Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Fysieke omgevingCijfers & ContextBinnenmilieu

Cijfers & Context

Concentraties fijn stof dalen

Regionaal & Internationaal

Relatief lage ozonconcentraties in Nederland

Kosten

Niet beschikbaar

Preventie & Zorg

Tabakswet bevordert schoon binnenmilieu

Binnenmilieu in woningen

Meerderheid woningen heeft binnenmilieuprobleem

De meerderheid van de woningen in Nederland heeft een binnenmilieuprobleem. In alle Nederlandse woningen komen in meer of mindere mate radon (Stoop et al., 1998) en huisstofmijt voor (Jongeneel et al., 2009). In 9% van de woningen is sprake van zichtbare schimmels (van Dongen & Vos, 2007). In circa 60% van de woningen wordt het MTR voor langdurige blootstelling aan formaldehyde in keukens en ruimten met spaanplaatmateriaal overschreden (van Dongen & Vos, 2007). Asbest komt nog in veel woningen voor en kan bij beschadiging in de binnenlucht terecht komen (Jongeneel et al., 2009). Afvoerloze warmwater- of verwarmingstoestellen, belangrijke bronnen voor koolmonoxide en stikstofdioxide, komen nog in 12% van de woningen voor (van Egmond et al., 2007). Naar schatting staat 18% tot 40% van de niet-rokende volwassen (> 15 jaar) bevolking dagelijks bloot aan tabaksrook van anderen (van Gelder et al., 2008). Beleid gericht op een rookvrije omgeving, zoals de afgelopen 10 jaar ook in Nederland is ingevoerd, leidt tot een daling van blootstelling aan rook van anderen en waarschijnlijk ook tot een daling van de sterfte aan hart- en vaatziekten (IARC, 2009). 

Ophoping potentieel schadelijke stoffen door slechte ventilatie en betere isolatie

In ongeveer 60% van de woningen vindt in de verblijfruimte periodiek overschrijding van de norm van 1200 ppm voor de CO2-concentratie plaats. De overschrijding van de CO2-norm is een indicator voor slechte ventilatie. Elke persoon produceert CO2 via de ademhaling. Wanneer de CO2-concentratie te hoog is, is dit een aanwijzing dat allerlei stoffen zich door slechte ventilatie ophopen in het binnenmilieu. Vanwege de steeds verdere verbeterde isolatie van huizen is er steeds minder natuurlijke ventilatie. Zeker in moderne, goed geïsoleerde woningen (zonder mechanische ventilatie) moeten bewoners actief zorgen voor ventilatie door roosters of klepraampjes open te laten voor frisse lucht (Jongeneel et al., 2011; van Dijken & Boersma, 2011).

Meer informatie

Vóórkomen van problemen met het binnenmilieu in Nederlandse woningen

Stof/probleem

Geschat percentage in Nederlandse woningen

 Referenties

Vochtproblemen

6-16% van de woningen, afhankelijk van bouwjaar

van Dongen & Vos, 2007; ENHIS, 2014

Zichtbare schimmel

9% van de woningen, afhankelijk van bouwjaar: In 1% van de koopwoningen gebouwd na 1980, 18% van de woningen gebouwd voor 1945

van Dongen & Vos, 2007

Huisdierallergenen

33% van de woningen

Jongeneel et al., 2009

Tabaksrook aanwezig

Ongeveer 40-49% van de woningen

Hasselaar, 2006; van Dongen & Vos, 2007

Meeroken door niet-rokers in woningen

18-40% van de woningen

van Gelder et al., 2008

Concentratie PM2,5   binnen > buiten

25% bij niet-rokers, 95% bij rokers

Brunekreef et al., 2005

Afvoerloze geisers waarbij verbrandingsproducten niet direct afgevoerd worden

12% van de woningen

van Egmond et al., 2007

Vluchtige organische stoffen (VOS)

In 0 tot 8% van woningen is som van VOS > advieswaarde Gezondheidsraad van 200 µg/m3

Meijer & Sijtsma, 2008; Hall et al., 2009

Formaldehyde

In 60% van woningen wordt het MTR  voor langdurige blootstelling overschreden (10 µg/m3)

van Dongen & Vos, 2007

Radon

Aanwezig in 100% van woningen. 0% boven Europese aanbeveling van 200 Bq/m3

Blaauboer et al., 2008

CO2-concentratie > 1200 ppm

59% van de verblijfsruimten, 47% van de slaapkamers

van Dongen & Vos, 2007

Te hoge temperatuur in zomer

17% van de woningen

Kuindersma & Ruiter, 2007

 

