerd op de resultaten van de controles van de drinkwaterkwaliteit door de drinkwaterbedrijven. De drinkwaterbedrijven voeren een wettelijk meetprogramma uit voor het bewaken van de drinkwaterkwaliteit. Ze voeren daarbij metingen uit op een set wettelijk verplichte parameters. Dit gebeurt na de laatste zuiveringsstap (af pompstation) en op verschillende plaatsen in het distributienetwerk, en soms voor een aantal parameters ook bij de klant thuis (ILT, 2017). Bijna alle huishoudens in Nederland zijn aangesloten op het waterleidingnet. Een zeer beperkt aantal huishoudens haalt hun drinkwater nog uit privé-putten. Deze zogeheten eigen winningen zijn geen onderdeel van de jaarlijkse rapportage van de ILT. Wel zijn eigenaren van privé-putten wettelijk verplicht om de kwaliteit van het water, dat zij aan derden ter beschikking stellen, te bewaken met behulp van een door de ILT goedgekeurd meetprogramma.

    Zwemwaterrapportage van de Europese Commissie

    Informatie over de kwaliteit van het zwemwater komt uit de jaarlijkse zwemwaterrapportage van de Europese Commissie (EEA, 2018). Het zwemwater wordt daarin volgens de Zwemwaterrichtlijn ingedeeld in de kwaliteitsklassen: uitstekend, goed, aanvaardbaar of slecht. De berekening van de waarden die bepalen in welke klasse een zwemlocatie wordt ingedeeld, is gebaseerd op de metingen van de indicatorparameters E.coli en intestinale enterococcen gedurende vier badseizoenen. Officiële zwemlocaties moeten gedurende het badseizoen (van 1 mei tot 1 oktober) tweewekelijks bemonsterd worden. De resultaten van de metingen moeten door de lidstaten van de Europese Unie aan de Europese Commissie worden gerapporteerd. De Europese Commissie neemt ze vervolgens op in de jaarlijkse zwemwaterrapportage.

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. ILT. De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2016. Den Haag: Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT); 2017. Bron
    2. EEA. European bathing water quality in 2017. Luxembourg: European Environmental Agency (EEA); 2018. Bron
Methoden
  • Luchtverontreiniging

    Berekening gezondheidseffecten ozon

    Berekeningen van de gezondheidseffecten van ozon zijn gebaseerd op relatieve risicocijfers uit de HRAPIE-studie van de WHO (WHO Europe, 2013) en VTV diagnosegroepen. Daarbij is uitgegaan van een 8-uursgemiddelde ozonconcentraties (van 12 tot 20 uur) van 58 ug/m3. Ook is er van uitgegaan dat er geen drempelwaarde bestaat waaronder geen effecten meer zullen optreden. Dit wijkt af van de HRAPIE aanbeveling om dagen met een maximale 8-uursgemiddelde ozonconcentratie van minder dan 20 ug/m3 niet in de berekeningen te betrekken.

    Achterliggende cijfers en bronnen

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. WHO Europe. Health risks of air pollution in Europe – HRAPIE project Recommendations for concentration–response functions for cost–benefit analysis of particulate matter, ozone and nitrogen dioxide. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
  • Straling

    Gezondheidsgevolgen van gemiddelde stralingsdosis moeilijk te schatten

    De gezondheidsgevolgen van de gemiddelde stralingsdosis die een Nederlander jaarlijks ontvangt, zijn moeilijk te schatten. Het is namelijk niet mogelijk om de kankergevallen die door ioniserende straling ontstaan te identificeren. Risico’s kunnen wel geschat worden op basis van epidemiologisch onderzoek bij hoge blootstellingniveaus, maar dan is daarna een extrapolatie naar de lagere niveaus nodig. Dat gebeurt nu veelal met een lineaire relatie. Voor de blootstelling in Nederland komen we dan op circa 2.000 sterfgevallen per jaar. Daarbij zijn veel kanttekeningen te plaatsen. Zo is het door straling toegevoegde risico minder indien de blootstelling op latere leeftijd plaatsvindt, en is er onzekerheid over de geldigheid van de lineaire extrapolatie.