Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

FunctioneringsproblemenCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Meer vrouwen dan mannen mobiliteitsbeperkingen

Regionaal & Internationaal

In Nederland relatief grote man-vrouw verschillen

Kosten

Preventie & Zorg

Aantal beperkingen naar leeftijd

Meer beperkingen vanaf 75 jaar

Van de bevolking ouder dan 12 jaar ervaart 12% één of meer beperkingen in activiteiten met betrekking tot zien, horen of mobiliteit. Beperkingen nemen toe met het ouder worden: boven de 75 jaar ervaart meer dan 40% één of meer beperkingen in het functioneren. Ook hebben 75-plussers vaker meerdere beperkingen. 

Meer informatie

Datum publicatie

14-11-2018

Beperkingen in horen

Beperkingen in horen vooral bij 75-plussers

Beperkingen in het uitvoeren van activiteiten die te maken hebben met horen nemen toe met de leeftijd. Bij 75-plussers komen beperkingen in horen duidelijk het meeste voor, vaker bij mannen dan bij vrouwen. In de hele bevolking (12+) meldt 3% minstens één gehoorbeperking.

Meer informatie

Datum publicatie

14-11-2018

Beperkingen in zien

Beperkingen in zien nemen toe met de leeftijd

Beperkingen in activiteiten met betrekking tot zien komen voor bij 3% van de bevolking ouder dan 12 jaar. Visuele beperkingen nemen toe met de leeftijd. Ouderen boven de 75 jaar rapporten het vaakst één of meer beperkingen in zien, vrouwen meer dan mannen.

Meer informatie

Datum publicatie

14-11-2018

Beperkingen in mobiliteit

Ruim 40% van de vrouwen boven de 75 heeft een mobiliteitsbeperking

Beperkingen in activiteiten met betrekking tot bewegen nemen sterk toe met de leeftijd. Vooral oudere vrouwen ervaren relatief vaak één of meer beperkingen in hun mobiliteit. In de hele bevolking (12+) ervaart  9% één of meer mobiliteitsbeperkingen.

Meer informatie

Datum publicatie

14-11-2018

Beperkingen in activiteiten van het dagelijks leven (ADL)

ADL beperkingen vooral bij ouderen

Beperkingen in activiteiten van het dagelijkse leven (ADL) komen voor bij 3,9% van de volwassen mannen (18+) en 8,2% van de volwassen vrouwen. Het gaat daarbij om beperkingen bij het in en uit de stoel komen, in en uit bed komen en de trap op en af komen. ADL beperkingen nemen toe met de leeftijd. Bij vrouwen boven de 75 jaar komen ADL beperkingen het vaakst voor.

Meer informatie

Datum publicatie

14-11-2018

Beperkingen naar opleiding

Beperkingen naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau 2017

25 jaar en ouder
LaagMiddelbaarHoogTotaal
Mannen25-444,53,61,53,2
Mannen45-6420,810,73,011,5
Mannen65+26,818,012,019,0
Vrouwen25-4419,07,83,810,2
Vrouwen45-6428,113,06,015,7
Vrouwen65+40,628,122,030,2


 

Hoogopgeleiden hebben minder vaak beperkingen

De grafiek presenteert cijfers over 2017 naar opleiding, deze cijfers zijn getoetst op significantie. Resultaten van deze toetsing zijn:

  • Bij zowel mannen als vrouwen hebben laagopgeleiden relatief vaker een beperking dan hoogopgeleiden. Zo is dit bij vrouwen van 65 jaar en ouder achtereenvolgens 40,6 en 22%.
  • Het percentage mannen en vrouwen met een beperking is groter onder laagopgeleiden dan onder middelbaaropgeleiden.
  • Bij  25- tot 45-jarige mannen is geen significant verschil te zien in beperkingen naar opleiding.
  • Alleen bij mannen van 45 tot 65 jaar en bij vrouwen van 25 tot 45 en 45 tot 65 jaar is het percentage mensen met een beperking groter onder middelbaaropgeleiden dan onder hoogopgeleiden.