 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Stoop P, Glastra P, Hiemstra Y, de Vries L, Lembrechts J. Results of the second Dutch national survey on radon in dwellings; Resultaten van het tweede landelijke onderzoek naar radon in woningen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 1998. Bron
  2. Jongeneel WP, van Balen EC, Koudijs EA, Staatsen BAM, Houweling DA. Binnenmilieu. Recente wetenschappelijke ontwikkelingen en beleid op een rij. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2009. Bron
  3. van Dongen J, Vos H. Gezondheidsaspecten van woningen in Nederland. Delft: TNO; 2007. Bron
  4. van Egmond HCM, Gopal NK, Poulus C. Veiligheid gas en elektra. Delft: ABF Research; 2007. Bron
  5. van Gelder BM, Blokstra A, Feenstra TL. Environmental tobacco smoke in the Netherlands. First estimates of exposure, review of main health effects and overview of available interventions. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron
  6. IARC. Evaluating the Effectiveness of Smoke-free Policies. Handbook of Cancer Prevention. Lyon: International Agency for Research on Cancer; 2009. Bron
  7. Jongeneel WP, Bogers RP, van Kamp I. Kwaliteit van mechanische ventilatiesystemen in nieuwbouw eengezinswoningen en bewonersklachten. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron
  8. van Dijken F, Boersma AC. Onderzoek naar de kwaliteit van ventilatiesystemen in nieuwbouw eengezinswoningen. Rotterdam: BBA Binnenmilieu Onderzoek & Advies; 2011. Bron
  9. ENHIS. Children living in homes with problems of dampness. EU-SILC 2004-2013.; 2014. Bron
  10. Hasselaar E. Health performance of housing: indicators and tools. Amsterdam: Delft University Press; 2006. Bron
  11. Brunekreef B, Janssen NAH, de Hartog JJ, Oldenwening M, Meliefste K, Hoek G, et al. Personal, indoor, and outdoor exposures to PM2.5 and its components for groups of cardiovascular patients in Amsterdam and Helsinki. Res Rep Health Eff Inst. 2005;(127):1-70; discussion 71-9. Bron | Pubmed
  12. Meijer G, Sijtsma A. Vluchtige organische stoffen in woningen in Groningen. Groningen / Groningen: GGD Groningen / Kenniscentrum Milieu & Gezondheid; 2008. GoogleScholar
  13. Hall EF, Dusseldorp A, Aries MBC, Knoll B. Verbindingen in lucht en huisstof van woningen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2009. Bron
  14. Blaauboer RO, Dekkers SAJ, Slaper H, Bader S. Stralingsbelasting in nieuwbouwwoningen – voorlopige resultaten VERA survey 2006. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron
  15. Kuindersma P, Ruiter CJW. Woonkwaliteit binnenmilieu in nieuwbouwwoningen. Arnhem: VROM-inspectie regio Oost; 2007. Bron

Belangrijkste klachten door binnenmilieu

Binnenmilieu leidt tot veel bezorgdheid

Van alle milieugerelateerde gezondheidsklachten die in de periode 2011-2012 bij de GGD’en binnenkwamen had 61% betrekking op het binnenmilieu (Dusseldorp et al., 2013). Bezorgdheid (vooral over asbest, schimmels en ongedierte) is de meest voorkomende klacht. Daarnaast worden ook problemen met de ademhalingswegen en hinder door geluid en geur vaak gemeld (Dusseldorp et al., 2013). Doordat in het binnenmilieu verschillende stoffen voorkomen die gezondheidsproblemen kunnen veroorzaken, zijn de gezondheidsgevolgen van een slecht binnenmilieu zeer divers en variëren van klachten zoals vermoeidheid, hoofdpijn en geïrriteerde ogen tot (verergering van) astma en hart- en vaatziekten.

Vooral ouderen en kleine kinderen lijden onder slecht binnenmilieu

Ouderen en kleine kinderen zijn het meest kwetsbaar. Zij brengen meer tijd binnenshuis door en hun afweersysteem is nog niet volledig ontwikkeld of niet meer optimaal. Ook mensen met aandoeningen aan de ademhalingswegen zijn gevoeliger voor een verslechterd binnenmilieu (Jongeneel et al., 2009).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Dusseldorp A, Hall EF, van Poll HFPM. Meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten bij GGD'en: Vierde inventarisatie (2011-2012). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2013. Bron
  2. Jongeneel WP, van Balen EC, Koudijs EA, Staatsen BAM, Houweling DA. Binnenmilieu. Recente wetenschappelijke ontwikkelingen en beleid op een rij. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2009. Bron

Gezondheidsgevolgen binnenmilieu

Binnenmilieu-indicator Gezondheidseffecten Meer informatie
Vocht, schimmels en allergenen
Vochtproblemen Veroorzaken en verergeren van ziekten van de ademhalingswegen (Jongeneel et al., 2009).

RIVM-website: Vocht in de woning

Schimmel Veroorzaken en verergeren van ziekten van de ademhalingswegen en allergische reacties (Institute of Medicine, IOM, 2004; Gezondheidsraad, 2007).

RIVM-website: Schimmelproblemen

Lage luchtvochtigheid Droge ogen, huidklachten (Hall & Dusseldorp, 2008).

RIVM-website: Lage luchtvochtigheid

Allergenen

Veroorzaken allergische reacties bij mensen die daarvoor gevoelig zijn.

Verergeren van klachten van astmapatiënten (Jongeneel et al., 2009).

RIVM-website: Allergenen in huis

Verbrandingsproducten
Tabaksrook en meeroken

Irritatie van neus, keel en ogen, luchtwegaandoeningen. Verergert klachten aan de ademhalingswegen.

Veroorzaakt jaarlijks enkele honderden sterfgevallen aan longkanker en enkele duizenden sterfgevallen aan hart- en vaatziekten (Gezondheidsraad, 2003).

Passief roken door de moeder geeft een verhoogde kans op een lager geboortegewicht (minder dan 2500 gram) en een aanzienlijk verhoogde kans op wiegendood (Hofhuis et al., 2002).

Jaarlijks krijgen vele tienduizenden kinderen luchtwegklachten door passief roken (Gezondheidsraad, 2003).

Gezondheidsgevolgen van passief roken

Gezondheidsgevolgen van roken tijdens de zwangerschap

Roet en fijn sfof Veroorzaken en verergeren van ziekten van de ademhalingswegen en hart- en vaatziekten (RIVM, 2013).

Gezondheidseffecten van fijn stof

RIVM-website: Verbrandingsproducten

Stikstofdioxide


Kan luchtwegklachten en –aandoeningen verergeren en mogelijk veroorzaken.

Verhoogde gevoeligheid voor infecties (Jongeneel et al., 2009).

Gezondheidseffecten van stikstofdioxide

RIVM-website: Verbrandingsproducten

 

Koolmonoxide Hoofdpijn, vermoeidheid, duizeligheid. Een hoge concentratie kan leiden tot bewusteloosheid en in het ergste geval overlijden. Per jaar sterven in Nederland gemiddeld tien mensen aan een koolmonoxidevergiftiging (Mooi, 2008). 

RIVM-website: Verbrandingsproducten

Overig
Radon 100-1200 sterfgevallen door longkanker per jaar (Gezondheidsraad, 2000). Vooral rokers lopen een risico, omdat roken het effect van radon versterkt (Gezondheidsraad, 2007).

Gezondheidsgevolgen van ioniserende straling lage doses (radon)

RIVM-website: Radon/thoron

RIVM website: Radon 

Asbest Blootstelling aan hoge concentraties asbest kan leiden tot de aandoeningen maligne mesothelioom (longvlies-, buikvlieskanker), asbestose (asbestlong) en (in samenhang met roken) longkanker (Dusseldorp & van Bruggen, 2007; Gezondheidsraad, 2010). 

RIVM-website: Asbest

Te hoge temperatuur in de zomer

Uitdroging en gezondheidsproblemen zoals hoofdpijn, (ongewone) vermoeidheid, duizeligheid, concentratieproblemen, benauwdheid en hartproblemen.

Verhoogd risico op gezondheidsklachten bij ouderen, kinderen en mensen met diabetes mellitus, overgewicht en hart-, vaat- en longaandoeningen (Hagens & van Bruggen, 2014).

RIVM-website: Klimaatverandering

RIVM-website: Hitte

RIVM-website: Thermisch comfort

VOS (bijvoorbeeld formaldehyde) Veroorzaakt allerlei klachten zoals hoofdpijn, vermoeidheid en irritatie van de slijmvliezen (neus, keel en ogen) (Jongeneel et al., 2009) en geurhinder, mogelijke relatie met sick building syndrome (SBS).

RIVM-website: Vluchtige organische stoffen

Slechte ventilatie Verhoogde kans op gezondheidseffecten door ophoping van schadelijke stoffen. Dit kan leiden tot vermoeidheid, hoofdpijn, geurhinder (sick building syndrome), verhoogde kans op overdracht van infectieziekten en vermindering van leerprestaties (Jongeneel et al., 2009).

RIVM-website: Ventilatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Jongeneel WP, van Balen EC, Koudijs EA, Staatsen BAM, Houweling DA. Binnenmilieu. Recente wetenschappelijke ontwikkelingen en beleid op een rij. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2009. Bron
  2. Institute of Medicine, IOM. Damp indoor spaces and health. Washington: National Academic Press; 2004. Bron
  3. Gezondheidsraad. Astma, allergie en omgevingsfactoren. Den Haag: Gezondheidsraad; 2007. Bron
  4. Hall EF, Dusseldorp A. Gezondheidseffecten van een lage relatieve luchtvochtigheid in woningen. Een literatuurstudie. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron
  5. Gezondheidsraad. Volksgezondheidsschade door passief roken. Den Haag: Gezondheidsraad; 2003. Bron
  6. Hofhuis W, Merkus PJFM, de Jongste JC. Nadelige effecten van passief roken op het (ongeboren) kind. Ned Tijdschr Geneeskd. 2002;146. Bron
  7. RIVM. RIVM-Dossier ‘Fijn stof ’, hoofdstuk 4 Effecten. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2013. Bron
  8. Mooi M. Chronische blootstelling aan koolmonoxide. Is er sprake van een probleem in Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron
  9. Gezondheidsraad. Radon: toetsing rapport BEIR VI. Den Haag: Gezondheidsraad; 2000. Bron
  10. Gezondheidsraad. Risico’s van blootstelling aan ioniserende straling. Den Haag: Gezondheidsraad; 2007. Bron
  11. Dusseldorp A, van Bruggen M. Gezondheidkundige advieswaarden binnenmilieu, een update. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2007. Bron
  12. Gezondheidsraad. Asbest: Risico’s van milieu- en beroepsmatige blootstelling. Den Haag: Gezondheidsraad; 2010. Bron
  13. Hagens W.I., van Bruggen M. Nationaal Hitteplan: versie 2015. RIVM Briefrapport 2014-0051. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2014. Bron