Datum publicatie

20-12-2018

Verantwoording

Definities
  • Classificatie van het menselijk functioneren

    De International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) biedt zowel een begrippenkader als een systematisch codestelsel voor de beschrijving van het menselijk functioneren en functioneringsproblemen (WHO-FIC Collaborating Centre, 2002). Deze classificatie onderscheidt het menselijk functioneren op drie niveaus, namelijk in termen van:

    1. Lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen (bijvoorbeeld spierfuncties);
    2. Activiteiten (bijvoorbeeld lopen);
    3. Participatie of deelname aan het maatschappelijk leven (bijvoorbeeld het onderhouden van relaties).


    Als er problemen ontstaan in lichaamsfuncties, in het uitvoeren van activiteiten of in het participeren, spreken we achtereenvolgens van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen.

    Op Volksgezondheidenzorg.info richten we ons op het tweede niveau van het menselijk functioneren: beperkingen in activiteiten die te maken hebben met horen, zien, mobiliteit en ADL.

  • Indicatoren lichamelijk functioneren

    In VZinfo onderscheiden we de volgende beperkingen in het uitvoeren van activiteiten: beperkingen in het uitvoeren van activiteiten die te maken hebben met horen, zien, mobiliteit, en activiteiten van het dagelijkse leven (ADL). Deze indicatoren zijn gebaseerd op een OECD-vragenlijst (McWhinnie, 1981). Beperkingen in horen, zien en mobiliteit kunnen ook samen bekeken worden. Beperkingen in activiteiten van het dagelijkse leven (ADL) worden apart beschouwd.

    Tabel: Definities van vier indicatoren voor beperkingen

    Indicator Omschrijving
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot horen  Grote moeite met of niet in staat zijn een gesprek te volgen met één andere persoon; of in een groep van 3 of meer personen (zo nodig met hoorapparaat).
    Beperkingen in activiteiten met betrekking tot zien  Grote moeite met of niet in staat zijn de kleine letters in de krant te lezen; of op een afstand van 4 meter het gezicht van iemand te herkennen (zo nodig met bril of contactlenzen).
    Beperkingen in bewegen Grote moeite of niet in staat een voorwerp van 5 kg, bijvoorbeeld een volle boodschappentas, 10 meter te dragen; bukken en iets van de grond te pakken; of 400 meter aan een stuk te lopen zonder stil te staan (zonodig met stok).
    Functioneringsproblemen Grote moeite met minstens één van bovengenoemde beperkingen.
    ADL-beperkingen Grote moeite met of alleen met hulp van anderen in staat zijn te gaan zitten en opstaan uit een stoel; in en uit bed stappen; en de trap op- en aflopen.

    Naast deze vier indicatoren, wordt in VZinfo bij de internationale vergelijkingen een overkoepelende indicator gebruikt: Beperkingen bij dagelijkse activiteiten als gevolg van gezondheidsproblemen. De beperking moet minimaal zes maanden bestaan en is ingedeeld in: 'ernstig beperkt', 'beperkt maar niet ernstig' of 'helemaal niet beperkt'. De indicator is gebaseerd op de Global Activity Limitation Indicator (GALI).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. McWhinnie JR. Disability assessment in population surveys: results of the O.E.C.D. Common Development Effort. Rev Epidemiol Sante Publique. 1981;29(4):413-9. Pubmed
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over functioneringsproblemen

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Gezondheidsenquête, voorheen POLS, gezondheid en welzijn Beperkingen in horen, zien, mobiliteit en ADL Nederlandse bevolking vanaf 12 jaar Gezondheidsenquête, POLS, gezondheid en welzijn
    Gezondheidsmonitor Volwassenen GGD-en, CBS en RIVM Beperkingen in horen, zien en mobiliteit Nederlandse bevolking vanaf 19 jaar Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM, 2016
    European Statistics of Income and Living Conditions (EU-SILC) survey Beperkingen bij dagelijkse activiteiten als gevolg van gezondheidsproblemen Europese bevolking vanaf 16 jaar  EU-SILC survey
  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier. Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

Andere websites over Functioneringsproblemen