Verantwoording

Definities
  • Binnenmilieu

    Binnenmilieu omvat samenstelling en omstandigheden van de binnenlucht

    Binnenmilieu omvat de binnenlucht en de thermische, akoestische, atmosferische en hygiënische omstandigheden waarin we ons bevinden als we binnen zijn. Dit is thuis, op het werk, in winkels, scholen en dergelijke. Mensen zijn gemiddeld 85% van hun tijd binnenshuis, waarvan ongeveer 65% in hun eigen woning (Leech et al., 2002; Brasche & Bischof, 2005). In de beschrijving van het binnenmilieu beperken we ons tot de stoffen die te vinden zijn in de binnenlucht en tot de hygiënische en thermische omstandigheden. De akoestische (geluid) en atmosferische (straling) omstandigheden worden verder uitgewerkt in de onderwerpen geluid en straling op Volksgezondheidenzorg.info.

    Productie en afvoer ongezonde stoffen bepalen binnenmilieukwaliteit

    De kwaliteit van het binnenmilieu wordt bepaald door het aantal bewoners/gebruikers, rookgedrag, aanwezigheid van huisdieren, gebruikte bouwmaterialen, planten, emissies uit consumentenproducten (zoals sprays en elektrische apparaten) en door bronnen van buiten, zoals het verkeer. Bovendien speelt ook de mate van ventilatie een zeer belangrijke rol. Ventileren zorgt voor verdunning en afvoer van ongezonde stoffen die in het binnenmilieu aanwezig zijn.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Leech JA, Nelson WC, Burnett RT, Aaron S, Raizenne ME. It's about time: a comparison of Canadian and American time-activity patterns. J Expo Anal Environ Epidemiol. 2002;12(6):427-32. Pubmed | DOI
    2. Brasche S, Bischof W. Daily time spent indoors in German homes--baseline data for the assessment of indoor exposure of German occupants. Int J Hyg Environ Health. 2005;208(4):247-53. Pubmed | DOI
  • Luchtverontreiniging

    Luchtverontreiniging richt zich vooral op de concentraties in de lucht van deeltjesvormige luchtverontreiniging (roet en fijn stof), stikstofdioxide (een goede indicator van het huidige verkeersgerelateerde mengsel) en ozon (van belang bij zomersmog). Het gaat hierbij om luchtverontreiniging van een internationale omvang. Het gaat dus in principe niet over een lokale situatie (straat, stad of regio), afgezien van stagnerende weerssituaties waarbij de lokale bijdrage veel groter kan zijn. Grootschalige luchtverontreiniging slaat ook op het soort bron: niet zozeer een lokale uitstoot, maar het gehele pakket van luchtverontreiniging dat is ontstaan door alle nationale en internationale bronnen.

    Fijn stof is graadmeter voor deeltjesvormige luchtverontreiniging

    Fijn stof is een graadmeter voor de mate van deeltjesvormige luchtverontreiniging. Deeltjesvormige luchtverontreiniging is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand en (bodem)stof, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal en bijvoorbeeld cementdeeltjes. Een veel gebruikte afkorting voor fijn stof is PM. PM staat voor de Engelse term Particulate Matter. Afhankelijk van de doorsnede van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 voor deeltjes met een doorsnede tot 10 micrometer (µm) of van PM2,5 voor deeltjes met een doorsnede tot 2,5 micrometer (U.S. EPA, 2004). Ook roetdeeltjes zijn van belang voor de gezondheid (Janssen et al., 2011). Met roetdeeltjes is het (gezondheidskundig) effect van verkeersinterventies beter te duiden dan met PM10, PM2,5  of stikstofdioxide (NO2). 

    Stikstofdioxide is goede indicator voor verkeersgerelateerde luchtverontreiniging

    Stikstofdioxide (NO2) is een goede indicator voor verkeersgerelateerde (deeltjesvormige) luchtverontreiniging. Hoewel een deel van de NO2-uitstoot van industriële activiteiten komt, bepaalt vooral het (lokale) verkeer de NO2-niveaus. Vooral de blootstelling van de bevolking aan de uitstoot van wegverkeer is belangrijk voor de negatieve effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid (WHO Europe, 2005; WHO Europe, 2013). 

    Ozon is indicator voor fotochemische luchtverontreiniging

    Ozon (O3)is de graadmeter voor de mate van fotochemische luchtverontreiniging. Ozon is de meest reactieve en giftige component van zomersmog en ontstaat vooral op mooie zomerdagen onder invloed van zonlicht en de uitstoot van vooral verkeer en industrie. Hoewel er dus speciale weersomstandigheden nodig zijn om smog te krijgen is ozonvorming vooral ook afhankelijk van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS), koolmonoxide (CO) methaan (CH4) en stikstofoxiden (NOx) (Mooijbroek et al., 2010). Ozon komt niet alleen voor op leefniveau, maar ook hoger in de atmosfeer (de stratosfeer). Ozon in de stratosfeer (zo’n 10 tot 50 km boven het aardoppervlak) beschermt de aarde tegen schadelijk ultraviolette straling van de zon. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. U.S. EPA. Air Quality Criteria for Particulate Matter (final report, Oct. 2004). Washington DC: U.S. EPA; 2004. Bron
    2. Janssen NAH, Hoek G, Simic-Lawson M, Fischer PH, van Bree L, ten Brink H, et al. Black Carbon as an Additional Indicator of the Adverse Health Effects of Airborne Particles Compared with PM10 and PM2.5. Environ Health Perspect. 2011;119(12):1691-1699. Bron | DOI
    3. WHO Europe. Health effects of transport-related air pollution. Copenhagen: WHO Regional office for Europe ; 2005. Bron
    4. WHO Europe. Review of evidence on health aspects of air pollution – REVIHAAP Project. Technical Report. Bonn: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
    5. Mooijbroek D, Beijk R, Hoogerbrugge R. Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2009. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
  • Geluid

    Focus op omgevingsgeluid

    In dit onderwerp ligt de focus op de blootstelling aan en gezondheidsgevolgen van geluid in de woonomgeving. Informatie over gehoorschade door lawaai tijdens het werk en blootstelling aan harde muziek staat in het onderwerp gehoorstoornissen

    Geluid is een trilling van lucht

    Geluid is een trilling. Het ontstaat doordat een geluidbron telkens de lucht aanstoot, waardoor verdichtingen en verdunningen in de lucht (luchtdrukschommelingen) ontstaan die zich vanaf de geluidsbron uitbreiden. Deze luchtdrukschommelingen bereiken via de gehoorgang van het oor het trommelvlies. De trillingen die hierdoor ontstaan in het trommelvlies, bereiken via het middenoor, binnenoor en de gehoorzenuw de hersenen. Dit leidt tot waarneming en interpretatie van het geluid. 

    D decibel(A)

    Decibel (dB) is de eenheid voor de sterkte van een geluid. Meestal wordt hier de letter 'A' aan toegevoegd, wat aangeeft dat er gecorrigeerd is voor de gevoeligheid van het menselijk oor voor verschillende toonhoogten (frequenties).

    Lday-evening-night

    'day-evening-night level' (Lden) is het jaargemiddelde geluidniveau over de dag-, avond-, en nachtperiode en is de Nationale en Europese maat voor de blootstelling aan omgevingsgeluid. Omdat een bepaald geluidniveau in de avond en de nacht als hinderlijker wordt ervaren dan geluid overdag, telt het geluid in de avond en nacht zwaarder dan het geluid overdag. Hiertoe wordt het niveau dat voor de avond wordt bepaald verhoogd met 5 dB en het niveau dat voor de nacht wordt bepaald met 10 dB (Heemskerk, 2007).

    Lnight

    Lnight is de jaargemiddelde maat voor blootstelling aan geluid in de nacht. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Heemskerk NM. Wegwijzer, geluidrecht 2008. Een praktische handleiding voor iedereen die met juridische aspecten van geluidhinder te maken krijgt. Alphen aan den Rijn: Kluwer Uitgevers; 2007. Bron
  • Water

    Kwaliteit drinkwater

    In Nederland moet het drinkwater voldoen aan de normen voor de kwaliteit van drinkwater voor menselijke consumptie in het Nederlandse Drinkwaterbesluit. Het Drinkwaterbesluit is gebaseerd op de Europese drinkwaterrichtlijn. De kwaliteitsnormen zijn onderverdeeld in drie verschillende categorieën van parameters; microbiologische-, chemische- en indicatorparameters.

    Bij microbiologische parameters gaat het om bacteriën die direct effect kunnen hebben op de gezondheid. De darmbacteriën Escherichia coli (E. coli) en enterococcen zijn indicatoren voor de aanwezigheid van verontreinigingen met menselijke of dierlijke uitwerpselen, zogenaamde faecale verontreinigingen, en dus voor de mogelijke aanwezigheid van ziekteverwekkende micro-organismen die in deze uitwerpselen aanwezig kunnen zijn. De norm voor de darmbacteriën E. coli en enterococcen is afwezigheid in 100 ml drinkwater.

    Bij chemische parameters gaat het om stoffen die mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid bij langdurige en/of hoge blootstelling. Hierbij valt te denken aan ijzer, nikkel, mangaan, nitraat, chloor, lood, bestrijdingsmiddelen en geneesmiddelen. Bij indicatorparameters gaat het om bedrijfstechnische parameters, organoleptische en esthetische parameters en signaleringsparameters. Normoverschrijdingen van indicatorparameters vormen geen direct gevaar voor de volksgezondheid, maar geven aan dat er onvolkomenheden zijn bij de productie of de distributie van drinkwater.

    Op een aantal vlakken is het Drinkwaterbesluit uitgebreider dan de Europese regelgeving. Volgens zowel de Nederlandse als de Europese wetgeving moet de aanwezigheid van bepaalde bacteriën in het water bepaald worden. Volgens de Nederlandse wet moeten daarnaast ook een aantal andere micro-organismen bepaald worden in het innamewater, te weten (entero)virussen, CampylobacterCryptosporidium en Giardia, omdat van deze micro-organismen bekend is dat ze relevant zijn voor de volksgezondheid en daarom worden ze meegenomen in de risicoanalyse.

    Kwaliteit zwemwater

    De kwaliteit van het zwemwater wordt bepaald door metingen van de indicatorparameters E.coli en intestinale enterococcen. De Zwemwaterrichtlijn van de Europese Unie geeft waarden voor de indeling van zwemwater in kwaliteitsklassen: uitstekend, goed, aanvaardbaar of slecht.

  • Straling

    Verschillende stralingstypen

    Straling is een natuurkundig proces waarbij energieoverdracht plaatsvindt zonder dat sprake is van direct contact. Straling kent verschillende verschijningsvormen: als niet-zichtbare deeltjes, of als zichtbare of onzichtbare golfpakketjes. Omdat de energie-inhoud en de aard en interactie met materie en lichaamsweefsel sterk verschillen voor verschillende stralingstypen, wordt onderscheid gemaakt in: ioniserende straling, optische straling en elektromagnetische velden.

    • De ioniserende straling is het meest energierijk en komt vrij bij radioactief verval in de vorm van deeltjes (bijvoorbeeld alfa of beta straling) en/of in golfvorm als gammastraling. Ioniserende straling wordt uitgedrukt in millisievert (mSv). De belangrijkste bronnen van ioniserende straling zijn medisch diagnostisch onderzoek en radon en thoron in het binnenmilieu. Radon en thoron ontstaan van nature in de bodem en uit bodemmateriaal vervaardigde producten.  Radongas kan via de kruipruimte en vanuit bouwmaterialen in de woning terecht komen. Thorongas, dat veel sneller vervalt, zal alleen voldoende lang leven om uit de buitenste laag van de muur en de afwerklaag in de leefruimte te komen. Het verval van beide leidt tot de aanwezigheid van radioactieve vaste stoffen in de binnenlucht die na inademing zorgen voor blootstelling aan ioniserende straling. De constructie, de gebruikte bouwmaterialen en de ventilatie beïnvloeden de radonconcentratie in huis. Naast inademing van radon- en thoron-dochters vindt in de woning ook externe bestraling plaats vanuit bodem en bouwmaterialen (Bader et al., 2010). Veruit de hoogste doses ioniserende straling worden ontvangen bij de behandeling van kanker. Daarbij is de dosis heel veel hoger dan de normale jaardosis en ook veel hoger dan bij diagnostisch onderzoek. Omdat het daarbij gaat om bedoelde blootstelling van de tumor, zijn deze therapeutische blootstellingen niet meegenomen in de gegeven schatting van de jaargemiddelde stralingsdosis.
    • De optische straling omvat ultraviolette straling (de meest energierijke optische straling), zichtbare straling (licht) en infrarood. Voor ultraviolette blootstelling is geen eenduidige risicomaat ontwikkeld, al wordt bij zonnestraling de zonkracht of ook wel UV-index veelvuldig gehanteerd. De zonkracht is een maat voor de snelheid waarmee de UV-straling zonverbranding van de huid veroorzaakt.
    • Elektromagnetische velden worden gebruikt bij telecommunicatie (zoals radio en tv-zenders, mobiele telefoons, WiFi) en komen voor bij het gebruik van elektriciteit. Radiofrequente elektromagnetische velden in de leefomgeving zijn onder andere afkomstig van mobiele telefoons en de bijbehorende basisstations, radio- en televisiezenders, wifi-apparatuur, DECT-telefoons en magnetrons. Extreem-laagfrequente magnetische velden zijn afkomstig van de transport van elektriciteit (bijvoorbeeld hoogspanningslijnen). De sterkte van deze magnetische velden wordt uitgedrukt in tesla of microtesla.

    Effectieve dosis is maat voor de extra kans op het krijgen van kanker door ioniserende straling

    De effectieve dosis is een maat voor de extra kans op het krijgen van kanker door de blootstelling aan ioniserende straling. Het precieze effect van straling wordt bepaald door het type straling, de geabsorbeerde stralingsdosis en de gevoeligheid van het getroffen weefsel voor straling. De effectieve dosis, met als eenheid sievert, houdt met al deze factoren rekening. Hierbij is het onderscheid tussen de deeltjesstraling (alfa- en beta-) en gammastraling van belang. Alfa- en in iets minder mate betastraling hebben een kort en dicht ionisatiespoor en daarmee een beperkte dracht. Zij zijn relatief makkelijk af te schermen en dragen vooral bij aan risico’s van straling indien ze in het lichaam worden afgegeven door in het lichaam opgenomen radioactieve stoffen. Van gamma- en röntgenstraling is de dracht veel groter en bestraling van buiten het lichaam kan in belangrijke mate bijdragen aan de stralingsblootstelling.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Bader S, Dekkers SAJ, Blaauboer RO. Stralingsbelasting in Nederlandse nieuwbouwwoningen - Eindrapport ventilatie- en radononderzoek. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
Bronverantwoording
  • Luchtverontreiniging

    Luchtmeetnet.nl

    De concentraties fijn stof, ozon en stikstofdioxide zijn afkomstig van meetgegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM, GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond (samen luchtmeetnet.nl). De luchtkwaliteit wordt continu gemeten en de resultaten zijn direct via de website www.luchtmeetnet.nl. Deze website toont de ongevalideerde gemeten luchtkwaliteit op meetpunten in Nederland. De gevalideerde data zijn beschikbaar onder de downloadoptie op luchtmeetnet.nl

    Meer informatie

  • Geluid

    Geluidbelasting door wegverkeer

    Sinds de wijziging in de geluidsregelgeving voor rijkswegen en spoorwegen en de invoering van geluidsproductieplafonds in 2012 stelt Rijkswaterstaat voor de rijkswegen jaarlijks een nalevingsverslag op (Rijkswaterstaat, 2015). Hierin staat op hoeveel punten een plafondoverschrijding plaats vindt en hoe de overschrijdingen opgelost worden. Voor de spoorwegen stelt Prorail sinds 2013 jaarlijks een nalevingsverslag op (Prorail, 2015).

    Cijfers over geluidbelasting tot en met 2012 zijn gebaseerd op gegevens over vliegverkeer van NLR, wegverkeer van RWS en Provincies en railverkeer van Prorail/Deltarail en zijn in 2012 bewerkt door het RIVM. Tot 2010 voerde PBL een modellering uit op de gegevens. De basis van de gegevens voor de RIVM en PBL modellen is anders. Dit heeft invloed op de uitkomsten. De berekeningen van 2010 en eerder zijn dan ook niet meer vergelijkbaar met de gegevens van 2012 (CBS et al., 2014).

    Landelijke schattingen geluidhinder en slaapverstoring

    Landelijke schattingen van het aantal volwassenen dat hinder en slaapverstoring ondervindt door geluid zijn afkomstig uit de ‘Inventarisatie Verstoringen’ (ook wel Hinderinventarisatie genoemd) van het RIVM en CBS (Van Poll et al., 2018). Deze wordt sinds 1977 met een interval van tussen de 5 en 8 jaar uitgevoerd. De mate waarin groepen mensen hinder of slaapverstoring ervaren, is in de hinderinventarisatie gemeten met een vragenlijst. Deze vragenlijst is afgenomen onder een steekproef van in Nederland woonachtige personen, die deel uitmaken van particuliere huishoudens en op het moment van het onderzoek 16 jaar of ouder zijn. Respondenten werd gevraagd in welke mate zij in de afgelopen 12 maanden in de thuissituatie gehinderd waren of in welke mate hun slaap verstoord was. Het gaat hierbij niet om een enkel incident, maar om de situatie zoals die over de afgelopen 12 maanden beleefd is.

    De respondenten kunnen op een schaal van 0 tot 10 antwoorden in welke mate zij zich gehinderd voelen of hun slaap verstoord is. Deze schaal wordt omgezet naar een range van 0 tot 100. Hierbij gelden de volgende afkappunten:

    • ernstige hinder of ernstige slaapverstoring: >72
    • (minstens) gehinderd of (minstens) slaap verstoord: >50
    • (minstens) enigszins gehinderd of (minstens) enigszins slaap verstoord: > 28

    Bij de lagere categorieën zijn de bovenliggende categorieën inbegrepen. Vandaar dat wordt gesproken van (minstens) enige hinder of slaapverstoring en (minstens) hinder of slaapverstoring.

    Regionale cijfers geluidhinder uit Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen

    Cijfers over geluidhinder naar GGD-regio en gemeente zijn afkomstig van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016. Deze cijfers zijn gebaseerd op een internationaal gestandaardiseerde vraag over geluidhinder die ook in de Hinderinventarisatie wordt gebruikt. Door middel van een getal van 0 (helemaal niet gehinderd) tot 10 (extreem gehinderd) hebben de respondenten (personen van 19 t/m 64 jaar) aangegeven in welke mate geluid van een zestal bronnen (wegverkeer < 50 km/uur; wegverkeer > 50 km/ uur; treinverkeer; vliegverkeer; brommers / scooters; buren) hindert, stoort of ergert in de thuissituatie. Antwoordoptie 'Niet hoorbaar' geldt voor als het geluid niet hoorbaar is in de thuissituatie.

    De antwoorden worden samengevat in een score: 

    • niet hoorbaar of geen of weinig (0-2)
    • matig (3-7)
    • ernstig (8-10)

    Hartinfarcten gerelateerd aan geluid

    Schattingen van het aantal hartinfarcten dat gerelateerd is aan het geluid afkomstig van wegverkeer, zijn afkomstig van een RIVM-studie uit 2008 (van Kempen & Houthuijs, 2008). In deze studie is een meta-analyse uitgevoerd om het aantal acute hartinfarcten te kunnen berekenen. Schattingen uit eerdere studies (van Kempen et al., 2001; de Hollander, 2004; Knol & Staatsen, 2005) vallen aanmerkelijk hoger uit. Dit komt onder meer door verschillen in onderzoeksopzet en doordat de RIVM-studie uit 2008 is gebaseerd op incidentie en de andere studies op prevalentie.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Rijkswaterstaat. Nalevingsverslag geluidproductieplafonds rijkswegen 2014. Rijkswaterstaat; 2015. Bron
    2. Prorail. Nalevingsverslag geluidproductieplafonds 2014, nr. P1217040. Prorail; 2015. Bron
    3. CBS, PBL, WUR. Geluidshinder in Nederland door weg-, rail- en vliegverkeer, 2012. Den Haag / Bilthoven / Wageningen: CBS, PBL, Wageningen UR; 2014. Bron
    4. Van Poll R, Breugelmans O, Houthuijs D, Van Kamp I. Beleving Woonomgeving in Nederland. Inventarisatie Verstoringen 2016. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2018. Bron
    5. van Kempen EEMM, Houthuijs DJM. Omvang van de effecten op gezondheid en welbevinden in de Nederlandse bevolking door geluid van weg- en railverkeer. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2008. Bron
    6. van Kempen EEMM, Ameling CB, Hoogenveen RT, Staatsen BAM, de Hollander AEM. De potentiële ziektelast toe te schrijven aan de geluidblootstelling in Nederland. Kwantitatieve schattingen in het kader van de Vijfde Milieuverkenningen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2001. Bron
    7. de Hollander AEM. Assessing and evaluating the health impact of environmental exposures "deaths, DALYs or dollars?". Utrecht: Universiteit van Utrecht; 2004. Bron
    8. Knol AB, Staatsen BAM. Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands 1980-2000. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2005. Bron
  • Water

    ILT rapporten over kwaliteit van het drinkwater

    Gegevens over de kwaliteit van het drinkwater komen uit het jaarlijkse rapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over de kwaliteit van het drinkwater in Nederland. Het rapport is gebaseerd op de resultaten van de controles van de drinkwaterkwaliteit door de drinkwaterbedrijven. De drinkwaterbedrijven voeren een wettelijk meetprogramma uit voor het bewaken van de drinkwaterkwaliteit. Ze voeren daarbij metingen uit op een set wettelijk verplichte parameters. Dit gebeurt na de laatste zuiveringsstap (af pompstation) en op verschillende plaatsen in het distributienetwerk, en soms voor een aantal parameters ook bij de klant thuis (ILT, 2017). Bijna alle huishoudens in Nederland zijn aangesloten op het waterleidingnet. Een zeer beperkt aantal huishoudens haalt hun drinkwater nog uit privé-putten. Deze zogeheten eigen winningen zijn geen onderdeel van de jaarlijkse rapportage van de ILT. Wel zijn eigenaren van privé-putten wettelijk verplicht om de kwaliteit van het water, dat zij aan derden ter beschikking stellen, te bewaken met behulp van een door de ILT goedgekeurd meetprogramma.

    Zwemwaterrapportage van de Europese Commissie

    Informatie over de kwaliteit van het zwemwater komt uit de jaarlijkse zwemwaterrapportage van de Europese Commissie (EEA, 2018). Het zwemwater wordt daarin volgens de Zwemwaterrichtlijn ingedeeld in de kwaliteitsklassen: uitstekend, goed, aanvaardbaar of slecht. De berekening van de waarden die bepalen in welke klasse een zwemlocatie wordt ingedeeld, is gebaseerd op de metingen van de indicatorparameters E.coli en intestinale enterococcen gedurende vier badseizoenen. Officiële zwemlocaties moeten gedurende het badseizoen (van 1 mei tot 1 oktober) tweewekelijks bemonsterd worden. De resultaten van de metingen moeten door de lidstaten van de Europese Unie aan de Europese Commissie worden gerapporteerd. De Europese Commissie neemt ze vervolgens op in de jaarlijkse zwemwaterrapportage.

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. ILT. De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2016. Den Haag: Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT); 2017. Bron
    2. EEA. European bathing water quality in 2017. Luxembourg: European Environmental Agency (EEA); 2018. Bron
Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Luchtverontreiniging

    Berekening gezondheidseffecten ozon

    Berekeningen van de gezondheidseffecten van ozon zijn gebaseerd op relatieve risicocijfers uit de HRAPIE-studie van de WHO (WHO Europe, 2013) en VTV diagnosegroepen. Daarbij is uitgegaan van een 8-uursgemiddelde ozonconcentraties (van 12 tot 20 uur) van 58 ug/m3. Ook is er van uitgegaan dat er geen drempelwaarde bestaat waaronder geen effecten meer zullen optreden. Dit wijkt af van de HRAPIE aanbeveling om dagen met een maximale 8-uursgemiddelde ozonconcentratie van minder dan 20 ug/m3 niet in de berekeningen te betrekken.

    Achterliggende cijfers en bronnen

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. WHO Europe. Health risks of air pollution in Europe – HRAPIE project Recommendations for concentration–response functions for cost–benefit analysis of particulate matter, ozone and nitrogen dioxide. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe; 2013. Bron
  • Straling

    Gezondheidsgevolgen van gemiddelde stralingsdosis moeilijk te schatten

    De gezondheidsgevolgen van de gemiddelde stralingsdosis die een Nederlander jaarlijks ontvangt, zijn moeilijk te schatten. Het is namelijk niet mogelijk om de kankergevallen die door ioniserende straling ontstaan te identificeren. Risico’s kunnen wel geschat worden op basis van epidemiologisch onderzoek bij hoge blootstellingniveaus, maar dan is daarna een extrapolatie naar de lagere niveaus nodig. Dat gebeurt nu veelal met een lineaire relatie. Voor de blootstelling in Nederland komen we dan op circa 2.000 sterfgevallen per jaar. Daarbij zijn veel kanttekeningen te plaatsen. Zo is het door straling toegevoegde risico minder indien de blootstelling op latere leeftijd plaatsvindt, en is er onzekerheid over de geldigheid van de lineaire extrapolatie.